Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4013

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2014
Datum publicatie
21-05-2015
Zaaknummer
F 200.151.425-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1811
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

machtiging plaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 2 oktober 2014

Zaaknummer : F 200.151.425/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/273965 / JE RK 14/113

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.J.M. van Asten,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

namens Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- mevrouw [de pleegmoeder] en de heer [de pleegvader] (hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, tezamen de pleegouders).

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juni 2014, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    te bepalen dat het inleidende verzoek van de stichting inzake de verlenging van de machtiging tot plaatsing van de hierna nader te noemen [minderjarige] niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dat dit verzoek wordt afgewezen als zijnde ongegrond en onbewezen en;

  • -

    te bepalen dat voor [minderjarige] geen machtiging zal worden verleend tot plaatsing in een verblijf pleegouders, althans dat de machtiging zal worden opgeheven.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juli 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Asten en de heer L. Warsame, als tolk;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2];

- de pleegmoeder.

De raad en de pleevader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 7 maart 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 29 augustus 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de stichting d.d. 3 september 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 27 december 2011 onder toezicht van de stichting. [minderjarige] woont vanaf 1 oktober 2012, krachtens een machtiging uithuisplaatsing bij de pleegouders, waar hij eerder vanaf 27 december 2011 tot en met 26 juni 2012 ook verbleef. Tussentijds heeft [minderjarige] bij de moeder gewoond.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de termijn van ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige] met ingang van 20 maart 2014 voor de duur van een jaar verlengd. De rechtbank heeft de machtiging tot plaatsing van [minderjarige] in een verblijf pleegouder 24-uurs met ingang van 20 maart 2014 voor de duur van de ondertoezichtstelling verlengd, te weten tot 20 maart 2015.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het de verlenging van de machtiging tot plaatsing in een verblijf pleegouder 24-uurs betreft, en is hiervan in hoger beroep gekomen. Aan de vereisten voor uithuisplaatsing wordt volgens de moeder niet langer voldaan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat is om voortdurend het (medische) belang van [minderjarige] centraal te stellen, er bij haar een wisselende motivatie is om samen te werken met de noodzakelijke hulpverlening en er sprake is van een geringe leerbaarheid van de moeder.

De moeder wijst erop dat de medische situatie van [minderjarige] sterk is verbeterd. Gelet hierop en gezien het feit dat haar woon- en leefsituatie zijn verbeterd, is de moeder in staat om [minderjarige] de nodige aandacht en verzorging te geven, op voorwaarde dat zij – anders dan nu – in de gelegenheid wordt gesteld daar in te leren. In plaats van het terugbrengen van de bezoekregeling van eens per week gedurende enkele uren naar eens per drie weken enkele uren dient te worden ingezet op ondersteuning van de moeder bij het aanleren van kennis en vaardigheden gericht op de opvoeding en op oefening hiervan om te bezien of de moeder in de toekomst voor [minderjarige] zal kunnen zorgen. De moeder is terdege gemotiveerd om mee te werken met de noodzakelijke hulpverlening. Wat haar leerbaarheid betreft wijst zij erop dat uit het psychologisch onderzoek van MEE in juli/augustus 2013 naar voren is gekomen dat zij in bepaalde mate in staat is zich nieuwe dingen eigen te maken.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder namens de moeder naar voren gebracht dat een uithuisplaatsing een tijdelijke maatregel is die gericht dient te zijn op terugplaatsing bij de moeder. De moeder heeft evenwel geen reële kans gekregen om te laten zien dat zij met professionele hulp [minderjarige] kan opvoeden. De advocaat van de moeder kan zich voorstellen dat [minderjarige] niet direct weer bij de moeder kan gaan wonen. Voor het geval het hof de bestreden beschikking bekrachtigt, verzoekt hij namens de moeder een overweging te wijden aan het feit dat serieus onderzoek moet worden gedaan naar de mogelijkheden van de moeder om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Hij wijst op de mogelijkheid van de opvang in een ouder-kind-huis, gericht op ouders met een leerbeperking en de mogelijkheid van begeleiding in de thuissituatie indien [minderjarige] weer bij de moeder zou wonen. De bezoekmomenten tussen de moeder en [minderjarige] geven geen reëel beeld van de mogelijkheden van de moeder. De moeder, die nerveus is [minderjarige] te zien, en [minderjarige], die angstig is, hebben iedere keer tijd nodig om aan elkaar te wennen.

De advocaat van de moeder wijst er nogmaals op dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat de moeder leerbaar is. Dit is ook zijn eigen ervaring als het het nakomen van afspraken betreft. De advocaat van de moeder wijst er verder op dat moeder een netwerk aan het opbouwen is waar zij steun van heeft.

De moeder heeft ter zitting erkend dat het contact tussen haar en [minderjarige] niet goed verloopt. Zij merkt hierbij op dat zij nerveus is om [minderjarige] weer te zien en [minderjarige] in haar ogen niet ‘goed’ reageert en weg loopt als hij haar ziet. De moeder heeft te kennen gegeven dat zij Nederlandse lessen volgt in [woonplaats]. Zij gaat daar drie keer per week naar toe en is daar op tijd. De moeder heeft verder opgemerkt dat zij het vervelend vindt dat er meerdere keren wordt gezegd dat haar intelligentie lager is. Zij wijst erop dat zij Somalische is en zij daarom een andere traditie heeft en andere manieren gewend is in de opvoeding van kinderen. De moeder heeft respect voor de stichting. Zij wil wel een reële kans krijgen om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen. Tot nu toe heeft zij die kans niet gehad.

3.5.

De stichting voert in het verweerschrift aan dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is zijn uithuisplaatsing te verlengen. [minderjarige] is nog altijd een kwetsbaar kind, dat volledig afhankelijk is van betrouwbare en adequaat reagerende volwassenen. Zijn gezondheidssituatie vraagt tot op heden dat zijn verzorgers alert moeten zijn op signalen van benauwdheid om tijdig te kunnen ingrijpen om erger te voorkomen. Tijdens de observaties door AnaCare, die hebben plaatsgevonden in de periode van maart 2013 t/m september 2013 tijdens de bezoekcontacten en op basis waarvan een adviesverslag is opgemaakt, is gebleken dat de moeder onvoldoende in staat is om aan te sluiten bij de behoeften en belangen van [minderjarige] en daar onvoldoende leerbaar in is. Zo is de moeder ondanks herhaalde uitleg niet in staat de medicatie van [minderjarige] op de juiste wijze toe te dienen en heeft zij onvoldoende oog voor zijn veiligheid.

Vanwege de gezondheidssituatie van [minderjarige] is bewust niet gekozen voor plaatsing in een moeder-kind traject, maar voor uitgebreide observatie door AnaCare. Nadat hieruit naar voren is gekomen dat een perspectief biedende plaatsing in het pleeggezin in het belang van [minderjarige] is, is de intensieve bezoekregeling, die noodzakelijk was voor een goede observatie, stapsgewijs afgebouwd. Doel was dat [minderjarige] zich goed zou kunnen hechten in het pleeggezin. Het bezoek is gericht op het behouden van de band tussen de moeder en [minderjarige].

De moeder, aldus de stichting, toont onvoldoende probleeminzicht, staat onvoldoende open voor begeleiding en is niet goed in staat om zich te houden aan gemaakte afspraken. Zo komt zij geplande bezoekafspraken niet altijd na en heeft zij zich pas opnieuw aangemeld bij MEE nadat de gezinsvoogd een afspraak heeft gemaakt bij MEE en samen met de moeder naar het intakegesprek is gegaan. Sinds kort krijgt de moeder Nederlandse les. Het is de bedoeling dat zij wordt begeleid bij het moeder zijn op afstand en zij geïnformeerd wordt over de ontwikkeling van kinderen en de opvoeding van kinderen in Nederland. De stichting erkent dat de moeder over eigen woonruimte beschikt. Over hoe haar huidige leven er verder uit ziet, laat de moeder zich naar de gezinsvoogd niet uit, zodat de stichting hier geen zicht op heeft.

De stichting wijst erop dat er recent door de raad een verzoek is gedaan tot ontheffing van de moeder uit het ouderlijk gezag.

Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de stichting naar voren gebracht dat de moeder weinig inzicht geeft in haar persoonlijke situatie. De stichting heeft er pas zeer recent weet van dat de moeder een netwerk aan het opbouwen is. De stichting heeft geen idee in welke mate deze mensen kennis van zaken hebben. De stichting heeft begrepen dat het netwerk met name gericht is op de persoonlijke ontwikkeling van de moeder. Er is al eerder getracht hieraan te werken. In tweeëneenhalf jaar tijd is er echter nauwelijks een ontwikkeling te zien bij de moeder. Steeds blijkt weer dat de moeder in de praktijk schrikbarend weinig kan. De situatie voor [minderjarige] is niet veilig genoeg bij de moeder, waarbij de stichting erop wijst dat [minderjarige] een kind is met een zeer complexe vraag waarbij geanticipeerd moet worden op de situatie.

3.6.

De pleegmoeder heeft bij de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht dat haar gezin geen crisisgezin meer vormt met veel wisselingen in de gezinsleden. Het pleeggezin bestaat naast de pleegouders en [minderjarige] uit nog twee andere kinderen. Wat de gezondheid van [minderjarige] betreft merkt de pleegmoeder op dat [minderjarige] inderdaad minder naar het ziekenhuis is moeten gaan. Zijn gezondheid moet echter nog altijd goed in de gaten worden gehouden. Temeer nu [minderjarige] is gestopt met het op vaste tijden innemen van medicatie, waardoor zijn ademhaling en gedrag in de gaten moeten worden gehouden op minieme verschillen en men zo nodig over moet gaat op een schema met ‘puffers’. Het beangstigt de pleegmoeder dit aan de moeder toe te vertrouwen. Overigens hoeft de moeder zich vanwege de gezondheid van [minderjarige] geen zorgen te maken over het feit dat er huisdieren in het pleeggezin zijn. De astma van [minderjarige] wordt enkel veroorzaakt door virussen.

De pleegmoeder heeft begrip voor de wens van de moeder [minderjarige] meer te zien. De moeder houdt van [minderjarige]. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is evenwel erg belastend voor [minderjarige]. Het contact verloopt niet goed, hetgeen de pleegmoeder jammer vindt voor zowel [minderjarige] als de moeder. De pleegmoeder geeft desgevraagd aan dat de moeder niet altijd komt opdagen voor een bezoekmoment. Dit vindt zijn oorzaak deels in het feit dat de moeder op het openbaar vervoer is aangewezen. Wat de invulling van het bezoek betreft heeft de pleegmoeder de moeder te kennen gegeven dat zij van alles met [minderjarige] kan doen, zoals Somalisch koken en [minderjarige] douchen. Hier wordt evenwel niets mee gedaan.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.10.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:261 lid 1 BW. Het hof maakt uit zowel het psychologisch onderzoek van MEE (datum onderzoek 16 juli 2013) en het adviesverslag van AnaCare van september 2013 op dat de moeder op dat moment niet in staat was de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Het hof is niet gebleken dat de situatie inmiddels zodanig is gewijzigd dat de moeder dit thans wel zou kunnen. Het hof wijst er hierbij op dat ook de advocaat van de moeder ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat hij zich kan voorstellen dat [minderjarige] niet direct weer bij de moeder kan gaan wonen.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

3.12.

Het hof tekent hierbij aan dat, gelet op hetgeen uit de stukken en de behandeling ter zitting naar voren is gekomen, van de stichting meer mag worden verwacht in het onderzoek naar de vraag of er mogelijkheden zijn om [minderjarige] in de toekomst weer bij de moeder te laten wonen. Het hof wijst er daarbij op dat in bovengenoemd onderzoek van MEE en bovengenoemd adviesverslag van AnaCare weliswaar wordt geconcludeerd dat de moeder op dat moment niet in staat is om voor [minderjarige] te zorgen, maar met name in het verslag van het onderzoek van MEE niet wordt uitgesloten dat de moeder dit in de toekomst wel zou kunnen. In dit verslag wordt vermeld dat de moeder (in bepaalde mate) in staat lijkt zich nieuwe dingen eigen te maken. Geadviseerd wordt ondersteuning in te zetten gericht op het aanleren en oefenen van kennis en vaardigheden gericht op opvoeding, om zo te bezien in hoeverre de moeder mogelijk in de toekomst een adequaat pedagogisch klimaat kan scheppen voor [minderjarige]. Opgemerkt wordt dat de moeder momenteel geen structurele

daginvulling heeft. Geadviseerd wordt te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor de moeder om bijvoorbeeld Nederlandse les te volgen, dan wel een inburgeringscursus te volgen, waarbij zij zichzelf verder kan ontwikkelen en zich beter staande kan houden in de Nederlandse samenleving en hetgeen deze van haar verwacht.

Het hof overweegt dat er een begin is gemaakt met bovengenoemde adviezen. Naast het feit dat de moeder een beginnend netwerk aan het opbouwen is, gaat zij drie keer per week naar Nederlandse les en is zij aangemeld bij MEE waar zij geïnformeerd moet gaan worden over de ontwikkeling van kinderen en de opvoeding van kinderen in Nederland. Voor zover de stichting erop wijst dat de moeder hierin geen initiatief neemt en zij zich pas weer heeft aangemeld bij MEE, nadat de gezinsvoogd een afspraak heeft gemaakt voor een intakegesprek en samen met haar naar dit gesprek is gegaan en de moeder ook pas is gestart met taalles na aandringen van de gezinsvoogd, overweegt het hof dat van de stichting verwacht mag worden dat zij de moeder, indien nodig, daarin meer sturend begeleidt. Het hof wijst er daarbij op dat het er vooralsnog op lijkt dat de moeder beperkt is in haar intelligentie. Voorts wijst het hof op de achtergrond van de moeder, die afkomstig is uit Somalië, daarmee een andere culturele achtergrond heeft, haar ouders heeft verloren in de oorlog, enige jaren terug alleen naar Nederland is gekomen en zowel in Somalië als in Nederland geen onderwijs heeft genoten.

De advocaat van de moeder heeft gewezen op de mogelijkheid van een ouder-kind-huis gericht op ouders met een leerbeperking en de mogelijkheid (in de toekomst) van begeleiding in de thuissituatie, indien [minderjarige] weer bij de moeder zou wonen. De stichting heeft erkend dat deze mogelijkheden, gericht op ouders met een leerbeperking, bestaan. Als reden waarom niet voor een dergelijke optie is gekozen, heeft de stichting enkel opgemerkt dat daar toentertijd niet voor is gekozen gezien de medische situatie van [minderjarige]. Het hof begrijpt dat een dergelijke mogelijkheid recent niet meer in ogenschouw is genomen. Het hof verwacht van de stichting dat zij dit alsnog gaat doen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 maart 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, E.L. Schaafsma-Beversluis en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2014.