Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3831

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
HV 200.153.044-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2935).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 25 september 2014

Zaaknummer: HV 200.153.044/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/04/11/145 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.G. Spijker.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 juli 2014, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd met toekenning van een schone lei.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant], bijgestaan door mr. Spijker;

- [bewindvoerder], hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 juni 2014;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellant] van 9 september 2014 en 16 september 2014;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 10 september 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 21 juni 2011 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de

nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Aangezien inmiddels de looptijd van de schuldsaneringsregeling was verstreken, heeft de rechtbank tevens haar eindoordeel gegeven. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] geen “schone lei” is verleend.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Na onderzoek door de bewindvoerder is gebleken dat de saniet vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling de premies niet betaalt aan VGZ Zorgverzekeraar N.V. (…)

De nieuwe schuld aan VGZ bedraagt inmiddels € 1.753,87. (…)

Tevens heeft de bewindvoerder vernomen dat Credit Yard Financial Services een vordering van Ziggo heeft overgenomen welke dateert van 27 september 2012 en € 83,26 bedraagt. De saniet heeft ook bij de Belastingdienst een aanzienlijke nieuwe schuld laten ontstaan. De verwijtbare nieuwe schulden bedragen in totaal ongeveer € 4.671,36. De saniet heeft de bewindvoerder niet over deze nieuwe schulden geïnformeerd. (…)

Tijdens de periode van de schuldsanering zijn de boedelbijdragen niet of onregelmatig gedaan door saniet, waardoor een verwijtbare boedelachterstand van ongeveer € 2.600,- is ontstaan. (…)

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de saniet toerekenbaar tekort is geschoten in het voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling en wel zodanig dat die tekortkomingen niet buiten beschouwing kunnen blijven. De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal dan ook zonder de zogenaamde schone lei worden beëindigd.”

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

[appellant] heeft in het beroepschrift - kort samengevat - het navolgende aangevoerd. [appellant] betwist dat hij niet aan de spontane inlichtingenplicht voldaan zou hebben. Hij benadrukt hierbij dat de opeenvolgende verslagen van de bewindvoerder hierover ook tegenstrijdige informatie bevatten, dat zijn werkgever maandelijks de loonstroken aan de bewindvoerder verstrekte en dat hij regelmatig informatiebescheiden bij de bewindvoerder in de brievenbus heeft gegooid. Uit het track and trace systeem in zijn bedrijfsbus blijkt ook, zo stelt [appellant], dat hij veelvuldig langs het adres van de bewindvoerder is gereden. Voor hem staat dan ook vast dat er aan de zijde van de bewindvoerder de nodige onduidelijkheid bestond. Er is geen sprake van dat hij bewust en opzettelijk informatie voor de bewindvoerder heeft achtergehouden.

Voorts betwist [appellant] het bestaan van een schuld aan Ziggo. Met betrekking tot de schuld aan de Belastingdienst merkt [appellant] op dat, nadat zijn bezwaar tegen de betreffende aanslag op 5 november 2013 was afgewezen, hij met toestemming van de bewindvoerder een betalingsregeling met de Belastingdienst heeft getroffen. [appellant] erkent dat er sprake is van enige restantschuld aan de VGZ, maar stelt dat deze geheel buiten zijn schuld is ontstaan nu hij vanwege de door zijn werkgever voorgeschoten boedelbijdrage niet altijd adequaat in staat is geweest om zijn ziektekostenpremie te voldoen. Daarbij komt dat de vordering gering in omvang is en naar de mening van [appellant] dan ook volstrekt onvoldoende reden vormt om hem dusdanig zwaar te bestraffen. Daarbij komt dat de werkgever van [appellant] bereid is om de schuld aan VGZ te voldoen. Vanwege zijn eigen financiële problemen is hij hier evenwel nog niet aan toegekomen, maar het aanbod blijft

staan. Tot slot stelt [appellant] dat er van een boedelachterstand helemaal geen sprake is. Er is naar zijn zeggen zelfs meer in de boedel aanwezig dan vooraf en tussentijds door de bewindvoerder is voorgespiegeld.

3.4.1.

Hieraan heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - toegevoegd, dat hij voorafgaand aan de zitting in hoger beroep de bewindvoerder alsnog een aantal ontbrekende informatiebescheiden ter hand heeft gesteld.

3.4.2.

De bewindvoerder heeft in haar brief en ter zitting haar (gewijzigde) standpunt toegelicht. Aanvankelijk was zij van mening dat de schuldsanering zonder schone lei dient te worden beëindigd. Thans is zij echter van mening dat als [appellant] aan een aantal voorwaarden voldoet, hem de gelegenheid zou moeten worden geboden om de boedelachterstand en de nieuwe schulden tijdens een verlenging van de schuldsaneringsregeling in te lopen.

3.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.5.2.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de processtukken en op hetgeen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door en namens [appellant] en de bewindvoerder naar voren is gebracht een verlening van de schone lei, zoals door [appellant] is verzocht, thans nog niet aan de orde is Het hof overweegt evenwel dat, indien verlenging van de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling mogelijk zou zijn op het moment dat de reguliere termijn van de schuldsaneringsregeling is verstreken, het hof in beginsel zou kunnen overwegen de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] te verlengen om hem daarmee de mogelijkheid te bieden om tijdens deze verlenging de nieuwe schulden alsmede de boedelachterstand in te lossen. De boedelafdracht zal kunnen worden ingezet om de achterstand en nieuwe schulden te voldoen, totdat deze zijn ingelopen. Uiteraard zal [appellant] in dat geval ook onverkort en tijdig aan alle overige op hem rustende verplichtingen van de schuldsaneringsregeling moeten (blijven) voldoen.

3.5.3.

Nu het hof bij arrest van 20 maart 2014 (HV 200.140.979/01, ECLI:NL:GHSHE:2014:1474) aan de Hoge Raad de prejudiciële vraag heeft voorgelegd of verlenging van de termijn ex artikel 349a Fw mogelijk is indien de in artikel 349a lid 1 Fw bedoelde termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling reeds is beëindigd, welke vraag op dit moment nog niet door de Hoge Raad is beantwoord, acht het hof termen aanwezig de onderhavige zaak vooralsnog voor een periode van een half jaar aan te houden.

Indien de Hoge Raad in de tussenliggende periode een beslissing heeft genomen, zal het hof appellanten en de bewindvoerder daarvan op de hoogte stellen en hen de gelegenheid bieden

schriftelijk op de beslissing van de Hoge Raad te reageren, alsmede zich uit te laten over de vraag in hoeverre [appellant] er intussen in is geslaagd de boedelachterstand en nieuwe schulden in te lopen en aan zijn overige verplichtingen heeft voldaan. Vervolgens zal het hof zich beraden op enige te nemen beslissing.

3.5.4.

Het hof wijst [appellant] er nadrukkelijk op dat hij in de tussenliggende periode onverkort en tijdig aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen dient te voldoen.


3.6. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

3.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

4 De uitspraak

Het hof:

houdt de behandeling van de zaak met het in rechtsoverweging 3.5.3. overwogen oogmerk aan tot 25 maart 2015, PRO FORMA;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, L.Th.L.G. Pellis en O.G.H. Milar en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014.