Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3814

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-09-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
HV 200.131.581_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 25 september 2014

Zaaknummer: HV 200.131.581/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/231684 / FA RK 11-3076

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.T.N. Whiterod,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.F.J.M. van Rooy.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2013, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen, voor zover deze wordt getroffen door de aangevoerde grieven en opnieuw rechtdoende, te bepalen:

  • -

    primair: dat de kinderen om het weekend van vrijdag na school tot zondagavond na het eten bij de vader verblijven, waarbij de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader de kinderen weer terugbrengt, alsmede de helft van de vakanties en de feestdagen in onderling overleg te bepalen, althans een door het hof te bepalen zorg- en contactregeling;

  • -

    subsidiair: voor zover het hof van oordeel is dat het contact begeleid moet plaatsvinden, te bepalen dat de begeleiding zal plaatsvinden door een door de vader aan te wijzen persoon en dat het uitgangspunt van het begeleide contact zal moeten zijn het werken naar onbegeleid contact en dat het ook zal moeten leiden tot een uitbreiding van het contact. De vader verzoekt in dat geval de volgende regeling:

o de eerste drie maanden: om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur begeleid;

o de daaropvolgende drie maanden; om de week op zaterdag van 10.00 uur tot zondag 19.00 uur begeleid;

o na een half jaar: om de week van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur onbegeleid;

o vanaf kerst 2013, althans zo spoedig mogelijk, de helft van de vakanties en de feestdagen in onderling overleg te bepalen;

o de moeder brengt de kinderen naar de vader en de vader brengt de kinderen terug naar de moeder.

2.2.

Van de zijde van de moeder is bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 18 september 2013, verweer gevoerd tegen de stellingen van de vader en zo begrijpt het hof verzocht het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 17 oktober 2013.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Whiterod;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van Rooy;

  • -

    Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger raad].

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [dochter 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten. Na beraad heeft het hof partijen medegedeeld het noodzakelijk te achten dat door de raad onderzoek wordt ingesteld en wordt gerapporteerd en geadviseerd, omtrent:

  • -

    de belemmeringen in het contact tussen de vader en de kinderen;

  • -

    de contra-indicaties voor contact tussen de vader en de kinderen;

  • -

    de communicatie tussen de ouders;

  • -

    het vaderbeeld van de kinderen;

  • -

    de mogelijkheden die worden gezien om de belemmeringen in het contact van de kinderen met de vader weg te nemen en een zo onbelast mogelijk contact tussen de vader en de kinderen mogelijk te maken;

  • -

    hoe dit contact dan vorm gegeven zou moeten worden;

  • -

    of en zo ja welke hulpverlening daartoe geïndiceerd is en in hoeverre de vader, de moeder en de kinderen bereid en/of om staat zijn hun medewerking aan die hulpverlening te verlenen.

Van het verhandelde ter zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt, dat zich onder te stukken bevindt.

2.5.

Vervolgens heeft het hof kennisgenomen van:

  • -

    het rapport van de raad d.d. 14 april 2014;

  • -

    de verslagen van deelonderzoeken, overgelegd door de raad bij brief d.d. 22 april 2014;

  • -

    het V6-formulier met één bijlage van de advocaat van de vader d.d. 30 april 2014;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de vader d.d. 1 mei 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 2 mei 1997 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [dochter 1] (hierna: [dochter 1]), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

  • -

    [dochter 2] (hierna: [dochter 2]), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats].

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2.

Bij beschikking van 27 april 2012 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 juni 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, de volgende contactregeling vastgesteld:

- de vader is eens in de drie weken op zaterdag, vanuit [woonplaats], gerechtigd tot begeleid contact met [dochter 2] gedurende zes uur per contactmoment;

- met ingang van 1 september 2013 is de vader eens in de drie weken op zaterdag vanuit [woonplaats], gerechtigd tot begeleid contact met de minderjarige [dochter 2] gedurende 8 uur per contactmoment.

Het verzoek van de vader tot vaststelling van een contactregeling tussen hem en [dochter 1] heeft de rechtbank afgewezen.

3.3.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Voor de in hoger beroep aangevoerde grieven en weren, verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift.

3.4.

De raad heeft in zijn rapport d.d. 14 april 2014 geadviseerd om geen contactregeling vast te stellen tussen de vader en [dochter 1] en om voor wat betreft het contact tussen de vader en [dochter 2] de behandeling aan te houden voor een periode van een jaar om de ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende tijd hulpverlening in te roepen en gedurende deze periode het contact tussen [dochter 2] en de vader beperkt voort te zetten in de vorm van vier uur per vier weken omgang begeleid door de oom of grootouders van vaderszijde.

De raad heeft in zijn rapport – samengevat – het volgende overwogen.

3.4.1.

Beide kinderen ontwikkelingen zich goed in de huidige gezinssituatie.

[dochter 1] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. Haar gezondheid is over het algemeen goed, maar het lijkt of zij bij spanningen lichamelijke klachten krijgt. [dochter 1] is een meisje dat een zware belasting rond de vechtscheiding van haar ouders met zich draagt. Zij ziet voor zichzelf geen mogelijkheden om het contact met de vader vorm te geven. Het is voor de raad onduidelijk of dit uit loyaliteitsproblematiek voortkomt of uit overbelasting van haar eigen emoties. De raad acht het van groot belang dat [dochter 1] gehoord wordt in haar ernstige bezwaren tegen omgang met de vader. Het is schadelijk voor de ontwikkeling van [dochter 1] dat zij steeds moet uitleggen waarom zij op dit moment geen omgang wil met de vader.

[dochter 2] is een intelligent en evenwichtig meisje. Zij kan haar emoties goed reguleren. Hoewel [dochter 2] omgang heeft met de vader, heeft zij geen vertrouwen in hem. De raad vindt het zorgelijk dat na al die jaren begeleide omgang, hierin geen verandering is gekomen. [dochter 2] is niet op de hoogte van de therapieën van de vader en wat dit opgeleverd heeft. Daarnaast voelt zij de angst van de moeder. [dochter 2] zal van haar en van haar zus onvoldoende ruimte ervaren voor haar verhouding met de vader. [dochter 2] is hierdoor in een complexe situatie terecht gekomen. [dochter 2] heeft echter voldoende draagkracht om de omgang met de vader te continueren.

3.4.2.

Er is sprake van langdurige echtscheidingsproblematiek. De moeder is tot op heden onvoldoende in staat gebleken haar angst voor de vader een plek te geven. De vader toont onvoldoende inzicht, erkenning en begrip voor de angsten van de moeder en de kinderen.

De ouders zijn onvoldoende in staat de kinderen de ruimte te geven om hun eigen plaats te bepalen ten opzichte van hun ouders.

De raad is van mening dat de ouders vanuit de belangen van de kinderen eerst aan de verwerking van hun eigen problemen moeten werken. De kinderen mogen daarbij niet belast worden. Het is volgens de raad niet in het belang van de kinderen om hen op dit moment met hulpverlening te belasten die door de slechte verhoudingen tussen de ouders geen goed gevolg kan krijgen.

De raad heeft zijn onderzoek uitgebreid met een beschermingsonderzoek, maar is van mening dat hulpverlening in de vorm van een ondertoezichtstelling geen mogelijkheid biedt om de ouders tot de juiste invulling van hulp voor zichzelf te bewegen. Ondanks de ernstige scheidingsproblematiek ontwikkelen de kinderen zich leeftijdsadequaat.

3.4.3.

De raad is van mening dat voor [dochter 1] het respect moet worden opgebracht waar zij om vraagt. Door [dochter 1] de ruimte te geven ziet zij wellicht in de toekomst mogelijkheden om contact met de vader op te nemen. Momenteel zal het opleggen of verplichten van contact een averechtse werking hebben en [dochter 1] onnodig uit balans brengen. Volgens de raad is sprake van contra-indicaties voor contactherstel tussen de vader en [dochter 1].

[dochter 2] zit knel in de gezinsverwikkelingen. Zij vormt een uitzondering rond het contact met de vader. De raad vraagt zich af hoe zij op termijn daarmee om zal gaan. Ruimte zal volgens de raad ook op de ontwikkeling van [dochter 2] een positief effect bieden, waardoor ze op termijn zelf evenwichtig kan kiezen voor het contact met de vader. Hoewel tevens sprake is van contra-indicaties voor contact tussen de vader en [dochter 2], kan gewerkt worden aan het opheffen daarvan juist door het contact tussen de vader en [dochter 2] voort te zetten, zij het in beperkte mate. Door de omgang korter te laten plaatsvinden en met een mindere frequentie blijft het voor haar overzichtelijk en geeft het haar meer tijd om in het complexe systeem haar eigen balans terug te vinden.

3.5.

De vader heeft in zijn e-mailbericht d.d. 9 april 2014 aan de raad (welk bericht in het raadsrapport is opgenomen) en in zijn bij voormeld V6-formulier d.d. 30 april 2014 overgelegd schrijven – kort samengevat – aangevoerd dat, zo begrijpt het hof, hij kan instemmen met het advies van de raad om tussen hem en [dochter 1] geen contactregeling vast te stellen. De vader wil het contact met [dochter 1] niet forceren en hij wil haar de ruimte geven om haar trauma te verwerken. Hij is echter bang dat, doordat de moeder en [dochter 1] het probleem nu niet aanpakken, het (onterecht) negatieve vaderbeeld dat [dochter 1] heeft wordt bevestigd.

De vader geeft middels het schrijven van zijn advocaat van 30 april 2014 aan het niet eens te zijn met de door de raad geadviseerde vermindering van het contact met [dochter 2], omdat zij samen al veel hebben bereikt en [dochter 2] al veel vertrouwen heeft gekregen in de vader. De vader lijkt hiermee terug te komen op zijn reactie gevoegd bij het rapport van de raad waarin hij aangeeft het eens met te zijn met het advies van de raad dat [dochter 2] tussen de contactmomenten rust moet worden geboden en waarin hij voorstelt het contact met [dochter 2] eens in de zes weken te laten plaatsvinden, maar dan wel gedurende zes uur. Hij heeft daarbij tevens aangegeven het van belang te achten dat [dochter 2] door de moeder wordt gebracht naar bij voorkeur [plaats 1] (bij de familie [familie]), bij opa en oma [grootouders] in [plaats 2] of naar het station [plaats 3] en dat de begeleiding van het contact wordt verricht door[de partner van de vader], de partner van de vader. Hierbij wordt volgens de vader ook voor de moeder ruimte en rust gegund, thuis in [woonplaats] en omgeving.

De vader is verder van mening dat een ondertoezichtstelling wel noodzakelijk is omdat een gezinsvoogd de moeder kan helpen met het vinden van hulp om haar angsten de baas te worden. Binnen dat kader kan de vader zijn bijdrage leveren en biedt hij aan om met de moeder een traject in te gaan waarin zij beiden weer als ouders van de kinderen kunnen gaan samenwerken. De vader verzoekt in dit verband de procedure aan te houden althans in het kader van een ondertoezichtstelling de opdracht aan de gezinsvoogd mee te geven dat de moeder moet gaan meewerken aan het contact en ook daartoe stappen moeten ondernemen.

De vader vindt dat het onderzoek van de raad goed is uitgevoerd maar kan zich niet vinden in de door de raad getrokken conclusie. De vader heeft de heer [medewerker kliniek], werkzaam bij Het Dok (forensische en psychiatrische poli- en dagkliniek) bereid gevonden ter zake de rapportage een second opinion te schrijven. Deze second opinion zal de vader zo spoedig mogelijk toezenden.

De vader heef tot slot (nogmaals) aangeboden om bij de Geheime Tuin in [woonplaats] of bij een andere door de moeder aan te wijzen instantie, hulp te zoeken.

3.6.

Uit de in (eveneens in het raadsrapport opgenomen) mondelinge reactie van de moeder op de onderzoeksresultaten en het advies van de raad dat met haar is besproken op 7 april 2014, maakt het hof op dat zij het eens is c.q. akkoord gaat met het advies van de raad aan het hof.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Het hof heeft de door de vader bij schrijven van zijn advocaat van 30 april 2014 aangekondigde second opinion tot op heden niet mogen ontvangen en acht het gezien het tijdsverloop niet aangewezen hierop nog langer te wachten alvorens een beslissing te nemen.

Ondertoezichtstelling

3.7.1.

Voor zover in voormelde schriftelijke reacties van de vader een verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen dient te worden gelezen, overweegt het hof dat een dergelijk verzoek ingevolge het bepaalde in artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. De vader dient zich met een dergelijk verzoek tot de kinderrechter te wenden.

Het hof zal het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van de kinderen derhalve afwijzen.

Contactregeling

3.7.2.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.7.3.

Ten aanzien van [dochter 1] stelt de vader blijkens zijn reactie gevoegd bij het raadsrapport en het schrijven van zijn advocaat van 30 april 2014 zich niet langer op het standpunt dat er thans een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dient te worden vastgesteld. Het hof begrijpt daaruit dat de vader zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 27 april 2012 voor zover het de afwijzing van zijn verzoeken ten aanzien van [dochter 1] betreft niet langer handhaaft, zodat zulks geen nadere bespreking meer behoeft

3.7.4.

Ten aanzien van [dochter 2] is tussen partijen in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken dient te worden vastgesteld

3.7.5.

Het hof zal de vader volgen in zijn reactie gevoegd bij het rapport van de raad voor zover hij daarbij voorstelt tussen hem en [dochter 2] een contactregeling vast te stellen waarbij zij één keer per zes weken op zaterdag, gedurende zes uur recht hebben op contact met elkaar.

Het hof acht het in het belang van [dochter 2] om een minder frequente, maar dan in uren iets uitgebreidere contactregeling vast te stellen dan door de raad is geadviseerd. Het geeft [dochter 2] een langere periode van rust tussen de contactmomenten, hetgeen van belang is gezien de complexe situatie waarin zij zich bevindt, terwijl het de vader meer mogelijkheden geeft de contactmomenten op een goede manier in te vullen. Om voor [dochter 2] het contact met zoveel mogelijk waarborgen te omkleden, acht het hof het in haar belang om dit te laten begeleiden door mensen die moeder en [dochter 2] goed kennen en hen vertrouwd zijn en thans (nog) niet door de nieuwe partner van de vader. Het hof acht het thans ook nog te vroeg om te bepalen dat de moeder [dochter 2] brengt, gezien de spanningen die dat met zich zal brengen.

3.7.6.

Het hof benadrukt echter dat de beslissing van het hof als na te melden, voor wat betreft het contact tussen de vader en de kinderen en het gezamenlijk ouderschap tussen partijen, geen eindstation is. Op beide ouders rust de verantwoordelijkheid om de huidige, voor de kinderen zeer onwenselijke situatie te beëindigen. Het ontbreken van contact tussen de vader en [dochter 1], de beperkte frequentie en duur van het contact tussen de vader en [dochter 2] en het feit dat beide kinderen (in verschillende mate) een negatief vaderbeeld hebben , levert naar het oordeel van het hof een ernstige ontwikkelingsbedreiging op voor de kinderen, doch met name voor [dochter 1], nu zij als gevolg daarvan de vader volledig uit haar leven heeft verbannen.

3.7.7.

Het hof gaat er derhalve vanuit dat de moeder, zoals door de raad geadviseerd en zoals zij in haar mondelinge reactie heeft aangekondigd, direct na het advies van de raad in behandeling is gegaan in verband met haar angstklachten jegens de vader. Van de moeder kan tevens verwacht worden dat zij, al dan niet onder begeleiding van daartoe ingeschakelde hulpverlening, zich inspant om [dochter 1] te motiveren om contact met de vader aan te gaan en [dochter 2] positief te ondersteunen in het contact met haar vader en het opbouwen van vertrouwen in haar vader.

Van de vader verwacht het hof dat hij inmiddels hulpverlening heeft gezocht althans op zeer korte termijn zal zoeken, om meer inzicht te krijgen op welke wijze door hem het vertrouwen van [dochter 2] in hem kan worden vergroot en met name in dat kader ook hoe hij kan aansluiten bij de behoeften [dochter 2] en kan leren de signalen die zij geeft te onderkennen en daar adequaat op te reageren.

Het is voorts aan beide partijen om, al dan niet onder begeleiding van hulpverlening, met elkaar in overleg te treden als gezamenlijke en gelijkwaardige ouders van de kinderen, ten einde de mogelijkheden van een uitbreiding van de huidige contactregeling tussen de vader en [dochter 2] te onderzoeken en te bezien of en op welke termijn enige vorm van contact tussen de vader en [dochter 1] tot stand kan komen. Het hof acht het in het belang van [dochter 1] dat de periode waarin zijn geen contact met haar vader heeft zo kort mogelijk duurt.

3.7.8.

Het hof verwacht dat een termijn van circa één jaar na de datum van het raadsrapport, dat wil zeggen tot 1 mei 2015, voldoende zal zijn voor de ouders om met hun individuele en gezamenlijke behandelingen zodanige resultaten te bereiken, dat de contactregeling ten aanzien van [dochter 2] zoals vastgesteld in de bestreden beschikking, inhoudende dat [dochter 2] en de vader recht hebben op contact met elkaar eenmaal per drie weken op zaterdag, gedurende acht uur, kan plaatsvinden. Indien en voor zover op dat moment de relatie van de vader met zijn nieuwe partner bestendig is gebleken, kan het contact met [dochter 2] naar het oordeel van het hof vanaf dat moment ook door de nieuwe partner van de vader worden begeleid. Voorts mag vanaf dat moment van de moeder verwacht worden dat zij [dochter 2] naar de vader brengt, zodat de kosten daarvan door beide ouders worden gedragen en de moeder op deze wijze een positief signaal geeft aan [dochter 2] omtrent het contact met de vader.

Het hof is niet in staat om thans reeds te beoordelen of na verloop van dat jaar en zo ja, in welke vorm en frequentie contact tussen de vader en [dochter 1] dan in het belang van [dochter 1] kan worden geacht. Het hof wijst in dat kader nogmaals op hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.7.7. en 3.7.8. en verwacht van de ouders dat zij terzake hun verantwoordelijkheid zullen nemen en in het belang van [dochter 1] zullen handelen.

3.8.

Op grond van al het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen en beslissen als na te melden.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2013 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover het de contactregeling tussen de vader en [dochter 2] betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [dochter 2], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], de volgende regeling vast, op grond waarvan de vader en [dochter 2] recht hebben op contact met elkaar:

  • -

    in de periode vanaf heden tot 1 mei 2015: één maal per zes weken op zaterdag gedurende zes uur, waarbij het contact begeleid wordt door de broer van de vader en/of de ouders van de vader en waarbij de vader [dochter 2] ophaalt bij de moeder en haar na afloop weer terugbrengt naar de moeder;

  • -

    in de periode vanaf 1 mei 2015: één maal per drie weken op zaterdag gedurende acht uur, waarbij het contact begeleid wordt door de broer van de vader en/of de ouders van de vader en/of de partner van de vader, mevrouw[de partner van de vader] en waarbij de moeder [dochter 2] naar de vader brengt en de vader [dochter 2] na afloop weer terugbrengt naar de moeder,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.D.M. Lamers en C.E.M. Renckens en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2014.