Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4029

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2014
Datum publicatie
06-10-2014
Zaaknummer
20-002409-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:5047, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor doodslag op zijn schoonzoon tot 14 jaren gevangenisstraf. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof voorbedachte raad niet bewezen. De mogelijkheid is open gebleven dat in de auto van het slachtoffer een conflict is ontstaan, waarbij de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

De moeder en broer van het slachtoffer zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen als benadeelde partijen. Het hof heeft de moeder ter terechtzitting op de voet van art. 333 Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade omdat zij niet behoort tot de categorieën personen die zich o.g.v. art. 51f Sv als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen. De broer is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot vergoeding van kosten van lijkbezorging omdat niet vaststaat welke kosten daadwerkelijk zijn geleden en niet door de verzekering zijn vergoed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, 289
Wetboek van Strafvordering 51f, 333
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002409-13

Uitspraak : 6 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 juli 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-810674-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is de verdachte ter zake van moord op [N] veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partijen [S] en [T] en over in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2013.

Het hof heeft ter terechtzitting van 22 september 2014 op de voet van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering de benadeelde partij [S], zijnde de moeder van het slachtoffer [N], niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, strekkende tot vergoeding van € 10.000,= aan immateriële schade, omdat zij niet behoort tot de categorieën personen die zich op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen. Bij dit arrest zal nog worden beslist omtrent de kosten van deze benadeelde partij en de verdachte.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd en hetgeen van de zijde van de benadeelde partijen naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen met uitzondering van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de beslissing ten aanzien van het beslag en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

- de vordering van de benadeelde partij [T] zal toewijzen tot een bedrag van € 5.000,= met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- de onttrekking aan het verkeer zal gelasten van de in beslag genomen hulzen, projectielen/projectieldelen, handschoen en Del Pino jas;

- de teruggave aan de nabestaanden van [N] zal gelasten van de voorwerpen die zijn veiliggesteld bij de sectie (niet zijnde projectielen/projectieldelen);

- de teruggave aan [F] zal gelasten de overige in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair, indien het hof bewezen zou achten dat de verdachte het slachtoffer [N] van het leven heeft beroofd, heeft de raadsman vrijspraak van moord bepleit omdat geen sprake zou zijn van voorbedachte raad. Voor het geval het hof tot een strafoplegging komt, heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte is bepleit dat de benadeelde partij [T] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal worden verklaard, althans dat die vordering zal worden afgewezen. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

De advocaat van de benadeelde partij [T] heeft toewijzing van de vordering tot schadevergoeding bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 februari 2012 en/of op 4 februari 2012 te Dongen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [N] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meerdere kogels afgevuurd in/op het lichaam van die [N], ten gevolge waarvan voornoemde [N] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 februari 2012 te Dongen opzettelijk [N] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen kogels afgevuurd in/op het lichaam van die [N], ten gevolge waarvan voornoemde [N] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.1

1.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisanten [V1] en [V2] (hoofddossier p. 171-173):

Op zaterdag 4 februari 2012 omstreeks 00.25 uur bevonden wij, verbalisanten, ons in Dongen, gemeente Dongen. Wij reden over de Deken Batenburgstraat. Wij reden het parkeerterrein op van zwembad ‘De Vennen’. Wij zagen dat er een zilveren personenauto geparkeerd stond. Wij keken via het raam van de bestuurdersdeur in de zilveren personenauto. Wij zagen een manspersoon onderuit gezakt zitten. Wij zagen dat deze manspersoon zat op de bestuurdersstoel achter het stuur. Wij zagen dat de manspersoon met zijn hoofd achterover hing tegen de bijrijdersstoel aan. Wij zagen een rode vloeistof bij de neus en bij het linkeroor van de manspersoon. Wij zagen dat de nek van de manspersoon onder dezelfde vloeistof zat. Wij hadden de indruk dat de vloeistof bloed betrof. Ik, [V2], heb de Gemeenschappelijke Meldkamer te Tilburg medegedeeld dat wij een persoon onder bloed hadden aangetroffen op de parkeerplaats van zwembad ‘De Vennen’. Ik heb medegedeeld dat het kenteken van de geparkeerde zilveren personenauto [kenteken 1] betrof. Ik zag dat de manspersoon ongeveer 4 centimeter achter zijn linkeroor een hoofdwond had. Gezien de houding van de manspersoon, het bloed op zijn gezicht, nek en kleding, de hoofdwond op zijn achterhoofd, de stijfheid en de koude temperatuur van het lichaam concludeerden wij, verbalisanten, dat de manspersoon overleden was.

2.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisanten [V3] en [V4] (hoofddossier p. 196-199):

Op 4 februari 2012 hebben wij een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden. Naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een man in een auto op de parkeerplaats van zwembad de “Vennen” aan de Deken Batenburglaan te Dongen op zaterdag 4 februari 2012, werd een Team Grootschalig Onderzoek opgestart. Wij zijn gegaan naar het adres [adres F] te Dongen. Op dit adres staat [F] ingeschreven. Zij is de tenaamgestelde van het voertuig, Daewoo Matiz, [kenteken 1], waarin eerder een stoffelijk overschot was aangetroffen.

3.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [F] (hoofddossier p. 194):

Ik herken de man die u mij toont als mijn echtgenoot [N], geboren op [geboortedatum N] 1979.

4.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [T] (hoofddossier p. 195):

Ik herken de man die u mij toont als mijn broer [N], geboren [geboortedatum N] 1979.

5.

Een proces-verbaal van onderzoek plaats delict d.d. 15 september 2011 (het hof leest: 2012), voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisanten [V5] en [V6] (FTO-dossier p. 20-23):

Op zaterdag 4 februari 2012, omstreeks 01.15 uur, werd door ons, [V5] en [V6], beiden behorende tot de Unit Forensisch Technisch Onderzoek van de regiopolitie Midden en West Brabant, een onderzoek ingesteld op een parkeerterrein aan de Deken Batenburgstraat te Dongen.

Het gehele parkeerterrein was bedekt met een laag verse sneeuw.

Aansluitend aan het onderzoek rond de personenauto, werd een kort onderzoek in deze personenauto ingesteld. Het slachtoffer zat voor in de personenauto linker stoel. De

rechterarm lag met de rechterhand geleund op de handrem. Op de rechterhand lag een

handschoen. Op de vloermat voor de linker voorstoel lag sneeuw onder en naast de schoenen van het slachtoffer.

Op het dashboard lagen in totaal drie hulzen.

- Op korte afstand van de linker A-stijl van de personenauto lagen, nagenoeg tegen elkaar,

twee hulzen.

- In het midden, nagenoeg tegen de voorruit, lag een huls.

Deze hulzen werden door ons voorafgaande aan het transport van het voertuig met daarin het slachtoffer veiliggesteld.

Op de vloermat voor de rechtervoorstoel lag sneeuw.

Op zaterdag 4 februari 2012 omstreeks 07.00 uur werd de aangetroffen personenauto, merk

Daewoo, type Matiz, kenteken [kenteken 1], met daarin het stoffelijke overschot van het

slachtoffer, voor nader onderzoek overgebracht naar het bureau van de unit Forensisch

Technisch Onderzoek te Tilburg.

6.

Een proces-verbaal van onderzoek aan/in auto d.d. 15 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisanten [V7] en [V8] (FTO-dossier p. 26-29):

Op zondag 5 februari 2012 werd aangevangen met het onderzoek in en aan het voertuig. De personenauto met daarin het slachtoffer was vanaf de plaats delict te Dongen voor onderzoek overgebracht naar het bureau van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek te Tilburg.

Het overleden slachtoffer bevond zich zittend op de bestuurdersstoel enigszins naar rechts onderuit gezakt met het hoofd achterover hangend tussen de bestuurders- en de passagiersstoel. Met name op de rechterzijde van het hoofd en de borst van het slachtoffer waren verwondingen zichtbaar waaruit bloed was getreden. De rechterarm bevond zich tussen beide voorstoelen, leunend op de handrem. Op de rechterhand van het slachtoffer lag een bruine, gevoerde linkerhandschoen [AAEM6523NL].

Aan de schoenen van het slachtoffer bevond zich sneeuw, evenals op de vloermat aan de

rechtervoorzijde.

Op de vloermat linksvoor de achterbank lag een projectiel.

Nadat de vloermat voor de passagiersstoel door ons verwijderd werd, werd hieronder een huls van het kaliber 7.65 millimeter aangetroffen.

Voor de bestuurdersstoel werd nog een drietal hulzen aangetroffen van het kaliber 7.65 millimeter. Hiervan lagen er twee achter de rechtervoet van het slachtoffer en één links van de linkervoet van het slachtoffer.

Onder andere bevonden zich op de binnenzijde van het bestuurdersportier en de binnenzijde van het portierraam diverse bloedspatten.

Bijzonderheden en conclusies

• Op de rechterhand van het slachtoffer lag een bruine, gevoerde linkerhandschoen [AAEM6523NL]. Hieruit kan worden geconcludeerd dat deze handschoen op de rechterhand van het slachtoffer is achtergelaten, nadat het slachtoffer niet meer met de rechterarm heeft bewogen.

• Een rechterhandschoen werd niet in het voertuig aangetroffen.

• Aan de schoenen van het slachtoffer bevond zich, evenals op de vloermat aan de rechtervoorzijde, sneeuw. Hieruit kan worden geconcludeerd dat, zowel het slachtoffer als de persoon die plaats heeft genomen op de passagiersstoel, is ingestapt nadat zij buiten het voertuig in de sneeuw hebben gelopen.

• In de beschermkap van de B-stijl aan bestuurderszijde bevond zich een beschadiging. Op het dashboard werden enkele kleine fragmenten van hard kunststof aangetroffen, welke qua kleur en materiaal overeenkwamen met voornoemde beschermkap. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de op het dashboard aangetroffen fragmenten vermoedelijk afkomstig waren uit de beschadiging aan de B-stijl, passend bij een beschadiging veroorzaakt door ricochet van een projectiel op de B-stijl. Het projectiel werd op de vloermat linksvoor de achterbank aangetroffen.

• In het voertuig werden in totaal zeven hulzen aangetroffen, alle van het kaliber 7.65 millimeter en waarvan er zes van het merk Geco waren en één huls (welke is aangetroffen tussen de voeten van het slachtoffer) van het merk S&B.

• Gezien de plaats van de verwondingen op het lichaam van het slachtoffer, alsmede voornoemde beschadiging in de B-stijl aan de bestuurderszijde, alsmede de bloedspatten op de binnenzijde van het bestuurdersportier kan worden geconcludeerd dat er voorin het voertuig vanaf de passagiersstoel in de richting van het slachtoffer is geschoten.

• In het voertuig werden door ons geen mobiele telefoons aangetroffen.

7.

Een proces-verbaal van berging slachtoffer d.d. 15 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisanten [V9] en [V10] (FTO-dossier p. 30-31):

Nadat het slachtoffer [N] uit de personenauto was verwijderd, bleek dat hij gekleed was in een zwartkleurig lederen jack, SIN AADT7434NL.

8.

Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ d.d. 13 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – bevindingen en/of conclusies van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog (FTO-dossier p. 152-164):

Resultaten

Bij de sectie op het lichaam van [N], geboren op [geboortedatum N] 1979, is het navolgende gebleken.

1.

Het lijk van een man. Voorafgaande aan de sectie werd het lichaam in het NFI met röntgenstralen doorlicht d.m.v. de C-boog. Daarbij werden 5 voor kogels verdachte en 4 voor kogelfragmenten verdachte schaduwen gezien.

2.

Er waren in totaal 8 huidperforaties (A-G), alle gepaard met onderhuidse en/of omgevende bloeduitstortingen.

3.

De perforaties waren als volgt:

- letsel B, gelegen aan het behaarde hoofd rechts, net boven het rechteroor, inschot. De kogelfragmenten en de rafelige huidperforaties A en G aan het hoofd links zij- en achterwaarts (die door de kogelfragmenten of door de botfragmenten waren veroorzaakt), vormden onderdeel van het uitschot.

- letsel C, gelegen aan de rechterwang, inschot,

- letsel D, gelegen aan de hals laag rechts, net boven het rechtersleutelbeen, inschot,

- letsel E, aan de borstkas rechts hoog, inschot,

- letsel F, aan de borstkas rechts, inschot,

- letsel H, aan de tong, inschot.

Interpretatie van resultaten

Er waren bij sectie aan het lichaam tekenen van meervoudig doorgemaakt uitwendig mechanisch perforerend geweld passend bij 6 inschoten, welke eindigden in 5 kogels en 4 kogelfragmenten (passend bij 1 kogel). Alle inschotopeningen bevonden zich aan de rechterzijde van het lichaam. De letsels waren, gezien de begeleidende bloeduitstortingen, alle bij leven ontstaan. In relatie met alle schotkanalen, behoudens schotkanaal H, waren vitale structuren geraakt. En in relatie met schotkanaal H was er ook inademing van bloed. Alle schotkanalen hebben geleid tot bloedverlies, perforatie van meerdere vitale organen (linkerlong, hersenen, rechter halsslagader, lever, wervelkolom). Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door de daardoor opgelopen algehele weefselschade door fors bloedverlies en orgaanfunctiestoornissen.

Om meer inzicht te krijgen in onder andere de schootsafstanden, is materiaal bewaard ten behoeve van eventueel schotrestenonderzoek.

Er waren macroscopisch geen ziekelijke afwijkingen die het intreden van de dood zouden kunnen verklaren of hiervoor van betekenis geweest zouden kunnen zijn.

Conclusie

Bij sectie op het lichaam van [N], oud 32 jaren, wordt het intreden van de dood zonder meer verklaard door algehele weefselschade door fors bloedverlies en orgaanfunctiestoornissen, opgelopen door meerdere schotletsels.

9.

Een proces-verbaal van bevindingen in onderzoek naar telecomgegevens familie [verdachte] d.d. 12 juni 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisant [V11] (hoofddossier p. 221-227):

In onderzoek TGO Batenburg werd onderzoek verricht ex artikel 126n Wetboek van Strafvordering (bevraging telecomgegevens).

Dit onderzoek werd onder andere verricht op de telefoonnummers:

telefoonnummer

in gebruik bij

[telefoonnummer verdachte]

[verdachte]

[telefoonnummer H]

[H]

[telefoonnummer N]

[N]/[F]

[H] belt op 3 februari 2012 te 18:52 uur naar haar echtgenoot [verdachte].

De telefoongesprekken tussen [verdachte] met zijn schoonzoon/slachtoffer [N] op 3 februari 2012 betreffen respectievelijk:

te 18:58 uur, waarbij [verdachte] belt naar [N], gespreksduur 19 seconden

te 19:00 uur, waarbij [N] belt naar [verdachte], gespreksduur 12 seconden

te 19:05 uur, waarbij [verdachte] belt naar [N], gespreksduur 35 seconden

18:52 uur

Blijkens de zendmastgegevens straalt de mobiele telefoon, voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte], in gebruik bij [verdachte], op dat moment de zendmast aan op de Hoge Ham te Dongen, Cel-Id 21802, doch niet vanuit de richting van zijn woonadres [adres verdachte], doch vanuit de richting De Vennen, zijnde de plaats delict.

18:58 uur, 19:00 uur, 19:05 uur

Blijkens de zendmastgegevens straalt de mobiele telefoon, voorzien van het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte], in gebruik bij [verdachte], op deze tijdstippen de zendmast aan de Deken Batenburgstraat te Dongen aan, Cel-Id 21783. Deze zendmast is gelegen aan de plaats delict, parkeerplaats De Vennen.

10.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 juni 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende (p. 3 van het proces-verbaal van die terechtzitting):

U vraagt mij of mijn mobiele telefoon het nummer 06-[telefoonnummer verdachte] (gelet op bewijsmiddel 9 leest het hof: 06-[telefoonnummer verdachte]) heeft. Dat klopt. Ik heb die dag (het hof begrijpt: vrijdag 3 februari 2012) met [N] gebeld. Het klopt dat ik drie keer telefonisch contact heb gehad met [N]. Ik heb hem eerst gebeld. Hij belde mij toen terug. Ik heb hem daarna weer gebeld.

11.

Een deskundigenrapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau d.d. 27 mei 2014, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – bevindingen en/of conclusies van ir. R. Pluijmers, telecomexpert, met review van ing. R.J. Steens, telecomexpert (los in het dossier opgenomen rapport):

Het telefoonnummer 06-[telefoonnummer verdachte] maakte gebruik van het netwerk van T-Mobile.

Tussen 18.52 en 19.05 uur (hof: op 3 februari 2012, zie tabel 1 in dit rapport, p. 3) maakt deze telefoon contact via twee CellID’s: 21802 en 27183 (in plaats van 27183 leest het hof 21783, overeenkomstig tabel 1 op p. 3 en figuur 3 op p. 9 van het rapport). Cel 21082 (het hof leest: cel 21802) bevindt zich op het opstelpunt van T-Mobile aan de Hoge Ham in Dongen. Deze cel heeft een zendrichting van 170°. Cel 21783 bevindt zich op het opstelpunt in de Deken Batenburgstraat in Dongen en heeft een zendrichting van 240°.

Door het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau werd op 6 mei 2014 een netwerkmeting verricht in Dongen. Bij de meting is gebruik gemaakt van TEMS. Uit het Antenneregister blijkt dat de antennerichtingen van de opstelpunten van T-Mobile aan de Hoge Ham en de Deken Batenburgstraat in Dongen gelijk zijn aan die in februari 2012. Daarmee is de verrichte netwerkmeting representatief.

Voorafgaand aan de meting in de [adres verdachte] in Dongen zijn de CellID’s van de opstelpunten aan de Deken Batenburgstraat en de Hoge Ham geïdentificeerd:

• Op de sector aan de Deken Batenburgstraat met richting 240° bleek, net als bij de meting van de politie, CellID 21783 actief te zijn.

• Op de sector aan de Hoge Ham met richting 170° bleek CellID 21805 actief te zijn. Bij de meting door de politie was dit CellID 21802.

Vervolgens heeft een aantal metingen in de [adres verdachte] plaatsgevonden ter hoogte van [huisnummer] (hof: de woning van verdachte [verdachte] is gelegen aan de [adres verdachte] te Dongen). Daarbij is de woning van de heer [verdachte], overigens net als bij de meting door de politie, niet betreden. Toch is de meting buiten representatief voor de situatie binnenshuis: een meting op straatniveau buitenshuis geeft doorgaans vergelijkbare resultaten met een meting op een eerste etage binnenshuis.

Met de TEMS meettelefoon is getracht een aantal verbindingen te forceren:

• CellID 21783 (Deken Batenburgstraat sector 240°) - niet mogelijk

• CellID 21805 (Hoge Ham sector 170°) - niet mogelijk

Conclusies

• Het is niet waarschijnlijk dat de heer [verdachte] vanuit zijn woning aan de [adres verdachte] te Dongen de sector met richting 170° op de Hoge Ham te Dongen (18:52 uur), respectievelijk de sector met richting 240° aan de Deken Batenburgstraat (18:58 uur; 19:00 uur en 19:05 uur) heeft kunnen aanstralen.

• (…) Er kan (…) een indicatie worden gegeven waar de telefoon zich heeft bevonden: in het dekkingsgebied van T-Mobile cel 21802 resp. 21783.

12.

Een proces-verbaal (ambtelijk verslag) d.d. 20 september 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisant [V12] (hoofddossier p. 18-52):

(p. 31)

Door diverse getuigen werd gesproken over het “theehuis” of Turkse Vereniging. Uit onderzoek is gebleken dat met het “theehuis” en Turkse Vereniging hetzelfde werd bedoeld. Het betreft het pand [adres] te Dongen. In dit pand is op de eerste verdieping een Turks Cultureel Centrum gevestigd. Dit pand is op een afstand van ongeveer 200 meter van de plaats delict gelegen.

13.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [getuige 1] (hoofddossier p. 2341-2344):

(p. 2342)

V= Wat is het adres van het Turks Cultureel Centrum?

A= [adres] in Dongen.

V= U vertelde dat u vrijdag 3 februari 2012 in het Centrum bent geweest. Wat kunt u hierover vertellen?

(p. 2443)

A= [N] is aan een tafel gaan zitten bij [getuige 4] en [getuige 5]. Deze mannen zaten te kaarten. Hij heeft toen de puntentelling voor hen bijgehouden. Daar kwam later nog een derde persoon bij zitten, [getuige 2]. [N] kreeg een telefoontje. Hij zat toen nog bij deze mannen aan tafel. [N] had zojuist thee gekregen die hij besteld had, maar die dronk hij niet meer op. Hij zei meteen na het telefoongesprek dat zijn thee maar aan [getuige 3] gegeven moest worden. [getuige 3] zat verderop aan een tafeltje.

V= Hoe laat was het toen [N] vertrok?

A= Ik schat in rond 19.15 uur à 19.30 uur.

14.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [getuige 2] (hoofddossier p. 2409-2414):

(p. 2410)

V: Waar zit het Theehuis?

A: Het zit in Dongen.

V: Wat kunt u zich nog herinneren van de dag voordat de auto met [N] werd aangetroffen?

A: Rond 18.30 uur ben ik naar dat Theehuis gegaan. Ik kwam daar binnen, onze vrienden waren daar kaartspelletjes aan het spelen. Ik liep vervolgens naar de tafel toe van vriend [getuige 4] en [getuige 5] en ging daar zitten. Ik zag dat onze vriend [N] ook aan die tafel zat. Die twee vrienden die daar bezig waren met het kaartspel, van dat spel schreef [N] de punten op papier. Ik bleef daar ongeveer 10 minuten zitten, het spel was afgelopen. Vervolgens begonnen [getuige 5], [getuige 4] en ik aan een nieuw spel. Daarna stond [N] op en ging weg.

V: Kunt u zich nog herinneren welke dag dat precies was?

A: Ja, het was die vrijdag. Ik heb het over de vrijdag dat [N] werd vermoord.

(p. 2411)

V: Hoe weet u dat u rond 18.30 uur daar aan kwam?

A: Ik heb het zo berekend. Ik vertrok van mijn werk om 17.00 uur. Het duurt een kwartier voordat ik thuis ben. Ik heb andere kleren aangetrokken, ik heb met mijn gezin samen gegeten. Rond 18.00 uur heb ik voor ongeveer een kwartier tijd gekeken naar het nieuws. Daarna bleef ik nog eventjes zitten en rond 18.30 uur ging ik naar de vereniging.

V: Wat was de aanleiding voor het vertrek van [N]?

A: Het zegt mij iets dat hij een telefoontje binnen kreeg en dat hij vervolgens vertrok.

V: Wanneer heeft u [N] daarna nog gezien?

A: Daarna heb ik [N] niet meer gezien.

15.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 maart 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [getuige 3] (hoofddossier p. 2416-2421):

(p. 2417)

Ik ken [N]. Ik ken hem van het Cultureel Centrum in Dongen. Je hebt maar een centrum, ik bedoel dat centrum. Hij is ook voor het laatst daar gezien.

Op 3 februari dit jaar ben ik naar het Cultureel Centrum gegaan.

(p. 2418)

Het was die dag de geboortedag van de profeet en ik overwoog om naar de moskee te gaan voor de speciale gebedsdienst. Maar ik had nog maar vijf minuten en zou dat daarom niet redden. Daarom ben ik naar het Cultureel Centrum gegaan. Ik spreek dan over het tweede avondgebed. Over vijf minuten zou het tweede avondgebed beginnen. Ik geloof dat het tweede avondgebed voor zeven uur is.

Toen ik de theeruimte binnenkwam, zag ik aan tafel 1 [getuige 5] zitten, aan dezelfde tafel als [getuige 4] Yigit.

(p. 2419)

[N] was naar tafel 1 gelopen. Hij zat daar. Ik zag dat [getuige 2] ook daar aan tafel zat. Ik kreeg de thee van [N]. Die thee was al aan tafel geserveerd en [N] zei dat hij die niet op zou drinken omdat hij weg moest. Ik heb [N] zien weggaan.

Tussen de tijd dat ik in het Cultureel Centrum aan kwam en het moment dat [N] wegging, zat ongeveer 15 of 30 minuten. Dat is een schatting.

Ik hoorde achteraf op zaterdag, een dag later, dat [N] telefoon had gehad.

16.

Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 9 februari 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – bevindingen en/of conclusies van dr. I.E.P.M. Blom, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (FTO-dossier p. 144-151):

Onderzoek naar biologische sporen

Handschoen AAEM6523NL

Bloed

Aan de buitenzijde van de handschoen zijn meerdere bloedsporen aangetroffen. Een deel van twee bloedsporen aan de buitenzijde van de handschoen is bemonsterd. Deze bemonsteringen zijn veiliggesteld als AAEM6523NL#01 en #02 voor een DNA-onderzoek.

Biologische contactsporen

De gehele binnenzijde van de handschoen is bemonsterd. Dit is een plaats waar zich biologische contactsporen van de drager(s) van de handschoen kunnen bevinden. De bemonstering is veiliggesteld als AAEM6523NL#03 voor een DNA-onderzoek.

Resultaten, interpretatie en conclusie van vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie of matchkans DNA-profiel

AAEM6523#01

Bloedspoor aan de buitenzijde van de handschoen

[N]

kleiner dan één op één miljard

AAEM6523#02

Bloedspoor aan de buitenzijde van de handschoen

[N]

kleiner dan één op één miljard

AAEM6523#03

Bemonstering van de binnenzijde van de handschoen

Onbekende man A

kleiner dan één op één miljard

17.

Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 mei 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – bevindingen en/of conclusies van dr. A.G.M. van Gorp, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (FTO-dossier p. 208-209):

In de DNA-opdracht van 21 mei 2012 wordt verzocht om het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RAAP7005NL (geboren op [geboortedatum] 1960) te vergelijken met het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAEM6523NL#03 van de binnenzijde van een handschoen (in het deskundigenrapport van 9 februari 2012 gekoppeld aan onbekende man A).

Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RAAP7005NL matcht met het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering AAEM6523NL#03 van de binnenzijde van een handschoen. Dit betekent dat het celmateriaal in deze bemonstering afkomstig kan zijn van de verdachte [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het celmateriaal in deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard. Ofwel, de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man met dit DNA-profiel matcht is kleiner dan één op één miljard.

18.

Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 21 mei 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisant [V13] (hoofddossier p. 816-817, met bijlagen p. 818-858):

Op 21 mei 2012 werd door mij, verbalisant, voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning [adres verdachte] te Dongen. Een lijst met een nadere specificatie van de in beslag genomen voorwerpen is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

(bijlage p. 821)

Nummer

Wat

Waar aangetroffen

F-3-004

zwarte Del Pino jas mt XXL

linker kamer in grote kast

19.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juli 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisant [V14] (hoofddossier p. 859-860):

Op 21 mei 2012 werd door verbalisant [V13] voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning [adres verdachte] te Dongen.

De echtgenote ([H]) van verdachte [verdachte] bevond zich tijdens de doorzoeking in de woonkamer van de woning. Tijdens de doorzoeking werd door mij aan [H] gevraagd of zij mee naar boven kon lopen om de kledingstukken van [verdachte] aan te wijzen. Zij liep vervolgens met mij naar de eerste etage waar drie slaapkamers waren.

Na aan [H] gevraagd te hebben welke jassen van haar man [verdachte] waren, wees zij in de diverse kasten van de slaapkamers een aantal jassen aan. Hierbij zei zij dat deze kledingstukken van haar man (verdachte [verdachte]) waren. De door [H] aangewezen jassen werden door het onderzoeksteam in beslag genomen.

20.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 augustus 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van de verdachte (hoofddossier p. 163-169, met als bijlage een foto van een jas op p. 170):

(p. 165)

V: Van wie is deze jas (het hof begrijpt: de jas op de foto op pagina 170)?

A: Ik heb er zo één.

V: Deze jas is in uw woning aangetroffen in en beslag genomen. De jas hing in een kast op de slaapkamer van u en uw vrouw. Wij hebben het aan uw vrouw gevraagd en zij wees deze jas aan als uw jas.

A: Dat zou kunnen.

21.

Een proces-verbaal (ambtelijk verslag) d.d. 20 september 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisant [V12] (hoofddossier p. 18-52):

(p. 45)

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte] werden diverse kledingstukken van verdachte [verdachte] in beslag genomen. De jassen waren bij de doorzoeking door [H] aangewezen als zijnde jassen van verdachte [verdachte]. Eén van bovengenoemde jassen betrof een zwarte Del Pino jas, maat XXL, en werd onder nummer F-3-004 in beslag genomen. Door medewerkers van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek werd het sinnummer AAFB1756NL aan deze jas gegeven.

(p. 51)

Op 1 augustus 2012 werd verdachte [verdachte] gehoord. Bij het tonen van de foto van de in beslag genomen jas met sinnummer AAFB1756NL (hof: de jas op de foto op pagina 170) verklaarde hij dat hij zo’n jas heeft.

22.

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 24 juni 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende (p. 4 van het proces-verbaal van die terechtzitting):

U houdt mij een foto voor van een zwarte jas (opmerking griffier: getoond wordt een foto, pagina 170 van het eindproces-verbaal). De jas op de foto is mijn jas.

23.

Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 27 juni 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – bevindingen en/of conclusies van ing. R.C. Roepnarain, NFI-deskundige schotrestenonderzoek (FTO-dossier p. 216-231):

Onderzoek

De mouwen van de jas [AAFB1756NL] zijn tijdens een gezamenlijk vooronderzoek met de afdeling Humane Biologische Sporen (HBS) van het NFI bemonsterd. De mouwen van de jas zijn tot circa 20 centimeter vanaf de uiteinden bemonsterd met stubs uit een onderzoeksset schiethanden.

Interpretatie resultaten

Zoals beschreven in de inleiding van de Bijlage Schotrestenonderzoek komen bij het

afvuren van een patroon met een vuurwapen schotresten vrij. Schotresten kunnen

terechtkomen op onder andere de mouwen van de door de schutter gedragen kleding.

Er worden twee categorieën anorganische schotrestdeeltjes onderscheiden: categorie A en categorie B deeltjes.

Categorie A

Dit zijn deeltjes met een elementsamenstelling die karakteristiek is voor schotrestdeeltjes. Deeltjes uit deze categorie zijn vrij zeldzaam in de natuur. Op blanco’s (bemonsteringen van personen die voor zo ver bekend is niets te maken hebben met een schietproces) zijn binnen Nederland tot op heden geen deeltjes uit deze categorie aangetroffen. De bewijswaarde van deze deeltjes is daarom groot.

Categorie B

Dit zijn deeltjes met een elementsamenstelling die overeenkomsten vertoont met die van schotrestdeeltjes. In deze categorie is de kans dat de deeltjes een andere bron van herkomst hebben dan een schietproces groter dan bij deeltjes uit categorie A.

Op basis van de aangetroffen deeltjes op de stubs van een onderzoeksset schiethanden wordt een uitspraak gedaan over de mate waarin een relatie wordt aangetoond met een schietproces.

Jas

Op de stubs waarmee delen van de mouwen van de jas [AAFB1756NL] zijn bemonsterd, zijn 32 categorie A deeltjes aangetroffen. Met het aantreffen van categorie A deeltjes wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces.

Op de stubs zijn eveneens circa 320 categorie B deeltjes aangetroffen. De aanwezigheid van deze deeltjes past bij de eerder genoemde bevinding.

Conclusie

Het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van de mouwen van de jas [AAFB1756NL] en een schietproces.

24.

Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 15 september 2014, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – bevindingen en/of conclusies van ing. R.C. Roepnarain, NFI-deskundige schotrestenonderzoek (los in het dossier opgenomen rapport):

(p. 32/34)

Schootsafstand

Omdat de beschadigingen en verwondingen geconcentreerd zijn rond het bovenste gedeelte van het lichaam en de bijbehorende kledingstukken vermoedelijk (deels) met elkaar overlapten tijdens de diverse schoten, wordt één gezamenlijke uitspraak gedaan over de schootsafstand. De enige uitzondering hierop is de conclusie met betrekking tot het gedeelte van de tong gemerkt H. Vanwege de resultaten hiervan wordt hier aparte een uitspraak over gedaan.

De bevindingen van het onderzoek aan de beschadigingen in de kleding en de huiddelen zijn waarschijnlijker bij minimaal één schootsafstand tussen 2,5 en 50 centimeter, dan bij schootsafstanden groter dan 50 centimeter of kleiner dan 2,5 centimeter.

Tong H

De bevindingen van het onderzoek aan het gedeelte van de tong zijn waarschijnlijker bij een schootsafstand kleiner dan 25 centimeter, dan bij een schootsafstand groter dan 25 centimeter.

Vergelijkend schotrestenonderzoek

De bevindingen van het onderzoek zijn getoetst aan de hand van de volgende set hypothesen:

Hypothese V1: De deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van de jas [AAFB1756NL] van de verdachte hebben dezelfde bron van herkomst* als de deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van de jas [AADT7434NL] van het slachtoffer.

Hypothese V2: De deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van de jas [AAFB1756NL] van de verdachte hebben een andere bron van herkomst* dan de deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonsteringen van de jas [AADT7434NL] van het slachtoffer.

* Bron van herkomst is voor dit onderzoek gedefinieerd als een schot of schoten waarbij schotresten vrijkomen.

De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese V1 juist is, dan wanneer hypothese V2 juist is.

(p. 33-34/34)

De conclusie van het vergelijkend schotrestenonderzoek ondersteunt (…) de lezing dat er een verband is tussen de jas [AAFB1756NL] en het schietincident (…).

25.

Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 juli 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – bevindingen en/of conclusies van dr. I.E.P.M. Blom, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (FTO-dossier p. 232-245):

SIN

Omschrijving

AADX2583NL

Referentiemonster bloed van het slachtoffer [N] (geboren op [geboortedatum N] 1979)

RAAP70005NL

Referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1960)

Een jas AAFB1756NL

Biologische contactsporen

De binnenzijde van de kraag en van de rechtermanchet van de jas zijn bemonsterd. Dit zijn plaatsen waar zich biologische contactsporen van de drager(s) van de jas kunnen bevinden. De bemonsteringen zijn veiliggesteld als AAFB1756NL#01 (kraag) en #02 (rechtermanchet) voor een DNA-onderzoek.

Bloed

Bij het onderzoek naar de aanwezigheid van bloed door de regiopolitie Midden- en West Brabant is gebruik gemaakt van luminolonderzoek. Bij dit onderzoek is op drie plaatsen bloed aangetroffen. De aanwezigheid van bloed is met de tetrabasetest bevestigd. De bloedsporen zijn als volgt veiliggesteld voor een DNA-onderzoek:

- AAFB1756NL#03 bloedspoor ter hoogte van de linkerborst,

- AAFB1756NL#04 bloedspoor ter hoogte van de linkerelleboog,

- AAFB1756NL#05 bloedspoor ter hoogte van de linkeroksel,

Resultaten, interpretatie en conclusie van vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Berekende frequentie of matchkans DNA-profiel

AAFB1756NL#01

Binnenzijde kraag

Verdachte [verdachte]

RAAP70005NL

Kleiner dan één op één miljard

AAFB1756NL#02

Binnenzijde rechtermanchet

Verdachte [verdachte]

RAAP70005NL

Kleiner dan één op één miljard

AAFB1756NL#03

Bloedspoor t.h.v. linkerborst

Slachtoffer [N]

AADX2583NL

Kleiner dan één op één miljard

AAFB1756NL#04

Bloedspoor t.h.v. linkerelleboog

Slachtoffer [N]

AADX2583NL

Kleiner dan één op één miljard

AAFB1756NL#05

Bloedspoor t.h.v. linkeroksel

Slachtoffer [N]

AADX2583NL

Kleiner dan één op één miljard

26.

Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 6 juni 2014, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – bevindingen en/of conclusies van ing. M.J. van der Scheer, NFI-deskundige forensisch bloedspoorpatroononderzoek, en dr. I.E.P.M. Blom, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (los in het dossier opgenomen rapport):

(p. 4/24)

Tabel 2

SIN

Omschrijving

AADX2583NL

Referentiemonster bloed van het slachtoffer [N] (geboren op [geboortedatum N] 1979)

RAAP70005NL

Referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1960)

(p. 8-9/24)

Bloedspoortjes

Op zowel de voor- als achterzijde zijn in totaal drie bolvormige bloedspoortjes aangetroffen van kleiner dan 0,5 mm in doorsnede. Tevens zijn verspreid over met name de linkervoorzijde van de jas verschillende bloedspoortjes zonder een dergelijke vorm aangetroffen. Deze bloedspoortjes vertonen nagenoeg alle een ietwat gelig uiterlijk. Dit kan duiden op vermenging met ander biologisch celmateriaal. In het licht van met name het geconstateerde inschotletsel B en de hieraan gerelateerde letsels A en G, alle in het hoofd van het slachtoffer, zijn de bolvormige bloedspoortjes als AAFB1756NL#06 tot en met #08 veiliggesteld voor een DNA- en RNA-onderzoek. Voor de genoemde letsels wordt verwezen naar het NFI-deskundigenrapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 13 februari 2012. Vervolgens is van verschillende locaties een selectie bloedspoortjes met doorsnedes van 2 mm of kleiner als AAFB1756NL#09 tot en met #15 eveneens veiliggesteld voor een DNA- en RNA-onderzoek.

Bebloede gebieden

Ter hoogte van de linkeroksel (voor- en achterpand) en halverwege de linkermouw (voor- en achterzijde) zijn gebieden met contactsporen van bloed aangetroffen. Uit het gebied aan de achterzijde van de linkeroksel is bij het eerdere onderzoek een deel van het bloed als AAFB1756NL#05 veiliggesteld. Vanaf de linkermouw is eerder een deel van het bloed als AAMFB1756NL#04 veiliggesteld. Beide gebieden zijn aanvullend geheel bemonsterd en respectievelijk als AAFB1756NL#17 en #18 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

Nader onderzoek

Op grond van de eerste resultaten van het DNA-onderzoek aan de bemonsteringen AAFB1756NL#06 tot en met #18 is besloten verspreid over de jas enkele bloedspoortjes nader veilig te stellen. Hierbij zijn drie bloedspoortjes als AAFB1756NL#19 tot en met #21 veiliggesteld. Tevens zijn delen van bloedspoortjes veiliggesteld als AAFB1756NL#22 tot en met #24. Genoemde bloedspoortjes zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

(p. 16/24)

Interpretatie van de onderzoeksresultaten

Contactsporen van bloed

Van de jas zijn in een eerder stadium drie delen van bloed als AAFB1756NL#03, #04 en #05 veiliggesteld. Deze bemonsteringen bevinden zich elk in een gebied met bloed van variërende grootte. Deze gebieden betreffen contactsporen van bloed die zijn ontstaan door (bewegend) contact met een bebloed object en/of bebloede persoon.

Bloedspoortjes

Verspreid over de jas zijn bloedspoortjes aangetroffen van zeer geringe grootte (circa 2 mm en kleiner).

(p. 17-18/24)

Conclusie

De raadsheer-commissaris mr. A.M.G. Smit heeft op 18 februari 2014 verzocht om een bloedspoorpatroononderzoek uit te voeren. Hierbij zijn de volgende vragen gesteld:

‘Zijn – in het licht van de stelling van de verdediging dat in het hierna te noemen scenario veel meer bloed van het slachtoffer op de jas van de schutter zou worden verwacht dan de gerapporteerde drie bloedsporen – de op de jas [AAFB1756NL] aangetroffen bloedsporen verenigbaar met het scenario dat de schutter, drager van de jas, mogelijk zittend op de passagiersstoel in de auto van het slachtoffer [N], op korte afstand 6 tot 8 kogels heeft afgevuurd in de richting van het slachtoffer [N] die op de bestuurdersstoel zat, gegeven het letsel van het slachtoffer [N]. (…)’

Op grond van de resultaten van het bloedspoorpatroononderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

Nadat de vragen van het Gerechtshof op 27 januari 2014 zijn ontvangen is het NFI-dossier in deze zaak bestudeerd. Hierbij bleek de jas AAFB1756NL niet uitputtend te zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Door de verdediging is gesteld dat indien de verdachte in de auto van het slachtoffer 6 tot 8 kogels op het slachtoffer zou hebben afgevuurd, de jas van de verdachte onder een riante hoeveelheid bloed moet hebben gezeten, terwijl slechts drie bloedsporen zijn aangetroffen. Op grond van de stelling van de verdediging is geadviseerd de jas AAFB1756NL van de verdachte uitputtend te onderzoeken op de aanwezigheid van bloed voorafgaand aan het beantwoorden van de door het Gerechtshof gestelde vragen.

De jas is uitputtend onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Bij dit onderzoek zijn met het blote oog en microscopisch verspreid over met name de linkerzijde van het voorpand en de voorzijde van de rechtermouw verschillende bloedsporen aangetroffen.

Op de ontvangen foto’s van de wijze waarop het slachtoffer in de auto is aangetroffen is zichtbaar dat enkele letsels niet door de kleding zijn afgedekt. Enkele hiervan bevinden zich in het hoofd. Gezien de aard van het letsel kan naast bloed ook hersenmateriaal vrijkomen ten tijde van het schietproces. Dit materiaal kan zich evenals naast bloed verspreiden in de auto en op daar aanwezige personen. Nagenoeg alle aangetroffen bloedspoortjes vertonen een ietwat gelig uiterlijk. Daarom is besloten om een deel van de geselecteerde bloedsporen naast een DNA onderzoek eveneens aan een RNA-onderzoek te onderwerpen.

(p. 19/24)

DNA-onderzoek

De veiliggestelde bloedsporen AAFB1756NL#06 tot en met #24 van de jas zijn onderworpen aan een DNA- onderzoek.

(p. 21/24)

RNA-onderzoek

Bij het isoleren van het DNA uit de bemonsteringen AAFB1756NL#06 tot en met #24 is ook het RNA uit deze bemonsteringen veiliggesteld. Hierdoor is het mogelijk om, als de resultaten van het DNA-onderzoek daar aanleiding toe geven, met behulp van RNA-onderzoek een nader onderzoek naar de aard van het aanwezige celmateriaal in deze bemonsteringen uit te voeren.

(p. 22/24)

Resultaten, interpretatie en conclusie DNA-onderzoek

SIN

Beschrijving DNA-profiel / celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

Complexe DNA-mengprofielen ALLEEN vergeleken met het DNA-profiel van het slachtoffer [N] AADX2583NL

AAFB1756NL#12, #13, #15, #17, #21, #22, #24

(onvolledige) DNA-mengprofielen

Slachtoffer [N] niet uit te sluiten

Niet berekend gezien de overige resultaten

DNA-profielen vergeleken met de in tabel 2 vermelde DNA-profielen van personen

AAFB1756NL#08

DNA-profiel van een man

Slachtoffer [N]

kleiner dan één op één miljard

AAFB1756NL#18

DNA-mengprofiel van minimaal twee personen

Slachtoffer [N] en verdachte [verdachte]

vooralsnog niet berekend

(p. 23/24)

Resultaten, interpretatie en conclusie RNA-onderzoek

Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat de aanwezigheid van celmateriaal dat afkomstig is van het slachtoffer [N] in de bemonsteringen AAFB1756NL#08, #12, #13, #15, #17, #18, #21, #22 en #24 niet kan worden uitgesloten. Een selectie van deze bemonsteringen (AAFB1756NL#08, #17, #18 en #22) zijn onderworpen aan een onderzoek naar de aard van het aanwezige celmateriaal met behulp van ‘RNA-orgaantypering’.

Van het RNA in de bemonsteringen AAFB1756NL#08, #17, #18 en #22 zijn RNA-profielen verkregen die passen bij de aanwezigheid van hersenweefsel, huidcellen en bloed in deze bemonsteringen.

Van het DNA in de bemonstering AAFB1756NL#08 is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer [N]. Dit betekent dat deze bemonstering hersenweefsel, huidcellen en bloed bevat dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [N].

Van het DNA in de bemonsteringen AAFB1756NL#17, #18 en #22 zijn DNA-mengprofielen verkregen. Dit betekent dat in deze bemonsteringen celmateriaal aanwezig is van meerdere personen, waarbij de aanwezigheid van celmateriaal dat afkomstig is van het slachtoffer [N] niet kan worden uitgesloten. Omdat het slachtoffer [N] door het hoofd geschoten is, en omdat het DNA-profiel van het slachtoffer matcht met de DNA-mengprofielen van het celmateriaal in de bemonsteringen AAFB1756NL#17, #18 en #22 en onder de aanname dat de andere donoren levende personen betreffen bevatten deze bemonsteringen hersenweefsel dat afkomstig kan zijn van [N]. Daarnaast is in deze bemonsteringen mogelijk eveneens huidcellen en/of bloed aanwezig dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [N], vermengd met huidcellen en/of bloed van minimaal één of meerdere andere personen.

27.

Een proces-verbaal inleiding dossier TAP - OVC d.d. 29 augustus 2012, voor zover inhoudende als – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisant [V15] (hoofddossier p. 931-935):

In het kader van het onderzoek werden bevelen afgegeven ten behoeve van het opnemen en afluisteren van de navolgende communicatie:

In de woning aan de [adres verdachte] te Dongen voor de periode van 7 mei 2012 tot 28 mei 2012.

In de rapportage van de opgenomen vertrouwelijke communicatie wordt veelvuldig geschreven “hij/zij”. De reden hiervoor is dat in de Turkse taal gebruik wordt gemaakt van een onzijdige persoonsvorm.

28.

Een verslag van opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC), gesloten op 20 augustus 2012, voor zover inhoudende (hoofddossier p. 1368-1375):

(p. 1368)

Hierbij verklaar ik, beëdigd tolk (…), dat ik, op verzoek van de teamleider van het TGO-onderzoek Batenburg, op woensdag 8 augustus 2012 een schriftelijke uitwerking van een OVC in de woning aan de [adres verdachte] te Dongen heb gemaakt.

Uit de mij ter beschikking gestelde gegevensdrager (DVD) bleek dat op vrijdag 11 mei 2012 een opname gemaakt was.

Dit verslag is een samenvatting van de opname van vrijdag 11 mei 2012 (…) waarbij de spreektaal (Turks) van de bewoners werd vertaald naar de Nederlandse taal. Deze wordt zo nauwkeurig mogelijk weergegeven.

(p. 1374)

13.43.29 H (hof: [H], echtgenote van de verdachte): weet je wat ze mij vroegen: “Je man is gekomen, jullie zijn ergens op bezoek geweest, had je man toen zijn kleren verwisseld of niet?”. Ondanks het feit dat hij zijn kleren wel heeft verwisseld heb ik gezegd dat hij het niet heeft gedaan. (…)

13.43.45 F (hof: [F], dochter van de verdachte en gehuwd met het slachtoffer): waarom hebben ze dat nou gevraagd?

13.43.46 [G] (hof: [G], zoon van de verdachte): (…) dat werd hem gevraagd ook om na te gaan of zijn kleding onder bloed zat en om na te gaan of hij zijn kleren heeft verwisseld.

13.44.01 H: het zat ook op zijn horloge want hij heeft het hier gewassen (…). Hij had een handschoen bij zich en dat heeft hij toen in het water gegooid en daarna is hij weer teruggekeerd. Hij had een weinig op zijn horloge en op zijn hand… hier en dat heeft hij toen daarna gewassen.

13.44.19 F: heb jij het dan zelf gezien?

13.44.21 H: hij heeft zijn horloge enzo gewassen hier… hij kwam hier en vertelde mij dat hij zijn horloge enzo had gewassen toen ik vroeg hoe hij aan dat bloed was gekomen… ik heb [N] neer geschoten… (opm. tolk: het gesprokene wordt hier gefluisterd en het geween van [H] is te horen)… God… [N]… en nu zijn we er gloeiend bij.

29.

Een verslag van opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC), gesloten op 30 mei 2012, voor zover inhoudende (hoofddossier p. 1354-1367):

(p. 1354)

Hierbij verklaren wij, beëdigd tolken (…), dat wij, op verzoek van de teamleider van het TGO-onderzoek Batenburg, op zondag 12 mei 2012 een schriftelijke uitwerking van een OVC in de woning aan de [adres verdachte] te Dongen hebben gemaakt.

Uit de ons ter beschikking gestelde gegevensdrager (DVD) bleek dat op vrijdag 11 mei 2012 een opname gemaakt was.

Dit verslag is een samenvatting van de opname van vrijdag 11 mei 2012 (…), waarbij de spreektaal (Turks) van de bewoners werd vertaald naar de Nederlandse taal. Deze wordt zo nauwkeurig mogelijk weergegeven.

(p. 1366)

13.49.29 F: weet je waarom mijn vader mazzel heeft? Zal ik het vertellen? Met sneeuw schijnt sporen niet terug te vinden zijn. (…)

13.49.43 H: (…) Hij kwam en hij ging halverwege weer terug.

13.49.49 [G]: nee hij zou niet terug gegaan zijn.

13.49.49 H: nee, nou en of hij is halverwege teruggekeerd om zijn telefoon op te pikken. Hij zei: “Jij hebt het niet gemerkt, ik ben teruggegaan en heb zijn telefoon daar gepakt.” En trouwens hij ging naar het water toe en gooide het daar weg.

30.

Een verslag van opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC), gesloten op 30 mei 2012, voor zover inhoudende (hoofddossier p. 1657-1662):

(p. 1657)

Hierbij verklaren wij, beëdigd tolken (…), dat wij, op verzoek van de teamleider van het TGO-onderzoek Batenburg, op zaterdag 26 mei 2012 een schriftelijke uitwerking van een OVC in de woning aan de [adres verdachte] te Dongen hebben gemaakt. Uit de ons ter beschikking gestelde gegevensdrager (DVD) bleek dat op maandag 21 mei 2012 een opname gemaakt was.

Dit verslag is een samenvatting van de opname van 21 mei 2012 (…), waarbij de spreektaal (Turks) van de bewoners werd vertaald naar de Nederlandse taal. Deze wordt zo nauwkeurig mogelijk weergegeven:

(p. 1660-1661)

21:53:30

(…)

[H] : [fluisterend] [G], (…) Daar op de jas, zegt hij/zij. Hij/zij zegt, als er iets is… hij/zij zegt, had de jas maar gewassen… [onverstaanbaar] …

[G] : Had jij hem dan niet gewassen?

[H] : Heb hem wel gewassen, blijkt er toch niet uit te gaan als je het wast

(...)

[G] : Ik zei nog ‘gooi het in de prullenbak, pak/neem het en gooi het weg’

[H] : ‘Heb hem gewassen, maar toch...’

(…)

[H] : Ik zou het in de prullenbak gooien joh… ik vond het te duur toch heeft hij/zij het gevonden

[G] : Hoe vaak heb ik het jou gezegd

[H] : Hij/zij had zijn schoen en zo weggegooid

[G] : Dus, hij/zij pakt het niet slim aan moeder

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Door de raadsman gevoerde verweren

Ten aanzien van de door de raadsman bepleite vrijspraak overweegt het hof als volgt.

1.

De raadsman heeft aangevoerd dat het gonsde van de geruchten dat het slachtoffer [N] een tweede telefoon had. Uit de telecomgegevens van de telefoon van de verdachte blijkt dat er om 18.58 uur, 19.00 uur en 19.05 uur contact is geweest met de telefoon van het slachtoffer. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] uit het Turks Cultureel Centrum blijkt dat het slachtoffer omstreeks 19.15 uur à 19.30 uur nog telefonisch contact heeft gehad. Daarmee staat niet vast dat de verdachte de laatste persoon is geweest met wie het slachtoffer heeft gebeld.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer beschikte over een tweede telefoon. Daarvan blijkt niet uit het dossier. Zoals de raadsman zelf heeft aangevoerd (pleitnota, punt 2.4) werden de geruchten over een tweede telefoon van het slachtoffer in het onderzoek niet bevestigd.

Voorts staat vast dat de door de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] genoemde tijdstippen schattingen betreffen. Dat blijkt uitdrukkelijk uit hun verklaringen. Dat het om geschatte tijdstippen gaat, ligt ook voor de hand, nu hun verklaringen pas enkele dagen (op 6 februari 2012) respectievelijk een maand (op 4 maart 2012) na de betreffende vrijdagavond 3 februari 2012 zijn afgelegd.

De stelling van de verdediging dat het slachtoffer nog heeft getelefoneerd omstreeks 19.15 à 19.30 uur ontbeert feitelijke grondslag.

Het hof is van oordeel dat is komen vast te staan dat het telefoongesprek, naar aanleiding waarvan het slachtoffer het Turks Cultureel Centrum heeft verlaten (bewijsmiddelen 13-15), met de verdachte werd gevoerd en voorts dat de verdachte de laatste persoon is geweest met wie het slachtoffer heeft gebeld. Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2012 blijkt immers dat het laatste telefonische contact op 3 februari 2012 van de telefoon van het slachtoffer plaatsvond met de telefoon van de verdachte als bellende partij, en wel om 19:05 uur (p. 228-229). Niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer na 19.05 uur nog heeft getelefoneerd.

2.

De raadsman heeft aangevoerd dat uit het onderzoek niet blijkt dat schotresten zijn aangetroffen op de handschoen die in de auto van het slachtoffer werd gevonden. Daarom kan deze handschoen niet in verbinding worden gebracht met een schietproces.

Het hof overweegt dat niet is gebleken dat de handschoen op schotresten is onderzocht. Reeds daarom kan niet worden gesteld dat er geen schotresten op de handschoen zijn aangetroffen. Overigens heeft de verdediging ook niet verzocht de handschoen op schotresten te laten onderzoeken. Overigens geldt dat aan het eventuele ontbreken van schotresten op de handschoen niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat die handschoen niet betrokken was bij het schietincident. Het is immers niet bekend of de handschoen zich ten tijde van het schietproces onafgeschermd binnen het bereik van de schotresten bevond.

Naar het oordeel van het hof kan de handschoen in verbinding kan worden gebracht met het schietincident waarbij het slachtoffer om het leven is gekomen. De linkerhandschoen is immers in de auto aangetroffen op de rechterhand van het inmiddels ten gevolge van de schotverwondingen overleden slachtoffer en op de buitenkant van de handschoen bevond zich – zo leidt het hof af uit het NFI-rapport d.d. 9 februari 2012 – bloed van het slachtoffer.

3.

De raadsman heeft aangevoerd dat niet vaststaat dat de verdachte de in beslag genomen DL & Delpino jas heeft gedragen tijdens het schietincident waarbij het slachtoffer van het leven is beroofd. De mogelijkheid bestaat dat iemand anders die jas toen heeft gedragen.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de verdachte de drager van de jas was ten tijde van de levensberoving van [N].

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de betreffende DL & Delpino jas in beslag is genomen in de slaapkamer van de verdachte, dat de jas door zijn echtgenote is aangewezen als een jas van de verdachte en dat de verdachte zelf heeft verklaard dat het zijn jas is. De verdachte heeft op geen enkel moment – noch bij de politie, noch ter terechtzitting in eerste aanleg of in hoger beroep – verklaard dat een ander zijn jas tijdens het schietincident heeft gedragen. Evenmin heeft hij in meer algemene zin verklaard dat hij die jas heeft uitgeleend. Door of namens de verdachte is ook niet uiteengezet hoe de jas, nadat die tijdens de levensberoving van [N] door een ander zou zijn gedragen, in de slaapkamer van de verdachte is beland.

Het alternatieve scenario waarin een ander dan de verdachte de jas tijdens het schietincident zou hebben gedragen, vindt bovendien weerlegging in de OVC-gesprekken. Daaruit komt onder meer naar voren dat de verdachte tegen zijn echtgenote heeft bekend [N] neergeschoten te hebben en dat zij de jas van de verdachte heeft gewassen, maar – ondanks aandringen van zoon [G] – niet heeft weggegooid.

Ten slotte overweegt het hof dat de resultaten van het aan de jas verrichte technische onderzoek (schotresten, DNA en RNA) voor het bewijs worden gebezigd in onderlinge samenhang met de overige bewijsmiddelen waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegd blijkt.

4.

De raadsman heeft aangevoerd dat bij het in hoger beroep aan de jas van de verdachte verrichte bloedspoorpatroon- en DNA-onderzoek nieuwe bloedsporen zijn aangetroffen en dat een groot deel van die bloedsporen geen DNA van [N] bevat, althans dat is gerapporteerd dat [N] als donor van die DNA-sporen niet is uit te sluiten.

Het hof overweegt dat het NFI-rapport d.d. 6 juni 2014, opgemaakt door ing. M.J. van der Scheer (bloedspoorpatroononderzoek) en dr. I.E.P.M. Blom (onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek), op pagina 22/24 weliswaar inhoudt dat van een aantal bemonsteringen (onvolledige) DNA-mengprofielen zijn verkregen ten aanzien waarvan geen aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid van celmateriaal van [N], maar uit het verrichte onderzoek blijkt tevens het volgende.

Van het DNA in het bloedspoor AAFB1756NL#18 is een DNA-mengprofiel verkregen. Het celmateriaal in deze bemonstering kan afkomstig zijn van [N] en van de verdachte.

Van zeven andere bloedsporen (AAFB1756NL#12, #13, #15, #17, #21, #22, #24) zijn (onvolledige) DNA-mengprofielen verkregen, waarbij [N] niet is uit te sluiten als donor van het celmateriaal in die bemonsteringen.

Van het DNA in het bloedspoor AAFB1756NL#08 is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van [N]. De matchkans is van dit profiel is kleiner dan één op één miljard. Hieruit concludeert het hof dat deze bemonstering bloed van het slachtoffer bevat.

De bemonstering AAFB1756NL#08 is onderworpen aan een onderzoek naar de aard van het aanwezige celmateriaal met behulp van ‘RNA-orgaantypering’. Van het RNA in deze bemonstering is een RNA-profiel verkregen dat past bij de aanwezigheid van onder meer hersenweefsel.

Nu de bemonstering AAFB1756NL#08 slechts celmateriaal van [N] bevat (er is geen sprake van een DNA-mengprofiel), stelt het hof vast dat deze bemonstering, naast bloed van het slachtoffer, ook hersenweefsel van het slachtoffer bevat.

De resultaten van dit NFI-onderzoek, die erop neerkomen dat hersenweefsel van het slachtoffer is aangetroffen op de jas van de verdachte, dragen daarom in sterke mate bij aan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

5.

De raadsman heeft aangevoerd dat in de in de woning van de verdachte opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC-gesprekken) slechts één persoon, [H], heeft gesproken over hetgeen zij zegt te hebben gehoord van de verdachte. Hetgeen zij in de OVC-gesprekken heeft gezegd, is echter onvoldoende betrouwbaar. De raadsman heeft gewezen op de verklaringen van [F] en [D], dochters van de verdachte, die bij de raadsheer-commissaris hebben verklaard dat [H] op de hoogte was van de afluisterapparatuur en om haar moverende redenen heeft gezegd hetgeen zij heeft gezegd. Op de punten waarop de uitlatingen van [H] in de OVC-gesprekken geverifieerd konden worden in de opsporingsresultaten, blijken haar uitlatingen bovendien niet te kloppen.

Het hof acht in het geheel niet aannemelijk geworden dat [H] op de hoogte was van de afluisterapparatuur en om “haar moverende redenen” in de OVC-gesprekken de verdachte valselijk heeft willen belasten. Ieder begin van aannemelijkheid daarvoor ontbreekt. [H] heeft ook niet verklaard – met name niet in haar verhoor over deze conversatie voor de rechter-commissaris op 5 maart 2013 – dat zij wist dat de conversatie in haar woning werd opgenomen. Uit het dossier komt veeleer het beeld van naar voren van een vrouw die – mede onder druk van het gezin – haar echtgenoot heeft willen beschermen, bijvoorbeeld door in strijd met de waarheid tegen de politie te verklaren dat de verdachte zijn kleding niet had verwisseld.

De stelling van de raadsman dat op de punten waarop de uitlatingen van [H] in de OVC-gesprekken geverifieerd konden worden in de opsporingsresultaten, die uitlatingen onjuist blijken te zijn, mist feitelijke grondslag.

[H] heeft in de OVC-gesprekken immers gezegd dat de verdachte een handschoen bij zich had en die in het water heeft gegooid. Dit past bij het feit dat in de auto waarin [N] werd aangetroffen wel een linkerhandschoen (met aan de binnenzijde DNA-materiaal van de verdachte), maar geen rechterhandschoen is gevonden. Zij heeft in de OVC-gesprekken bovendien gezegd dat de verdachte de telefoon van [N] heeft weggegooid. Dit past bij het feit dat in de auto waarin [N] werd aangetroffen geen mobiele telefoon is gevonden, terwijl vaststaat dat het slachtoffer in ieder geval op vrijdagavond 3 februari 2012 om 19:05 uur zijn mobiele telefoon nog heeft gebruikt.

Het hof beschouwt hetgeen [H] in de OVC-gesprekken heeft gezegd als een spontane en authentieke verklaring tegen haar kinderen van hetgeen zij zelf heeft waargenomen en van hetgeen de verdachte haar heeft verteld.

Het hof ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de OVC-gesprekken.

6.

De raadsman heeft aangevoerd dat de getuige [getuige 6] bij de politie heeft verklaard dat hij in de bewuste nacht tussen 00:00 uur en 00:15 uur een aantal knallen rond het zwembad De Vennen heeft gehoord en grofweg drie minuten later met hoge snelheid een grijze vijfdeurs Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] heeft zien wegrijden vanaf de parkeerplaats van het zwembad. Dit biedt een contra-indicatie voor het daderschap van de verdachte.

Het hof stelt voorop dat het door de raadsman gesuggereerde alternatieve scenario – waarin niet de verdachte, maar de eigenaar van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] bij de levensberoving van [N] betrokken zou zijn – weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen waaruit, in onderlinge samenhang bezien, het daderschap van de verdachte volgt.

Het hof overweegt bovendien het volgende.

De door de raadsman bedoelde verklaring van [getuige 6] bij de politie is op 22 februari 2012 afgelegd (hoofddossier p. 2185-2186). Het proces-verbaal van dat verhoor houdt onder meer in: “(Opmerking verbalisant: De heer [getuige 6] heeft de gegevens van de grijze Volkswagen Golf voorzien van kenteken [kenteken 2], ter plaatse in zijn telefoon genoteerd.)”

In zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris op 13 maart 2014 heeft [getuige 6] echter verklaard: “Ik heb het kenteken van de grijze auto opgeslagen in mijn mobieltje toen ik thuiskwam. Ik heb het onthouden toen ik terugliep naar huis.”

De politie heeft technisch onderzoek verricht aan de telefoon van [getuige 6] in een poging te achterhalen op welke datum de notitie, met daarin onder meer het kenteken [kenteken 2], in de telefoon van [getuige 6] is opgeslagen. Het van dat onderzoek opgemaakte proces-verbaal d.d. 23 februari 2012 (hoofddossier p. 238-240) houdt in dat uit de voorlooptekst “20120214T235913” van de betreffende notitie zou kunnen worden opgemaakt dat die notitie op 14 februari 2012 te 23:59.13 uur is vastgelegd. Het onderzoek aan de telefoon van [getuige 6] heeft geen aanknopingspunten opgeleverd voor de conclusie dat de notitie in de nacht van vrijdag 3 op zaterdag 4 februari 2012 is opgeslagen.

Gelet op het voorgaande – de onduidelijkheid rondom het in de telefoon opslaan van het kenteken [kenteken 2] (ter plaatse of pas nadat [getuige 6] thuiskwam) en het resultaat van het onderzoek aan de telefoon (mogelijke opslagdatum: 14 februari 2012) – is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat [getuige 6] in de nacht van 3 op 4 februari 2012 de door hem beschreven Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] heeft gezien. Om die reden biedt de verklaring van [getuige 6] geen contra-indicatie voor het daderschap van de verdachte, nog daargelaten dat de enkele waarneming van de auto enkele minuten na het horen van enkele knallen geen betrokkenheid aantoont van (de inzittenden van) deze auto bij het onderhavige schietincident.

Conclusie ten aanzien van het daderschap van de verdachte

De inhoud van de bewijsmiddelen samenvattend, stelt het hof het volgende vast.

  1. [N] bevond zich op vrijdagavond 3 februari 2012 omstreeks 19.00 uur in het Turks Cultureel Centrum te Dongen. Nadat hij werd gebeld, heeft hij – zonder zijn zojuist bestelde thee op te drinken – het Centrum verlaten (bewijsmiddelen 13, 14 en 15).

  2. De verdachte heeft die vrijdagavond om 18:58 uur (uitgaand), 19:00 uur (inkomend) en 19:05 uur (uitgaand) telefonisch contact gehad met [N] (bewijsmiddelen 9 en 10). De mobiele telefoon van de verdachte straalde op deze tijdstippen de zendmast aan de Deken Batenburgstraat te Dongen aan. Deze zendmast is gelegen aan de parkeerplaats De Vennen (bewijsmiddelen 9 en 11).

  3. Het is niet waarschijnlijk dat de verdachte – anders dan hij bij de politie bij herhaling en stellig heeft verklaard (hoofddossier p. 94, 98 en 101) – vanuit zijn woning de zendmast aan de Deken Batenburgstraat heeft kunnen aanstralen. Het telecomonderzoek geeft een indicatie waar de telefoon van de verdachte zich tijdens genoemde drie gesprekken heeft bevonden: in het dekkingsgebied van T-Mobile cel 21783 op het opstelpunt in de Deken Batenburgstraat in Dongen (bewijsmiddel 11).

  4. In de nacht van 3 op 4 februari 2012 omstreeks 00:25 uur werd het lichaam van [N] aangetroffen op de bestuurdersstoel van een auto op het parkeerterrein van zwembad ‘De Vennen’ aan de Deken Batenburgstraat (bewijsmiddel 1). Dit parkeerterrein bevindt zich op ongeveer 200 meter van het Turks Cultureel Centrum (bewijsmiddel 12).

  5. Bij sectie is gebleken dat [N] door vuurwapengeweld om het leven is gekomen. Er is sprake van meerdere inschoten aan de rechterzijde van het lichaam (bewijsmiddel 8).

  6. Er is onderzoek gedaan naar de schootsafstand. De bevindingen van het onderzoek aan de beschadigingen in de kleding en de huiddelen van het slachtoffer zijn waarschijnlijker bij minimaal één schootsafstand tussen 2,5 en 50 centimeter, dan bij schootsafstanden groter dan 50 centimeter of kleiner dan 2,5 centimeter. De bevindingen van het onderzoek aan de tong van het slachtoffer zijn voorts waarschijnlijker bij een schootsafstand kleiner dan 25 centimeter, dan bij een schootsafstand groter dan 25 centimeter (bewijsmiddel 24).

  7. In de auto werden zeven hulzen aangetroffen, waarvan drie op het dashboard. Op de rechterhand van het slachtoffer lag een linkerhandschoen (bewijsmiddelen 5 en 6).

  8. Op de buitenzijde van de handschoen is – zo concludeert het hof op grond van het NFI-onderzoek – bloed van het slachtoffer aangetroffen (bewijsmiddel 16). Aan de binnenzijde van de handschoen, waar zich biologische contactsporen van de drager van de handschoen kunnen bevinden, is – zo concludeert het hof op grond van het NFI-onderzoek – DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen (bewijsmiddelen 16 en 17).

  9. Medewerkers van de Unit Forensisch Technisch Onderzoek hebben – gezien de plaats van de verwondingen op het lichaam van het slachtoffer, een beschadiging in de B-stijl aan de bestuurderszijde van de auto en bloedspatten op de binnenzijde van het bestuurdersportier – geconcludeerd dat voorin het voertuig vanaf de passagiersstoel in de richting van het slachtoffer is geschoten (bewijsmiddel 6). Het hof deelt deze conclusie, mede gelet op de sectiebevindingen en het onderzoek naar de schootsafstand.

  10. In de slaapkamer van de verdachte is een jas van de verdachte in beslag genomen (bewijsmiddelen 18, 19, 20, 21 en 22). De mouwen van deze jas zijn bemonsterd op schotresten. Dit onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de jas en een schietproces (bewijsmiddel 23).

  11. In hoger beroep zijn de deeltjes op de jas van de verdachte vergeleken met de deeltjes op de jas van het slachtoffer. De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer de deeltjes op de jas van de verdachte dezelfde bron van herkomst hebben als de deeltjes op de jas van het slachtoffer, dan wanneer de deeltjes op de jas van de verdachte een andere bron van herkomst hebben dan de deeltjes op de jas van het slachtoffer. De conclusie van het vergelijkend schotrestenonderzoek ondersteunt de lezing dat er een verband is tussen de jas van de verdachte en het onderhavige schietincident (bewijsmiddelen 7 en 24).

  12. Bij (niet uitputtend) onderzoek aan de jas van de verdachte is ter hoogte van de linkerborst, linkerelleboog en linkeroksel – zo concludeert het hof op grond van het NFI-onderzoek – bloed van het slachtoffer aangetroffen (bewijsmiddel 25). In hoger beroep is de jas van de verdachte alsnog uitputtend onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Bij dit onderzoek zijn verspreid over met name de linkerzijde van het voorpand en de voorzijde van de rechtermouw verschillende bloedsporen aangetroffen. Ook bij dit onderzoek is – zo concludeert het hof op grond van het NFI-onderzoek – bloed van het slachtoffer aangetroffen (bewijsmiddel 26).

  13. Het slachtoffer is door het hoofd geschoten, net boven het rechteroor, en er is sprake van perforatie van de hersenen (bewijsmiddel 8). Op de jas van de verdachte is – zo concludeert het hof op grond van het NFI-onderzoek – hersenweefsel van het slachtoffer aangetroffen (bewijsmiddel 26).

  14. In de woning van de verdachte zijn gesprekken tussen zijn echtgenote [H], zijn dochter [F] en zijn zoon [G] afgeluisterd (bewijsmiddelen 27, 28, 29 en 30). Daaruit blijkt dat:

- de verdachte tegen zijn echtgenote heeft bekend [N] neergeschoten te hebben;

- de verdachte na thuiskomst van kleding heeft gewisseld;

- de verdachte bloed van zijn horloge en één van zijn handen heeft gewassen;

- de verdachte een deel van zijn kleding (“zijn schoen en zo”) heeft weggegooid;

- de echtgenote van de verdachte de jas van de verdachte heeft gewassen, maar – ondanks aandringen van [G] – niet heeft weggegooid;

- de verdachte een handschoen in het water heeft gegooid, hetgeen past bij het feit dat in de auto waarin [N] werd aangetroffen wel een linker-, maar geen rechterhandschoen is gevonden (bewijsmiddel 6);

- de verdachte de telefoon van [N] heeft weggegooid, hetgeen past bij het feit dat in de auto waarin [N] werd aangetroffen geen mobiele telefoon is gevonden (bewijsmiddel 6).

Ten slotte stelt het hof vast dat de verdachte geen alibi heeft kunnen geven voor de periode tussen 19.05 uur (laatste telefoongesprek met het slachtoffer) en het moment waarop hij met zijn echtgenote die avond op bezoek is gegaan bij de familie [naam] (omstreeks 20.45 à 21.00 uur, volgens de verklaringen van de heer en mevrouw [naam] bij de rechter-commissaris op 5 respectievelijk 6 maart 2013), maar dat hij wel een alibi heeft voor de periode tussen 00.00 uur en 00.25 uur (aantreffen slachtoffer door politie). Volgens de heer en mevrouw [naam] gingen de verdachte en zijn echtgenote weg omstreeks 00.30 uur. Nu het hof bewezen acht dat de verdachte de dader is, volgt uit het vorenstaande dat het slachtoffer niet op 4 februari 2012, maar op 3 februari 2012 om het leven is gebracht.

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte op 3 februari 2012 te Dongen het slachtoffer [N] met een vuurwapen van het leven heeft beroofd.

Voorbedachte raad

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en dat daarom sprake is van moord. Daartoe is aangevoerd dat uit verklaringen blijkt dat er al langere tijd onenigheid was in het gezin. Er werd gesproken over incest, overspel en ruzie waarbij de kampen telkens verspreid leken tussen aan de ene kant de familie [N] en aan de andere kant de familie [verdachte]. Uit de OVC-gesprekken blijkt dat de verdachte al een aantal weken voor het misdrijf het wapen heeft gepakt uit de kast waar het lag en het telkens bij zich had. Daarnaast blijkt uit de OVC-gesprekken dat twee waarschuwingen zijn gegeven aan [N]. Op 3 februari 2012 heeft [N] direct na een telefoontje van de verdachte het theehuis verlaten. Vervolgens werd [N] door de verdachte op een verlaten parkeerplaats doodgeschoten. Er zijn geen sporen van een worsteling. Eén schot is afgedrukt terwijl het wapen in de mond stak. Er was geen sprake van een plotselinge gemoedsopwelling, maar van een moord waar op voorhand over is nagedacht en die uiteindelijk op 3 februari 2012 heeft plaatsgevonden, aldus de advocaat-generaal.

De raadsman heeft – op gronden als in de pleitnota verwoord – vrijspraak van de ten laste gelegde voorbedachte raad bepleit.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad, gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

[H] heeft in een OVC-gesprek van 11 mei 2012 gezegd dat hij (de verdachte) hem ([N]) twee keer heeft gewaarschuwd. De verdachte heeft het wapen vier weken ervoor uit haar kast gepakt en tussen zijn eigen kleren gelegd. Elke keer dat hij wegging, maakte hij het wapen gereed (hoofddossier p. 1373).

Vast staat dat de verdachte op vrijdagavond 3 februari 2012 [N] heeft gebeld, naar aanleiding waarvan [N] het Turkse theehuis heeft verlaten, en dat [N] vervolgens door de verdachte is doodgeschoten op een nabij gelegen parkeerplaats. Naar het oordeel van het hof is echter niet komen vast te staan dat de verdachte zich reeds voor zijn vertrek naar de betreffende parkeerplaats had voorgenomen om [N] van het leven te beroven, noch dat hij dat toen reeds had overwogen. Niet kan genoegzaam worden uitgesloten dat de verdachte het wapen met een andere reden heeft meegenomen, bijvoorbeeld om het slachtoffer te bedreigen of te imponeren, al dan niet naar aanleiding van de door de advocaat-generaal genoemde onenigheid tussen de families [verdachte] en [N]. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet duidelijk is waarvoor het slachtoffer tweemaal was gewaarschuwd. Een verband tussen deze waarschuwingen en de latere levensberoving van [N] heeft het hof niet kunnen vaststellen. Voorts is onbekend wat de inhoud was van de drie korte telefonische contacten tussen de verdachte en het slachtoffer voorafgaand aan de levensberoving. Uit die telefonische contacten kan daarom evenmin worden afgeleid dat de verdachte zich reeds toen had voorgenomen [N] van het leven te beroven.

De parkeerplaats waar het slachtoffer werd doodgeschoten was overigens niet verlaten, zo blijkt uit het dossier, nu diverse getuigen die avond/nacht op of in de buurt van de parkeerplaats aanwezig zijn geweest. De locatie waar de levensberoving heeft plaatsgevonden, vormt daarom geen aanwijzing dat de verdachte aldaar een ontmoeting met [N] heeft gearrangeerd met de bedoeling hem daar zonder de aanwezigheid van getuigen te doden.

Naar het oordeel van het hof is de mogelijkheid open gebleven dat in de auto van [N] een conflict is ontstaan tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling [N] van het leven heeft beroofd.

Dat geen sporen van een worsteling zijn aangetroffen, dwingt niet tot het oordeel dat met voorbedachte raad is gehandeld, nu ook zonder een dergelijke worsteling sprake kan zijn geweest van handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Uit het door de advocaat-generaal genoemde schot in de mond – kennelijk wordt gedoeld op het inschotletsel aan de tong – kan ten slotte naar het oordeel van het hof evenmin worden afgeleid dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op een te nemen of genomen besluit tot levensberoving en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het hof acht daarom niet bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat hij zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Volgens artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht kan doodslag worden bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste delicten, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting is van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven. In reactie hierop kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

De verdachte heeft een ontmoeting met het slachtoffer, zijn schoonzoon, geregeld en is met een vuurwapen ter plaatse gegaan. De verdachte heeft het slachtoffer op brute wijze van dichtbij met meerdere schoten, in lichaam en hoofd, om het leven gebracht.

Hiermee heeft de verdachte de rechtsorde ernstig geschokt en de nabestaanden groot en onherstelbaar leed toegebracht. Dit laatste blijkt uit het in eerste aanleg en in hoger beroep door en namens de nabestaanden uitgeoefende spreekrecht en de voorgelezen slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer.

In het nadeel van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat hij zijn eigen schoonzoon van het leven heeft beroofd. Daarmee heeft hij zijn eigen kleinkinderen hun vader ontnomen en zijn eigen dochter haar echtgenoot. Verdachtes kleinkinderen zullen moeten opgroeien in de wetenschap dat hun grootvader hun vader om het leven heeft gebracht.

Blijkens een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2014 werd de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake van vuurwapenbezit (in 2003) en mishandelingen (vonnis politierechter, 14 april 2004). De verdachte heeft verklaard dat hij dat vuurwapen – waarvoor hij in 2004 is veroordeeld – had gekocht “omwille van zijn veiligheid” en dat hij daarmee een paar keer op vakantie is gegaan (p. 167). Genoemde veroordeling heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een vuurwapen met bijbehorende munitie in bezit te hebben. De houding van de verdachte ten opzichte van vuurwapens die hieruit spreekt – de verdachte ziet vuurwapenbezit kennelijk als geoorloofd en normaal – acht het hof zeer zorgelijk.

Ten slotte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte geen inzicht heeft willen geven in zijn motief. Door de nabestaanden in het ongewisse laten omtrent de reden van de levensberoving van het slachtoffer, heeft de verdachte de verwerking van de dood van hun dierbare bemoeilijkt en daarmee het leed van de nabestaanden vergroot.

De verdachte heeft geen medewerking verleend aan gedragskundig onderzoek door een psychiater en een psycholoog.2 Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, acht het hof de verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor het bewezen verklaarde. Ook overigens is het hof niet gebleken van strafverlagende omstandigheden.

Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren passend en geboden.

Het hof komt tot oplegging van een gevangenisstraf van minder lange duur dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu het hof niet is gekomen tot een bewezenverklaring van moord.

Met een gevangenisstraf van kortere duur dan veertien jaren kan – niettegenstaande de vrijspraak van moord – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde en de persoon van de verdachte, naar het oordeel van het hof niet worden volstaan.

Beslag

Het hof zal de in beslag genomen handschoen en DL& Delpino jas van de verdachte, met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan of voorbereid, verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

De hulzen en projectielen/projectieldelen, met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de in beslag genomen spijkerbroek (merk Jinglers) en jas (merk Jeanious).

Van de overige in beslag genomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, zal de teruggave worden gelast aan [F], die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Vordering van de benadeelde partij [S]

Deze vordering is door het hof op zijn terechtzitting van 22 september 2014 op de voet van artikel 333 van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaard. In dit arrest zal nog worden beslist omtrent de kosten als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd.

Vordering van de benadeelde partij [T]

De benadeelde partij [T], de broer van het slachtoffer [N], heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij is in eerste aanleg in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard en heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Deze vordering bestaat uit kosten van vliegtickets voor vijf personen voor de begrafenis van [N] in Turkije (in totaal € 1.499,90), uitvaart- (€ 8.125,=) en moskeekosten (€ 1.000,=) in Turkije. Voorts is – zo begrijpt het hof het voegingsformulier – verzocht de verdachte te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.815,=. Op de terechtzitting van de rechtbank op 24 juni 2013 heeft de advocaat van de benadeelde partij mr. Yeral de kosten van rechtsbijstand nog aangevuld met “de kosten van mijn bijstand hier ter zitting tegen een uurtarief van € 210,=” zonder nadere specificatie van het aantal uren.

De vordering strekt tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 108, tweede lid, van het zesde boek van het Burgerlijk Wetboek. Die kosten kunnen door de benadeelde partij worden gevorderd in het strafproces op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank heeft de benadeelde partij [T] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en daartoe overwogen dat [N] in Nederland was verzekerd voor begrafeniskosten en dat van de zijde van de benadeelde partij [T] is aangevoerd dat een gedeelte van de gemaakte kosten niet door de verzekering is uitgekeerd, maar dat de rechtbank niet kan vaststellen welk gedeelte van de kosten dat is geweest. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de in Turkije gemaakte kosten, waarvoor geen bonnen zijn overgelegd, zijn berekend aan de hand van een kostencalculator van Uitvaart.nl, welke kostencalculator is gebaseerd op uitvaartkosten in Nederland, en dat onduidelijk is gebleven wat de kosten van een begrafenis in Turkije zijn.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2014 heeft de advocaat van de benadeelde partij [T] op vragen van het hof verklaard dat hij niet beschikt over aanvullende stukken ter onderbouwing van de in Turkije gemaakte uitvaartkosten. Voorts heeft hij verklaard dat er een begrafenisverzekering is afgesloten, maar dat hij niet kan laten zien welke kosten de verzekeringsmaatschappij heeft vergoed.

In aanmerking genomen dat:

( a) een aanzienlijk deel van de verzochte kosten niet met stukken is onderbouwd, althans met stukken die naar het oordeel van het hof niet zonder meer representatief kunnen worden geacht voor de daadwerkelijk gemaakte kosten (de uitvaartkosten, onderbouwd met een kostencalculator van Uitvaart.nl) en

( b) uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat er een verzekering was afgesloten ter zake van de begrafeniskosten van het slachtoffer, terwijl de advocaat van de benadeelde partij ook in hoger beroep niet heeft kunnen uiteenzetten welke kosten de verzekeringsmaatschappij heeft vergoed, hetgeen – mede gelet op het oordeel van de rechtbank – wel op de weg van de benadeelde partij had gelegen,

is het hof niet in staat vast te stellen welke kosten van lijkbezorging daadwerkelijk zijn gemaakt én niet door de verzekering zijn vergoed.

Het hof zal het onderzoek niet heropenen teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen alsnog hierover duidelijkheid te verschaffen, aangezien van de benadeelde partij kon worden verwacht dat hij deze duidelijkheid reeds op de terechtzitting van het hof op 22 september 2014 had verschaft en heropening van het onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Het hof zal daarom de benadeelde partij [T] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering die is ingediend in het kader van het strafproces. Dit neemt niet weg dat de benadeelde partij in beginsel jegens de verdachte aanspraak kan maken op de door hem, benadeelde, gedragen kosten van de lijkbezorging voor zover deze kosten niet reeds door de verzekering zijn vergoed. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd een handschoen (nr. 689451) en een jas (merk DL&Delpino, nr. 753309).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de hulzen en projectielen/projectieldelen vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan de verdachte van een spijkerbroek (merk Jinglers, nr. 753223) en een jas (merk Jeanious, nr. 753320).

Gelast de teruggave aan [F] van de overige voorwerpen vermeld op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Verstaat dat het hof ter terechtzitting van 22 september 2014 de benadeelde partij [S] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bepaalt dat de benadeelde partij [S] en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [T] in zijn vordering tot schadevergoeding

niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [T] en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 6 oktober 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar het hoofddossier, wordt gedoeld op het dossier van de regiopolitie Midden en West-Brabant, dossiernr. PL203M/2012026517, sluitingsdatum 20 september 2012, met bijlagen, bestaande uit doorgenummerde pagina’s 1-6909. Wanneer wordt verwezen naar het FTO-dossier, wordt gedoeld op het dossier van de regiopolitie Midden en West-Brabant, Unit Forensisch Technisch Onderzoek, zaaknr. BVH 2012026517, sluitingsdatum 24 september 2012, met bijlagen, bestaande uit doorgenummerde pagina’s 1-340.

2 Rapport van klinisch psycholoog drs. W.J.L. Lander d.d. 26 september 2012 en rapport van psychiater H. Kondakçi d.d. 1 oktober 2012.