Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:387

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
HV 200 138 468_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 350 lid 3 aanhef en sub d Fw: nieuwe, bovenmatige verwijtbare schuld aan het CJIB.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350, geldigheid: 2014-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 6 februari 2014

Zaaknummer: HV 200.138.468/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/11/405 R

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.H. Smeets.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingplaats Maastricht, van 26 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 december 2013, heeft

[appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de voordracht van de bewindvoerder tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellant] af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant], bijgestaan door mr. J.H. Smeets;

- de heer W.P.J. Aarts, hierna te noemen: de bewindvoerder.

De heer E. Wortman, beschermingsbewindvoerder van [appellant] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 november 2013;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 11 december 2013;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 17 januari 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 13 september 2011 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub d Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 15 oktober 2013 tussentijds beëindigd, nu [appellant]

een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en bovenmatige schulden doet of laat ontstaan.

Bij het ontbreken van voldoende baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.

[appellant] heeft in het beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd, dat hij wel aan zijn sollicitatie- en arbeidsplicht heeft voldaan door in de tussen de drie arbeidscontracten voor bepaalde tijd liggende periodes telefonisch te solliciteren. De tenaamstelling van het motorvoertuig met het kenteken [kenteken] is inmiddels vervallen. [appellant] zoekt naar mogelijkheden om de nieuw ontstane schulden in te lopen. Hij is bereid om zijn vakantiegeld in te zetten. De schuldsaneringsregeling dient te worden verlengd.

3.3.1.

Hieraan heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - toegevoegd, dat hij met ingang van 1 februari 2014 weer werk heeft.

Voorts stelt [appellant] dat de nieuw ontstane schuld niet zodanig is, dat deze schuld bij een verlenging van de schuldsaneringstermijn niet zou kunnen worden ingelopen.

3.3.2.

De bewindvoerder heeft in zijn brief en ter zitting in hoger beroep zijn verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen gemotiveerd gehandhaafd.

3.4.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.4.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellant], in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.4.2.

Gebleken is dat [appellant] gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling een nieuwe, naar het oordeel van het hof, bovenmatige schuld aan het CJIB heeft laten ontstaan van € 3.597,17, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt en die reeds voldoende reden oplevert om de toepassing van Hardijs schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Ook in hoger beroep heeft [appellant] (namelijk) geen plausibele verklaring gegeven voor het feit dat hij medio 2012 een scooter op zijn naam heeft gezet, waarmee vervolgens door een ander - volgens [appellant] niet te traceren persoon - onverzekerd is rondgereden en waarmee tevens snelheidsovertredingen zijn begaan. Dit klemt temeer nu [appellant] op 3 december 2012 reeds een waarschuwingsbrief heeft gehad en hij (ook) op de hoogte is dan wel redelijkerwijs wordt geacht te zijn van de kernverplichtingen uit de schuldsaneringsregeling waaronder de verplichting, geen nieuwe (bovenmatige) te schulden te maken. Daar komt nog bij dat [appellant] het aanbod van de beschermingsbewindvoerder om te trachten de kwestie rond de scooter op te lossen heeft afgeslagen, waardoor de schuld aan het CJIB in de loop der tijd alleen maar is opgelopen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit verzwarende omstandigheden zijn, tegen welk oordeel overigens geen (kenbare of tijdige) grief is gericht.

Nu, zoals hier voor is overwogen, [appellant] verwijtbaar een nieuwe schuld heeft laten ontstaan, is voor een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling (met de maximale termijn van twee jaar om [appellant] daarmee de gelegenheid te bieden deze schuld in te lossen) geen plaats.

3.4.3.

Daarenboven heeft Hardy onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de tussen de drie arbeidscontracten voor bepaalde tijd liggende periode (het betreft hier een periode van in totaal 16 maanden hetgeen substantieel kan worden genoemd) voldoende en op de juiste wijze heeft gesolliciteerd. In productie 7 – die een handgeschreven brief van [appellant] bevat – wordt een aantal bedrijven genoemd waar beweerdelijk zou zijn gesolliciteerd. Over een periode van in totaal 16 maanden zijn dit echter te weinig sollicitaties waarbij nog komt dat deze gegevens thans niet (steeds) meer te controleren zijn, reeds vanwege het tijdsverloop en/of het ontbreken van gegevens over contactpersonen en de aard van de vacatures. De gegevens hadden, gelet op de op [appellant] rustende informatieplicht, ook al eerder door hem moeten worden overgelegd. Temeer nu [appellant] op 3 december 2012 een waarschuwingsbrief heeft gehad en hij (ook) op de hoogte is dan wel redelijkerwijs wordt geacht te zijn van de kernverplichtingen uit de schuldsaneringsregeling waaronder de verplichting de bewindvoerder (tijdig) te informeren en de inspanningsverplichting, kan hem van de tekortkomingen op deze punten een ernstig verwijt worden gemaakt. Ook dit vormt reeds voldoende grond om de schuldsaneringsregeling niet, zoals door [appellant] is verzocht, te verlengen, doch daarentegen tussentijds te beëindigen.

3.5.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds beëindigd dient te worden.

3.6.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.F.M. Pols en Th.A. Pouw en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2014.