Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:406

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
HD 200.109.561_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennep. Fraude afname elektriciteit. Tegenbewijslevering tegen voorshands bewijsoordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.109.561/01

arrest van 18 februari 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard,

tegen

Stedin B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven te 's-Gravenhage,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 juli 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton onder zaaknummer 317993 CV EXPL 11-4645 gewezen vonnis van 3 april 2012.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 30 juli 2013;

- het proces-verbaal van de enquête van 10 oktober 2013 in het kader van tegenbewijslevering van [appellant];

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] met drie producties;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van Stedin.

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.1.

Bij genoemd tussenarrest is [appellant] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stellingen dat aan de [registergoed] in de periode 2/1/08-17/5/10 een hoeveelheid van 46.432 + 20.016 kWh aan elektriciteit is afgenomen zonder dat dat geregistreerd is.

7.1.2.

Daarop heeft [appellant] op 10 oktober 2013 drie getuigen doen horen: zichzelf, zijn echtgenote en zijn zoon, [appellant's zoon].

7.1.3.

[appellant] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Hij wist niet dat de ijkzegels waren verbroken. Op enig moment, [appellant] weet niet wanneer, zijn in zijn woning de elektrische radiatoren vervangen door één houtkachel, waardoor het energieverbruik een stuk lager is geworden. In 2010 is het elektriciteitsverbruik omhoog gegaan doordat een garage op zijn terrein werd verbouwd tot een woning voor zijn zoon. Die verbouwing heeft ongeveer drie à vier jaar geduurd, zijn zoon woont er nu ongeveer anderhalf jaar.

7.1.4.

De echtgenote van [appellant], [appellant's echtgenote], heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Zij wist niet dat de ijkzegels waren verbroken. In 2007 is het stroomverbruik omlaag gegaan, omdat tussen Kerst en Oud en Nieuw 2006 alle elektrische radiatoren zijn vervangen door gewone radiatoren die door een houtkachel werden verwarmd. Op het terrein (hof: van de [registergoed] in [plaats]) stond ook een garage, die op enig moment is verbouwd tot woning voor de zoon van [appellant]. Aan die verbouwing is vier à vijf jaar gewerkt. De zoon woont er sinds het voorjaar van 2012. Toen in augustus 2010 de meterstanden aan de NEM werden opgegeven, bleek dat doorgegeven had moeten worden dat er vanaf 18 mei 2010 een nieuwe meter was. Toen moest een nieuw contract met de NEM worden afgesloten. Dat was in november 2010. Dat verklaart de begindatum 3 november 2010 op de jaarnota 2010/2011, maar de meterstand was toen niet nul. De meter is namelijk vanaf 18 mei 2010 gaan lopen. Een aparte afrekening over de periode 18 mei 2010 - 3 november 2010 heeft [appellant] ook niet gehad.

7.1.5.

De zoon van [appellant], [appellant's zoon], heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard. Hij is elektricien. Bij de ontdekking van de hennepkwekerij in de loods, heeft de politie ook ontdekt dat de getuige ongeveer 50 hennepplanten in de paardenstal had staan, met de benodigde apparatuur. De getuige wil niet zeggen of hij een eerdere oogst had gehad. Hij betrok de elektriciteit uit het stopcontact. Hij wist niet dat de ijkzegels waren verbroken. Hij heeft nooit aan de meetinrichting gewerkt. Hij weet niet wanneer de houtkachel in gebruik is genomen. Vijf à zes jaar geleden zijn ze begonnen met de verbouwing van de garage tot een woning voor hem. De voor de verbouwing benodigde elektriciteit en de elektriciteit die hij nu in de woning gebruikt, loopt via de meter die in het woonhuis van zijn ouders staat.

7.2.1.

[appellant] heeft bij memorie na enquête aangevoerd, dat hij gemotiveerd heeft bestreden dat uit het historisch verbruik zou moeten volgen dat sprake is geweest van fraude met de meterstanden. Volgens hem is duidelijk dat het stroomverbruik in de periode 18 mei 2010 (hof: tijdstip direct na de ontmanteling van de hennepkwekerij) tot 22 november 2012 veel lager is dan in 2005 en 2006. Weliswaar is het hoger dan in 2007, 2008 en 2009, maar dat wordt verklaard door het feit dat de zoon van [appellant] zijn intrek heeft genomen in de tot een woning verbouwde garage en het stroomverbruik van die woning ook over de meter van [appellant] loopt. Daarnaast heeft [appellant] in 2010 een vijver aangelegd, die veel stroom verbruikt. [appellant] heeft producties overgelegd (13 en 14) die betrekking hebben op de verbouwing van de garage en op de vijver. Ook heeft [appellant] nogmaals foto’s overgelegd van de meterstanden op 22 november 2012 (productie 9), ditmaal een leesbare versie. [appellant] sluit verder niet uit dat de ijkzegels op het moment van ontdekking van de hennepkwekerij (nog) niet verbroken waren. Stedin gaat ten onrechte uit van een verbruik van de in de kwekerij aanwezige apparatuur van 20.016 kWh, omdat ten onrechte van twee teeltperiodes wordt uitgegaan, aldus [appellant].

7.2.2.

Stedin heeft betoogd dat [appellant] niet is geslaagd in het leveren van voldoende tegenbewijs. Volgens Stedin moeten de verklaringen van [appellant], zijn echtgenote en zijn zoon met de nodige behoedzaamheid worden bekeken, te meer nu die verklaringen kennelijk ter voorbereiding van de verhoren op elkaar zijn afgestemd. Uit de verklaringen van de getuigen kan volgens Stedin worden afgeleid dat men al in 2008 met de verbouwing van de garage tot woonhuis van de zoon is begonnen, zodat die verbouwingswerkzaamheden voor een groot deel samenvallen met de periode waarover Stedin een herberekening van het verbruik heeft gemaakt. Verder acht Stedin het onaannemelijk dat elektrische radiatoren geschikt zijn om ook verwarmd te worden door middel van een houtkachel en wijst zij er op dat [appellant] van die vervanging, waarvan Stedin betwist dat dat daadwerkelijk is gebeurd, althans dat dat voor 17 mei 2010 is gebeurd, geen bewijzen heeft overgelegd. Dat de getuigen verklaren niet te hebben geweten dat de ijkzegels waren verbroken, is niet relevant. Uit de jaarnota van januari 2012 en de gefotografeerde meterstanden kan niet worden afgeleid dat Stedin het energieverbruik over de periode vóór 17 mei 2010 niet op juiste wijze heeft berekend. Eventueel lager energieverbruik na 17 mei 2010 kan allerlei oorzaken hebben en bovendien is ook de jaarafrekening gebaseerd op schattingen, aldus Stedin. Verder is de gestelde informatie omtrent de vijver volgens Stedin in het geheel niet onderbouwd.

7.3.1.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof verwijst naar en volhardt in hetgeen het bij tussenarrest van 30 juli 2013 heeft overwogen en beslist. Meer in het bijzonder roept het hof de volgende reeds vastgestelde feiten en gegeven beslissingen in herinnering:

  • -

    vaststaat dat sprake is geweest van een eerdere teelt (r.o. 4.6.10), zodat Stedin terecht is uitgegaan van een periode van 70 (1 teelt) + 69 (leeftijd aangetroffen planten) = 139 dagen gedurende welke elektriciteit is afgenomen ten behoeve van de hennepkwekerij (r.o. 4.6.11);

  • -

    de hennepkwekerij heeft 20.016 kWh aan elektriciteit verbruikt (r.o. 4.6.11);

  • -

    over de periode 2/1/08-17/05/10 is (als geregistreerd verbruik) 51.239 kWh in rekening gebracht (r.o. 4.7.1);

  • -

    de ijkverzegeling is verbroken (r.o. 4.7.4 i).

7.3.2.

Voor zover [appellant] de hiervoor genoemde feiten en oordelen nadien (opnieuw) heeft bestreden, worden die verweren verworpen. Er is overigens ook niet gesteld of gebleken dat die eerdere beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.

7.3.3.

Op grond van hetgeen het hof in r.o. 4.7.4 tot en met 4.7.11 heeft overwogen, heeft het hof vervolgens voorshands bewezen geacht dat aan de [registergoed] in de periode 2/1/08-17/5/10 46.432 kWh + 20.016 kWh aan elektriciteit is afgenomen zonder dat dat geregistreerd is.

7.3.4.

Naar het oordeel van het hof is [appellant] er niet in geslaagd dit voorshandse oordeel te ontzenuwen. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking.

7.3.5.

[appellant] heeft, samengevat, aangevoerd dat:

- in 2007 veel minder energie is verbruikt dan in 2005 en 2006, omdat in december 2006 de elektrische radiatoren vervangen zijn door radiatoren die door een houtkachel werden verwarmd;

- ook na 17 mei 2010 (de ontmanteling van de hennepkwekerij) veel minder energie is verbruikt, zij het dat ten gevolge van de verbouwing van de garage tot een woonhuis, dat verbruik wel hoger lag dan in de jaren 2007, 2008 en 2009.

7.3.6.

De in het kader van het te leveren tegenbewijs afgelegde getuigenverklaringen zijn afgelegd door [appellant] zelf en door zijn echtgenote en zoon. Weliswaar speelt in het kader van tegenbewijs niet de door artikel 164 lid 2 Rv. vervatte beperking, maar dat neemt niet weg dat het hof de verklaringen behoedzamer weegt dan verklaringen welke zouden zijn afgelegd door onafhankelijke derden. Daar komt bij dat [appellant] zijn stelling dat vanaf december 2006 de wijze van verwarmen is veranderd (van elektrische verwarming naar verwarming door middel van een houtkachel) niet met enig schriftelijk stuk (van bijvoorbeeld de ontmanteling van de elektrische verwarming en de aansluiting van de houtkachel/radiatoren; eventuele facturen met betrekking tot de installatie en/of aanschaf van onderdelen) heeft onderbouwd en ook dat [appellant] en zijn zoon hebben verklaard niet te weten wanneer de vervanging heeft plaatsgevonden. Voorts zijn de afgelegde verklaringen omtrent energieverbruik na 17 mei 2010 onvoldoende concreet om het voorshandse oordeel dat in de periode voordien 46.432 + 20.016 kWh ongeregistreerd is afgenomen, te ontzenuwen. In dit verband is mede van belang, dat volgens de getuigen de verbouwing aan de garage (en het daarmee gepaard gaande energieverbruik) al in 2008 moet zijn begonnen en dus onvoldoende verklaring geeft voor (veranderingen in) het energieverbruik vanaf medio 2010. Daar komt nog bij dat [appellant] niet heeft bestreden dat – zoals Stedin opmerkt, onder meer in de memorie van antwoord sub 24 - de in de jaarnota van 12 januari 2012 vermelde meterstanden (slechts) geschatte meterstanden zijn. Voor wat betreft de door [appellant] vermelde vijver die volgens hem mede het hogere energieverbruik na 2010 zou kunnen verklaren, welk argument [appellant] overigens pas bij memorie na enquête, dus in beginsel te laat heeft aangevoerd, geldt dat Stedin er terecht op heeft gewezen dat uit de door [appellant] overgelegde informatie in het geheel niet blijkt dat die vijver op het terrein van [appellant] is aangelegd en aangesloten, laat staan dat die vijver een bepaald hoog energieverbruik heeft.

7.3.7.

Aan het hiervoor gegeven oordeel doet niet af, dat Stedin geen duidelijkheid heeft gegeven omtrent het feit dat in de eindafrekening de meterstand op 3 november 2010 op nul is gesteld en hoe het dan zit met de periode 18/5/10-3/11/10. Ook indien die periode bij het nadien geregistreerde verbruik zou moeten worden betrokken (zodat per saldo het verbruik over een bepaalde periode (dat wil zeggen: het verbruik per dag of per jaar) na 17/5/10 lager zou zijn), kan dat niet afdoen aan de hiervoor uiteengezette redenen waarom het bijeengebrachte tegenbewijs het voorshands gegeven oordeel niet ontzenuwt.

7.3.8.

Bij het voorgaande moet, zoals in het tussenarrest van 30 juli 2013 al is overwogen (r.o. 4.6.8), tenslotte ook betrokken worden dat, indien, zoals in dit geval, het enige controlemiddel (de meetinrichting) niet meer betrouwbaar is ten gevolge van de verbreking van de ijkverzegeling en aldus manipulatie mogelijk is geworden, aan het bewijs van de omvang van de energieafname geen al te zware eisen worden gesteld.

7.4.

De slotsom is dat de eerste vijf grieven falen en in het verlengde daarvan de zesde grief ook. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van Stedin gevallen proceskosten worden veroordeeld.

8 De uitspraak

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Stedin worden begroot op € 666,-- aan verschotten en op € 1.264,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, P.M.A. de Groot-van Dijken en M.A. Wabeke en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2014.