Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:402

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
HD 200.098.714_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen beroepsfout advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.098.714/01

arrest van 18 februari 2014

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],,

2. [appellante 2.],

wonende te [woonplaats],,

appellanten,

advocaat: mr. H.M.J. Offermans te Roermond,

tegen

mr. [advocaat],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 juni 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnis van 30 maart 2011 tussen appellanten – [appellanten] c.s. – als eisers en geïntimeerde – mr. [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 204847/HA ZA 10-76)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met productie;

- de memorie van antwoord;

- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

Aan het hof zijn niet de drie ordners overgelegd die betrekking hebben op de procedure van [appellanten] c.s. tegen mrs. [advocaat 2.] en [advocaat 3.].

In eerste aanleg hebben [appellanten] c.s. producties in het geding gebracht. Achter de tabbladen 8 en 9 bij de conclusie van repliek en 11 en 12 bij de pleitnota in eerste aanleg bevinden zich geen producties.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1

[appellanten] c.s. huurden van verhuurder [verhuurder] een appartement en atelier (onderdeel uitmakend van een carré-boerderij) in [plaats]. Bij brief van 22 mei 2001 heeft [verhuurder] de huurovereenkomsten opgezegd tegen 1 december 2001. Aan deze opzegging heeft [verhuurder] ten grondslag gelegd:

a. dat [appellanten] c.s. stelselmatig tekortschoten in de nakoming van hun betalingsverplichtingen en

b. dat zij zich schuldig maakten aan wangedrag, onder meer door een deel van de gemeenschappelijke ruimten, bestemd om door alle bewoners van de appartementen in de carré-boerderij te worden gebruikt, uitsluitend voor zichzelf te reserveren.

Omdat [appellanten] c.s. niet instemden met de beëindiging van de huur heeft [verhuurder] [appellanten] c.s. gedagvaard voor de kantonrechter te Maastricht. Hij vorderde daar op genoemde grondslagen de ontruiming door [appellanten] c.s. van het appartement en het atelier. In die procedure werden [appellanten] c.s. bijgestaan door mr. [advocaat 2.], advocaat te [vestigingsplaats].

4.1.2

Bij de aanvang van de door [verhuurder] gestarte procedure bedroeg de huurachterstand van [appellanten] c.s. circa ƒ 2.500,= (circa € 1.135,=) (arrest van dit hof van 2 maart 2004 tussen [appellanten] c.s. en [verhuurder], r.o. 4.8.2). Op het moment van het door de kantonrechter gewezen ontruimingsvonnis van 4 september 2002 hadden [appellanten] c.s. de huur over de maanden april, mei, juni, juli en augustus 2002 onbetaald gelaten. Na het ontruimingsvonnis heeft de gemeente Gulpen-Wittem de huurachterstand van [appellanten] c.s. van € 2.451,05 aan [verhuurder] betaald. Op 27 september 2002 hebben [appellanten] c.s. de per 1 september 2002 over de maand september 2002 verschuldigde huur aan [verhuurder] betaald (concl. v. repliek van [appellanten] c.s. no. 36).

[verhuurder] baseerde het gestelde wangedrag onder meer op een vonnis van de rechtbank Maastricht van 6 december 2001 tussen [appellanten] c.s. en bewoners van andere appartementen. Bij dat vonnis zijn [appellanten] c.s. veroordeeld om een afscheiding van de gemeenschappelijke ruimten te verwijderen. Van dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4.1.3

Nadat in de ontruimingsprocedure mr. [advocaat 2.] bij conclusie van antwoord voor [appellanten] c.s. verweer had gevoerd en zijdens [verhuurder] was geconcludeerd voor repliek, verzuimde mr. [advocaat 2.] voor dupliek te concluderen. Bij vonnis van 4 september 2002 heeft de kantonrechter als vermeld [appellanten] c.s. uitvoerbaar bij voorraad tot ontruiming veroordeeld.

4.1.4

Vervolgens heeft mr. [advocaat 2.] op 4 september 2002 namens [appellanten] c.s. hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter ingesteld en heeft hij op de eerste roldatum, 24 september 2002, de memorie van grieven genomen.

Tevens heeft mr. [advocaat 2.] namens [appellanten] c.s. een executie-kortgeding gestart, waarin de schorsing van de executie werd gevorderd. De voorzieningenrechter te Maastricht heeft die vorderingen op 1 oktober 2002 afgewezen.

De ontruiming heeft hierna op 2 oktober 2002 plaatsgevonden.

4.1.5

[appellanten] c.s. hebben mr. [advocaat 2.] aansprakelijk gesteld voor hun schade ten gevolge van zijn fout om in de kantonzaak niet voor dupliek te concluderen. Als gevolg daarvan is Nationale Nederlanden, de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van mr. [advocaat 2.], in de zaak betrokken geraakt.

In de zaak in hoger beroep van [appellanten] c.s. tegen [verhuurder] had de advocaat van [verhuurder] op 7 januari 2003 de memorie van antwoord genomen. Ten gevolge van de opgetreden vertrouwensbreuk tussen [appellanten] c.s. en mr. [advocaat 2.], heeft mr. [advocaat 2.] zich bij brief d.d. 8 januari 2003 aan die zaak onttrokken.

[appellanten] c.s. hebben vervolgens contact opgenomen met Nationale Nederlanden. Via Nationale Nederlanden is mr. [geïntimeerde] ingeschakeld om in de plaats van mr. [advocaat 2.] het hoger beroep tegen verhuurder [verhuurder] verder te behandelen.

Mr. [advocaat van NN], advocaat van Nationale Nederlanden, zond met een brief d.d. 28 januari 2003 het dossier aan mr. [geïntimeerde] en gaf in die brief een visie op de zaak.

4.1.6

Mr. [geïntimeerde] kwam na bestudering van de zaak tot de bevinding dat de door mr. [advocaat 2.] opgestelde memorie van grieven te beperkt was en dat het procesrecht geen ruimte meer liet om formeel nadere grieven tegen het vonnis van de kantonrechter in te brengen. Zij heeft daarom besloten om schriftelijk te pleiten en in dat schriftelijk pleidooi aanvullende feiten naar voren te brengen op grond waarvan het Hof, zonder die als verkapte grieven te hoeven aan te merken, de zaak wellicht breder zou willen beoordelen.

In die opzet is zij niet geslaagd. In zijn arrest van 2 maart 2004 (r.o. 4.3) overweegt het hof dat de aanvullende feiten deels als grieven moeten worden aangemerkt. Het hof heeft deze buiten beschouwing gelaten. Vervolgens heeft het Hof de wel aangevoerde grieven verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

4.1.7

In de thans aanhangige procedure verwijten [appellanten] c.s. mr. [geïntimeerde] een beroepsfout te hebben begaan bij de verdere behandeling van het hoger beroep tegen [verhuurder].

[appellanten] c.s. vorderen een verklaring voor recht dat mr. [geïntimeerde] is tekortgeschoten bij haar behandeling van de zaak van [appellanten] c.s. tegen [verhuurder] in hoger beroep en haar te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [appellanten] c.s. veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.2.

Met zes grieven komen [appellanten] c.s. op tegen het bestreden vonnis. Alvorens de grieven te behandelen overweegt het hof als volgt.

Beide partijen zijn het erover eens dat mr. [geïntimeerde] op verzoek van Nationale Nederlanden de behandeling van de zaak tegen [verhuurder] in hoger beroep heeft overgenomen. [appellanten] c.s. stellen zich daarbij op het standpunt dat zijzelf geen overeenkomst met mr. [geïntimeerde] hebben gesloten (en zij dus kennelijk hun vorderingen baseren op onrechtmatige daad). Mr. [geïntimeerde] erkent zelf met [appellanten] c.s. geen overeenkomst te hebben gesloten, waarbij zij stelt dat er een overeenkomst tussen haar toenmalige werkgever [toenmalige werkgever] advocaten en [appellanten] c.s. tot stand is gekomen. Het hof zal dit punt laten rusten nu het voor de behandeling van de zaak geen verschil maakt. In beide gevallen moet de dienstverlening van mr. [geïntimeerde] als advocaat getoetst worden aan dezelfde maatstaf, te weten de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.

4.3

Het hof overweegt voorts dat het de overwegingen en beslissingen van de rechtbank overneemt en tot de zijne maakt voor zover in het navolgende niet uitdrukkelijk wordt overwogen. Voor zover het gestelde in de memorie van grieven uitsluitend tot doel heeft het oordeel van de rechtbank te (laten) heroverwegen, faalt het om die reden. Voor zover [appellanten] c.s. in hoger beroep nieuwe stellingen hebben ingenomen en voor zover het vonnis van de rechtbank aanvulling behoeft, overweegt het hof als volgt.

4.4.1

Met hun eerste grief klagen [appellanten] c.s. over r.o. 4.9 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank de verwijten van [appellanten] c.s. aan het adres van mr. [geïntimeerde] over een mogelijk belangenconflict tussen Nationale Nederlanden en [appellanten] c.s. ongegrond oordeelde.

4.4.2

De grief faalt om meerdere redenen. In haar, in zoverre niet bestreden, r.o. 4.1, waarmee het hof overigens instemt, overweegt de rechtbank dat het niet had uitgemaakt hoe mr. [geïntimeerde] het hoger beroep verder zou hebben behandeld omdat het vonnis van de kantonrechter toch zou zijn bekrachtigd. Hieruit volgt reeds dat een eventuele belangenverstrengeling niet van belang is. Daarbij komt dat de algemene verwijten die [appellanten] c.s. aan mr. [geïntimeerde] maken zouden gelden voor iedere advocaat die op verzoek van Nationale Nederlanden de behandeling zou hebben overgenomen. Nationale Nederlanden heeft, nadat [appellanten] c.s. haar benaderd had, mr. [geïntimeerde] gevraagd de zaak verder te behandelen. [appellanten] c.s. hebben dit geaccepteerd en mr. [geïntimeerde] informatie gegeven om de zaak verder te behandelen. Het gaat dan niet aan om thans mr. [geïntimeerde] te verwijten dat zij op verzoek van Nationale Nederlanden de behandeling van de zaak heeft overgenomen.

Ook de feitelijke grondslag voor de grief ontbreekt. Uit niets blijkt dat mr. [geïntimeerde] eventuele belangen van Nationale Nederlanden zou hebben behartigd in plaats van die van [appellanten] c.s.. In de brief van mr. [advocaat van NN], advocaat van Nationale Nederlanden, van 28 januari 2003 aan mr. [geïntimeerde] (prod. 1 concl. van repliek) staan suggesties voor door mr. [geïntimeerde] te nemen processtappen, door [appellanten] c.s. ten onrechte “instructies” genoemd. Deze suggesties dienen alle het belang van [appellanten] c.s.. In een brief van mr. [advocaat van NN] van 28 januari 2003 aan Nationale Nederlanden (prod. 2 concl. van repliek) schrijft deze onder meer het volgende:

Ik meen dat er aanleiding is voor het vragen van pleidooi. Op de eerste plaats kan op die wijze worden vermeden dat [appellanten] aan een eventuele aansprakelijkheidsprocedure tegen mr. [advocaat 2.] tevens ten grondslag legt dat mr [advocaat 2.] tekort zou zijn geschoten in de behandeling van het hoger beroep. Op de tweede plaats bestaan inhoudelijke argumenten voor het vragen van pleidooi, In het bijzonder lijkt het mij raadzaam om bij pleidooi gestructureerd en zo mogelijk met stukken onderbouwd de verwijten van de verhuurder aan de familie [appellanten] te weerleggen (…)’.

Uitsluitend hetgeen als “op de eerste plaats” vermeld staat zou het belang van Nationale Nederlanden kunnen dienen, maar dat enkele gegeven maakt nog niet dat een verwijt aan mr. [geïntimeerde] van belangenverstrengeling op zijn plaats is. Die passage staat in een brief van de eigen advocaat van Nationale Nederlanden aan Nationale Nederlanden. Weliswaar is die brief kennelijk ook ter beschikking gesteld aan mr. [geïntimeerde], maar de passage moet gezien worden in het geheel van de tekst van deze brief en de brief van mr. [advocaat van NN] aan mr. [geïntimeerde]. In verband met de inhoud en strekking van beide brieven is duidelijk dat ook mr [advocaat van NN] zocht naar argumenten om het voor [appellanten] c.s. nadelige vonnis van de kantonrechter vernietigd te krijgen. En overigens liet mr. [advocaat van NN] de beoordeling daarvan over aan mr. [geïntimeerde] als de nieuwe behandelend advocaat.

[appellanten] c.s. hebben in hun toelichting op de eerste grief nog aangevoerd dat mr. [geïntimeerde] hen een negatief procesadvies had moeten geven. Het hof neemt deze opmerking mee bij de verdere beoordeling van de grieven.

4.5.1

De tweede tot en met zesde grief zijn in essentie gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat mr. [geïntimeerde] geen beroepsfout verweten kan worden. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

4.5.2

De grieven falen. Het hof verwijst naar zijn voorgaande overwegingen en naar het navolgende.

Het hof begrijpt de stellingen van [appellanten] c.s. aldus dat zij mr. [geïntimeerde] in wezen verwijten dat (a) mr. [geïntimeerde] na bestudering van de zaak [appellanten] c.s. had moeten adviseren het hoger beroep te stoppen en dat (b) mr. [geïntimeerde] bij de behandeling van de zaak fouten heeft gemaakt.

4.5.3

Ad (a). Een appellant kan, nadat de wederpartij een memorie van antwoord heeft genomen, niet eigenmachtig de hoger beroepprocedure stoppen (art. 353 lid 1 jº 249 Rv). Daarvoor is toestemming van de wederpartij nodig (doorhaling van art. 353 lid 1 jº 246 Rv). Indien [verhuurder] met deze doorhaling zou hebben ingestemd, zou dat tot gevolg gehad hebben dat het hof geen oordeel meer zou geven over het ontruimingsvonnis van de kantonrechter. Dat vonnis zou dan dus zonder meer in stand zijn gebleven. Indien [verhuurder] niet met doorhaling zou hebben ingestemd, zou een advies tot stoppen van de procedure erop neerkomen dat [appellanten] c.s. als appellanten geen proceshandelingen meer zouden hebben verricht en het pleidooi zou dan dus niet hebben plaatsgevonden. Alsdan zou het hof op de door mr. [advocaat 2.] genomen memorie van grieven zonder twijfel hetzelfde arrest hebben gewezen. De conclusie hieruit is dat een advies tot stoppen van de procedure niets zou hebben veranderd aan het ontruimingsvonnis van de kantonrechter. Reeds hierom kan het achterwege laten van een advies tot stoppen van de procedure, wat daar ook van zij, mr. [geïntimeerde] niet als een beroepsfout worden aangerekend.

De stelling van [appellanten] c.s. dat hun onderhandelingspositie met Nationale Nederlanden sterker zou zijn geweest indien mr. [geïntimeerde] zou hebben geadviseerd de hoger beroepprocedure te stoppen, is in het licht van het hiervoor overwogene en ook overigens onbegrijpelijk.

4.5.4

Ad (b). [appellanten] c.s. voeren als fout van mr. [geïntimeerde] onder meer op dat mr. [geïntimeerde] geprobeerd heeft de grieven uit te breiden terwijl dat niet mogelijk was. Het hof overweegt in de eerste plaats dat deze stelling in zijn algemeenheid onjuist is. Ten tijde van de dienstverlening door mr. [geïntimeerde] gold weliswaar dat een eerst bij pleidooi opgeworpen grief buiten beschouwing moest blijven, maar daarvoor bestond een uitzondering indien de wederpartij ondubbelzinnig erin toestemde dat deze grief alsnog in de rechtsstrijd zou worden betrokken (HR 11 oktober 1996, LJN ZC2167, NJ 1998, 239, Wernsen/Amsterdam). Verder bestond de mogelijkheid dat het hof (nieuwe) bij pleidooi aangevoerde bezwaren zou aanmerken als een nadere uitwerking van reeds bij memorie van grieven aangevoerde grieven. De poging van mr. [geïntimeerde] om in het belang van [appellanten] c.s. bij pleidooi nieuwe grieven, dan wel een nadere uitwerking van bestaande grieven, onder de aandacht van het hof te brengen was dus niet bij voorbaat kansloos en zeker niet in strijd met wat een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat zou doen. De omstandigheid dat het hof de nieuwe grieven, dan wel een poging tot nadere uitwerking van bestaande grieven, in de schriftelijke pleitnota niet bij de beoordeling heeft betrokken, maakt dit niet anders.

Voor toepassing van de hiervoor genoemde regel maakt het in het geheel niet uit of de nieuwe of nadere uitwerking van bestaande grieven na de memorie van grieven bij pleidooi of akte worden aangevoerd. Het verwijt van [appellanten] c.s. terzake is dus ongegrond.

Ook het verwijt van [appellanten] c.s. dat mr. [geïntimeerde] geen informatie heeft gegeven over eventuele problemen bij het nog aanvoeren van grieven is ongegrond. [appellanten] c.s. hebben niet de ontvangst betwist van de brief van mr. [geïntimeerde] van 7 juli 2004 (prod. 7 concl. van repliek). Daarin schrijft mr. [geïntimeerde] onder meer: ‘(…) de appèlrechter is in zijn taak beperkt tot de dagvaarding in hoger beroep en door de door partijen naar voren gebrachte grieven tegen het bestreden vonnis. De behandeling in hoger beroep wordt door de grieven bepaald. De appèlrechter mag niet meer letten op nieuwe grieven die eerst bij pleidooi zijn aangevoerd (…) Het vorenstaande heb ik in overigens minder technische bewoordingen eveneens met u besproken’. Hierna hebben [appellanten] c.s. op 10 juli 2003 op het kantoor van mr. [geïntimeerde] de concept-pleitnota besproken.

4.5.5

[appellanten] c.s. verwijten mr. [geïntimeerde] dat zij de pleitnota van [verhuurder] en de repliek van mr. [geïntimeerde] daarop niet met [appellanten] c.s. hebben besproken. In die repliek heeft mr. [geïntimeerde] niet de door [verhuurder] gestelde huurachterstand van € 5.500 ten tijde van het ontruimingsvonnis betwist, terwijl die huurachterstand op dat moment slechts € 2.451,05 bedroeg.

Het hof overweegt dat het enkele niet bespreken van deze stukken nog niet als een beroepsfout kan worden aangemerkt. Dat kan mogelijk anders komen te liggen indien het gevolg van het niet bespreken van de informatie zou zijn een nadeliger vonnis voor [appellanten] c.s. Daarvan is echter geen sprake. De eerste grond voor de opzegging van de huurovereenkomst door [verhuurder] was dat [appellanten] c.s. stelselmatig tekortschoten in de nakoming van hun betalingsverplichtingen. Bij aanvang van de door [verhuurder] gestarte procedure bedroeg de huurachterstand van [appellanten] c.s. circa ƒ 2.500,= en op het moment van het door de kantonrechter gewezen ontruimingsvonnis hadden [appellanten] c.s. de huur over de maanden april, mei, juni, juli en augustus 2002 onbetaald gelaten. Naar het oordeel van het hof is deze wanprestatie zo zwaarwegend dat deze de door de kantonrechter uitgesproken ontruiming zelfstandig kan dragen. Indien het hof in de hoger beroepprocedure [appellanten] c.s./[verhuurder] niet was uitgegaan van de gestelde huurachterstand van € 5.500,= maar van de daadwerkelijke huurachterstand van € 2.451,05 tot en met augustus 2002 dan had dit voor de beslissing geen verschil uitgemaakt.

4.5.6

[appellanten] c.s. verwijten mr. [geïntimeerde] dat zij in de pleitnota (no. 54) heeft geschreven dat [appellanten] c.s. zich aan het vonnis van 6 december 2001 hebben gehouden. Aldus zou mr. [geïntimeerde] de suggestie hebben gewekt dat [appellanten] c.s. het gestelde wangedrag zouden hebben erkend. Mr. [geïntimeerde] zou voorts verzuimd hebben de verklaring van [verhuurder] en verdere stukken van die procedure in het geding te brengen.

Het hof heeft reeds overwogen dat het betalingsgedrag van [appellanten] c.s. zelfstandige grond voor het ontruimingsvonnis opleverde zodat aan het verwijt over het wangedrag geen belang meer toekomt.

Overigens staat vast dat de concept-pleitnota door mr. [geïntimeerde] met [appellanten] c.s. is besproken zodat mr. [geïntimeerde] ervan uit mocht gaan dat ook het gestelde over het vonnis van 6 december 2001 op instemming van [appellanten] c.s. mocht rekenen. In de pleitnota heeft mr. [geïntimeerde] verder verschillende argumenten in het voordeel van [appellanten] c.s. aangevoerd. Het hof is voorts van oordeel dat indien mr. [geïntimeerde] de genoemde verklaring en stukken wel in het geding had gebracht dit voor de uitkomst van de zaak geen verschil had gemaakt.

4.5.7

Bij pleidooi in hoger beroep verwijten [appellanten] c.s. mr. [geïntimeerde] voor het eerst dat zij in de procedure tegen [verhuurder] mondeling pleidooi had moeten vragen in plaats van schriftelijk pleidooi.

Het hof laat deze tardieve grief buiten beschouwing nu mr. [geïntimeerde] niet ondubbelzinnig met de uitbreiding van de rechtsstrijd met deze grief heeft ingestemd.

Overigens zou de grief falen nu vast staat dat tussen partijen overleg is gevoerd over het schriftelijk pleidooi en ook overigens niet valt in te zien dat geen redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot het vragen van schriftelijk pleidooi achterwege zou hebben gelaten. Juist de poging van mr. [geïntimeerde] om in het belang van [appellanten] c.s. uitgebreid aanvullende feiten en producties naar voren te brengen op grond waarvan het Hof, zonder die als verkapte grieven te hoeven aan te merken, de zaak wellicht breder zou willen beoordelen, was schriftelijk beter te effectueren dan bij een mondeling pleidooi met beperkte spreektijd.

4.6.

Voor het overige zijn door [appellanten] c.s. met betrekking tot de door hen ingestelde vorderingen geen feiten of omstandigheden gesteld, die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat hun bewijsaanbod als niet relevant gepasseerd wordt.

4.7.

Nu alle grieven falen zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. De vraag, of in het geheel wel aannemelijk is dat [appellanten] c.s. door de verdere procesvoering in hoger beroep door mr. [geïntimeerde] (na de door [verhuurder] genomen memorie van antwoord) enige schade hebben geleden, kan daardoor onbeantwoord blijven.

[appellanten] c.s. zullen als de geheel in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld, te vermeerderen met nakosten. Op vordering van mr. [geïntimeerde] wordt deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5 De uitspraak

Het hof:

5.1

bekrachtigt het bestreden vonnis;

5.2

veroordeelt [appellanten] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van mr. [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 284,= aan verschotten en € 2.682,= aan salaris advocaat en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden,

en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, S.M.A.M. Venhuizen en A.P.A. de Klerk-Leenen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2014.