Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3997

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2014
Datum publicatie
03-10-2014
Zaaknummer
20-001207-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2399, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Dodelijke schietpartij in de Tartinistraat in Tilburg. Hof veroordeelt, na vrijspraak in eerste aanleg, de verdachte terzake van doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001207-11

Uitspraak : 3 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 14 maart 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-811041-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1982,

wonende te [woonplaats], [adres 1].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte terzake van de hem ten laste gelegde moord c.q. doodslag op [slachtoffer] vrijgesproken. Voorts is de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte ter zake van de ten laste gelegde moord op [slachtoffer] zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 8.978,00 subsidiair 79 dagen hechtenis;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 8.978,00;

  • -

    de in beslag genomen, niet teruggegeven voorwerpen verbeurd zal verklaren dan wel zal onttrekken aan het verkeer;

  • -

    de gevangenneming van de verdachte zal bevelen.

De verdediging heeft bepleit -zakelijk weergegeven- dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 juni 2009 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op het lichaam van [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

1.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Noodhulp Tilburg, nr. 2009089279-24, d.d. 6 juni 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie (p. 297-298 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

Op vrijdag 5 juni 2009, waren wij, verbalisanten, doende met de incidentenafhandeling/noodhulp in het district Tilburg.

Op diezelfde dag, omstreeks 17:10 uur, kregen wij, verbalisanten, de melding van het personeel van de Gemeenschappelijke meldkamer, om te rijden naar de Tartinistraat te Tilburg. De Gemeenschappelijke meldkamer gaf aan dat zij meerdere meldingen had ontvangen van een schietpartij op dat adres.

Enkele minuten na het ontvangen van de melding reden wij met twee andere eenheden naar de Tartinistraat te Tilburg.

In de Tartinistraat stonden ongeveer 100 mensen op straat.

Deze menigte stond ongeveer halverwege de straat ter hoogte van pandnummer [huisnummer]. Aangekomen bij de menigte zagen wij, verbalisanten, een manspersoon op de grond liggen. Deze manspersoon lag op zijn linkerzij. De manspersoon was besmeurd met veel bloed. Er stonden meerdere omstanders om het slachtoffer heen.

Ten tijde van ons ter plaatse komen ontfermden de medewerkers van de ambulancedienst zich over het slachtoffer.

Wij, verbalisanten, zagen dat het slachtoffer dat op de grond lag door het ambulancepersoneel in een ambulance werd gelegd. Kort hierop vertrok de ambulance.

2.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Tilburg Wilhelminastraat, nr. 2009089279-93, d.d. 23 juni 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden hoofdagent van politie (p. 303-305 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 1]:

U vraagt mij naar het incident van 5 juni 2009, in de Tartinistraat te Tilburg.

Ik ben werkzaam als verpleegkundige bij het Regionaal Ambulance Vervoer te Tilburg.

Ik was toen samen met een collega op de ambulance. Er kwam op die genoemde datum, ik meen dat het rond een uur of vijf was, een melding van een schietpartij in de Tartinistraat, er zou een slachtoffer zijn met schotwonden.

Enig moment hierna zijn we opgereden naar de Tartinistraat.

Bij aankomst waren er veel mensen op straat.

Met behulp van een omstander heb ik het slachtoffer op de brancard gelegd en ben richting het Twee Stedenziekenhuis in Tilburg gereden.

Ik zag aan de voorzijde (ter hoogte van de rechter tepel) van het slachtoffer een wondje zitten, van ongeveer 1 centimeter, wat kennelijk een uitschotwond was.

Op de monitor die aangesloten was op het slachtoffer, zagen wij een zogenaamde flat-line, geen hartslag dus.

Bij aankomst in het ziekenhuis is het slachtoffer overgedragen aan het traumateam van de spoedeisende hulp.

3.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Tilburg-Oisterwijk, nr. 2009089279-2, d.d. 5 juni 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van politie (p. 323 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant:

Ik, verbalisant, heb op 05 juni 2009, omstreeks 18.10 uur, een onderzoek ingesteld, waarbij het volgende is bevonden.

Op vrijdag 5 juni 2009 heeft een schietincident plaatsgevonden in de Tartinistraat te Tilburg. Het slachtoffer van dit incident was overgebracht naar het Twee Steden Ziekenhuis te Tilburg. Het slachtoffer was inmiddels overleden.

Ik, verbalisant, kreeg te horen dat het mogelijke slachtoffer van het incident [slachtoffer] zou zijn. Ik, verbalisant, heb tijdens mijn werkzaamheden vaker met hem te maken gehad en herken hem ambtshalve.

Ik ben op verzoek van collega [verbalisant 6] naar het Twee Steden Ziekenhuis te Tilburg gereden.

Aldaar toonde collega [verbalisant 6] mij, op vrijdag 5 juni 2009 om 18.10 uur, het lichaam van het slachtoffer van het schietincident in de Tartinistraat.

Ik, verbalisant [verbalisant 5], herkende het slachtoffer als zijnde de mij ambtshalve bekende:

[slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats 1].

4.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, van de GGD Hart voor Brabant, d.d. 5 juni 2009, opgemaakt door AHM Oomens-Mateijsen, lijkschouwer van de gemeente Tilburg (p. 324-326 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

VERSLAG BETREFFENDE EEN NIET NATUURLIJKE DOOD

Aan de Officier van Justitie in het arrondissement

Ondergetekende A.H.M. Oomens-Mateijsen, lijkschouwer van de gemeente Tilburg,

verklaart gedurende de laatste twee jaar geen genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand te hebben verleend aan:

[slachtoffer], geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats 1], overleden op 5/6/09;

verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;

verklaart er niet van overtuigd te zijn, dat de dood tengevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden.

5.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknr. 2009.06.05.061, d.d. 22 juni 2009, opgemaakt door F.R.W. van de Goot, arts en patholoog, vast gerechtelijk deskundige (p. 328-337 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Overledene

Naam: [slachtoffer]

Geboortedatum: [geboortedag] 1963

Geboorteplaats: [geboorteplaats 1]

De overledene woonde te [woonplaats], en is overleden te Tilburg op 5 juni 2009 te omstreeks 17.15 uur.

Het lichaam werd mij aangewezen en daarna overhandigd door mw. [verbalisant 4] van de regiopolitie Midden- en West Brabant.

Verkregen informatie

Naar verbalisant meldde zou het slachtoffer beschoten zijn. Ingezette medische hulp mocht niet meer baten. Teneinde de doodsoorzaak te bepalen en al wat meer van belang zou mogen blijken werd gerechtelijke sectie verricht.

Vraagstelling

In opdracht van de officier van justitie te Breda werd nagegaan de oorzaak van de dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

Samenvatting van de resultaten van de uit- en inwendige schouwing

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 1963, is het navolgende gebleken:

Het was het lichaam van een man.

B. Uitwendig

1- Er was links, hoog aan de rug een rondrafelige huidperforatie (diameter van circa 0.9 cm).

2- Er was rechts hoog aan de borst een meer ovaalvormige huidperforatie met uitpuilen van weefsel, gelegen in een gebied met zwelling en bloeduitstorting.

C. Inwendig

1- Er was tussen Sub B1 en Sub B2 een schotkanaal dat van achteren naar voren verliep en iets naar rechts.

2- In de schotbaan lagen o.a. de borstwand, de top van de linker long, het borsttussenschot, de luchtpijp en de kop van het borstbeen/overgang sleutelbeengewricht.

3- Er was 1200 cc bloed in de linker borstholte en er was veel bloed rond het schotkanaal.

4- Er was veel bloed in de luchtwegen

5- Er waren bleke organen.

D. Algemeen

1- Er waren geen aanwijzingen voor ziekelijke afwijkingen aan de organen die een rol hebben gespeeld bij het intreden van de dood.

Interpretatie

Bij sectie was sprake van enkelvoudig schotletsel hoog aan de romp. De schotrichting was van achteren naar voren en iets naar rechts. In de schotbaan lagen verschillende vitale structuren waaronder de linker long en de luchtpijp. De letsels waren gezien de bloeduitstortingen en de grote hoeveelheid bloed in de borstholte bij leven opgelopen en ze verklaren het intreden van de dood zonder meer op basis van bloedverlies en verstikking door bloedinademing.

6.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, Unit Forensisch Technisch Onderzoek, zaaknummer BVH 2009 089668, d.d. 10 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden inspecteur van politie, en [verbalisant 9], hoofdagent van politie (p. dossierparagraaf 2.1.1 van het proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, Unit Forensisch Technisch Onderzoek, TGO Tartini, nr. 2009 089668), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

Omschrijving plaats delict

De Tartinistraat is gelegen binnen de bebouwde kom van Tilburg. Deze straat vormt de verbinding tussen de Bellinistraat en de Mascagnistraat.

Het incident vond plaats in het gedeelte van de Tartinistraat dat was gelegen tussen de panden voorzien van het perceelnummer [huisnummer] en [huisnummer]. Deze panden stonden aan de zuidzijde van de Tartinistraat en vormden een aaneengesloten bebouwing van woningen. Aan de noordzijde van dit gedeelte van de Tartinistraat bevonden zich een aantal haaks op de rijrichting gelegen parkeervakken. Hier stond een personenauto, merk Audi, type A6, kleur zwart en voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1].

Aan de voorzijde en de linkerzijkant waren diverse perforaties en beschadigingen zichtbaar in onder andere de motorkap, de voorbumper, het linker voorspatbord, het linker voorportier en het linker achterspatbord. Op de achterzijde van het kofferdeksel van deze auto was een bloedveeg aanwezig. Een voor het pand Tartinistraat 28 geparkeerd staande personenauto van het merk Renault, type Clio, kleur rood, voorzien van het kenteken [kenteken 2], liep als gevolg van dit schietincident schade op. In de linkerzijkant van de motorkap en in het linker portier was een perforatie zichtbaar. Verder bleek er een perforatie te zitten in de rechterachterband. De perforatie bevond zich aan de linkerzijde van deze band. Op het wegdek van de Tartinistraat werd een bloedconcentratie aangetroffen. Dit betrof de plaats waar het slachtoffer uiteindelijk op de grond bleef liggen.

Conclusie

Op basis van de bevindingen bij het onderzoek van de plaats delict kan het volgende worden geconcludeerd:

  • -

    op de plaats delict gelegen aan de Tartinistraat te Tilburg werd tenminste veertien keer geschoten met een vuurwapen;

  • -

    tien projectielen veroorzaakten schade aan de op de plaats delict geparkeerd staande personenauto van het merk Audi, type A6, kleur zwart en voorzien van het kenteken [kenteken 1];

  • -

    drie projectielen veroorzaakten schade aan de op de plaats delict geparkeerd staande personenauto van het merk Renault, type Clio, kleur rood en voorzien van het kenteken [kenteken 2];

  • -

    een projectiel raakte het slachtoffer [slachtoffer], die als gevolg van het opgelopen letsel in de nabijheid van de Audi, type A6, kleur zwart en voorzien [kenteken 1] op de plaats delict gewond achterbleef.

7.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Noodhulp Tilburg, nr. 2009089279-25, d.d. 6 juni 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van politie (p. 458-459 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 2]:

Vandaag 5 juni 2009, om ongeveer 17.00 uur was ik op mijn kamer op de eerste verdieping van ons huis aan de [adres 2] in Tilburg. De kamer bevindt zich aan de voorzijde van de woning.

Op dat moment hoorde ik 4 of 5 knallen vanaf de straatzijde. Ik stond op en keek door het raam en ik zag aan de overzijde van de straat een donkerkleurige Audi staan. Het is de auto die daar nu nog staat met kenteken [kenteken 1].

Ik zag dat de Audi met de achterzijde naar ons huis gericht stond. Ik zag dat er een man geknield achter deze Audi zat. Vervolgens zag ik dat er vanaf mijn rechterzijde een man kwam gelopen in de richting van de man achter de Audi.

Ik zag dat de man in zijn rechterhand een vuistvuurwapen had en dit gericht hield op de man achter de Audi.

Ik zag dat dat vuurwapen zwart en zilverkleurig was. Ik schat de afstand tussen de twee mannen ongeveer 5 meter. Ik hoorde de man met het pistool roepen: "Maak open, maak open", of woorden van gelijke strekking. Ik ben vervolgens naar beneden gegaan, en toen ik op de trap liep, hoorde ik weer 4 of 5 knallen. Ik keek vervolgens door het raam op de begane grond en ik zag toen dat de man die kort daarvoor achter de Audi had gezeten, midden op straat lag. Ik ben vervolgens naar de voordeur gelopen en toen ik naar buiten liep, zag ik de man op straat liggen en ik zag dat hij bloedde.

Ik kan de man met het pistool als volgt omschrijven:

- man

- ongeveer 25/30 jaar oud

- negroïde/ donkere huidskleur

- zwarte pet met rechte klep en sticker op de bovenzijde van de klep

- zwart shirt

- spijkerbroek.

8.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Gilze- Rijen-Dongen nr. 2009089228-8, d.d. 10 juni 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie (p. 500-505 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 3]:

Op vrijdag 5 juni, ik dacht rond 16.30 uur, zat ik op de bank en ik hoorde ineens schoten.

Ik dacht meteen aan schoten, omdat ik het geluid herkende als dat van een vuurwapen.

Ik stond op en liep naar het raam aan de voorkant van mijn huis.

Ik keek meteen naar rechts, want daarvandaan kwam het geluid.

Voor het huis van de buren, die rechts naast mijn directe buren wonen stond een zwarte auto.

Ik zag dat er achter de zwarte auto, ongeveer 15 tot 20 meter vanaf mijn huis een blanke man stond en een donkere man.

De blanke man was [slachtoffer] (het hof begrijpt [slachtoffer]). Ik zag [slachtoffer] zijn borst en zijn hoofd. Ik zag de donkere man tot op zijn heup en verder naar boven tot en met zijn hoofd. Ik zag dat [slachtoffer] met zijn gezicht richting de Mascagnistraat stond en de donkere man stond met zijn gezicht in de richting van de Bellinistraat. Ik zag dat [slachtoffer] en de donkere man achter de zwarte Audi A6 stonden. Ik zag dat het bestuurdersportier van de auto openstond.

Ik zag dat [slachtoffer] net zijn hoofd omdraaide in de richting van het grasveld. Ik zag dat [slachtoffer] ineenkromp en ik zag dat hij voorover gebogen stond met zijn beide armen voor zijn borst. Ik zag dat de donkere man met zijn rechterhand naar [slachtoffer] wees. Ik zag dat hij een vuurwapen in zijn rechterhand had en ik zag dat hij meerdere keren met het vuurwapen wees. Hij bewoog zijn onderarm naar boven en beneden. Ik zag dat [slachtoffer] steeds ineengekrompen bleef staan en ik zag dat de witte blouse van [slachtoffer] linksboven, vanuit [slachtoffer] gezien, rood kleurde van bloed. Ik wist toen zeker dat [slachtoffer] beschoten was.

Ik ben toen vanaf de woonkamer naar de voordeur gelopen en heb de voordeur geopend. Ik bleef in de deuropening staan en ik zag dat [slachtoffer] met zijn rug naar de donkere man keerde. Ik zag dat [slachtoffer] één van zijn armen in de lucht had.

Ik zag dat de donkere man een halve slag naar links draaide en ik zag hem aan de linkerkant van zijn lichaam. Ik zag dat het wapen zwart was. Ik zag dat de donkere man vervolgens weer een kwartslag naar rechts draaide en met zijn gezicht in de richting van de zwarte Audi keek. Ik hoorde meteen daarop harde schoten en ik zag dat de donkere man zijn rechterarm voor zich uit had. Ik zag dat de donkere man langzaam langs de Audi liep in de richting van het grasveld. Ik hoorde terwijl de donkere man langs de Audi liep zes tot acht schoten.

Ik zag dat de donkere man vervolgens begon te rennen, over de heg sprong die net voor het grasveld staat en vervolgens via de brandgang achter het café wegrende.

Ik zag dat [slachtoffer] weg strompelde in de richting van de Bellinistraat en vervolgens op de grond viel.

De donkere man zag er als volgt uit:

- man;

- donkere huidskleur;

- zwart met witte pet.

9.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Bergen op Zoom, Team Bergen-Woensdrecht, nr. 2009089279-111, d.d. 6 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 16], hoofdagent van politie, en [verbalisant 11], brigadier van politie (p. 533-535 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 15]:

Op vrijdag 5 juni 2009, omstreeks 16.00 à 17.00 uur, stond ik met mijn personenauto in de Tartinistraat te Tilburg.

Ik hoorde ineens een tweetal schoten. Ik hoorde aan het geluid dat het schoten waren. Ik keek vervolgens op.

Ik deed de deur van mijn auto open en stond half in mijn auto en half er buiten. Ik zag dat er een aantal auto’s naast elkaar stonden. Ik zag een donker blauwe auto.

Ik zag daarna een Audi staan. Ik zag dat de Audi niet helemaal in de parkeerplaats stond en niet recht.

Ik zag achter bij de bumper van de donker blauwe auto een man, hierna te noemen slachtoffer, tegen de bumper van die auto liggen. Ik zag dat het slachtoffer met zijn rug tegen de achterbumper lag. Ik zag dat het slachtoffer afwerende gebaren maakte, door zijn handen omhoog te houden. Ik zag dat er tegenover het slachtoffer, een andere persoon stond. Deze man stond tussen de Audi en de donker blauwe auto in ter hoogte van het achterportier.

Ik zag dat de andere man, hierna te noemen schutter, die tegenover het slachtoffer stond, een pistool in zijn hand vast had. Ik zag dat de schutter, een paar keer op de grond schoot.

Ik zag dat, terwijl de schutter wegliep, hij nog een aantal keer schoten loste, maar niet op de man.

Ik zag dat de schutter, via het grasveld er tegenover, wegliep.

Hij heeft met een pistool geschoten.

Nadat de schutter weg was, ben ik naar het slachtoffer toegelopen. Toen ik bij het slachtoffer aankwam, zag ik dat de man nog probeerde weg te komen. Ik zag dat hij op zijn buik op de grond lag. Ik heb hem vervolgens op zijn zij gelegd, zodat hij beter kon ademen. Ik zag dat er bloed uit zijn mond en neus kwam.

Ik denk dat ik 10 à 12 minuten bij het slachtoffer heb gezeten. Ik voelde al die tijd zijn pols, en na die tijd, voelde ik geen pols meer.

Ik kan de schutter als volgt omschrijven;

- zwarte man, volgens mij Antiliaan/Surinamer;

- pet;

- ongeveer 25 à 28 jaar oud.

10.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, Divisie Recherche, Unit Zware Criminaliteit, nr. 2009089279-89, d.d. 18 juni 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 12], brigadier van politie, en [verbalisant 13], hoofdagent van politie (p. 549-551 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 5]:

(V: vraag verbalisanten; A: antwoord getuige; O: opmerking verbalisanten)

Ik begrijp dat ik als getuige zal worden gehoord in verband met de gewelddadige dood van een man, op 5 juni 2009, in de Tartinistraat te Tilburg.

V: Wat heb jij precies gezien van het gebeuren op vrijdag 5 juni 2009, in de Tartinistraat te Tilburg?

A: Ik ben vanaf mijn woning vertrokken met mijn fiets. Ik ben door de wijk gefietst en kwam op enig moment in een brandgang. Deze brandgang komt uit in de Tartinistraat te Tilburg. Ik was alleen. Ik wilde deze Tartinistraat oversteken. Op moment dat ik op de Tartinistraat fietste zag ik uit een brandgang, naast de friettent, een man komen lopen. Vanuit deze poort kom je op het grasveld uit. Ik zag dat hij hard rende. Ik zag dat omdat ik in de richting van deze man keek. Ik keek naar die man omdat ik hem hard hoorde schreeuwen: "Waar is mijn geld". Ik zag dat hij een zwart pistool in zijn rechterhand hield. Ik zag dat hij het pistool dwars in zijn hand hield.

Ik keek toen om mij heen om te zien tegen wie hij dit zei. Ik zag toen een, volgens mij, Nederlandse man staan bij een auto. Hij stond op de stoep voor een auto. Deze auto stond met de neus naar de stoep geparkeerd. Ik zag dat de Nederlandse man hard weg liep de straat op, naar de achterkant van de auto. Op het moment dat de man, met het pistool, bij de auto was hoorde ik een aantal knallen. Ik denk dat ik 3 tot 5 schoten gehoord heb achter elkaar. Ik ben dan inmiddels aan de overkant van de straat. Ik zag toen dat de Nederlandse man, achter de auto, op de weg lag. Ik zag dat de man, met het pistool, vlak bij de Nederlandse man stond, naast de auto. Ik hoorde de Nederlandse man kermen van de pijn. Ik zag dat de kleding van de Nederlandse man rood werd. Volgens mij door bloed. Het was op zijn borst. Ik zag dat de man, met het pistool omdraaide en terug naar het poortje liep, waar hij eerder uit was gekomen. Ik zag dat hij toen nog een aantal malen op de donkere auto schoot. Op het moment dat hij schoot stond hij op de stoep. Hij rende toen verder het poortje in. Ik denk dat ik toen nog wel zo'n 10 schoten gehoord hebt.

V: Hoe omschrijf jij de man met het pistool?

A: De man had een zwarte huidskleur. Ik zag dat aan de voorkant van de pet een logo zat.

De man droeg een donkere spijkerbroek. Zijn bovenkleding was ook zwart.

11.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Gilze- Rijen-Dongen nr. 2009089279-158, d.d. 10 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, en [verbalisant 14], brigadier van politie (p. 583-588 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 6]:

Op vrijdag 5 juni 2009 rond 12.30 uur was ik thuisgekomen van mijn werk. Ik heb daarna achter de computer gezeten die bij mij thuis in de woonkamer staat.

Rond 16.00 uur op die vrijdag hoorde ik ineens drie knallen kort achter elkaar. Ik ben naar de voordeur gelopen van mijn huis. Ik heb de voordeur opengedaan en ik keek naar links, omdat de knallen uit die richting kwamen. Ik zag een heel donkere jongen op straat staan. Ik hoorde harde knallen en ik zag dat die heel donkere jongen schoot. Ik zag dat hij in de richting van een blanke man schoot.

Ik zag dat de man een lichte blouse met streepjes had en ik zag dat er bloed aan de voorkant van zijn blouse zat.

Ik hoorde dat er twee of drie schoten klonken toen de hele donkere man schoot.

Het wapen was donker van kleur en had een langere loop. Nadat die hele donkere man geschoten had zag ik dat de blanke man moeite had om te lopen. Ik zag dat de blanke man zich omdraaide en wegliep van de hele donkere man. Ik zag dat die blanke man met een hand zijn borst vasthield.

Ik zag dat de blanke man bij de achterklep van een zwarte auto bleef staan.

Kort daarna zag ik dat die blanke man probeerde verder te lopen en na een of twee stappen zakte hij door zijn knie. Ik zag dat de blanke man weer opstond en na een of twee passen viel hij op de grond en bleef hij op straat liggen.

Toen de blanke man zich omdraaide van de hele donkere man keek de hele donkere man omhoog. Ik zag dat hij met zijn gezicht in de richting keek van een rode auto. Ik heb later gezien dat er ook kogelgaten in die rode auto zaten. Ik zag dat die hele donkere jongen toen wegrende in de richting van het poortje achter het grasveld.

Het signalement van de hele donkere jongen die schoot is als volgt:

- man;

- hele donkere huidskleur;

- tussen de 25 en 30 jaar oud;

- pet. De pet had hij diep over zijn ogen getrokken.

Ik ken hem, de hele donkere jongen, van ergens. Ik ken hem van zien, maar ik weet niet hoe hij heet. Ik zie hem wel vaker bij het Verdiplein. Hij rijdt altijd op een soort scooter met zo'n doorzichtig hoog scherm.

Hij rijdt altijd met een Turkse jongen.

Hij is een kleine jongen. Hij is niet bruin, maar heel erg donker. Hij is korter dan ik en hij heeft gemillimeterd haar. Wanneer er activiteiten zijn in de stad dan zie ik hem ook. Hij heeft vroeger gewoond bij het Wagnerplein. Daar zag ik hem altijd. Dat is nu ongeveer twee jaar geleden. Ik heb hem vaker gezien. Ik heb hem na die schietpartij niet meer gezien tot twee weken geleden. Ik zag hem toen op de zondag bij de honkbal. Er was een toernooi daar.

Bij het honkbal heeft hij een keer tegen me gepraat. Hij vroeg toen: "Alles goed?" Ik heb toen gezegd: "Ja alles goed."

Hij is een smalle jongen.

Hij is de enige Antilliaanse jongen die met Turken omgaat. Hij is ook de enige Antilliaan die zo donker van huidskleur is. Ik herkende hem aan zijn houding en manier van lopen.

Na ongeveer 10 minuten nadat er geschoten was kwam de politie en gingen zij de straat afzetten. Ook was de ambulance er al en die namen de blanke man mee.

Kort daarna zag ik [getuige 7] (het hof begrijpt: [getuige 7]). Hij is een Surinaamse jongen. [getuige 7] woont in de Bellinistraat. Ik vroeg aan [getuige 7] of hij iets gezien had van de schietpartij. [getuige 7] zei tegen me dat hij met de blanke man had staan praten. Ik vroeg aan [getuige 7] of hij wist wie de schutter was en [getuige 7] zei tegen me dat hij zeker wist dat het een Antilliaan was. [getuige 7] zei dat de schutter van achter kwam en riep: "Blijf staan, blijf staan swa". [getuige 7] zei tegen me dat hij zeker wist dat het een Antilliaan was, omdat hij dat aan de stem van de schutter had gehoord.

Ik ken [getuige 7] van kleins af aan.

12.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Gilze-Rijen-Dongen nr. 2009089279-167, d.d. 12 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, en [verbalisant 14], brigadier van politie (p. 590-602 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 6]:

(V: Vraag verbalisanten; O: Opmerking verbalisanten; A: Antwoord getuige [getuige 6])

V: Wat voor kleur haar had de schutter?

A: Die had geen haren, hij was kaal en hij had een pet op.

V: Dus je kon zijn haardracht niet zien?

A: Hij is altijd kaal.

V: Je refereert dat naar de jongen die je kent?

A: Ja.

V: Wat is het postuur van de schutter?

A: Hij is een beetje, smal, iets korter dan mij en hij is donkerzwart.

V: Je zegt hij is een beetje smal, wat bedoel je daarmee?

A: Hij is mager, gewoon normaal, net zo als iemand van een jaar of 17.

V: Gewoon normaal dus?

A: Ja.

V: Is het smalle wat je zegt een omschrijving van de schutter die je op 5 juni zag of de omschrijving van de jongen die je kent?

A: Ik weet dat de jongen die ik ken smal is.

V: Je vertelde in je eerste verklaring dat je de schutter herkende als een jongen die je kent. Je zei dat je hem herkende aan zijn houding en manier van lopen. Hoe was de houding van de schutter en zijn manier van lopen?

A: Ik herken zijn houding en zijn manier van rennen.

V: Is daar iets typisch aan, wat alleen hij heeft?

A: Sommige mensen rennen anders, gewoon een bepaalde beweging. Ik weet dat hij zo rent.

V: Kun je dat beter uitleggen?

A: Hij begint een beetje traag en dan pas gaat hij snel. Hij begint wel te rennen, een beetje forceert (het hof begrijpt: geforceerd) en dan pas gaat hij snel.

V: Hoe vaak heb je die jongen die je kent zien rennen?

A: Twee, drie keer of zo in het verleden.

V: Hoe lang ken je hem al van zien?

A: Sinds mijn 21e jaar, dat was in mijn puberteit nog.

V: Hoe lang is dat dan geleden?

A: 4 of 5 jaar geleden ken ik hem van zien. Ik zat toen nog op school.

V: Ken je hem van school?

A: Nee, Ik ken hem van op straat. Toen stonden die Antillianen altijd op het Verdiplein.

V: En daar stond jij ook?

A: Ja.

V: Op welk moment herkende je de schutter als een jongen die je kent?

A: Op het moment toen ik de deur openmaakte, toen hij wegrende, had ik een pauze in mijn hoofd. Ik herken hem aan zijn lengte, zijn huidskleur, de manier van hoe hij wegrende en de manier hoe hij zijn pet op had. Daarom weet ik ook dat hij kaal was. Hij draagt zijn pet altijd strak om zijn hoofd.

V: Hoe bedoel je strak om zijn hoofd?

A: Ja, gewoon dan zie je de vorm van zijn hoofd heel goed. Je ziet dan geen bobbels van zijn haar enzo.

V: In hoeverre weet je zeker dat de schutter de jongen is die je kent?

A: Ik wist het zeker toen ik met die andere jongen sprak. Het was de opmerking die hij maakte.

V: Welke jongen bedoel je dan, is dat [getuige 7]?

A: Ja.

V: Welke opmerking maakte hij?

A: Hij zei tegen me dat de jongen van achter kwam en riep: "Blijf staan swa!" en hij zei: "Hij is zeker Antilliaans."

V: Wat dacht je toen?

A: Ik dacht toen dat is die jongen die ik altijd op straat zie met die Turkse jongen.

V: Hoe vaak heb je die jongen die jij kent gezien?

A: Als ik naar de honkbal ga dan zie ik hem, of als er een activiteit in Noord is of ik zie hem in de stad.

V: Hoe vaak is dat dan dat jij hem ziet?

A: Ja, een keer in de twee weken en af en toe vaker op een dag.

V: Waar ken je die jongen van?

A: Hij stond altijd op het Verdiplein, bij de friettent.

V: En hoe weet jij dat?

A: Ik kwam daar ook. Dat was gewoon een hangplek. Tegenwoordig komt hij wel, maar hij staat niet te praten. Hij woont wel ergens hier in de buurt, maar waar weet ik niet.

V: Hoe heet die jongen?

A: Dat weet ik niet. Ik ken hem alleen van zien.

V: Hoe oud is de jongen die je kent?

A: Ik denk iets ouder dan mij.

V: En jij was?

A: 25.

V: Hoe lang is de jongen die je kent?

A: Ik ben 1.85 en hij is misschien 1.80.

V: Wat is de kleur van het haar van de jongen die je kent?

A: Zwart

V: Hoe is zijn haardracht?

A: Hij is altijd kaal. Hij is midden kaal, een klein beetje haar.

V: Bedoel je gemillimeterd?

A: Ja, millimeter.

13.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Bergen op Zoom, Team Bergen-Woensdrecht, nr. 2009089279-212, d.d. 10 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 16] en [verbalisant 15], beiden hoofdagent van politie (p. 637-638 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 6]:

Noot verbalisanten: aan de getuige werd een foto getoond met fotonummer PL2030:09:425, zijnde [verdachte], geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats 1].

U laat mij een foto zien van een manspersoon. U vraagt aan mij wie dit is.

Dat is hem! U vraagt aan mij wat ik daarmee bedoel. Dat is de man van hiervoor. Dat is de schutter! U vraagt aan mij waar ik hem aan herken. Ik herken hem meteen. De vorige keer dat ik hem zag had hij wel een pet op. Ik kan het niet precies uitleggen waarom ik dat weet, maar ik ben voor 100 procent zeker dat, dat hem is. Ik heb hem vaak gezien bij de voetbal, op het veldje waar vroeger JPS zat. Ik heb hem ook gezien bij de honkbalvereniging, vlakbij het voetbalveldje.

14.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Leijdal, nr. 2009089279-213, d.d. 10 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 16] en [verbalisant 15], beiden hoofdagent van politie (p. 640-641 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

Op 10 september 2009 lieten wij, verbalisanten, aan de getuige [getuige 6] de verdachtenfoto zien met het nummer PL2030:09:425, behorende bij verdachte [verdachte], geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats 1].

Wij vroegen hem: “Wie is dit? “ Toen wij hem de foto lieten zien, zagen wij dat [getuige 6] naar de foto keek, direct met zijn vinger naar de foto wees en wij hoorden dat hij zei: “Ja dat is hem”. Wij vroegen hem: “Wie bedoel je daarmee?” Wij hoorden dat hij zei: “Dat is de schutter van die schietpartij hier in de straat, waarover ik al eerder bij de politie heb verklaard”.

15.

De verklaring van de getuige [getuige 6], d.d. 21 mei 2010, zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Breda, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik kan mij herinneren wat ik over de zaak bij de politie heb verklaard. Ik blijf bij die verklaring.

Ik heb de schutter aan zijn pet herkend. Ik heb hem ook aan zijn lengte en aan zijn manier van rennen herkend. Van de schutter zeg ik dat hij kaal is en dat hij zijn pet strak om zijn hoofd draagt. De schutter is iets kleiner dan ik zelf ben Mijn eigen lengte is 1.85 meter. Met iets kleiner bedoel ik dat hij 5 centimeter kleiner is dan ikzelf ben. Ik ken die schutter van het voetballen. Ik weet van hem hoe hij start met rennen en hoe hij vervolgens sprint. Toen ik op die dag de schutter zag wegrennen dacht ik bij mijzelf dat ik iemand ken die ook zo rent. en ik dacht toen ook dat ik iemand kende die ook zo’n pet had. Zoals net al gezegd dacht ik toen ik die schutter zag wegrennen dat ik een idee had dat ik maar één iemand kende die ook zo rende. Dat idee kreeg ik ook door te kijken naar de lengte van die persoon en het petje dat hij op had.

16.

De verklaring van de getuige [getuige 6], d.d. 28 december 2013, zoals afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Ik kende degene die geschoten heeft alleen van gezicht, niet van naam. Ik ken alleen zijn bijnaam. De bijnaam die ik ken is [bijnaam verdachte]. Hij is de enige persoon in Tilburg die die bijnaam heeft. U toont mij een foto. De persoon op die foto herken ik als [bijnaam verdachte].

Opmerking raadsheer-commissaris: de foto afgebeeld op het uittreksel justitiële documentatie (het hof begrijpt: de foto op de ID-staat SKDB betreffende de verdachte [verdachte]) is aan de getuige getoond.

17.

De verklaring van de getuige [getuige 6], d.d. 19 september 2014, zoals afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-;

Het klopt dat mij bij de politie één foto is voorgehouden. Ik herkende daarop de persoon die ik in mijn hoofd had als degene die had geschoten.

Mij werd door de politie gevraagd waaraan ik de schutter had herkend als degene over wie ik in mijn eerdere verhoor had gesproken. Ik antwoordde dat ik hem herkende aan zijn manier van rennen en bewegen. Ik ken maar één iemand met die houding en die uitstraling.

Ik heb ten tijde van het schietincident het gezicht van de schutter niet gezien. De schutter had een pet op.

Mij wordt gevraagd hoe ik op een foto de schutter kon herkennen, terwijl ik het gezicht in het echt niet heb gezien. Bij de politie heb ik verklaard dat de persoon die ik later buiten mijn woning sprak en die het schietincident ook had gezien (het hof begrijpt: de getuige [getuige 7]), tegen mij zei welke nationaliteit de schutter had. Ik heb die informatie gecombineerd met wat ik zelf heb gezien. De houding en de uitstraling van de schutter zoals ik die zelf gezien had en hetgeen die persoon tegen mij zei over de nationaliteit van de schutter, bracht mij ertoe te zeggen: “Ik ken hem”.

Ik herkende hem aan zijn manier van rennen en zijn postuur. Hij is iets kleiner dan ik. Iedereen heeft een bepaalde manier van lopen en rennen. Hij is mager en klein en heel sterk in de manier waarop hij beweegt.

Het klopt dat ik eerder heb verklaard dat de persoon die ik als de schutter herkende een beetje geforceerd liep. Ik bedoelde daarmee zijn manier van lopen. Ik weet hoe hij loopt. Als hij rechtop loopt dan forceert hij een beetje.

Ik bedoel met forceren het volgende. Sommige mensen rennen meteen heel snel. De persoon die ik heb herkend als de schutter neemt echter eerst hele kleine stappen en neemt dan pas grote stappen. Dat bedoel ik met forceren.

Ik herkende hem echt aan zijn houding en ook aan de manier van lopen. De jongste raadsheer vraagt mij of ik nader kan uitleggen hoe de schutter liep. Hij liep een beetje zo. De jongste raadsheer zegt mij dat dat zij waarneemt dat ik bij mijn uitleg over de manier van lopen en de houding van de schutter telkens met mijn lichaam een bepaalde beweging van links naar rechts maak.

Ik ken maar één iemand die op die manier loopt en rent en daarom heb ik doorgegeven aan de politie wat ik had gezien.

18.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Gilze-Rijen-Dongen nr. 2009089279-130, d.d. 10 juli 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 13], beiden hoofdagent van politie (p. 760-763 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 7]:

Op 5 juni 2009 rond 16.45 uur was ik thuis. Ik woon in de Bellinistraat in Tilburg. Een vriend van mij kwam langs. Hij heet [getuige 9] (het hof leest: [getuige 9]).

Vanaf mijn huis zijn we richting de Tartinistraat gelopen.

[getuige 9] en ik liepen net om de hoek bij het café en ik zag [slachtoffer] (het hof begrijpt [slachtoffer]) en een jongen staan die ik ken als "[getuige 10]". [getuige 9] en ik liepen langs het café aan de voorkant en ik zag [slachtoffer] en [getuige 10] verderop staan voor een auto.

Ik begrijp van jullie dat hij [getuige 10] (het hof begrijpt: [getuige 10]) heet. De auto was een Audi A6. De Audi stond in een parkeervak en [slachtoffer] en [getuige 10] stonden voor de auto met elkaar te praten.

Ik zei tegen [getuige 9]: "Hé, daar is [slachtoffer]". [getuige 9] en ik liepen naar [slachtoffer] en [getuige 10]. Ik gaf [slachtoffer] een hand.

Ik gaf [getuige 10] ook een hand. [getuige 9] gaf [slachtoffer] en [getuige 10] ook een hand. We stonden nog maar heel even, hooguit 20 of 30 seconden en ik hoorde toen achter me een geluid. Ik keek achter me en ik zag dat een heel donkere jongen aan kwam gerend. De jongen kwam vanuit de richting van één van de poortjes achter het café. De jongen was van huidskleur nog donkerder dan ik. Ik ben zelf van Surinaamse afkomst.

Het signalement van die jongen was als volgt:

- man;

- hele donkere huidskleur;

- tussen 20 en 30 jaar oud denk ik;

- 1.70 tot 1.80 lang denk ik. Van een afstand leek hij best klein. Ik ben zelf 1.84 lang;

- de jongen had een zwarte baseballpet op en volgens mij stond er ook iets wits aan de voorkant;

- de jongen had ook een zwarte zonnebril op.

- volgens mij had hij iets van een jeansbroek aan en donkere bovenkleding. Hij was donker gekleed.

Toen ik de jongen zag rende hij al op het grasveld. Ik hoorde dat die jongen riep: "[slachtoffer] blijf staan". Ik zag dat de donkere jongen meteen een pistool pakte. Ik zag dat de jongen het pistool aan de voorkant van zijn lichaam pakte.

Ik hoorde dat [slachtoffer] zei: "Wacht maar even". Ik zag dat [slachtoffer] naar het bestuurdersportier van de auto liep. [slachtoffer] liep heel zelfverzekerd naar het bestuurdersportier van zijn auto.

Ik ben een paar passen gebukt weggelopen.

Ik denk dat ik toen ongeveer 10 meter van de auto vandaan was. In de tussentijd liep [slachtoffer] naar het bestuurdersportier, dus met zijn rug naar de donkere jongen met het pistool toe. Ik zag dat [slachtoffer] het portier net opentrok en ik hoorde dat er werd geschoten. Ik zag dat de donkere jongen nog op het grasveld stond toen hij schoot. Ik zag dat de donkere jongen met het pistool op [slachtoffer] richtte. Ik zag door [slachtoffer] zijn beweging dat [slachtoffer] was geraakt. [slachtoffer] moet in zijn rug geraakt zijn. Ik zag dat [slachtoffer] een beetje in elkaar zakte en ik zag dat [slachtoffer] naar de achterkant van zijn auto liep.

Er werd in de tussentijd steeds geschoten door de jongen. Er waren eerst een paar schoten, toen was het heel even stil en daarna waren weer schoten.

Ik hoorde dat [slachtoffer] hoestte en ik zag dat [slachtoffer] in de tussentijd naar de achterkant van zijn auto liep. Ik zag dat [slachtoffer] zijn hand omhoog deed. Ik zag dat [slachtoffer] nog even tegen de achterkant van zijn auto leunde en vervolgens doorliep naar de rechterachterzijde van zijn auto. Ik zag dat de donkere jongen achter [slachtoffer] aanliep en bleef schieten. Ik zag dat [slachtoffer] op de grond viel. Ik zag dat de donkere jongen zich omdraaide en met snelle pas wegliep in de richting van de poortjes achter het café.

Toen [slachtoffer] aan de achterkant van zijn auto stond zag ik dat [slachtoffer] zijn blauw-wit gestreepte blouse aan de voorkant rood was van het bloed.

Ik ben naar mijn vriendin [getuige 8] gegaan.

19.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, Divisie Recherche, Unit Zware Criminaliteit, nr. 2009089279-136, d.d. 14 juli 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 11], brigadier van politie, en [verbalisant 17], hoofdagent van politie (p. 810-811 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 8]:

Ik ben de vriendin van [getuige 7] .

Op een dag, ik weet niet meer precies de juiste datum, was ik bij mijn moeder in haar woning te Tilburg. In de middaguren, ik denk na vier uur en rond etenstijd, kwam mijn vriend [getuige 7] , bij ons aan de woning. Toen ik hem binnen liet, zag ik dat [getuige 7] ergens van geschrokken was en dat er kennelijk iets gebeurd was. Ik vroeg dan ook wat er aan de hand was.

[getuige 7] vertelde toen dat hij net gezien had dat er iemand werd neergeschoten. Het zou om de hoek bij de Bellinistraat gebeurd zijn. [getuige 7] zei dat de man, die neergeschoten was, [slachtoffer] heette.

[getuige 7] vertelde dat hij samen met een vriend, genaamd [getuige 9], op straat liep. Zij waren toen [slachtoffer] tegen gekomen en hebben met elkaar staan praten. Terwijl ze stonden te praten was er een man aan komen lopen. Deze man had tegen [slachtoffer] iets geroepen in de trant van: “Hé [slachtoffer] blijf jij eens staan”. [getuige 7] was toen met [getuige 9] weggelopen.

[getuige 7] omschreef de schutter als een donkere man.

20.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, team Altena, nr. 2009089279-138, d.d. 15 juli 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 11], brigadier van politie, en [verbalisant 17], hoofdagent van politie (p. 818-819 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 11]:

(V: Vraag verbalisanten; A: Antwoord getuige; O: Opmerking verbalisanten)

V: Wat is er gebeurd de dag dat [getuige 7] lijkwit bij u binnen kwam?

A: [getuige 8], mijn dochter (het hof begrijpt:[getuige 8]) was al bij mij thuis. [getuige 7] kwam binnen en ging gelijk op de bank zitten. Ik zag aan zijn gezicht dat er iets gebeurd was, hij trilde ook helemaal.

V: Wat heeft [getuige 7] verteld toen er gevraagd werd wat er aan de hand was?

A: Ik en [getuige 8] vroegen aan [getuige 7], die ik overigens altijd [bijnaam getuige 7] noem, wat er gebeurd was. [bijnaam getuige 7] vertelde dat hij met ene [slachtoffer] stond te praten samen met een Marokkaan genaamd [getuige 9]. Dit zou bij de auto van die [slachtoffer] zijn geweest.

V: Wat heeft [bijnaam getuige 7] verteld over wat er daarna gebeurde?

A: [bijnaam getuige 7] vertelde dat er op enig moment iemand aan kwam lopen, zover ik mij weet te herinneren vertelde [bijnaam getuige 7] dat hij zag dat deze persoon een pistool in zijn handen had.

V: Wat heeft hij gezegd over hetgeen hij gezien heeft?

A: [bijnaam getuige 7] vertelde die middag tegen mij en [getuige 8] dat hij stond te kijken. [bijnaam getuige 7] vertelde ons dat hij zag dat [slachtoffer] naar zijn auto toe liep en een wapen uit de auto wilde pakken.

Ik weet nog dat [getuige 7] vertelde dat er iets tussen de schutter en [slachtoffer] zou zijn en dat dit al bekend was bij [bijnaam getuige 7].

V: Wat zou er hebben gespeeld?

A: [slachtoffer] zou zich hebben beziggehouden met rippen. [bijnaam getuige 7] vertelde namelijk dat [slachtoffer] heel veel mensen geript zou hebben en daardoor zichzelf in de problemen zou hebben gebracht.

V: Wat heeft [bijnaam getuige 7] gezegd over het schietincident zelf?

A: Hij zei direct dat hij wist wie het gedaan heeft. Hij zei letterlijk: "Ik weet wie het gedaan heeft maar ik ga niet zeggen wie". Hij zei wel dat het om een Antilliaan ging. [bijnaam getuige 7] heeft mij later verteld dat hij deze jongen nog eens tegen is gekomen.

V: Wat heeft [bijnaam getuige 7] verteld over het schieten zelf?

A: [bijnaam getuige 7] vertelde die middag dat hij gezien had dat die Antilliaan al schietend aan kwam lopen. [bijnaam getuige 7] vertelde dat hij zag dat [slachtoffer] richting zijn auto liep en er op dat moment geschoten werd door de Antilliaan.

[bijnaam getuige 7] vertelde dat de Antilliaan ook nog op de auto geschoten had.

V: Wat heeft [getuige 7] verteld over die [slachtoffer]?

A: Wat [bijnaam getuige 7] wel gezegd heeft is dat hij er om gevraagd heeft.

21.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Gilze-Rijen-Dongen nr. 2009089279-151, d.d. 24 juli 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 13], beiden hoofdagent van politie (p. 766-783 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 7]:

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord getuige [getuige 7]

O: Opmerking verbalisanten

V: Hoe noemt men jou?

A: [getuige 7].

V: Hoe nog meer?

A: [bijnaam getuige 7].

V: Hoe noem je de moeder van [getuige 8]?

A: Bij haar voornaam, soms [getuige 11] of moeder.

V: Hoe noemt ze jou?

A: [bijnaam getuige 7] of [getuige 7].

V: Waar ben je daarna (het hof begrijpt: na het schietincident) naartoe gegaan?

A: Ik ben naar [getuige 8] gegaan.

V: Hoe laat was het toen?

A: Rond zes uur.

V: Wie waren daar aanwezig?

A: [getuige 8] en haar moeder.

V: Wat is er toen gebeurd?

A: Ik heb verteld: "Er is net een schietpartij in Noord gebeurd."

Ik heb toen gezegd dat ik er vlak naast stond.

Mijn schoonmoeder vroeg of ik gezien had wie het had gedaan. Ik heb gezien (het hof begrijpt: gezegd) dat ik de schutter zag.

Ook al heb ik vermoedens. Ik wil gewoon niet weten wie dat gedaan heeft.

V: [getuige 8] haar moeder zegt dat je binnenkwam en helemaal trilde.

A: Ja.

V: Je zegt net zelf dat het rond zes uur was. Jouw vriendin verklaart: rond etenstijd.

A: Ja.

V: Dan wordt er verteld dat je met hun een gesprek hebt over het schietincident. Je zegt net al heb ik vermoedens, dan ..

A: Zelfs dan .. al heb ik vermoedens. Ik wil het niet weten en ik wil er niet aan denken.

V: Wat heb je tegen de moeder van [getuige 8] verteld?

A: Wat er gebeurd was.

V: Tegen ons is verteld dat je direct zei dat je wist wie het gedaan heeft.

A: Ja.

V: Zij zegt dat jij gezegd hebt dat het om een Antilliaan gaat. Hoe zit dat?

A: Ja, gewoon ik zei dat tegen haar.

V: Sterker nog. We hebben een verklaring, dat jij die bewuste schutter weer tegen was gekomen.

A: Wie heeft dat verteld?

V: Jouw schoonmoeder heeft dat verteld.

A: Dat dacht ik.

V: Hoe oud is de schutter?

A: Dat weet ik niet. Ik schat hem tussen de 20 en de 30.

V: Hoe lang is de schutter?

A: 1.70 tot 1.80

V: Haardracht?

A: Heb ik niet gezien. Hij had een pet op zijn hoofd.

V: Gelaat?

A: Bol gezicht.

V: Beschrijf die pet eens.

A: Een zwarte pet met een licht teken erop.

V: Er is zelfs nog een verklaring van [getuige 11], dat jij hebt verteld dat er iets speelde tussen de schutter en [slachtoffer].

A: Ja.

V: En dat het mogelijk iets te maken had met rippen?

A: Dat heb ik wel verteld. Ik heb verteld: Waarschijnlijk heeft het met rippen te maken, want [slachtoffer] ript graag. Dat heb ik wel verteld. Klopt.

22.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Bergen op Zoom, Team Bergen-Woensdrecht, nr. 2009089279-293, d.d. 2 november 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 16] en [verbalisant 13], beiden hoofdagent van politie (p. 788-797 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisanten en/of één van hen:

Op vrijdag 23 oktober 2009 hoorden wij, verbalisanten, de getuige [getuige 7] . Het verhoor is niet letterlijk uitgewerkt.

Getuige [getuige 7] verklaart dat hij had gehoord dat de schutter die was opgepakt een Antiliaan is die [bijnaam verdachte] heette.

Hij verklaart verder dat hij de schutter nooit echt heeft gekend. Hij groette hem weleens en kende hem al een paar jaartjes van uit de buurt.

Verder wist hij ook nog te vertellen dat [bijnaam verdachte] op een Vespa scooter reed.

Verbalisanten vragen aan getuige [getuige 7] wat er in hem omging toen hij hoorde dat [bijnaam verdachte] als schutter was aangehouden.

Getuige [getuige 7] verklaart dat hij dacht dat ze eindelijk de dader hadden. Dat de schutter was gepakt.

Getuige [getuige 7] verklaart verder dat hij dacht dat het [bijnaam verdachte] vast wel zou zijn, omdat hij net zo donker was als de schutter.

Hij verklaart verder dat hij het toen niet durfde te zeggen omdat er ook nog niemand aangehouden was.

Getuige [getuige 7] dacht toen dat er in ieder geval de juiste mensen opgepakt waren.

Getuige [getuige 7] verklaart vervolgens dat nadat [bijnaam verdachte] was opgepakt hij wel dacht dat hij erg veel op de dader leek.

Hij zegt dat hij voor 90% zeker is, dat [bijnaam verdachte] op de schutter lijkt.

Verbalisanten vragen wat dan de betreffende kenmerken zijn, waarop de schutter zo op [bijnaam verdachte] lijkt.

Getuige [getuige 7] verklaart dat het de donkere huidskleur en de bouw zijn. Hij verklaart verder dat hij in het verleden wel eens de hand schudde van [bijnaam verdachte] en dan dus dicht bij hem stond. De schutter stond ten tijde van de schietpartij op zo'n 8 à 10 meter afstand van getuige [getuige 7].

Op de vraag wat zo apart was aan de huidskleur antwoord getuige [getuige 7] dat er niet zo veel donkere Antilianen zijn. Zij zijn meestal licht van kleur.

Op de vraag of getuige [getuige 7] dacht dat we de dader hadden, toen hij hoorde dat [bijnaam verdachte] was aangehouden, antwoordde hij dat hij dat inderdaad dacht.

Getuige [getuige 7] dacht dat [bijnaam verdachte] erg veel op de dader leek.

Volgens getuige [getuige 7] kende [getuige 9] [bijnaam verdachte] wel langer dan dat hij hem kende. Dit zou ook komen omdat ze vlak bij elkaar zouden wonen.

Getuige [getuige 7] verklaart dat hij niet de echte naam van [bijnaam verdachte] kent. Hij kent ook alleen diegene die is opgepakt als [bijnaam verdachte].

Op de vraag wat ze hadden besproken met betrekking tot hun vermoeden van de dader, verklaarde getuige [getuige 7] dat hij tegen [getuige 9] had gezegd dat het om een Antilliaan ging.

Op de vraag wanneer hij de schutter nog heeft gesproken zegt getuige dat, nadat hij wist dat [bijnaam verdachte] was aangehouden, hij hem wel een keer op het Verdiplein en in Noord heeft gezien. Hierbij heeft hij [bijnaam verdachte] ook gewoon gegroet.

Getuige [getuige 7] geeft aan dat [getuige 9] naar hem toegekomen is en heeft gevraagd wie hij dacht dat de schutter was. Getuige had toen wel zijn vermoedens aan [getuige 9] verteld en deze werden achteraf bevestigd.

De reden dat getuige [getuige 7] niets vertelde over zijn vermoedens was omdat hij in Noord wil blijven wonen en iedereen kent iedereen.

Nu [bijnaam verdachte] vast zit, verklaart getuige [getuige 7] dat hij wel alles durft te vertellen.

23.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, Districtsrecherche Tilburg, Unit Zware Criminaliteit, nr. 20090714-1255, d.d. 14 juli 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 18], beiden generalist tactisch rechercheur (p. 825-830 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 9]:

Ik weet dat u mij wil horen over de dood van [slachtoffer].

Ik ken [slachtoffer] al zo'n 5 jaar. Ik heb 2 jaar verkering gehad met een nichtje van [slachtoffer], genaamd [betrokkene].

U vraagt mij naar de juiste naam van mijn oom [getuige 10]. Dat is [getuige 10] .

Ik zal u nu vertellen over de schietpartij. Ik weet dat het op een vrijdag was.

Ik was in de middag bij mijn vriend [bijnaam getuige 7]. Dat is [getuige 7] . Hij woont op de Bellinistraat te Tilburg.

Wij zijn naar de Tartinistraat gelopen.

Op enig moment toen wij net het café aan de Tartinistraat voorbij gelopen waren zag ik dat [slachtoffer] uit zijn Audi stapte en dat [getuige 10] voor de auto van [slachtoffer] stond. Ik zag dat [getuige 10] al op de stoep voor de auto stond. [slachtoffer] kwam naar mij en [bijnaam getuige 7] gelopen en gaf ons een hand. Ik heb [getuige 10] ook een hand gegeven. We hebben alleen nog aan elkaar gevraagd of alles goed was met iedereen en toen hoorde ik dat [slachtoffer] zei: "Wacht even jongens".

Toen zag ik dat [slachtoffer] naar zijn auto toe liep. Ik zag dat hij naar de bestuurderszijde van auto liep. Daar stond namelijk nog steeds zijn deur van open. Ik zag dat [slachtoffer] achteruit terug liep. [slachtoffer] bleef kijken in de richting van het grasveld.

Op het moment dat [slachtoffer] naar de auto liep hoorde ik de latere schutter tot twee keer toe roepen: "Blijf staan, blijf staan". Nadat dit geroepen werd hoorde ik knallen.

Ik keek om en zag toen een donkere man aan komen rennen. De schutter was nog donkerder van huidskleur dan [bijnaam getuige 7]. Ik zag dat de jongen in zijn rechterhand een wapen had. Hij had ook een petje op. Het petje had een klep aan de voorkant.

Toen ik de schoten hoorde ben ik direct weggerend.

Voor ik wegliep zag ik nog wel dat de schutter in de richting van [slachtoffer] bleef lopen en zag dat hij sprong over de bosjes tussen het grasveld en de stoep.

Ik ben toen om de huizen heen gelopen en ben weer naar de Tartinistraat gelopen. Tijdens het lopen heb ik ook nog knallen gehoord.

Ik zag toen dat [slachtoffer] aan de achterzijde van zijn auto stond. Ik zag dat [slachtoffer] bij zijn kofferbak stond. [slachtoffer] leunde tegen zijn auto. [slachtoffer] stond met de voorzijde van zijn lichaam tegen de auto. Ik zag dat [slachtoffer] zijn hart vasthield. Ik zag dat de voorkant van de blouse van [slachtoffer] helemaal ander het bloed zat. Ik zag dat de schutter toen [slachtoffer] bij de kofferbak stond c.q. leunde, bukte bij [slachtoffer]. Toen de schutter even gebukt was geweest ging deze weer rechtop staan en [slachtoffer] liep toen van zijn auto vandaan in de richting van het café. De schutter liep de andere kant op en schoot zeker nog 3 keer volgens mij op de auto.

Verder zat er op het petje wat de schutter droeg volgens mij een teken.

De schutter droeg het wapen een kwartslag gedraaid. Het wapen was zwart.

24.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Bergen op Zoom, Team Bergen-Woensdrecht, nr. 2009089279-280, d.d. 22 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door ME van Eggermond en [verbalisant 13], beiden hoofdagent van politie (p. 193-196 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant(en) en/of één van hen:

Op 13 oktober 2009 werd verdachte [getuige 9] gehoord.

Verdachte verklaarde dat [slachtoffer] ([slachtoffer]) een maat van hem was en dat hij er iedere dag op straat mee geconfronteerd werd. Ook door het nichtje van [slachtoffer], [betrokkene], waar hij 2 à 3 jaar een relatie mee heeft gehad.

Verhoorders geven aan dat “[bijnaam verdachte]” ([verdachte]) is aangehouden.

Verdachte verklaarde dat hij [bijnaam verdachte] al lang kent. Dat hij [bijnaam verdachte] onder andere uit Noord kent en dat hij een paar straten verderop woont.

Verhoorders vragen hoe hij contact had met [bijnaam verdachte].

Verdachte verklaarde dat hij hem weleens belt en dat [bijnaam verdachte] hem ook weleens belt.

Verdachte verklaarde dat [betrokkene] hem had verteld dat [bijnaam verdachte] was opgepakt.

Dat hij ook van [betrokkene] had gehoord dat [bijnaam verdachte] ook een keer bij haar thuis was geweest en dat [bijnaam verdachte] had gezegd dat hij [slachtoffer] nodig had en dat hij [slachtoffer] ging doodmaken.

25.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Gilze- Rijen-Dongen nr. 2009089279-83, d.d. 16 juni 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 13], beiden hoofdagent van politie (p. 661-668 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 13]:

Het slachtoffer [slachtoffer] is een broer van mij.

Drie weken geleden werd er bij mij thuis aangebeld. Ik was toen niet thuis. [getuige 12] (het hof begrijpt: [getuige 12]) vertelde mij later die dag dat er een pikzwarte jongen aan de deur gestaan had. [getuige 12] vertelde mij dat die jongen [bijnaam verdachte] (fonetisch; het hof begrijpt dat hiermee wordt bedoeld: “[bijnaam verdachte]” de bijnaam van de verdachte) heet en dat hij hem van zien kende. [bijnaam verdachte] was op zoek naar [slachtoffer].

[getuige 12] had aan [bijnaam verdachte] gevraagd of het belangrijk was en [bijnaam verdachte] had gezegd dat het belangrijk was. [bijnaam verdachte] had ook tegen [getuige 12] gezegd dat [slachtoffer] een ketting van hem had en dat [bijnaam verdachte] die ketting terug wilde.

De week erna werd er weer aangebeld. Ik was toen wel thuis. Die jongen zei tegen mij dat hij [bijnaam verdachte] heette. Ik kende de jongen helemaal niet. Die [bijnaam verdachte] had [slachtoffer] geprobeerd te bellen. [bijnaam verdachte] zei dat [slachtoffer] een gouden ketting had en hij die terug moest hebben. Ik hoorde dat die jongen zei: "Zeg maar tegen [slachtoffer] dat die ketting terug moet komen en anders komen er ongelukken." Die [bijnaam verdachte] vertelde dat die ketting van een kameraad van [bijnaam verdachte] was en [slachtoffer] die ketting had afgepakt. Ook zei [bijnaam verdachte] dat die ketting terug moest komen en er anders gevaarlijke dingen zouden gebeuren. Ik heb [slachtoffer] gebeld, maar [slachtoffer] nam niet op. [bijnaam verdachte] is toen weer weggegaan.

Ik zag [slachtoffer] drie dagen naderhand. Ik zei tegen hem dat er een vrij donkere gast aan de deur kwam die [bijnaam verdachte] heette.

[slachtoffer] zei tegen mij dat hij die ketting had en dat [bijnaam verdachte] ook wist waarom hij die ketting had. [slachtoffer] zei dat hij en [bijnaam verdachte] daarover afspraken hadden en dat de ketting bij hem bleef.

[bijnaam verdachte] woont in de Kapelmeesterlaan. [getuige 12] heeft hem vaak zien lopen en op een scooter gezien.

Het was een witte scooter.

Ik weet dat [bijnaam verdachte] in een witte Polo rijdt. [bijnaam verdachte] had die auto bij toen hij aan de deur was bij ons.

[slachtoffer] reed in een zwarte Audi A6.

26.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Gilze- Rijen-Dongen nr. 2009089279-100, d.d. 24 juni 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 13], beiden hoofdagent van politie (p. 669-673 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [getuige 12]:

(Opmerking verbalisanten: De getuige is de man van de zus van het slachtoffer [slachtoffer], [getuige 13] genaamd.)

Ik heb [bijnaam verdachte] ongeveer een jaar geleden leren kennen omdat [slachtoffer] en [bijnaam verdachte] toen wiet hadden geript en die wiet hebben ze bij mij thuis geknipt.

Een paar maanden geleden zag ik [bijnaam verdachte] ook op straat bij mij voor de deur. Hij was toen op zo'n spierwitte Holleederscooter. Ik bedoel daarmee een scooter met zo'n hoog stuur. Ik zat toen in mijn auto. Hij zei dat hij op zoek was naar [slachtoffer]. [bijnaam verdachte] zei dat [slachtoffer] echt gevaarlijk bezig was. [bijnaam verdachte] zei dat [slachtoffer] een ketting had die van zijn neef was. [bijnaam verdachte] zei: "Ik moet die ketting terug hebben".

Ik wist dat [bijnaam verdachte] schuld had bij [slachtoffer]. Ik heb ook tegen [bijnaam verdachte] gezegd: "Wie schuld heeft, moet schuld betalen". [slachtoffer] zei dat [bijnaam verdachte] voor een leuk bedrag bij [slachtoffer] (toevoeging hof: in de schuld) stond.

[slachtoffer] heeft mij ook verteld dat [bijnaam verdachte] hem gevraagd had om na te gaan hoeveel die ketting waard was. [slachtoffer] had tegen [bijnaam verdachte] verteld dat hij dat zou bekijken en [slachtoffer] heeft toen de ketting meegenomen. [slachtoffer] heeft de ketting toen verkocht.

Een paar dagen later kwam [bijnaam verdachte] weer aan de deur en vroeg of ik [slachtoffer] gezien had en of ik wist waar de ketting was. Ik zei tegen hem dat hij bij [slachtoffer] moest zijn. [bijnaam verdachte] zei: "Ik moet die ketting terug en [slachtoffer] is echt gevaarlijk bezig". Ook zei [bijnaam verdachte]: "Hij is een gevaarlijk spelletje aan het spelen".

Weer een paar dagen later kwam [bijnaam verdachte] weer aan de deur. [bijnaam verdachte] vroeg weer waar [slachtoffer] was. Ik zei dat ik niet wist waar [slachtoffer] was.

Ik heb een avond nadat ik [bijnaam verdachte] weer aan de deur gehad had de voicemail van [slachtoffer] ingesproken met de boodschap: "[slachtoffer] bel me op, want [bijnaam verdachte] zit problemen te maken". Ik heb van [slachtoffer] gehoord dat hij de ketting had verkocht. [slachtoffer] zei me ook dat hij 3.000 euro had gehad voor de ketting en dat hij nu nog 10.500 euro van [bijnaam verdachte] kreeg.

[slachtoffer] kende [bijnaam verdachte] al langer, maar hoe lang precies weet ik niet. [slachtoffer] heeft in de flat aan de Kapelmeesterlaan gewoond en [bijnaam verdachte] woonde daar toen ook al.

[bijnaam verdachte] heeft een witte Volkswagen Polo.

27.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Opsporing Tilburg, nr. 2009089279-208, d.d. 9 september 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent van politie (p. 61-62 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant(en) en of één van hen:

Op 8 september 2009 hoorden wij, verbalisanten, de verdachte [verdachte], geboren op [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1982. Het verhoor is niet letterlijk uitgewerkt.

Verdachte verklaarde zelf bij voetbalclub JPS te Tilburg te voetballen.

Verder geeft verdachte aan dat hij wel eens bij andere sporten kijkt waaronder honkbal. Dat hij dan keek bij een honkbalclub die is gevestigd in Tilburg Noord.

28.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Gilze-Rijen-Dongen, nr. 2009089279-235, d.d. 21 september 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 13], beiden hoofdagent van politie (p. 71-75 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant(en) en of één van hen:

Op 21 september 2009 hoorden wij, verbalisanten, de verdachte [verdachte], geboren op [geboorteplaats 1] op [adres 1] 1982. Het verhoor is niet letterlijk uitgewerkt, maar samengevat weergegeven.

Desgevraagd gaf de verdachte aan dat hij wel eens de auto van zijn vriendin pakte of haar scooter. Aan de verdachte werd gevraagd of dat een Holleederscooter was waarop de verdachte aangaf dat dat zo was, maar dat het een Vespa was.

29.

Het ambtsedig proces-verbaal van Regiopolitie Midden en West Brabant, District Tilburg, Team Leijdal, nr. 2009089279-298, d.d. 21 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 13] en [verbalisant 18], beiden hoofdagent van politie (p. 79-83 van het proces-verbaal betreffende het onderzoek TGO Tartini, nr. 2009089279), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van desbetreffende verbalisant(en) en of één van hen:

Op 20 oktober 2009 hoorden wij, verbalisanten, de verdachte [verdachte], geboren op [geboorteplaats 1] op 27 mei 1982. Het verhoor is niet letterlijk uitgewerkt

Verbalisanten tonen verdachte een foto van [getuige 9] en vragen of de verdachte de man op de foto kent. Verdachte zegt die persoon op de foto wel van zien te kennen uit de buurt.

Verdachte geeft aan dat hij geen ruzie had, maar een conflict (het hof begrijpt: met het slachtoffer [slachtoffer]) en dat hij wel bij mensen aan de deur is geweest maar geen bedreigingen heeft geuit.

30.

De verklaring van de verdachte [verdachte], zoals afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Breda d.d. 8 maart 2011, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Mijn bijnaam is [bijnaam verdachte]. Ik kende [slachtoffer] wel. Ik ben een keer bij zijn zus Thea aan de deur geweest omdat ik [slachtoffer] wilde spreken.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Het hof ziet zich op grond van het onderzoek ter terechtzitting gesteld voor de beantwoording van twee belangrijke bewijsvragen, -kort gezegd- inhoudende:

1.

Is de verdachte de schutter?

2.

Zo ja, heeft de verdachte gehandeld met voorbedachten rade?

I.

Het hof overweegt ten aanzien van de eerste vraag als volgt.

Uit de inhoud van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.

Op 5 juni 2009, omstreeks 17.10 uur, vond een ontmoeting plaats in de Tartinistraat te Tilburg tussen enerzijds [slachtoffer] en [getuige 10] en anderzijds [getuige 9] en [getuige 7].

Zeer korte tijd (ongeveer een halve minuut) nadat de mannen elkaar op straat hadden begroet, kwam er een negroïde, donkere man ter plaatse met een vuurwapen in zijn hand, die meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer]. [slachtoffer] is vervolgens door één van die kogels getroffen en ten gevolge van het daardoor ontstane letsel zeer korte tijd later overleden.

Op enig moment is tijdens het opsporingsonderzoek de verdachte in beeld gekomen als zijnde de schutter. Op 8 september 2009 is deze vervolgens door de politie aangehouden.1

Getuige [getuige 6] heeft de verdachte aangewezen op een foto als de schutter.

Getuige [getuige 7], die ten tijde van het schietincident op de plaats van het delict aanwezig was, heeft ongeveer een uur nadien, in hevig ontdane toestand tegen de moeder van zijn (toenmalige) vriendin gezegd dat hij wist wie “het gedaan heeft”, maar dat hij niet ging zeggen wie het was. Voorts dat hij wist dat de schutter een Antilliaan is en dat hij wist dat er “iets” tussen de schutter en [slachtoffer] speelde.

Uit de verklaringen die [getuige 7] tegenover de politie heeft afgelegd, komt naar voren dat hij de verdachte kent als de hem, al een paar “jaartjes” uit de buurt, bekende “[bijnaam verdachte]”, dat hij vermoedens heeft wie de dader is maar dat niet wil weten, hij voor 90% zeker is dat de verdachte op de schutter lijkt, dat met name zijn donkere huidskleur en zijn bouw met de schutter overeenkomen. Op de vraag of [getuige 7] dacht dat we de dader hadden, toen hij hoorde dat [bijnaam verdachte] was aangehouden, antwoordde hij dat hij dat inderdaad dacht.

Het hof houdt er op basis van deze feiten en omstandigheden voor dat de getuige [getuige 7], die op de plaats delict aanwezig was in gezelschap van zijn vriend [getuige 9], ter plaatse de schutter heeft herkend als de hem bekende “[bijnaam verdachte]”.

De verdachte en [slachtoffer] kenden elkaar. Er bestond voorafgaand aan het delict een (zakelijk) conflict tussen beiden. De verdachte had een aanzienlijke geldschuld bij [slachtoffer] en laatstgenoemde had, kennelijk om een deel van die schuld te innen, een ketting van de neef van de verdachte ingenomen, waarmee de verdachte het kennelijk oneens was en waarover hij kwaad was op [slachtoffer]. De verdachte heeft tegenover familieleden van [slachtoffer] onder meer gezegd dat “die ketting terug moet komen en er anders ongelukken komen”, dat hij “die ketting terug moet en dat [slachtoffer] echt gevaarlijk bezig is" en dat “hij [slachtoffer] nodig had en dat hij [slachtoffer] ging doodmaken”.

II.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging, omdat er geen redengevende bewijsmiddelen met voldoende bewijskracht op basis waarvan enige bewezenverklaring zou kunnen volgen, voorhanden zijn.

II.1.

Daartoe is op de eerste plaats aangevoerd dat de verklaringen van getuige [getuige 6] van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten, omdat -zakelijk weergegeven-:

  1. deze verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn, in het bijzonder vanwege de wijze waarop [getuige 6] tot zijn herkenning van de verdachte als schutter is gekomen. Daarbij heeft de getuige het gezicht van de schutter niet gezien;

  2. de gang van zaken bij de (enkelvoudige) fotoconfrontatie, waarbij [getuige 6] de verdachte op een foto heeft herkend, dient te worden beschouwd als een onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor zodanig essentiële rechtsregels zijn geschonden dat bewijsuitsluiting moet volgen.

Ter adstructie van het onder 1.b weergegeven argument heeft de raadsman onder meer aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de getuige voorafgaand aan de fotoconfrontatie door de politie is voorzien van informatie omtrent het uiterlijk van de degene die herkend moest worden, te weten: dat de verdachte een “babyface” had. Deze fout des te meer klemt omdat in dit geval is gekozen voor een enkelvoudige fotoconfrontatie in plaats van een meervoudige fotoconfrontatie.

Het hof overweegt als volgt.

(ad II.1.a:)

Uit de hierboven weergegeven verklaringen van de getuige [getuige 6] valt af te leiden dat deze op het moment van de onderhavige schietpartij een aantal specifieke kenmerken van de schutter zijn opgevallen. Deze kenmerken hadden in het bijzonder betrekking op de houding en bewegingen van de schutter, de manier waarop deze liep en rende. De getuige heeft meermalen en ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij maar één iemand kent die zo rent. Ook heeft de getuige verklaard over de lengte van de dader en het feit dat hij een pet droeg die strak om zijn hoofd zat.

De getuige heeft verklaard deze man niet van naam maar van zien te kennen van onder meer de straat, van de hangplek op het Verdiplein, rijdend op een scooter, van het honkbal en van het voetbal.

Deze door de getuige genoemde voor hem specifieke kenmerken, in combinatie met informatie die hij kort na het schietincident van getuige [getuige 7] heeft ontvangen, te weten: dat de schutter een Antilliaan was, heeft hem vervolgens ertoe gebracht de schutter te herkennen als de persoon die hij van zien kende maar van wie hij de naam niet wist.

Vervolgens heeft de politie de getuige een foto van de verdachte getoond en heeft de getuige onmiddellijk en zonder enige terughoudendheid verklaard dat de op de foto afgebeelde persoon de door hem bedoelde schutter is. Bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige verdachte andermaal aangewezen als zijnde de schutter.

Uit de verklaringen van getuige [getuige 6] leidt het hof voorts af dat deze eenduidig en in de kern consistent zijn met betrekking tot zijn waarnemingen betreffende de schutter, de plekken waar hij deze tegenkwam en de wijze waarop hij vervolgens tot zijn herkenning van de verdachte als zijnde de schutter is gekomen.

De stelling van de verdediging dat de getuige de schutter niet kan hebben herkend omdat hij zijn gezicht niet heeft gezien, wordt door het hof verworpen. Het hof stelt zich op het standpunt dat een betrouwbare herkenning van een persoon ook kan geschieden aan de hand van andere, niet het gezicht betreffende, typerende, (lichaams)kenmerken.

De door de verdediging genoemde verschillen in de diverse verklaringen van de getuige maakt het vorenstaande niet anders omdat deze verschilpunten, aldus het hof, details betreffen die de berouwbaarheid van de getuige in de kern niet aantasten.

Bovendien vinden de verklaringen van getuige [getuige 6], voor zover inhoudende dat hij de verdachte vaak heeft gezien “op het voetbalveldje waar vroeger (het begrijpt: de voetbalclub) JPS zat”, bij de honkbalvereniging, en rijdend op een scooter steun in de hiervoor onder 27 en 28 opgenomen verklaringen van de verdachte. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de getuige de omstandigheid dat hij de verdachte meerdere keren bij het honkballen heeft gezien reeds bij zijn politieverhoren van 10 en 12 augustus 2009 naar voren heeft gebracht, te weten: vóórdat hem een foto van de verdachte was getoond en vóórdat hij de naam van de verdachte kon noemen. Ook de getuige [getuige 7] heeft verklaard de verdachte te kennen van het Verdiplein en dat hij op een scooter rijdt.

Daarnaast heeft het hof bij zijn oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige 6] betrokken de omstandigheid dat hij bij voormelde fotoconfrontatie onmiddellijk nadat hem de betreffende foto van de verdachte werd getoond, deze herkende als de schutter.

Het hof wijst in dit verband op het hierboven onder 14 opgenomen proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16], waaruit blijkt dat getuige [getuige 6] naar de aan hem getoonde foto van de verdachte keek, direct met zijn vinger naar de foto wees en zei: “Ja dat is hem”. Nadat hem was gevraagd wat hij daarmee bedoelde zei [getuige 6] vervolgens: “Dat is de schutter van die schietpartij hier in straat, waarover ik al eerder bij de politie heb verklaard”.

Deze korte reactietijd tussen het tonen van de foto en de herkenning door de getuige, draagt naar het oordeel van het hof bij aan de betrouwbaarheid van die herkenning.

Ten slotte heeft te gelden dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen op grond waarvan aan de juistheid van de waarnemingen van getuige [getuige 6] zou moeten worden getwijfeld.

(ad II.1.b:)

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is de stelling van de verdediging dat de verdachte voorafgaand aan de gewraakte fotoconfrontatie door de politie is voorzien van informatie omtrent het uiterlijk van de schutter gebaseerd op de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Breda d.d. 21 mei 2010, inhoudende:

“De politie heeft tegen mij gezegd dat zij van anderen had gehoord dat de schutter een babyface had”.

De getuige [getuige 6] heeft hieromtrent ter terechtzitting van het hof van 19 september 2014

-zakelijk weergegeven- als volgt verklaard.

“Het klopt dat de politie tegen mij heeft gezegd dat zij van anderen had gehoord dat de schutter een babyface had. Ik heb dat echter niet van de politie gehoord, maar van die persoon die ik na de schietpartij buiten mijn woning trof (het hof begrijpt: [getuige 7]). Die persoon hoorde aan de stem van schutter en aan zijn taal dat het een Antilliaan was. Van die jongen hoorde ik ook dat de schutter een babyface had.”

Op grond van de hierboven genoemde verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris kan niet de conclusie worden getrokken dat de getuige voorafgaande aan de fotoconfrontatie door de politie is voorzien van informatie. Immers de verklaring van de getuige dat de politie tegen hem heeft gezegd dat zij van anderen had gehoord dat de schutter een babyface had, sluit geenszins uit dat de getuige -zoals door hem is verklaard- die informatie van de door hem bedoelde persoon heeft gekregen en kan niet redengevend zijn voor de conclusie van de raadsman dat de verdachte die informatie van de politie heeft verkregen. Bovendien heeft de informatie dat de verdachte een babyface zou hebben, blijkens de inhoud van de betreffende verklaringen van getuige [getuige 6], bij diens herkenning van de verdachte als schutter geen enkele rol gespeeld.

Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de getuige [getuige 6] door de politie op ontoelaatbare wijze zou zijn beïnvloed.

Voorts vermag het hof niet in te zien dat, zoals door de verdediging is gesteld, de politie in dit geval niet voor een enkelvoudige fotoconfrontatie had mogen kiezen, aangezien getuige de dader reeds kende vóór het onderhavige voorval. Het gaat er dan bij een latere confrontatie om, om vast te stellen of het confrontatiesubject wel degene is die door de getuige wordt bedoeld en dat rechtvaardigt alleszins de keuze voor een enkelvoudige fotoconfrontatie.

(ad II.1.a en II.1.b:)

Op grond van het voren overwogene acht het hof de gewraakte herkenning van de verdachte door getuige [getuige 6] betrouwbaar en bezigt het die tot het bewijs. Evenmin acht het hof enig vormverzuim geschonden bij de fotoconfrontatie op grond waarvan bewijsuitsluiting zou moeten volgen.

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

II.2.

Op de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van getuige [getuige 14] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, om redenen zoals in de pleitnota verwoord. Het hof heeft de gewraakte verklaringen van getuige [getuige 14] echter niet bij zijn bewijsvoering betrokken, zodat het verweer in zoverre onbesproken kan blijven.

II.3.

Op de derde plaats heeft de raadsman aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de door getuige [getuige 7] tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van de bewijsvoering moet worden uitgesloten, omdat (a) deze door de politie onder -zo begrijpt het hof- ontoelaatbare druk is gezet en voorts omdat (b) hij als getuige bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris andersluidend heeft verklaard dan bij de politie en hij niet ter terechtzitting van het hof is gehoord.

Het hof overweegt als volgt.

(ad II.3.a:)

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen waaruit zonder meer kan worden opgemaakt dat de politie bij de verhoren van getuige [getuige 7] ontoelaatbare druk op hem heeft uitgeoefend. De enkele omstandigheid dat de getuige [getuige 7] langere tijd en meerdere malen is gehoord en bij zijn verhoor door de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zich onder druk gezet heeft gevoeld, leidt nog niet zonder meer tot de conclusie dat hij daadwerkelijk onder ontoelaatbare druk gezet is. In zoverre wordt het verweer verworpen.

(ad II.3.b:)

Met betrekking tot het tweede argument van de raadsman heeft te gelden dat dit miskent dat -volgens vaste jurisprudentie- in het geval de betreffende getuige door de rechter-commissaris is gehoord en hij ten overstaan van deze zijn eerdere, bij de politie afgelegde, verklaringen heeft ingetrokken, en hij bovendien in hoger beroep niet als getuige is opgeroepen, de eerdere bij de politie afgelegde verklaringen niet tot het bewijs mogen worden gebezigd indien die verklaringen de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit rechtstreeks kan volgen. Nu de verklaring van [getuige 7] niet het enige bewijs is waaruit de betrokkenheid van de verdachte rechtstreeks volgt en bovendien de getuige in hoger beroep in aanwezigheid van de raadsman door de raadsheer-commissaris is gehoord, wordt het verweer ook in zoverre verworpen.

II.4.

Op de vierde plaats is daartoe aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de door [getuige 9] tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten, omdat deze door de politie onder -zo begrijpt het hof- ontoelaatbare druk is gezet. Het hof verwerpt ook dit verweer, nu uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gekomen die tot een dergelijke conclusie zouden moeten leiden.

III.

De raadsman heeft bij zijn pleidooi nog gewezen op een aantal omstandigheden die de verdachte zouden ontlasten en die zouden zijn genegeerd door het openbaar ministerie. Deze omstandigheden zouden ertoe moeten leiden dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Het hof overweegt als volgt.

In het onderhavige opsporingsonderzoek is een groot aantal getuigen gehoord en heeft ook een omvangrijk technisch onderzoek plaatsgevonden. De omstandigheid dat niet alle resultaten daarvan in de richting van de verdachte als dader wijzen, is niet redengevend voor de conclusie dat deze onschuldig is. Voor zover die resultaten in de richting van een of meer andere (onbekende) personen wijzen, heeft te gelden dat ten aanzien van die (onbekend gebleven) perso(o)n(en) uit het opsporingsonderzoek in ieder geval geen overige aanwijzingen naar voren zijn gekomen. Daartegenover staat dat daaruit ten aanzien van de verdachte juist wel meerdere belastende aanwijzingen naar voren zijn gekomen, op grond waarvan het openbaar ministerie de verdachte ook redelijkerwijs kon vervolgen.

Het verweer wordt bijgevolg verworpen.

IV.

Op grond van al het voorgaande heeft het hof uit de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte degene is die [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

V.

Het hof overweegt ten aanzien van onder 1.2 geformuleerde vraag, te weten: of de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade, als volgt.

De advocaat-generaal heeft -op gronden als weergegeven in het schriftelijk requisitoir- gerequireerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde voorbedachte raad, zodat het feit dient te worden gekwalificeerd als “moord”.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om de ander van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Hierbij gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op de plaats delict in totaal tenminste 14 kogels heeft afgevuurd, waarvan één kogel het slachtoffer heeft getroffen. De overige schoten heeft de verdachte gelost, al dan niet gericht, in de richting van de auto van het slachtoffer en/of een andere auto ter plaatse en naar de grond.

Daarnaast heeft de verdachte, terwijl hij, met zijn pistool gericht op [slachtoffer] in diens richting liep, het slachtoffer de woorden toegevoegd: “[slachtoffer] blijf staan!”, "Maak open, maak open” en "Waar is mijn geld", althans soortgelijke woorden.

De verdachte heeft zich tijdens zijn verhoren door de politie op vragen betreffende zijn betrokkenheid bij het feit op zijn zwijgrecht beroepen, zodat het hof geen duidelijkheid heeft verkregen omtrent de beweegredenen van de verdachte om gewapend met een pistool [slachtoffer] te belagen. Niet uitgesloten kan worden dat de verdachte ter plaatse is gekomen met het aanvankelijke plan om zich geld van [slachtoffer] toe te eigenen.

Op grond van dit één en ander kan het hof niet uitsluiten dat de beslissing van de verdachte om [slachtoffer] dood te schieten, door hem in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling ter plaatse is genomen. De door de advocaat-generaal genoemde aanwijzingen waaruit moet worden afgeleid dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, worden door het hof niet van doorslaggevende betekenis geacht.

Mitsdien acht het hof niet overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, zodat hij van de ten laste gelegde voorbedachte raad zal worden vrijgesproken.

VI.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 5 juni 2009 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel afgevuurd op het lichaam van [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 5 juni 2009, op klaarlichte dag, op de openbare weg en in aanwezigheid van vele getuigen onder wie een aantal kinderen, het slachtoffer [slachtoffer] met een vuurwapen doodgeschoten.

Verdachte heeft daarmee een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht en groot leed toegebracht aan onder meer de nabestaanden van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare.

Door te handelen zoals bewezen verklaard, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Door een dergelijk delict wordt de rechtsorde zeer ernstig is geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Daarnaast leidt een dergelijk feit tot vaak hevige en langdurige gevoelens van angst en onveiligheid bij getuigen, in het bijzonder waar het kinderen betreft.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof allereerst gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 augustus 2014, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden reeds veelvuldig onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld, onder meer terzake van geweldsdelicten en overtreding van de Wet wapens en munitie.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, adviesunit Breda/Middelburg, d.d. 15 december 2009, opgemaakt door D. Verduijn, reclasseringswerker.

Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan en in het bijzonder gelet op de omstandigheden dat het feit op klaarlichte dag, op de openbare weg en in aanwezigheid van vele getuigen, onder wie kinderen, heeft plaatsgevonden, alsmede op de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld terzake van geweldscriminaliteit en terzake van wapenbezit, heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat tussen de datum waarop het hoger beroep is ingesteld, te weten: 14 maart 2011, en de datum waarop het hof de onderhavige uitspraak doet, 3 oktober 2014, een periode van 3 jaren en bijna zeven maanden is verstreken.

Weliswaar is in hoger beroep een aantal getuigen is gehoord, maar het hof is van oordeel dat niet het gehele tijdsverloop daardoor kan worden verklaard. Dat brengt met zich mee dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna te melden straf.

Beslag

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven henneptoppen en hennep zijn een middel als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet. Op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet zullen deze voorwerpen daarom aan het verkeer worden onttrokken

De hierna als zodanig te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, toebehorende aan verdachte, zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiding van soortgelijke feiten, zodat zij dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde] (gemachtigde: [gemachtigde]) als gevolg van het bewezen verklaarde feit, materiële schade heeft geleden die het hof stelt op een bedrag van € 8.978,00.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 8.978,00 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] (gemachtigde: [gemachtigde]) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt in totaal een bedrag van € 8.978,00. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering zal derhalve geheel worden toegewezen.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Voorlopige hechtenis

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof van 19 september 2014 gevorderd dat het hof de gevangenneming van verdachte zal bevelen.

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof de gelegenheid gehad zich over deze vordering uit te laten en heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de onderhavige uitspraak wordt verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van lange duur. Verdachte wordt aldus veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is sprake van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en is naar het oordeel van het hof, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit en op het aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedane leed, de rechtsorde door dat bewezen verklaarde feit ernstig geschokt. Het tijdsverloop maakt dat niet anders. Dit brengt mee dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert. De omstandigheid dat een eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven, maakt dit niet anders. Nieuwe bezwaren zijn daarvoor niet noodzakelijk. Het hof zal dan ook de gevangenneming van de verdachte bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, en op artikel 13a van de Opiumwet zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 135335 henneptoppen in een zwarte sporttas;

- 135337 hennep, kleur groen;

- 78827 1 pistool, kleur zwart, merk Zastava M57, AAABL4034NL: 7.62 kal.

nr. weggeboord;

- 78827 a 1 patroonhouder, merk Zastava, AABL4034NL, uit pistool 78827;

- 78827 b 6 patronen, AABL4034NL, uit pistool 78827;

- 78846 1 pistool, kleur grijs, merk Astra GT28, AABL4033NL, kal. 6.35;

- 78846 a 1 patroonhouder, merk Astra,AABL4033NL, uit pistool 78846;

- 78846 b 5 patronen, AABL4033NL, uit pistool 78846

- 78849 revolver, kleur zwart, AABL4032NL, nr. weggeslagen met centerpoint en doos;

- 78849 a 6 patronen, AABL4032NL, uit revolver 78849, .22 rem.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 182123 1 stuk drukwerk, kleur bruin, visitekaartje Elegance Juwels;

- 182136 1 stuk document, kleur wit, verkoopbon van inlevering gouden ketting.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], te betalen een bedrag van € 8.978,00 (achtduizend negenhonderdachtenzeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 79 (negenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] tot het bedrag van € 8.978,00 (achtduizend negenhonderdachtenzeventig euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel apart is geminuteerd.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 3 oktober 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Zie het Eind Proces-verbaal van politie Midden en West Brabant, Team Grootschalige opsporing, District Tilburg, dossiernummer 2009089279, d.d. 25 januari 2010, opgemaaktt door [verbalisant 19], Generalist Tactisch rechercheur, in het bijzonder p. 34 van dat proces-verbaal.