Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:392

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
20-002259-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:4078, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2885, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Themazitting ingezetenencriterium coffeeshops Maastricht. Het hof acht het ingezetenencriterium dat in Maastricht wordt gehanteerd (niet-ingezetenen van Nederland mogen niet worden toegelaten tot een coffeeshop waar cannabisproducten worden verkocht) niet onrechtmatig. Het hof veroordeelt verdachte, die als verkoper werkzaam was in een coffeeshop, in navolging van de rechtbank ter zake van het medeplegen van het in de uitoefening van een bedrijf verkopen van soft drugs. Het hof legt aan verdachte een lagere straf op dan de rechtbank: een geheel voorwaardelijke geldboete van € 450,-. Zie ook de strafzaken tegen de twee medeverdachten (eigenaar en portier): ECLI:NL:GHSHE:2014:390 en ECLI:NL:GHSHE:2014:391.

Wetsverwijzingen
Aanwijzing Opiumwet
Opiumwet 3, 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002259-13

Uitspraak : 19 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 26 juni 2013 in de strafzaak met parketnummer 03-866143-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 15 uren, subsidiair 7 dagen hechtenis, proeftijd twee jaar.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

Namens verdachte is bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren. Subsidiair is bepleit dat het hof verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de eerste rechter en zal derhalve het vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 mei 2013 in de gemeente Maastricht in/vanuit coffeeshop [coffeeshop], gelegen aan [adres], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf opzettelijk meermalen, althans eenmaal (telkens) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt ((telkens) aan (een) (aantal) niet-ingezetene(n) van Nederland) (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II; art 11 lid 3 Opiumwet

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verweren betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

1.

Door de verdediging is bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging.

Daartoe is aangevoerd dat het opnemen van het ingezetenencriterium in de Aanwijzing Opiumwet bij de beoordeling van de vraag of strafrechtelijk opgetreden dient te worden tegen een coffeeshop, onrechtmatig is omdat:

i. het College van procureurs-generaal hiermee is getreden buiten de grenzen van zijn bevoegdheid;

ii. het ingezetenencriterium in strijd is met het recht van de Europese Unie; en

iii. het ingezetenencriterium in strijd is met mensenrechtelijke en grondwettelijke discriminatieverboden.

Vanwege deze onrechtmatigheid moet volgens de verdediging het ingezetenencriterium bij de beoordeling of strafrechtelijke dient te worden opgetreden tegen de coffeeshop, buiten toepassing worden gelaten. Aangezien de verdachte zich heeft gehouden aan de overige vijf gedoogcriteria van de Aanwijzing Opiumwet, mocht hij erop vertrouwen dat geen strafvervolging zou worden ingesteld en derhalve is strafvervolging in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Daarnaast is aangevoerd

iv. dat het openbaar ministerie door de verdachte te vervolgen heeft gehandeld in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde en ook daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

2.

Beoordelingskader van de gevoerde verweren

Voorop moet worden gesteld dat het opzettelijk verkopen van softdrugs als hennep en hasjiesj, beide voorkomend op lijst II behorende bij de Opiumwet, verboden is en een strafbaar feit is (artikel 3, onder B, jo. artikel 11 van de Opiumwet). Ingevolge artikel 11, lid 3 van de Opiumwet is het bedrijfsmatig of als beroep opzettelijk verkopen van softdrugs een strafverzwarende omstandigheid.

Het huidige coffeeshopbeleid is te vinden in de Aanwijzing Opiumwet van 13 december 2012, in werking getreden op 1 januari 20131, hierna te noemen de Aanwijzing. Deze aanwijzing is vastgesteld door het College van procureurs-generaal op de voet van artikel 130 lid 4 van de Wet op de rechterlijke organisatie, welke bepaling luidt: “Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie”.

De Aanwijzing bepaalt in par. 2.2.: “In de aanwijzing is alleen in het verband van het coffeeshopbeleid (…) sprake van gedogen van bepaalde strafbare feiten. (…) De grondslag van het gedoogbeleid ligt in de afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang. In de context van het drugsbeleid wordt dit hogere belang gevonden in de volksgezondheid (scheiding der markten) en de openbare orde. Het gaat dus om een positieve beslissing niet op te sporen en te vervolgen ongeacht de aanwezige capaciteit.”

De Aanwijzing definieert in par. 2.3 coffeeshops als “alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt”.

In par. 3.2.2. wordt bepaald dat “bij de beoordeling van de vraag of tegen een coffeeshop – een bij de wet verboden situatie - strafrechtelijk opgetreden dient te worden” de AHOJGI-criteria gelden. In een noot stelt de Aanwijzing dat deze criteria ook gelden ten aanzien van de toepassing van bestuursdwangbevoegdheden door de burgemeester.

Achtereenvolgens houden de AHOJGI-criteria in dat

- coffeeshops geen reclame mogen maken (Affichering),

- geen Harddrugs voorhanden mogen hebben of mogen verkopen,

- geen Overlast mogen veroorzaken,

- niet toegankelijk mogen zijn voor en niet mogen verkopen aan Jeugdigen,

- slechts een beperkte hoeveelheid per transactie mogen verkopen en slechts een beperkte handelsvoorraad mogen hebben (Geringe hoeveelheden) en

- niet toegankelijk mogen zijn voor en niet mogen verkopen aan anderen dan Ingezetenen van Nederland.

Dit laatste, het ingezetenencriterium, geldt per 1 januari 2013 voor heel Nederland en is in de onderhavige strafzaak inzet van de discussie.

In par. 3.2.2. bepaalt de Aanwijzing wat het gedoogbeleid inhoudt: “Tegen coffeeshops die op grond van een door de gemeente afgegeven vergunning, beschikking of verklaring worden gedoogd, zal niet strafrechtelijk worden opgetreden wegens de verkoop van op lijst II bij de Opiumwet vermelde hennepproducten, zolang de AHOJGI-criteria worden nageleefd. (…)

De handhaving van het ingezetenencriterium geschiedt in overleg met betrokken gemeenten en zo nodig gefaseerd, zo is verwoord in de brief aan de Tweede Kamer (…). Voor een coffeeshop moet, ingevolge het Checkpointarrest, kenbaar zijn aan welke gedoogcriteria deze zich dient te houden. Daarom en in verband met een eventuele gefaseerde handhaving van het ingezetenencriterium geldt het volgende uitgangspunt: strafrechtelijk optreden tegen coffeeshops bij overtreding van het ingezetenencriterium vindt plaats in het kader van het in de driehoek afgestemde en lokaal vastgestelde coffeeshopbeleid. Onderdeel van dit beleid is een eveneens in de driehoek afgestemde handhavingsarrangement waarin per gedoogcriterium de eventuele bestuurlijke en strafrechtelijke sancties zijn opgenomen.”

Volgens de Aanwijzing (Pre-opsporing, 1. Gedoogbeleid coffeeshops) stelt het lokale bestuur het coffeeshopbeleid – binnen het landelijk kader (de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet) – vast en voert de regie. De lokale driehoek (bestaande uit de burgemeester, de officier van justitie en de korpschef van politie) vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de dagelijkse handhaving. Het zogeheten handhavingsarrangement, waarbinnen, in de bewoordingen van de Aanwijzing, “het optreden van bestuur, politie en OM op elkaar aansluit en elkaar aanvult”, is de basis van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving van het beleid. “De handhaving van de gedoogcriteria ligt (…) primair bij de burgemeester in de uitoefening van zijn sluitingsbevoegdheid ex artikel 13b van de Opiumwet. De strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie is het sluitstuk van de bestuurlijke handhaving door de gemeente. (…) De bevoegdheid van de burgemeester doet op geen enkele wijze afbreuk aan de bevoegdheden om strafrechtelijk op te treden”, aldus de Aanwijzing.

Het lokale coffeeshopbeleid van de gemeente Maastricht is in overeenstemming met de lokale driehoek vastgesteld door de burgemeester van Maastricht en vastgelegd in het zogenaamde ‘Damoclesbeleid Coffeeshops 2013’. Tot 18 mei 2013 heeft gegolden het Damoclesbeleid Coffeeshops 2013, tot stand gekomen op 21 januari 2013 en in werking getreden op 2 februari 2013.2 Op 18 mei 2013 is een nieuw Damoclesbeleid Coffeeshops 2013 in werking getreden.3 Deze regeling is inhoudelijk gelijk aan die van 21 januari 2013, alleen is in de considerans uitgebreider gemotiveerd waarom het ingezetenencriterium wordt gehanteerd. In de kern komt het Maastrichtse Damoclesbeleid er, voor zover hier relevant, op neer dat “in navolging van het gestelde in de Aanwijzing Opiumwet” en onder verwijzing naar de in de Aanwijzing Opiumwet genoemde brief van de Minister van Veiligheid en Justitie (d.d. 19 november 2012; hof) ook het ingezetenencriterium door middel van bestuursdwang wordt gehandhaafd.

In de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 19 november 20124 staat onder meer het volgende:

“Doelstelling van het coffeeshopbeleid is (…) om een einde te maken aan het ‘open-deur-beleid’ van de coffeeshops. Dit om overlast en criminaliteit die verband houden met coffeeshops en de handel in verdovende middelen tegen te gaan. Coffeeshops moeten kleiner en meer beheersbaar worden gemaakt. De aantrekkingskracht van het Nederlandse drugsbeleid op gebruikers afkomstig uit het buitenland moet worden teruggedrongen. (…)

De uitvoering van het aangescherpte coffeeshopbeleid wordt vereenvoudigd. In dat kader zijn er in het Regeerakkoord de volgende afspraken opgenomen:

- De wietpas vervalt, maar de toegang tot coffeeshops blijft voorbehouden aan ingezetenen die een identiteitsbewijs of verblijfsvergunning, samen met een uittreksel uit het bevolkingsregister kunnen tonen. De handhaving van dit ingezetenencriterium geschiedt in overleg met de gemeenten en zo nodig gefaseerd, waarbij wordt aangesloten bij het lokale coffeeshop en veiligheidsbeleid (…).

(…)

Op basis van het regeerakkoord wordt het coffeeshopbeleid per 1 januari 2013 als volgt vormgegeven:

Het weren van drugstoeristen wordt onverkort doorgezet

Landelijke invoering van het ingezetenencriterium wordt per 1 januari 2013 doorgezet. De Aanwijzing Opiumwet van het OM wordt in dat verband aangepast. (…)

Deze afspraak in het regeerakkoord [dat de wietpas vervalt, Hof] past bij de ervaringen en aanbevelingen van de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland (…). Immers door het succes van het ingezetenencriterium is de toestroom van drugstoeristen afgenomen en zijn de coffeeshops de facto kleiner en meer beheersbaar geworden. (…)

Met deze aanpassing van het aangescherpte coffeeshopbeleid meen ik, rekening houdend met de ervaringen in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland, zo maximaal mogelijk te blijven inzetten op het tegengaan van overlast en criminaliteit die verband houden met coffeeshops en de handel in verdovende middelen.”

3.

Beoordeling van de verweren betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het eerste argument van de verdediging tegen het ingezetenencriterium komt erop neer dat het College van procureurs-generaal met het opnemen van het ingezetenencriterium in de Aanwijzing is getreden buiten de grenzen van zijn bevoegdheid. Het College heeft geen wetgevende bevoegdheid, aldus de verdediging, en mag derhalve geen algemeen verbindende voorschriften geven (pleitnota eerste aanleg, par. 4). Het College van procureurs-generaal mag derhalve bestaande wetten niet wijzigen of aanvullen, zeker niet waar het de Opiumwet betreft, nu deze wet een uitputtende regeling kent. Desondanks zijn in de Aanwijzing door het ingezetenecriterium de wettelijke verbodsbepalingen “opgerekt” (pleitnota eerste aanleg, par. 5.3) en worden aan coffeeshophouders verplichtingen opgelegd die niet zijn terug te voeren op de Opiumwet, te weten het niet toelaten van niet-ingezetenen tot de coffeeshop en het niet mogen aanbieden aan hen van legale horecadiensten (pleitnota eerste aanleg par. 6.1).

4.

Dit verweer miskent in de eerste plaats dat elke verkoop van softdrugs een strafbaar feit oplevert (op grond van art. 3 onder B jo. art. 11 Opiumwet) en in de tweede plaats dat de Aanwijzing geen uitbreiding inhoudt van deze strafbaarstelling, maar slechts de voorwaarden formuleert waaronder het openbaar ministerie afziet van vervolging van verdachten van deze strafbare feiten, indien deze feiten zijn begaan in het kader van een coffeeshop. Het vaststellen van de AHOJGI-criteria betreft derhalve niet het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, laat staan het wijzigen of aanvullen van de strafbaarstellingen uit de Opiumwet, maar het vaststellen van het vervolgingsbeleid. Met andere woorden door middel van de AHOJGI-criteria wordt vormgegeven hoe het openbaar ministerie het opportuniteitsbeginsel als bedoeld in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zal hanteren. Dat is een bevoegdheid van het College van procureurs-generaal.

5.

Het tweede argument van de verdediging is dat het ingezetenencriterium in strijd is met het recht van de Europese Unie (hierna: EU).

Volgens de raadsman beperkt de Aanwijzing met het ingezetenencriterium de vrijheid van dienstenverkeer in de EU, thans te vinden in artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: ‘VWEU’). Hiertoe voert de raadsman aan dat het een verkapte vorm van discriminatie oplevert omdat het hoofdzakelijk ten nadele van burgers van andere lidstaten werkt. Hoewel het Hof van Justitie in het arrest-Josemans eerder oordeelde dat een vergelijkbare lokale verordening niet strijdig was met het EU-recht,5 is de verdediging van oordeel dat dit voor het ingezetenencriterium in de Aanwijzing anders is.

6.

Het hof overweegt als volgt.

Het arrest van het Hof van Justitie EU van 16 december 2010 is gewezen op een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een bestuursrechtelijke procedure tussen de heer M.M. Josemans, exploitant van de Maastrichtse coffeeshop Easy Going, en de burgemeester van Maastricht, op de grond dat de burgemeester de betrokken inrichting tijdelijk gesloten had verklaard nadat tweemaal was geconstateerd dat daarin niet in Nederland woonachtige personen waren toegelaten in strijd met de in die gemeente geldende bepalingen opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: ‘APV’).

De betreffende bepaling in de (toenmalige) APV verbiedt de houder van een inrichting (coffeeshop) andere personen dan ingezetenen toe te laten of aldaar te laten verblijven. Onder ingezetenen worden in de APV verstaan personen die hun werkelijke woonplaats in Nederland hebben.

Een aantal voor deze zaak relevante overwegingen van het Hof van Justitie EU op de prejudiciële vragen wordt hierna, al dan niet samengevat, weergegeven:

(r.o. 41-42) Het Hof van Justitie EU stelt allereerst vast dat de coffeeshophouder zich voor wat betreft de verkoop van softdrugs niet kan beroepen op de verkeersvrijheden of het beginsel van non-discriminatie “daar het verboden is om verdovende middelen die geen deel uitmaken van een dergelijk strikt gecontroleerd circuit [ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden; hof] in het economische en commerciële circuit van de Unie te brengen”.

(r.o. 46-50 en 54) Waar het ingezetenencriterium wordt gehanteerd met betrekking tot de legale horeca-activiteiten van de coffeeshop (verkoop alcoholvrije dranken en eetwaren), kan volgens het Hof van Justitie echter wel een beroep worden gedaan op de fundamentele vrijheid van het vrij verrichten van diensten.

(r.o.51-52) In dit kader merkt het Hof op dat het discriminatieverbod op het gebied van het vrij verrichten van diensten nader is uitgewerkt bij artikel 49 EG-verdrag (thans art. 56 VWEU; hof).

(r.o. 58-59) Het beginsel van gelijke behandeling, waarvan artikel 49 EG-verdrag dus een bijzondere uitdrukking is, verbiedt niet alleen zichtbare discriminaties op grond van nationaliteit, maar ook verkapte vormen van discriminatie die, door toepassing van andere onderscheidingscriteria, in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Dit is met name het geval met een maatregel die als onderscheidend criterium de woon- of verblijfplaats hanteert, omdat dit hoofdzakelijk ten nadele van burgers van andere lidstaten kan werken, voor zover niet-ingezetenen meestal niet-staatsburgers zijn.

(r.o. 60) Omdat het ingezetenencriterium aldus het vrij verrichten van diensten beperkt, moet worden onderzocht of deze beperking objectief kan worden gerechtvaardigd door legitieme belangen die door het Unierecht zijn erkend.

(r.o. 64) De Nederlandse autoriteiten stellen vast dat de problemen in Maastricht in verband met de verkoop van softdrugs, zoals verschillende vormen van overlast, criminaliteit en een toenemend aantal illegale verkooppunten van drugs, harddrugs inbegrepen, door het drugstoerisme zijn toegenomen. De Belgische, Duitse en Franse regering wijzen op de verstoringen van de openbare orde waarmee dit verschijnsel, waaronder de illegale uitvoer van cannabis, in de andere lidstaten dan Nederland, in het bijzonder in de aangrenzende staten, gepaard gaat.

(r.o. 65-66) Die rechtvaardiging acht het Hof van Justitie aanwezig in het tegengaan van drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast, zijnde een onderdeel van de drugsbestrijding. Zij houdt verband met de handhaving van de openbare orde alsook met de bescherming van de gezondheid van de burgers zowel op het niveau van de lidstaten als op dat van de Unie.

(r.o. 67-68) Voorts wordt door het Hof van Justitie EU herinnerd aan de noodzaak van drugsbestrijding zoals blijkt uit verschillende internationale verdragen en EU-recht, en wordt door het Hof erop gewezen dat een aantal instrumenten van de Unie uitdrukkelijk zijn gericht op de bestrijding van drugstoerisme.

(r.o. 69) Maatregelen die het vrij verrichten van diensten beperken, kunnen echter slechts hun rechtvaardiging vinden in het doel van bestrijding van drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast, indien zij geschikt zijn om de verwezenlijking van dit doel te verzekeren en niet verder gaan dan voor het bereiken daarvan noodzakelijk is.

(r.o. 70) Een beperkende maatregel kan slechts geschikt worden geacht om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, wanneer het bereiken daarvan daadwerkelijk op coherente en stelselmatige wijze wordt nagestreefd.

(r.o. 75) Het staat buiten kijf dat een verbod om niet-ingezetenen tot coffeeshops toe te laten een maatregel is om het drugstoerisme aanzienlijk te beperken en bijgevolg de daardoor veroorzaakte problemen te verminderen.

(rov. 78) Het kan niet incoherent worden geacht dat een lidstaat passende maatregelen neemt om het hoofd te bieden aan een massale instroom van inwoners uit andere lidstaten, die willen profiteren van de in deze staat gedoogde verkoop van producten die wegens hun aard in alle lidstaten onder een verkoopverbod vallen.

(r.o. 79) Het ingezetenencriterium geldt slechts voor inrichtingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de verkoop van cannabis. Dit staat er niet aan in de weg dat een niet in Nederland woonachtige persoon zich naar andere horeca-inrichtingen in Maastricht begeeft om aldaar alcoholvrije dranken en eetwaren te nuttigen. Volgens de Nederlandse regering zijn er meer dan 500 van die inrichtingen.

(r.o. 80) Maatregelen die het vrij verrichten van diensten minder beperken, zoals de beperking van het aantal coffeeshops, de invoering van een pasjessysteem of de beperking van de hoeveelheid cannabis die per persoon kan worden gekocht, zijn volgens de Nederlandse autoriteiten beproefd maar met betrekking tot het nagestreefde doel onvoldoende en inefficiënt gebleken.

(r.o. 81) Meer in het bijzonder de mogelijkheid om aan niet-ingezetenen toegang tot coffeeshops te verlenen maar de verkoop van cannabis aan hen te verbieden, lijkt een moeilijk te controleren maatregel die er bovendien toe kan leiden dat de illegale handel in of de wederverkoop van cannabis door ingezetenen aan niet ingezetenen in de coffeeshops wordt aangemoedigd.

(r.o. 83) De conclusie is dat het ingezetenencriterium geschikt is om de verwezenlijking van het doel van bestrijding van het drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast te waarborgen, en niet verder gaat dan voor het bereiken daarvan noodzakelijk is en

(r.o. 84) dat de aan de orde zijnde regeling een gerechtvaardigde inperking is op het beginsel van het vrij verrichten van diensten.

7.

Het hof is van oordeel dat door de verdediging geen goede gronden zijn aangevoerd om thans anders te oordelen dan het Hof van Justitie EU heeft gedaan in de hierboven besproken zaak Josemans vs. Burgemeester van Maastricht.

In de pleitnota in hoger beroep inzake [zaak] (nr. 18, 30 en 34) heeft de raadsman betoogd dat het ingezetenencriterium evident geen geschikt instrument is om beperking van overlast te bewerkstelligen, aangezien het juist meer overlast veroorzaakt, mede omdat het ingezetenencriterium niet landelijk wordt toegepast.

Dit argument miskent naar het oordeel van het hof dat het bestrijden van drugstoerisme en de daarmee gepaard gaande overlast een zelfstandige rechtvaardigingsgrond vormt, waarbij

– zoals blijkt uit r.o. 64-69 van het arrest Josemans vs Burgemeester van Maastricht, met name r.o. 64 – het begrip “overlast” in dit kader niet is beperkt tot lokale overlast maar mede ziet op verstoringen van de openbare orde in buurlanden van Nederland ten gevolge van het drugstoerisme, waaronder de illegale uitvoer van cannabis, alsmede dat (gefaseerde) handhaving van het ingezetenecriterium gelet op de Aanwijzing en de hiervoor geciteerde brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 19 november 2012, landelijk beleid vormt.

8.

Het derde argument van de verdediging is dat het ingezetenencriterium in strijd is met mensenrechtelijke en grondwettelijke discriminatieverboden, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol en artikel 1 van de Grondwet.

9.

Op dezelfde gronden als hiervoor besproken onder 6 en 7 is het hof van oordeel dat de ongelijke behandeling naar nationaliteit, objectief gerechtvaardigd wordt door het doel van de maatregel en dat de maatregel proportioneel is. Ook dit argument moet dus worden verworpen.

10.

Aangezien geen van drie aangevoerde argumenten (als bedoeld hierboven onder 1) doel treft, verwerpt het hof de stelling dat het ingezetenencriterium onrechtmatig is. Er is dus geen goede grond om de Aanwijzing waarin het ingezetenencriterium is opgenomen, buiten toepassing te laten.

11.

Als zelfstandige grond voor niet-ontvankelijkverklaring is door de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie door verdachte te vervolgen in strijd heeft gehandeld met beginselen van een behoorlijke procesorde. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van willekeur, zowel voor wat betreft de handhaving in Maastricht ten opzichte van andere coffeeshopgemeenten als voor wat betreft de concrete vervolging van verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan, zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Dit wordt ook wel omschreven als het verbod van willekeur of het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

Het hof is van oordeel dat door de verdediging geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat zich hier zo’n uitzonderlijk geval voordoet.

Hierbij neemt het hof in aanmerking dat in de gemeente Maastricht het beleid waarbij het ingezetenencriterium is ingevoerd tot stand is gekomen in overeenstemming met de lokale driehoek (Damoclesbeleid) en wordt gehandhaafd in overeenstemming met de lokale driehoek en dat het openbaar ministerie zich conform de Aanwijzing Opiumwet als sluitstuk van die bestuurlijke handhaving daarbij heeft aangesloten. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat de burgemeester van Maastricht en het openbaar ministerie daartoe, naar het oordeel van het hof, gerechtigd zijn en waren. Handhaving van het ingezetenencriterium, uitmondend in de vervolging van onder anderen verdachte volgens dit expliciet en gepubliceerd rechtmatige landelijke en lokale beleid, is naar het oordeel van het hof niet willekeurig. Daaraan doet niet af dat in andere coffeeshopgemeenten het ingezetenencriterium niet of onvolledig werd gehandhaafd ten tijde van het ten laste gelegde misdrijf.

Evenmin kan het willekeurig worden genoemd dat niet alleen de eigenaar van de coffeeshop, waarin het ingezetenencriterium wordt genegeerd, wordt vervolgd, maar ook degenen die als personeel van die eigenaar feitelijk cannabisproducten hebben verkocht aan niet-ingezetenen. Het gedoogbeleid houdt immers in dat niet strafrechtelijk wordt opgetreden “tegen coffeeshops” zolang de AHOJGI-criteria worden nageleefd. Daarbij is personeel in die coffeeshops niet uitgezonderd van eventueel strafrechtelijk optreden indien ook door hen dit gedoogcriterium wordt overtreden.

Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer.

12.

Nu alle daartoe aangevoerde argumenten niet slagen, wordt het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 mei 2013 in de gemeente Maastricht vanuit coffeeshop [coffeeshop], gelegen aan [adres], tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk meermalen heeft verkocht aan een aantal niet-ingezetenen van Nederland een hoeveelheid hasjiesj en/of een hoeveelheid hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Nu verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, zal het hof, in het licht van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht het feit bewezen op grond van:

  • -

    het in de wettige vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisanten], d.d. 6 mei 2013, dossierpagina’s 78-80 van het proces-verbaal van politie Limburg-Zuid, district Maastricht, DOEN team Maastricht, proces-verbaalnummer 2013047012 (doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 177), waaruit blijkt dat op 6 mei 2013 bij elf in de coffeeshop [coffeeshop] aan [adres] te Maastricht aangetroffen niet-ingezetenen van Nederland softdrugs in een hoeveelheid van minder dan 5 gram werd aangetroffen. Elk van hen is verhoord als verdachte en en tien van hen hebben verklaard op 6 mei 2013 in coffeeshop [coffeeshop] softdrugs te hebben gekocht ([verwijzingen vindplaatsen]);

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 12 juni 2013.

Het hof overweegt dat het hier gaat om verkoop van cannabisproducten in een coffeeshop te Maastricht, nadat door de Vereniging Officiële Coffeeshops Maastricht (VOCM) in een persbericht van 2 mei 2013 (dossierpagina 17) was aangekondigd dat de coffeeshops vanaf 5 mei 2013 weer toegankelijk zouden zijn voor niet-ingezetenen van Nederland, en nadat de burgemeester van Maastricht in een persbericht van 2 mei 2013 (dossierpagina 18) had aangekondigd dat hij het ingezetenencriterium zou handhaven en dat in overleg met het openbaar ministerie was besloten om bij overtreding van dat criterium zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk op te treden. In de coffeeshops is vervolgens bewust het ingezetenencriterium overtreden, zoals is ten laste gelegd. Dit is geschied in het kader van de bedrijfsuitoefening van de onderhavige coffeeshop en in nauwe en bewuste samenwerking van de eigenaar van de coffeeshop met diens personeel, dat als verkoper cannabisproducten verkocht aan niet-ingezeten dan wel als portier niet-ingezetenen toeliet tot de coffeeshop om daar cannabisproducten te kunnen kopen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en is strafbaar gesteld bij artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is een beroep gedaan op overmacht-noodtoestand. Daartoe is aangevoerd dat verdachte moest kiezen tussen overtreding van het ingezetenencriterium enerzijds en handelen in strijd met artikel 1 van de Grondwet en artikel 7 van de Algemene wet gelijke behandeling anderzijds.

Het hof overweegt als volgt.

In hetgeen hiervoor is overwogen in verband met de ontvankelijkheid van het Openbaar ministerie in de vervolging komt het hof tot het oordeel dat voor het door het ingezetenencriterium gemaakte onderscheid een rechtvaardiging bestaat.

Van een botsing van rechtsbelangen waaruit de verdachte zou moeten kiezen is derhalve geen sprake. Daarmee komt de grondslag aan het beroep op overmacht-noodtoestand te ontvallen.

Het hof verwerpt het verweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen

is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de

persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren

is gekomen.

Door de verdediging is bepleit dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht dan wel de straf zal matigen gelet op de persoonlijke belangen van verdachte.

Het hof is van oordeel dat gelet op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder strafoplegging.

In hetgeen door de verdediging is aangevoerd en het hof is gebleken omtrent de ondergeschikte positie van verdachte als medewerker van de coffeeshop waarin hij werkzaam was, ziet het hof, anders dan de advocaat-generaal, evenwel aanleiding te volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete van € 450,- met een proeftijd van twee jaar.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het

bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging

dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. T. Kraniotis, griffier,

en op 19 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Stcrt. 2012, 26938, kenmerk 2012A021.

2 De Ster 1 februari 2013, Gemeenteblad 2013, C. no. 10.

3 De Ster 17 mei 2013, Gemeenteblad 2013, C. no. 32.

4 Kamerstukken 24 077, nummer 293.

5 HvJ 16 december 2010, C-137/09 (Josemans), NJ 2011, 290 met noot A.H. Klip.