Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4062

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
HD 200.096.905_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Bepaling vergoeding ex artikel 7:299 lid 3 BW in geval van voorgewende wil tot eigen gebruik. Executoriale titel of afzonderlijke procedure vereist?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 299
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/259
WR 2015/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.096.905/01

arrest van 7 oktober 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.A.M.H. de Wit te ’s-Hertogenbosch,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.R. Freeman te Valkenswaard,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 september 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch , sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnis van 9 juni 2011 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 705000/rolnummer 10/7824)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met een productie;

- de memorie van grieven van [appellant] van 14 mei 2013 met producties;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 23 juli 2013 met producties;

- de akte van [appellant] van 3 september 2013 met een producties;

- de antwoordakte van [geïntimeerde] van 1 oktober 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de twee grieven van [appellant] verwijst het hof naar diens memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Het gaat in dit hoger beroep om een vordering ex artikel 7:299 lid 1 BW tot vergoeding van schade na de beëindiging van de huurovereenkomst betreffende het pand aan [adres] te [plaats]. Met ingang van 1 december 1995 was [geïntimeerde] verhuurder, JVH Exploitatie BV huurder en [appellant] onderhuurder. Tussen partijen is een procedure aanhangig geweest die heeft geleid tot de beëindiging van de huurovereenkomst per 1 december 2007, de vaststelling van de ontruiming op dat tijdstip, de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van € 10.000,= en de bepaling van de vergoeding ex artikel 7:299 lid 3 BW (bij het ontbreken bij [geïntimeerde] van de wil tot persoonlijk duurzaam gebruik) op € 60.000,=. Deze beslissingen zijn opgenomen in een vonnis van de kantonrechter te Eindhoven van 8 juli 2007 en bekrachtigd bij arrest van dit hof van 24 maart 2009 (zaaknummer HD 103.006.148).

4.2

In de onderhavige zaak vorderde [appellant] in eerste aanleg, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van:

  1. het bedrag van € 60.000,= dat aan [appellant] op de voet van artikel 7:299 lid 3 BW was toegekend;

  2. het bedrag van € 10.000,= als verhuis- en inrichtingskosten;

  3. een bedrag van € 320.977,06 wegens andere schade;

  4. een bedrag van € 4.165,= aan buitengerechtelijke incassokosten.

[geïntimeerde] heeft deze vorderingen bestreden.

4.3

Met betrekking tot de posten 1) en 2) heeft de kantonrechter in het vonnis van 9 juni 2011 [appellant] niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat hij daarvoor reeds over een titel beschikte. Voor het overige heeft de kantonrechter de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.4

Het hoger beroep van [appellant] betreft uitsluitend post 1), de vergoeding ex artikel 7:299 lid 3 BW. Grief I van [appellant] komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van deze post. Grief II betreft de afwijzing ervan in het dictum van het beroepen vonnis en de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. De overige drie posten zijn in dit hoger beroep niet aan de orde.

4.5

Volgens [appellant] heeft bij [geïntimeerde] van meet af aan de wil ontbroken om het pand persoonlijk duurzaam in gebruik te nemen, zodat [geïntimeerde] het eerder bepaalde bedrag van € 60.000,= verschuldigd is geworden. Dit bedrag vordert hij, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg, 15 juli 2010, tot aan de voldoening. [appellant] beroept zich hierbij mede op het vermoeden van artikel 7:299 lid 2 BW nu [geïntimeerde] het gehuurde gedurende een jaar na het einde van de huurovereenkomst per 1 december 2007 niet zelf in gebruik heeft genomen.

4.6

[geïntimeerde] heeft onder meer aangevoerd dat [appellant] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden omdat op grond van artikel 7:299 lid 4 BW zijn vordering tot betaling van dit bedrag per 1 december 2012 is vervallen. Dit argument gaat evenwel niet op aangezien [appellant] zijn vordering tot betaling van de vergoeding bij dagvaarding van 15 juli 2010 heeft ingesteld, derhalve binnen de vervaltermijn van vijf jaar van artikel 7:299 lid 4 BW.

4.7

[geïntimeerde] heeft verder onder meer aangevoerd dat [appellant] door de kantonrechter terecht niet-ontvankelijk is verklaard in deze vordering aangezien hij ten aanzien van deze post reeds over een executoriale titel beschikte. Het hof kan zich in dit betoog niet vinden. De vergoeding ex artikel 7:299 lid 3 BW is bepaald op het bedrag van € 60.000,=, maar daarmee heeft [appellant] nog geen executoriale titel verkregen. Deze bepaling houdt immers geen veroordeling van [geïntimeerde] in tot betaling van het aldus vastgestelde bedrag. Daarvoor is bij betwisting door de verhuurder van de verschuldigdheid van het bedrag een afzonderlijke procedure vereist. Grief I van [appellant] die tegen dit oordeel van de kantonrechter opkomt, slaagt in zoverre.

4.8

De grondslag van de schadevergoedingsplicht ex 7:299 lid 1 BW is dat de wil om het gehuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen in werkelijkheid van de aanvang (opzegging) af niet aanwezig is geweest. [appellant] heeft de bewijslast van het ontbreken van die wil ten tijde van de huuropzegging in oktober 2004 en ten tijde van de procedure (ingeleid in maart 2005), en kan daarbij onder omstandigheden gebruik maken van het bewijsvermoeden van lid 2.

[appellant] voert in dit verband aan dat [geïntimeerde] heeft nooit plannen gehad om zelf een horecaonderneming te exploiteren, althans nooit uitvoering daaraan te gegeven. De aard van de onderneming is evenwel niet van belang. Ook als vastgesteld wordt dat [geïntimeerde] na het vertrek van [appellant] zelf niet voor horecadoeleinden (maar wel voor andere doeleinden) is gaan gebruiken, rechtvaardigt dat niet de gevolgtrekking dat de wil bij huuropzegging ontbrak. Het (oorspronkelijke) voornemen van de verhuurder bij huuropzegging kan en mag later verandering ondergaan.

[appellant] voert verder aan dat [geïntimeerde] in werkelijkheid vergevorderde verkoopplannen had. Dit betoog is in de huurbeëindigingsprocedure ook al aangevoerd en gepasseerd. [appellant] voert in onderhavige procedure geen feiten en omstandigheden aan die nu een ander licht daarop werpen. Bovendien wordt deze stelling, ook nu, onvoldoende onderbouwd, en gemotiveerd betwist. Niet of onvoldoende wordt aangetoond dat destijds vergaande onderhandelingen door [geïntimeerde] met een projectontwikkelaar plaatsvonden

4.9

[appellant] beroept zich op het bewijsvermoeden van artikel 7:299 lid 2 BW. In de situatie zoals die zich hier voordoet, waarin in eerste aanleg het einde van de huur en de ontruimingsdatum zijn bepaald op 1 december 2007, zonder uitvoerbaarverklaring bij voorraad, en [appellant] in afwachting van de uitkomst van het door hem ingesteld hoger beroep in het gehuurde blijft, is het bewijsvermoeden van artikel 7:299 lid 2 BW niet aan de orde, althans niet zolang de huurder nog niet is vertrokken, vrijwillig dan wel gedwongen. Dat [geïntimeerde] na 1 december 2007 [appellant] gedurende (meer dan) een jaar het gehuurde heeft laten doorgebruiken, waartoe hij ook wettelijk verplicht was, betekent dus nog niet - bij wijze van vermoeden, en behoudens tegenbewijs – dat de verhuurder bij de huuropzegging niet de wil had om voor persoonlijk gebruik te gaan gebruiken. In dit geval doet zich niet de situatie voor dat de verhuurder na het feitelijke vertrek door huurder het gehuurde gedurende een jaar in het geheel niet in eigen gebruik heeft genomen. Daarover worden door [appellant] echter geen gegevens aangevoerd. [geïntimeerde] stelt dat hij na 1 augustus 2009 wel geprobeerd heeft om, na herstel van de aangetroffen toestand, het café nog op te starten, hetgeen niet lukte. [geïntimeerde] is dus wel met enige vorm van eigen gebruik begonnen na het vertrek van [appellant].

4.10

Overigens heeft [geïntimeerde], ook indien er plaats zou zijn voor toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 7:299 lid 2 BW, voldoende aangevoerd ter ondersteuning van zijn stelling dat hij ten tijde van de opzegging en de inleiding van de procedure tot huurbeëindiging de wil bedoeld in artikel 7:299 lid 1 BW in werkelijkheid heeft gehad, maar dat deze later door omstandigheden is gewijzigd of geblokkeerd dan wel dat hij wel is gaan gebruiken maar op een andere wijze dan aanvankelijk gedacht.

4.11

Op grond hiervan komt het hof tot de slotsom dat de vordering van [appellant] die in dit hoger beroep aan de orde is, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Grief I treft daarom geen doel. Hetzelfde geldt voor grief II die naast de andere grief geen zelfstandige betekenis heeft.

4.12

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen voor zover daarbij [appellant] ten aanzien van post 1) niet-ontvankelijk is verklaard en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellant] op dit onderdeel afwijzen. [appellant] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van 9 juni 2011 voor zover [appellant] daarbij ten aanzien van post 1) van zijn vordering (de vergoeding van € 60.000,=) niet-ontvankelijk is verklaard en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst post 1) van de vordering van [appellant] (de vergoeding van € 60.000,=) af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.475,= aan vast recht en op € 2.446,50 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en Th.J.A. Kleijngeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2014.