Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3881

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-09-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
20-003690-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1240, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof gelast de terbeschikkingstelling van verdachte met dwangverpleging ter zake van een door hem veroorzaakt ernstig verkeersongeval, waarbij twee meisjes (ernstig) gewond zijn geraakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003690-13

Uitspraak : 30 september 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-800405-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

wonende te [adres],

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de verdachte ter zake van poging tot doodslag, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest en heeft de rechtbank de terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege gelast. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] toegewezen tot een bedrag van € 1.500,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en heeft zij de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en de terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege zal gelasten. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] geheel zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de verdediging is bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en van de subsidiair onder A ten laste gelegde schuldvorm roekeloosheid. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht om niet de terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege te gelasten. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

In de tenlastelegging zijn onder het subsidiair ten laste gelegde impliciet cumulatief twee feiten ten laste gelegd, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 ten aanzien van [slachtoffer 1] en overtreding van artikel 5 van die wet ten aanzien van [slachtoffer 2]. Omwille van de duidelijkheid en de leesbaarheid van het arrest, zal het hof het subsidiair ten laste gelegde splitsen in de feiten A en B.

Met inachtneming van het vorenstaande is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 mei 2013 te Etten-Leur ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet,

 als beginnend bestuurder en/of

 terwijl aan hem, verdachte, geen geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 was afgegeven, daar zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en/of

 terwijl hij, verdachte, onder invloed was van alcohol en/of (een) ander(e) middel(en)/stof(fen) welke de rijvaardigheid kan/kunnen beïnvloeden en hij derhalve in een toestand verkeerde, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wegenverkeerswet 1994

een personenauto heeft bestuurd, rijdende over de Liesbosweg, welke weg bestond uit een rijbaan met twee weghelften,

 terwijl hij, verdachte, een rood uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of

 terwijl hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid van minimaal 78 en maximaal 87 kilometer per uur, althans een – gelet op de verkeerssituatie – te hoge snelheid, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of

 terwijl hij, verdachte, (op gevaarlijke wijze) een of meerdere voertuig(en) heeft ingehaald door op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, waarbij hij, verdachte, onder andere een vrachtwagen en/of twee, althans meerdere, personenauto's achter elkaar heeft ingehaald, (zeer) kort voordat de Liesbosweg een (scherpe) bocht naar links maakt, welke bocht hij, verdachte, met onverminderde snelheid heeft genaderd en/of

 vervolgens (net voor die bocht) plotseling naar rechts heeft gestuurd waarbij hij, verdachte, met het/de (linker) wiel(en) van zijn auto een middengeleider heeft geraakt ten gevolge waarvan de personenauto in een slip is geraakt, althans ten gevolge waarvan hij, verdachte, de macht over het stuur is verloren,

waardoor hij, verdachte, met zijn personenauto tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is aangereden en/of gebotst en/of vervolgens, terwijl voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich onder, dan wel in de directe nabijheid van de personenauto van verdachte bevonden, gas heeft gegeven en is blijven geven teneinde zich aan zijn aanhouding te onttrekken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

A.

hij op of omstreeks 6 mei 2013 te Etten-Leur als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Liesbosweg, welke weg bestond uit een rijbaan met twee weghelften, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door hoogst roekeloos en/of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of zeer, althans aanmerkelijk onoplettend te rijden, immers heeft hij:

 als beginnend bestuurder en/of

 terwijl aan hem, verdachte, geen geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 was afgegeven, daar zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en/of

 terwijl hij, verdachte, onder invloed was van alcohol en/of (een) ander(e) middel(en)/stof(fen) welke de rijvaardigheid kan/kunnen beïnvloeden en hij derhalve in een toestand verkeerde, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

 een rood uitstralend verkeerslicht genegeerd en/of

 gereden met een snelheid van minimaal 78 en maximaal 87 kilometer per uur, althans een – gelet op de verkeerssituatie – te hoge snelheid, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of

 (op gevaarlijke wijze) een of meerdere voertuig(en) ingehaald door op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, waarbij hij, verdachte, onder andere een vrachtwagen en/of twee, althans meerdere, personenauto's achter elkaar heeft ingehaald, (zeer) kort voordat de Liesbosweg een (scherpe) bocht naar links maakt, welke bocht hij, verdachte, met onverminderde snelheid heeft genaderd en/of

 (net voor die bocht) plotseling naar rechts heeft gestuurd waarbij hij, verdachte, met de/het (linker) wiel(en) van zijn auto een middengeleider heeft geraakt ten gevolge waarvan de personenauto in een slip is geraakt, althans ten gevolge waarvan hij, verdachte, de macht over het stuur is verloren,

waardoor hij, verdachte, met zijn personenauto tegen [slachtoffer 1] is aangereden en/of gebotst waardoor aan haar zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedeldak impressiefractuur/schedelbasisfractuur en/of een tibiaschachtfractuur, of zodanig letsel is toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of waarna verdachte vervolgens, terwijl voornoemde [slachtoffer 1] zich onder, dan wel in de directe nabijheid van de personenauto van verdachte bevond, gas heeft gegeven en is blijven geven teneinde zich aan zijn aanhouding te onttrekken;

en/of

B.

hij op of omstreeks 6 mei 2013 te Etten-Leur als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee op de weg, de Liesbosweg, welke weg bestond uit een rijbaan met twee weghelften:

 als beginnend bestuurder en/of

 terwijl aan hem, verdachte, geen geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 was afgegeven, daar zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en/of

 terwijl hij, verdachte, onder invloed was van alcohol en/of (een) ander(e) middel(en)/stof(fen) welke de rijvaardigheid kan/kunnen beïnvloeden en hij derhalve in een toestand verkeerde, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

 een rood uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en/of

 heeft gereden met een snelheid van minimaal 78 en maximaal 87 kilometer per uur, althans een gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of

 (op gevaarlijke wijze) een of meerdere voertuig(en) heeft ingehaald door op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, waarbij hij, verdachte, onder andere een vrachtwagen en/of twee, althans meerdere, personenauto's achter elkaar heeft ingehaald, (zeer) kort voordat de Liesbosweg een (scherpe) bocht naar links maakt, welke bocht hij, verdachte, met onverminderde snelheid heeft genaderd en/of

 vervolgens (net voor die bocht) plotseling naar rechts heeft gestuurd waarbij hij, verdachte, met het/de (linker) wiel(en) van zijn auto een middengeleider heeft geraakt ten gevolge waarvan de personenauto in een slip is geraakt, althans ten gevolge waarvan hij, verdachte, de macht over het stuur is verloren,

waardoor hij, verdachte, met zijn personenauto tegen [slachtoffer 2] is aangereden en/of gebotst en/of (waarbij voornoemde [slachtoffer 2] schade en/of letsel is toegebracht) en/of waarna verdachte vervolgens, terwijl voornoemde [slachtoffer 2] zich onder, dan wel in de directe nabijheid van de personenauto van verdachte bevond, gas heeft gegeven en is blijven geven teneinde zich aan zijn aanhouding te onttrekken en/of door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies, zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunten van partijen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, meermalen gepleegd, bewezen zal verklaren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij aangevoerd dat op basis van het verkeersgedrag, verdachtes handelen na de aanrijding, zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], kan worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers willens en wetens heeft aanvaard. Immers heeft verdachte zelf verklaard dat hij weg wilde komen van de politie, hij erg risicovol bezig was, met veel te hoge snelheid reed en veel teveel met zichzelf bezig was, aldus de advocaat-generaal. Daarnaast hebben de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaard dat verdachte als een idioot wegreed, zijn snelheid extreem hoog was, hij over de stoep en door rood licht reed en zigzagde door het verkeer.

Door de verdediging is bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, meermalen gepleegd, alsmede van de schuldvariant roekeloosheid, zoals dit subsidiair onder A ten laste is gelegd. Hiertoe heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kan worden geconcludeerd dat er sprake zou zijn geweest van de aanmerkelijke kans op een ongeluk met dodelijke afloop, laat staan dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust zou hebben aanvaard.

Door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 6 mei 2013, omstreeks 10.50 uur, vond er tussen verdachte en [een persoon] een vechtpartij plaats in de nabijheid van de kruising van de Liesbosweg en het Schoonhout binnen de bebouwde kom van Etten-Leur. De toevallig ter plaatse zijnde verbalisant [verbalisant] is hierop afgegaan en heeft beide vechtende mannen uit elkaar gehaald en tegen verdachte gezegd dat hij nog een verklaring van hem wilde afnemen. Verdachte heeft vervolgens plaats genomen achter het stuur van zijn auto, welke auto zich bevond op een parkeerterrein aan de Liesbosweg. Verdachte heeft de auto gestart en is achteruit van het parkeerterrein de Liesbosweg opgereden om vervolgens met hoge snelheid vooruit richting de kruising met het Schoonhout te rijden. Verdachte heeft verklaard dat hij niet in aanraking wilde komen met de politie. Op het kruispunt heeft verdachte een rood uitstralend verkeerslicht genegeerd en heeft zijn weg vervolgd en – in strijd met de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/h – met een hoge snelheid van minimaal 78 en maximaal 87 kilometer per uur gereden. Toen verdachte zag dat de politie achter hem aankwam, heeft hij een vrachtwagen en twee personenauto’s ingehaald. Verdachte heeft alvorens hij inhaalde, gekeken of er geen tegenliggers aankwamen. Om deze voorliggers te kunnen inhalen heeft verdachte moeten rijden op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer. Eén en ander vond plaats kort voordat de Liesbosweg een scherpe bocht naar links maakt, met aldaar een middengeleider, alsmede een verkeersdrempel in de weg gelegen. Verdachte heeft deze bocht met onverminderde snelheid genaderd.

Vervolgens heeft verdachte net voor die bocht een plotselinge stuurbeweging naar rechts gemaakt om, naar eigen zeggen, uit te wijken voor een tegemoetkomende vrachtwagen. Ten gevolge van deze plotselinge stuurbeweging is zijn auto in een slip geraakt en is verdachte de macht over het stuur kwijtgeraakt. De auto is gaan driften en tegen een trottoirband gekomen. De auto van verdachte is, na te zijn geroteerd en haaks op zijn oorspronkelijke rijrichting door de rechts van de rijbaan van de Liesbosweg gelegen grasberm te zijn geslipt, ter hoogte van de voetganger- en fietsoversteekplaats tot stilstand gekomen in de bosjes gelegen tussen het voetpad en het fietspad. Daar heeft de achterkant van de auto van verdachte twee jonge meisjes geraakt, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die daar met hun moeder liepen te wandelen. Nadat het voertuig tot stilstand was gekomen, is verdachte gas blijven geven, maar is het hem niet gelukt om weg te komen. De meisjes werden door de moeder van [slachtoffer 1] onder het voertuig uit getrokken. Om 10.53 uur is verdachte aangehouden.

De kinderen zijn (ernstig) verwond naar het ziekenhuis afgevoerd. Blijkens de medische verklaring met betrekking tot [slachtoffer 1] had zij een schedeldak impressiefractuur en een tibiaschachtfractuur. Aan beide fracturen is zij diezelfde dag nog geopereerd. Blijkens de medische verklaring met betrekking tot [slachtoffer 2] had zij een wond aan haar voorhoofd en knieholte en een gezwollen enkel.

Verdachte was op de datum van het ongeval aan te merken als een beginnend bestuurder, nu hem voor het eerst op 9 februari 2009 een geldig rijbewijs was afgegeven. Bij besluit van 1 november 2012 is dit rijbewijs van verdachte – althans categorie B van dit rijbewijs – ongeldig verklaard, omdat verdachte onvoldoende had meegewerkt aan een alcoholslotprogramma.

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek in de zin van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof heeft niet vast kunnen stellen dat verdachte de auto heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn bloed hoger was dan 0,2 milligram per milliliter bloed, dan wel dat hij – kort weergegeven – verkeerde onder invloed van een stof die de rijvaardigheid kon verminderen. Ook de omstandigheid dat verdachte een “A” heeft geblazen bij een indicatieve blaastest en de verklaring van verdachte dat hij had gedronken, rechtvaardigt voornoemde gevolgtrekking niet. Immers, de blaastest is een indicatieve test en de door verdachte afgelegde verklaringen geven onvoldoende weer in welke mate verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte – nadat hij met zijn auto tot stilstand was gekomen en de twee kinderen zich nog onder dan wel in de directe nabije omgeving van zijn auto bevonden – gas is blijven geven, juridisch gezien niet bijdraagt aan het bewijs voor één van de ten laste gelegde feiten. Uit de Verkeersongevallenanalyse is immers gebleken dat het technisch gezien onmogelijk was dat de auto van verdachte de plaats van het ongeval kon verlaten, omdat de auto met de bodemplaat op de betonbanden van de groenvoorziening vastzat en bovendien de voorband van het linker voorwiel drukloos was, waardoor de auto feitelijk niet meer werd aangedreven. Bovendien is aan de hand van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet vast te stellen dat verdachte op dat moment wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij de twee jonge kinderen had aangereden en zij zich nog onder of in de directe nabijheid van de auto bevonden. De omstandigheid dat verdachte ten tijde van zijn overbrenging naar het politiebureau bij de verbalisanten heeft geïnformeerd naar de toestand van de slachtoffers die hij had aangereden, kan hier evenmin aan bijdragen. Immers is niet vast te stellen wanneer verdachte de wetenschap heeft verkregen dat hij twee personen had aangereden. Hierdoor is niet uit te sluiten dat – zoals verdachte dit zelf heeft verklaard – hij dit ten tijde van zijn aanhouding heeft gehoord van een verbalisant en dat hij pas op dat moment de slachtoffers heeft zien liggen.

Wel is het voor het hof duidelijk dat dit handelen van verdachte zeer beangstigend moet zijn geweest voor de slachtoffers en de ooggetuigen, in het bijzonder de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1], welke heeft verklaard dat zij bang was dat verdachte over de kinderen heen zou rijden.

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van het primair dan wel het subsidiair onder A en/of B ten laste gelegde.

Het hof overweegt als volgt.

Vrijspraak

Ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Allereerst merkt het hof op dat geenszins is komen vast te staan dat verdachte met de personenauto is gaan rijden met de vooropgezette bedoeling om iemand van het leven te beroven. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard nooit deze intentie te hebben gehad. Van onvoorwaardelijk opzet op levensberoving van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.

Voorts dient het hof de vraag te beantwoorden of ten aanzien van het rijgedrag van verdachte vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op

de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg

– zoals in het onderhavige geval van poging tot doodslag – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen.

Blijkens de voornoemde door het hof vastgestelde feiten heeft verdachte op 6 mei 2013 als beginnend bestuurder waarvan het rijbewijs ongeldig was verklaard, een rood uitstralend verkeerslicht genegeerd, op een gevaarlijke wijze meerdere voertuigen ingehaald om vervolgens net voor een scherpe bocht naar links plotseling naar rechts te sturen, waardoor hij de macht over het stuur heeft verloren en in een slip is geraakt. Vervolgens is verdachte in het naast de weg gelegen plantsoen terecht gekomen waar zich een voet- en fietspad bevond. Daarbij heeft hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangereden. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij meerdere verkeersovertredingen heeft begaan, hij met een veel te hoge snelheid heeft gereden en daarbij veel risico heeft genomen. Daarbij heeft verdachte verklaard dat hij kort voor het incident in paniek was weggereden uit angst te worden gecontroleerd door een politieambtenaar, omdat er wat met zijn rijbewijs aan de hand zou zijn.

Het hof richt zich voor de beantwoording van de vraag van het voorwaardelijk opzet in de onderhavige zaak op een waardering van de aard van de gedragingen van de verdachte en de feitelijke omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het hof is van oordeel dat uit de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht onvoldoende kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van zijn risicovolle verkeersgedrag de aanmerkelijke kans dat daardoor één of meerdere personen, meer bepaald [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] om het leven zouden komen, bewust heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen. Hoewel er sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag, kan naar het oordeel van het hof niet gezegd worden dat deze gedragingen zo zeer zijn gericht op de dood van één of meer personen, meer bepaald op de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans hierop bewust heeft aanvaard. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt niets omtrent enige wetenschap of enig bewustzijn van verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van de (uiteindelijke) slachtoffers ter plaatse. Bovendien is er naar ’s hofs oordeel tevens sprake van een contra-indicatie voor de vaststelling dat verdachte de aanmerkelijke kans op een ongeval met dodelijke afloop heeft aanvaard. Immers heeft verdachte alvorens hij de voorliggers wilde inhalen een aantal malen gekeken of hij – naar het hof begrijpt – veilig kon inhalen en heeft verdachte plotseling naar rechts gestuurd om een aanrijding met een tegemoetkomende vrachtwagen te voorkomen, waarmee verdachte getracht heeft een ongeval te vermijden.

Gelet op het vorenstaande is het hof met de verdediging, doch anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank, van oordeel dat het uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen volgend rijgedrag van verdachte niet toereikend is om bewezen te verklaren dat verdachte (al dan niet in voorwaardelijke zin) het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

Het hof spreekt verdachte vrij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de subsidiair onder A ten laste gelegde roekeloosheid

Naar het oordeel van het hof kan uit bovenomschreven feiten en omstandigheden niet worden vastgesteld dat sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, nu niet is voldaan aan de vereisten die in de jurisprudentie van de Hoge Raad daaraan worden gesteld. Op grond daarvan geldt dat van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts sprake is in uitzonderlijke gevallen. Daarbij verdient volgens de Hoge Raad opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” – in de betekenis van onberaden – wordt verstaan (vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014, 25). Met name kan in het onderhavige geval aan de hand van de criteria, zoals geformuleerd door de Hoge Raad, niet worden vastgesteld dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Het hof komt tot de volgende bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder A en B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

A.

hij op 6 mei 2013 te Etten-Leur als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee rijdende over de Liesbosweg, welke weg bestond uit een rijbaan met twee weghelften, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig te rijden, immers heeft hij:

 als beginnend bestuurder en

 terwijl aan hem, verdachte, geen geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 was afgegeven, daar zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en

 terwijl hij, verdachte, na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en

 een rood uitstralend verkeerslicht genegeerd en

 gereden met een snelheid van minimaal 78 en maximaal 87 kilometer per uur, althans een – gelet op de verkeerssituatie – te hoge snelheid en

 op gevaarlijke wijze meerdere voertuigen ingehaald door op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, waarbij hij, verdachte, een vrachtwagen en twee personenauto's achter elkaar heeft ingehaald, zeer kort voordat de Liesbosweg een scherpe bocht naar links maakt, welke bocht hij, verdachte, met onverminderde snelheid heeft genaderd en

 net voor die bocht plotseling naar rechts heeft gestuurd ten gevolge waarvan de personenauto in een slip is geraakt, althans ten gevolge waarvan hij, verdachte, de macht over het stuur is verloren,

waardoor hij, verdachte, met zijn personenauto tegen [slachtoffer 1] is aangereden waardoor aan haar zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedeldak impressiefractuur en een tibiaschachtfractuur, is toegebracht;

en

B.

hij op 6 mei 2013 te Etten-Leur als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee op de weg, de Liesbosweg, welke weg bestond uit een rijbaan met twee weghelften:

 als beginnend bestuurder en

 terwijl aan hem, verdachte, geen geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 was afgegeven, daar zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en

 terwijl hij, verdachte, na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en

 een rood uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd en

 heeft gereden met een snelheid van minimaal 78 en maximaal 87 kilometer per uur, althans een gelet op de verkeerssituatie te hoge snelheid en

 op gevaarlijke wijze meerdere voertuigen heeft ingehaald door op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, waarbij hij, verdachte, een vrachtwagen en twee personenauto's achter elkaar heeft ingehaald, zeer kort voordat de Liesbosweg een scherpe bocht naar links maakt, welke bocht hij, verdachte, met onverminderde snelheid heeft genaderd en

 vervolgens net voor die bocht plotseling naar rechts heeft gestuurd ten gevolge waarvan de personenauto in een slip is geraakt, althans ten gevolge waarvan hij, verdachte, de macht over het stuur is verloren,

waardoor hij, verdachte, met zijn personenauto tegen [slachtoffer 2] is aangereden (waarbij voornoemde [slachtoffer 2] letsel is toegebracht) door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair onder A bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, zesde, lid van deze wet en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet voorgeschreven maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en gevaarlijk heeft ingehaald.

Het subsidiair onder B bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, wordt bij de straftoemeting van de overtreding van artikel 163 van de Wegenverkeerswet in beginsel uitgegaan van een promillage van tussen de 866 en 945 Ugl. Nu verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de overtreding van voornoemd artikel, zal het hof derhalve bij het bepalen van de strafoplegging een promillage van tussen de 866 en 945 Ugl als uitgangspunt nemen.

Volgens voornoemde oriëntatiepunten zou voor een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij sprake is van een grove verkeersfout met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg en met een alcoholpromillages boven de 570 Ugl, een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren als passend kunnen worden beschouwd, waarbij is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard in verhouding met andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum.

Het hof is echter van oordeel dat met deze straf niet kan worden volstaan en houdt hierbij in strafverzwarende zin in het bijzonder rekening met:

  • -

    de strafverzwarende omstandigheden dat verdachte niet heeft voldaan aan een bevel medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek, de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en gevaarlijk heeft ingehaald;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uitgebreide Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 augustus 2014 voorafgaande aan het bewezen verklaarde ten aanzien van Wegenverkeerswetfeiten tweemaal eerder, onder meer voor overtreding van de artikelen 5 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994 onherroepelijk is veroordeeld. Ook is verdachte voorafgaande aan het bewezen verklaarde meerdere malen (in 2007, 2008, 2010 en 2011) ten aanzien van ernstige geweldsdelicten onherroepelijk veroordeeld. In 2003 is ter zake van een geweldsfeit een PIJ-maatregel opgelegd en in 2002 een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte blijkbaar het laakbare van zijn handelen niet doen inzien;

  • -

    de omstandigheid dat het bewezen verklaarde, blijkens onder meer de slachtofferverklaring die de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, een enorme impact heeft gehad op de slachtoffers en hun familie en zij nog dagelijks bezig met de gevolgen er van worden geconfronteerd.

Ten voordele van verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat - gelet op de hierna te noemen rapporten - verdachte ten tijde van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar was.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend bij de persoon van verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het subsidiair onder A bewezen verklaarde is begaan.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof zowel ter zake van het subsidiair onder A, alsmede het onder B bewezen verklaarde, aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

Gelet op de gevangenisstraf en na te noemen maatregel die het hof ten aanzien van het subsidiair onder A bewezen verklaarde zal opleggen, zal het hof ten aanzien van het subsidiair onder B bewezen verklaarde geen andere straf opleggen dan de voornoemde rijontzegging.

Bij de straftoemeting en bij het opleggen van na te melden maatregel heeft het hof voorts gelet op de inhoud van de volgende rapporten:

Het op 9 oktober 2013 opgemaakte psychiatrisch rapport van H. Kondakçi, psychiater en geregistreerd gerechtelijk deskundige, welk rapport – kort en zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt als conclusie en advies van de rapporteur:

“Betrokkende weigerde zijn medewerking. (pagina 4)

De risicoprognose wordt als ongunstig beschouwd. Op basis van de historische en klinische feiten en de opstelling ten tijde van het huidige onderzoek dient te worden geconcludeerd, dat de kans op terugval in agressief delictsgedrag aanwezig is. Beschermende factoren die de recidivekans in positieve zin zouden beïnvloeden (zinvolle en gestructureerde daginvulling, waardering verschaffend sociaal netwerk, accepteren van passende intensieve begeleiding) lijken er niet of nauwelijks te zijn. Met name het beperkte zelfinzicht, de externaliserende houding en de afwijzende en wantrouwige opstelling naar de hulpverlening zijn prognostisch sterk ongunstige factoren. (pagina 27)

Het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn daden en het tonen van schuld lijken hem niet makkelijk af te gaan. Het gebrek aan probleembesef en zelfinzicht baart zorgen. Er zijn geen overtuigende aanwijzingen dat in de afgelopen jaren deze aspecten zijn veranderd. In de meest recente behandelingen, zoals bijvoorbeeld bij ’t Dok, blijken deze negatieve factoren een belemmerende rol te hebben gespeeld in de behandeling. Behandeling vindt hij blijkbaar onzin. Hij houdt zich niet aan behandelafspraken en ontloopt urinecontroles. Opvallend is dat betrokkene nauwelijks heeft kunnen profiteren van een vier jaar durende PIJ-maatregel, blijkens de terugkomende justitiële contacten en veroordelingen na deze intensieve behandeling. (pagina 28)

De weigering heeft het doen van maximaal gefundeerde diagnostische uitspraken bemoeilijkt, immers eigen onderzoek was niet mogelijk. Op basis van alle informatie in het dossier, de justitiële voorgeschiedenis, de aanvullende informatie uit het milieuonderzoek, het overleg met mede-rapporteurs, meent ondergetekende dat het mogelijk is om tot een (voorlopige) diagnostische classificatie te komen. Verondersteld wordt dat er bij betrokkene sprake is van alcoholmisbruik en een antisociale persoonlijkheidsstoornis.(pagina 29)

Aangenomen wordt dat voornoemde stoornissen ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig waren.

Het is waarschijnlijk dat er een verband bestaat tussen bovengenoemde stoornissen en het delict. Immers betrokkene blijkt langere tijd bekend te zijn met een alcoholprobleem. De antisociale persoonlijkheidsstoornis kent een duurzaam patroon van problematisch gedrag, beginnend reeds in jeugdjaren. De diagnose van een gedragsstoornis is bij betrokkene middels diverse onderzoeken bevestigd. Het is aannemelijk te veronderstellen dat deze stoornissen (antisociale persoonlijkheidsstoornis en alcoholmisbruik) ook voorafgaand aan en ten tijde van het delict aanwezig waren.

Gerelateerd aan de antisociale persoonlijkheidsstoornis is het aannemelijk te veronderstellen dat betrokkene impulsief, agressief en grensoverschrijdend kan handelen, juist wanneer hij meent zich in een voor hem bedreigende situatie te bevinden. Vanwege de geringe draagkracht, de beperkte frustratietolerantie en impulscontroleproblemen zal hij (vermoedelijk) onder stress en spanning zijn agressieve impulsen minder goed kunnen beheersen. Daarbij zal hij (vermoedelijk) zich weinig (tot geen) rekenschap kunnen geven wat de effecten van zijn gedrag en handelen voor derden betekenen. Hij zal (vermoedelijk) de effecten van zijn handelen onvoldoende kunnen overzien. De veiligheid van anderen zal dan (vermoedelijk) niet of nauwelijks een punt van overweging zijn. Het eigen belang zal dan (vermoedelijk) prevaleren boven het belang van anderen. (pagina 30)

Verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geadviseerd met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten.

Om de recidive kans te verkleinen is een klinische behandeling geïndiceerd. Deze zou gericht moeten zijn op enerzijds de verslavingsproblematiek en anderzijds de persoonlijkheidsstoornis. Gezien de ernst van de feiten, de geschatte ernst van de problematiek, de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis, het feit dat behandelingen tot op heden terugval in delictsgedrag niet hebben kunnen voorkomen en het geschatte recidivegevaar, waarbij de veiligheid van de samenleving in het geding komt, zou het kader van een voorwaardelijke TBS overwogen kunnen worden. Echter, mocht betrokkene geen medewerking willen verlenen, wordt uw College een TBS met dwangverpleging, als ultieme middel, om de veiligheid van de samenleving te waarborgen en betrokkene een kans op behandeling te bieden, ter overweging gegeven. (pagina 31)”

2.

Het op 9 oktober 2013 opgemaakte psychologisch rapport van F. van Nunen, klinisch psycholoog en gerechtelijk deskundige, welk rapport – kort en zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt als conclusie en advies van de rapporteur:

“Betrokkene werkte niet aan het onderzoek mee. (pagina 12)

Het blijkt dat er over een langere periode van ongeveer 15 jaar steeds dezelfde persoonlijkheidskenmerken naar voren komen, mede waardoor hij met geweldsmisdrijven recidiveert. Daarnaast blijkt hij bij herhaling onvoldoende gemotiveerd te zijn voor (ambulante) begeleiding/behandeling.

De persoonlijkheidskenmerken die in de berichtgeving van de deskundigen steeds terugkomen zijn:

  • -

    het niet in staat zijn zich te conformeren aan de maatschappelijke norm dat men zich aan de wet moet houden, zoals blijkt uit het bij herhaling tot handelingen komen die een reden voor arrestatie kunnen zijn;

  • -

    oneerlijkheid, bezwendelen ten behoeve van eigen voordeel;

  • -

    agressiviteit, zoals blijkt uit het bij herhaling komen tot vechtpartijen of geweldpleging;

  • -

    roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van anderen;

  • -

    ontbreken van spijtgevoelens, zoals blijkt uit de ongevoeligheid voor of het rationaliseren van het feit anderen mishandeld te hebben;

  • -

    gebrekkige gewetensfunctie;

  • -

    onverantwoordelijkheid.

Verder is er een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor en schending van rechten van anderen vanaf het vijftiende jaar aanwezig en zijn er aanwijzingen voor een gedragsstoornis.

De voorgaande zijn antisociale persoonlijkheidskenmerken, die wijzen in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Verdere persoonlijkheidskenmerken die in de berichtgeving steeds terugkomen zijn:

  • -

    sterke ik-gerichtheid;

  • -

    onverstoorbaarheid;

  • -

    snelle egokrenking;

  • -

    gebrek aan empathie;

  • -

    kan anderen exploiteren om eigen voordeel te bereiken,

die als narcistische persoonlijkheidskenmerken aangemerkt kunnen worden.

Voorgaande persoonlijkheidskenmerken, waarvan uit de dossierinformatie over de jaren heen niet blijkt dat daarin verandering is gekomen, [zijn] redenen om te kunnen concluderen dat er sterke aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheidsstoornis met antisociale/agressieve en narcistische kenmerken. (pagina 19)

De kans op recidive van gewelddadig en/of risicovol gedrag lijkt aanwezig. De kans op recidive van gewelddadig gedrag zou als matig tot hoog op een schaal van laag-matig-hoog verondersteld kunnen worden.

De zorgprognose is somber. Uit de dossierinformatie blijkt dat betrokkene zeer moeilijk te beïnvloeden is. (pagina 20)

Ondanks dat betrokkene weigerde aan het onderzoek mee te werken was er voldoende (dossier) informatie aanwezig om op de hieronder gestelde vragen te reageren.

Er zijn sterke aanwijzingen dat onderzochte lijdende is aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken.

Hiervan was sprake ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

Er zijn sterke aanwijzingen dat de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochte’s gedragskeuzes c.q. zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig beïnvloedde dat het ten laste gelegde daaruit (mede) verklaard kan worden. (pagina 21)

Er zijn sterke aanwijzingen dat er bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en het verband daarmee met het ten laste gelegde delict voldoende redenen om een verminderde toerekeningsvatbaarheid te mogen veronderstellen.

Met name de roekeloze onverschilligheid voor de veiligheid van anderen en het gebrek aan empathisch vermogen zijn factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene die van belang zijn voor de kans op recidive. Andere factoren die hierbij in ogenschouw moeten worden genomen zijn het eventueel drankmisbruik en het zich bevinden in een criminogeen getint sociaal netwerk.

Er zijn voldoende aanwijzingen dat om recidive van soortgelijke strafbare zaken te voorkomen plaatsing binnen een beschermde, sterk gestructureerde intramurale (behandelings-/begeleidings-) setting nodig is. Als juridische kaders voor een dergelijke plaatsing kunnen achtereenvolgens genoemd worden: de (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf, de TBS met voorwaarden en de TBS met verpleging. Daarbij dient vermeld te worden dat in verband met de haalbaarheid van de eerste twee opties er naar mening van de onderzoeker bij betrokkene te weinig begeleiding/behandelingsmotivatie aanwezig is. (pagina 22)”

Het hof heeft tevens kennis genomen van een rapport van de reclassering van 27 augustus 2013. Uit dit rapport blijkt dat er in het verleden meermalen over [verdachte] pro justitia is gerapporteerd. Vanaf 2010 heeft hij volgens de reclassering steeds zijn medewerking geweigerd. De reclassering komt tot de conclusie dat er sprake is van een hoge recidivekans. Ook het risico op onttrekken aan voorwaarden schat de reclassering in als hoog. Ook schat de reclassering in dat er risico op letselschade is. Voorts concludeert de reclassering dat betrokkene wederom geen probleembesef laat zien. Hij bagatelliseert de feiten hetgeen een terugkerend patroon is. In het toezicht is duidelijk geworden hoe belangrijk structuur voor betrokkene is. Op het moment dat dit wegvalt, lijkt hij in een neerwaartse spiraal terecht te komen. Op dat moment lijkt ambulante begeleiding c.q. behandeling weinig effectief te zijn. Zowel rapporteur als de toezichthouder vinden betrokkenes situatie zorgwekkend. Laatstgenoemde spreekt uit dat betrokkene in feite bij de hand genomen moet worden en dagelijks begeleiding nodig heeft. Een klinische behandeling lijkt derhalve geïndiceerd, aldus de reclassering.

Het hof neemt de inhoud en de conclusies van voornoemde rapporten over en maakt het tot de zijne.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij behandeling niet nodig acht. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij pertinent niet bereid is om mee te werken aan behandeling wanneer dit in een verplichte setting zou plaatsvinden en hij alleen hiertoe bereid is indien het een vrijwillig karakter heeft. Eerst nadat verdachte - na een korte onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep - overleg had gehad met zijn raadsvrouwe heeft hij zich bereid verklaard mee te werken aan een behandeling.

Verdachte heeft niet alleen ter terechtzitting in hoger beroep, maar ook in het recente verleden aangegeven dat hij niet wenst te worden behandeld. Zo valt in het forensisch milieurapport van W. de Kruijf (d.d. 21 juni 2013 en 10 juli 2013) te lezen dat verdachte tegenover een reclasseringsmedewerker van het Dok te Breda (waar de behandeling van verdachte op 11 juni 2012 werd beëindigd) heeft verklaard dat hij de behandeling ‘onzin’ vond. (pagina 5) Ook in een gesprek met de rapporteur van de reclassering (Reclasseringsadvies d.d. 27 augustus 2013) heeft verdachte ‘duidelijk kenbaar gemaakt dat hij niet meer openstaat voor hulpverlening. Hij is in de veronderstelling dat hij het zelf veel beter kan.’ (pagina 8)

Gelet op genoemde inhoud van het milieurapport en het Reclasseringsadvies en verdachtes verklaring, die hij heeft afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep voordat hij overleg met zijn raadsvrouwe had gehad, is naar het oordeel van het hof bij verdachte geen sprake van een waarachtige en betrouwbare gemotiveerdheid en bereidheid om zich te onderwerpen aan bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Het hof gaat dan ook aan verdachtes bereidheid om alsnog mee te werken voorbij. Met de rechtbank ziet het hof dan ook geen ruimte voor genoemde vormen van behandeling, mede bezien in het licht van de inhoud van voornoemde rapporten, eerdere interventies in het verleden niet het gewenste effect hebben gehad en verdachte nadien wederom in de fout is gegaan.

Gelet op vorenstaande, de inhoud van de genoemde rapportages, de ernst van het gepleegde feit en ook het strafblad en de justitiële voorgeschiedenis van verdachte is het hof van oordeel dat een TBS-maatregel noodzakelijk is. Het hof stelt vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Immers er bestond ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde bij verdachte een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zoals door de deskundigen is beschreven, en is het subsidiair onder A bewezen verklaarde feit een misdrijf als omschreven in artikel 175, derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de veiligheid van anderen alsmede de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling van verdachte eist.

Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van voornoemde rapporten over de verdachte alsmede de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheid dat verdachte eerder meermalen wegens het plegen van misdrijven (waaronder geweldsmisdrijven) onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof is van oordeel dat er – gelet op de inhoud van voornoemde rapporten – sprake is van een dusdanig hoog recidive- en gevaarrisico dat de samenleving daartegen beschermd dient te worden middels behandeling van de problematiek van verdachte. Het hof acht dan ook verpleging van overheidswege geboden nu verdachte geen waarachtige en betrouwbare bereidheid heeft getoond om zich aan voorwaarden te houden.

Het hof zal gelet op al het vorenstaande gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof overweegt dat de TBS-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat de totale duur van deze TBS-maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan en dus ongemaximeerd is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.500,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes subsidiair onder B bewezen verklaarde handelen, rechtstreeks schade heeft geleden. Nu de vordering niet inhoudelijk is betwist door de verdediging, zal het hof de vordering voor het totaal gevorderde bedrag toewijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het subsidiair onder A en B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair onder A en B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het subsidiair onder A bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

3 (

drie) jaren.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van het subsidiair onder B bewezen verklaarde:

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het subsidiair onder B bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 4.500,00 (vierduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 30 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.