Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3812

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
20-002493-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BX0830
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest wegens poging tot moord op zijn ex-vriendin, meermalen gepleegd, poging tot doodslag op de stiefvader van zijn ex-vriendin, verboden wapenbezit en het voorhanden hebben van hennepplanten. Verdachte heeft meermalen met een alarmpistool geschoten. Zijn zoontje is er getuige van geweest dat vader moeder heeft willen vermoorden. Voorbedachte raad. Verdachte is licht verminderd toerekeningsvatbaar. Aan de slachtoffers dient schadevergoeding te worden betaald.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45, 287, 289, geldigheid: 2014-09-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-002493-12

Uitspraak: 26 september 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 juli 2012 in de strafzaak met het parketnummer 01-845352-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]) op [geboortedatum],

thans verblijvende [verblijfplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis van de rechtbank is de verdachte ter zake van:

- poging tot moord, meermalen gepleegd, begaan jegens [slachtoffer 1] (feit 1),

- poging tot doodslag, begaan jegens [slachtoffer 2] (feit 2),

- het voorhanden hebben van een pistool en de daarbij behorende munitie (feit 3),

- het voorhanden hebben van een imitatiewapen (feit 4)

- en het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van 60 hennepplanten (feit 5),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de rechtbank beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en over de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof:

- het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren;

- de verdachte ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest;

- de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 20.052,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en de kosten van rechtskundige bijstand;

- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] aan de verdachte tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen tot een bedrag van € 20.052,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis door het hof te bepalen;

- de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ten bedrage van € 13.811,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, geheel zal toewijzen;

- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] aan de verdachte tevens de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen tot een bedrag van € 13.811,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis door het hof te bepalen;

- omtrent het beslag zal beslissen overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank.

De verdediging heeft in hoger beroep:

- bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het in de tenlastelegging onder 1 bedoelde bestanddeel ‘voorbedachte raad’;

- bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van de verbale bedreiging die is beschreven in de tenlastelegging onder 1 achter het derde gedachtestreepje;

- bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van de gedragingen die in de tenlastelegging onder 1 zijn beschreven achter het vierde en het vijfde gedachtestreepje;

- zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten;

- strafmatiging bepleit;

- matiging bepleit van de aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te kennen schadevergoeding;

- zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de toekenning van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met dien verstande dat het hof de bewezenverklaring onder 1 zal verbeteren en zal lezen in die zin dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:

op 19 september 2011 te Zeeland, gemeente Landerd, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer 1] van het leven te beroven, telkens met dat opzet en telkens na kalm beraad en rustig overleg:

- met een doorgeladen vuurwapen, te weten een omgebouwd alarmpistool van het merk Tanfoglio, voorzien van zeven patronen, in een auto naar een woning aan [adres] te Zeeland is gereden en

- vanaf de bestuurdersstoel van die auto op korte afstand met dat wapen een kogel heeft afgevuurd op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] die op dat moment in het geopende portier aan de bijrijderszijde stond en welke kogel in de borst van die [slachtoffer 1] is terechtgekomen en

- vervolgens voorzien van dat wapen achter die [slachtoffer 1] is aangerend en buiten de woning van voornoemd adres het wapen heeft gericht op het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] en met dat doorgeladen wapen een kogel heeft afgevuurd op het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1], waarbij een kogel de bovenarm van die [slachtoffer 1] heeft geraakt en

- achter die [slachtoffer 1] is aan blijven rennen tot in de woning aan voornoemd adres alwaar hij die [slachtoffer 1], die inmiddels op de grond was gevallen, heeft vastgepakt en vervolgens dat doorgeladen wapen op zeer korte afstand heeft gericht op het bovenlichaam van die [slachtoffer 1], die zich nog steeds op de grond bevond, en een kogel heeft afgevuurd die in de schouder van die [slachtoffer 1] terecht is gekomen en

- vervolgens het doorgeladen wapen bij of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en de trekker van dat wapen heeft overgehaald,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof merkt hierbij het volgende op.

Gezien de tenlastelegging onder 1, zoals gewijzigd ter terechtzitting van de rechtbank van 26 juni 2012, heeft de steller van de tenlastelegging door het opnemen van de woorden ‘op een of meer tijdstip(pen)’ onmiskenbaar het oog gehad op het cumulatief ten laste leggen van meerdere pogingen tot moord c.q. doodslag, die zich uitten in de opeenvolgende gedragingen van de verdachte, zoals weergegeven achter het tweede tot en met vijfde gedachtestreepje. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat die afzonderlijke gedragingen ieder voor zich ‘poging tot moord’ opleveren. Om dat tot uitdrukking te brengen heeft het hof de bewezenverklaring op de hierboven weergegeven wijze verbeterd. Het hof heeft daarbij de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

Bewijsverweren met betrekking tot feit 1

In hoger beroep is door de verdediging ten verweer betoogd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van ‘poging tot moord’. Volgens de verdediging heeft de verdachte niet gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, maar is sprake geweest van een plotselinge hevige drift, dan wel een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, tijdens welke de besluitvorming en uitvoering hebben plaatsgevonden. Dat sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging blijkt volgens de verdediging uit:

- de verklaring van de verdachte voor het bewapend rondrijden, voortkomend uit zijn depressieve toestand met achterdochtige kenmerken, welke achterdocht kort voor het schietincident werd gevoed door de door aangeefster [slachtoffer 1] verzonden sms-berichten;

- het uiterlijk van de verdachte op de dag van het schietincident, zoals beschreven door aangeefster [slachtoffer 1]: ”verdachte had een vreemde kleur, zag wit, er hing een rare gloed om heen”;

- het feit dat de verdachte zich na het eerste schot tot aan de worsteling in de woning niets meer kan herinneren;

- de opmerking van de verdachte ten overstaan van de politie, direct na zijn aanhouding, over zijn veiligheid en angsten;

- het door de psychiater Westerborg omschreven psychische toestandsbeeld van de verdachte, waardoor de verdachte niet meer in staat was de situatie waarin hij zich bevond adequaat te evalueren.

Het hof stelt voorop dat voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar aan contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad kan een zwaarder gewicht worden toegekend. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven is dat, ingeval vast staat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is om aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen

daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Of voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Uit de door de rechtbank gebruikte en de door het hof tevens aan zijn beslissing ten grondslag gelegde bewijsmiddelen blijkt:

- dat de verdachte, voordat hij in een auto naar de woning aan [adres] te Zeeland vertrok, een doorgeladen vuurwapen heeft gepakt en dat hij dat vuurwapen onder zijn benen op de bestuurdersstoel van de auto had liggen;

- dat het vuurwapen voor direct gebruik gereed was;

- dat aangeefster [slachtoffer 1], nadat verdachte op het terrein bij de woning in Zeeland was gearriveerd, hun kind in het stoeltje achterin de door de verdachte bestuurde auto heeft gezet;

- dat de verdachte op dat moment het vuurwapen heeft gepakt en gericht op het bovenlichaam van aangeefster [slachtoffer 1] heeft geschoten (hierna: het eerste schot);

- dat de verdachte vervolgens is uitgestapt en achter de vluchtende aangeefster [slachtoffer 1] is aangerend en tijdens het achterna rennen van [slachtoffer 1] nogmaals met het vuurwapen gericht op het (boven)lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschoten (hierna: het tweede schot);

- dat [slachtoffer 1], achterna gezeten door de verdachte, de woning binnen is gevlucht en in de woonkamer op de grond is gevallen;

- dat de verdachte, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, op zeer korte afstand met het vuurwapen gericht op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] heeft geschoten (hierna: het derde schot), en

- dat de verdachte ten slotte het vuurwapen bij of tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gehouden en de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald (hierna: de schotpoging).

Verdachte heeft derhalve meermalen met een doorgeladen vuurwapen, gericht geschoten op aangeefster en een maal getracht haar van korte afstand in het hoofd te schieten. Door de verdediging is, onder verwijzing naar hierboven reeds genoemde omstandigheden, aangevoerd dat bij verdachte ten tijde van het incident sprake zou zijn geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, welke een contra-indicatie zou vormen voor het aannemen van voorbedachte raad.

De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij zijn zoontje ging ophalen, het pistool had meegenomen uit angst voor aangeefster [slachtoffer 1], die hem een dag eerder nog enkele sms’jes met dreigende inhoud had gestuurd. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij, voordat hij bij de woning van [slachtoffer 1] stopte, enkele keren voor de woning langs is gereden om te kijken of hij vreemde auto’s zag staan. Dit deed de verdachte naar zijn zeggen naar aanleiding van een sms’je van aangeefster, waarin zij had geschreven dat zij genoeg mensen had die achter haar stonden. Toen de verdachte naar zijn zeggen zag dat er geen vreemde mensen te zien waren, is hij bij de woning gestopt. Al die tijd had de verdachte het doorgeladen pistool onder zijn benen op de autostoel liggen.

Verdachte heeft ten aanzien van het eerste schot verklaard dat dit plaatsvond naar aanleiding van een rare beweging die aangeefster zou hebben gemaakt met haar handen welke naar haar middel zouden zijn gegaan, waardoor verdachte zich bedreigd voelde. Het hof acht de door verdachte geschetste feitelijke gang van zaken voorafgaande aan het eerste schot volstrekt niet aannemelijk geworden. Op grond van het dossier was er in de voorafgaande contacten tussen verdachte en aangeefster voor verdachte, ondanks zekere relationele spanningen, geen enkele reden te veronderstellen dat op de bewuste morgen van het incident van de zijde van aangeefster een zodanige dreiging zou kunnen uitgaan die de reactie van verdachte maar enigszins zou kunnen verklaren, dan wel rechtvaardigen. Het hof acht tevens de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het incident mogelijk angstig en depressief was, zoals door de verdediging gesteld, onvoldoende grondslag voor een mogelijke contra-indicatie welke in de weg zou kunnen staan voor het aannemen van voorbedachte raad.

Verdachte heeft direct en gericht op aangeefster geschoten nadat zij het kind op het kinderstoeltje op de achterbank van de auto had gezet en zij de leuning van de stoel aan de passagierszijde van de auto weer omhoog had gedaan. De verdachte, die op dat moment nog op de bestuurdersplaats van de auto zat, pakte het wapen vanonder zijn benen en schoot van korte afstand een kogel af op aangeefster. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte na het eerste schot uit de auto is gestapt en achter de vluchtende [slachtoffer 1] is aangerend en tijdens het achterna rennen van [slachtoffer 1] nogmaals met het vuurwapen gericht op haar heeft geschoten en vervolgens, nadat [slachtoffer 1] de woning was binnengevlucht, wederom het vuurwapen op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] heeft gericht en een kogel heeft afgevuurd, en ten slotte de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald terwijl hij het wapen op of dichtbij het hoofd van [slachtoffer 1] hield.

Gezien de hierboven weergegeven aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van de feiten acht het hof het redelijk om aan te nemen dat de verdachte voorafgaand aan het eerste schot, tussen het eerste en het tweede en tussen het tweede en het derde schot en vervolgens tussen het derde schot en de schotpoging telkens de gelegenheid heeft gehad en van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt om over betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen handelen na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof is dan ook van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte erop duiden dat de verdachte voorafgaand aan het incident zich heeft beraden op het voorgenomen besluit om aangeefster [slachtoffer 1] van het leven te beroven, waaraan hij uitvoering heeft gegeven door gericht een kogel op haar af te vuren vanaf de bestuurderszitplaats van zijn auto (het eerste schot) en vervolgens, na te zijn uitgestapt, het vluchtende slachtoffer achterna te rennen en nog tweemaal gericht te beschieten en ten slotte van dichtbij getracht heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer te schieten.

Met betrekking tot de door de verdediging bepleite vrijspraak van de in de tenlastelegging onder 1 achter het derde gedachtestreepje bedoelde verbale bedreiging van aangeefster [slachtoffer 1], overweegt het hof met de verdediging dat het wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van die bedreiging ontbreekt. Evenals de rechtbank, en in afwijking van het standpunt van de advocaat-generaal, zal het hof de verdachte in zoverre van het ten laste gelegde onder 1 vrijspreken.

Anders dan de verdediging, maar met de rechtbank en de advocaat-generaal, acht het hof de in de tenlastelegging onder 1 achter het vierde gedachtestreepje beschreven gedraging van de verdachte wettig en overtuigend bewezen. Op grond van de door de rechtbank met betrekking tot dit onderdeel van de tenlastelegging gebruikte bewijsmiddelen en de daarop gebaseerde bewijsoverwegingen van de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, komt het hof, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het vuurwapen in de woonkamer van de woning per ongeluk tijdens een worsteling tussen de verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] is afgegaan. Uit bedoelde bewijsmiddelen volgt, in tegendeel, dat de verdachte van zeer dichtbij met het vuurwapen gericht op het bovenlichaam van [slachtoffer 1] heeft geschoten, ten gevolge waarvan zij een schotverwonding heeft opgelopen in haar schouder.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Het hof acht, anders dan de verdediging, maar met de rechtbank en de advocaat-generaal, ook de achter het vijfde gedachtestreepje van de tenlastelegging onder 1 beschreven gedragingen wettig en overtuigend bewezen. Weliswaar heeft de verdachte bij verschillende gelegenheden ontkend het vuurwapen tegen of dichtbij het hoofd van [slachtoffer 1] te hebben gehouden en vervolgens de trekker te hebben overgehaald, maar deze ontkenning wordt weerlegd door de inhoud van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Ook dit verweer wordt verworpen.

Het hof overweegt ten slotte nog dat de verdachte, door het telkens gericht schieten met een vuurwapen op het bovenlichaam van aangeefster [slachtoffer 1] - een deel van het lichaam waar zich vitale organen bevinden - en het trachten een opgelegd schot af te vuren op het hoofd van aangeefster, welbewust en gewild en met voorbedachten rade heeft getracht aangeefster van het leven te beroven, althans dusdoende ten minste bewust de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster [slachtoffer 1] op de koop heeft toegenomen.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, voor de feiten onder 1, 2, 3, 4 en 5 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest.

Door de verdediging is strafmatiging bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte spijt heeft van de gebeurtenissen, die niet hadden mogen plaatsvinden, dat de feiten de verdachte slechts in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend en dat de verdachte in Nederland nog niet eerder ter zake van strafbare feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten laste van de verdachte is bewezen dat hij in zijn streven zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] te vermoorden drie keer van dichtbij met een vuurwapen op haar bovenlichaam heeft geschoten en ten slotte de trekker van dat vuurwapen heeft overgehaald terwijl hij het op of dichtbij haar hoofd hield. Dat aangeefster [slachtoffer 1] niet het leven heeft gelaten, is niet het gevolg van verdachtes handelen. Enerzijds bleken de verwondingen die [slachtoffer 1] opliep niet fataal, maar dat hadden zij wel kunnen zijn, in aanmerking nemend dat de verdachte telkens schoot op het bovenlichaam van een mens waar zich voor het leven onmisbare organen bevinden. Anderzijds weigerde het wapen, kennelijk als gevolg van een technische onvolkomenheid, toen de verdachte de trekker overhaalde om op korte afstand van het hoofd van [slachtoffer 1] een met een grote mate van waarschijnlijkheid fataal schot af te vuren.

Ook is bewezen dat de verdachte heeft getracht [slachtoffer 2], de stiefvader van [slachtoffer 1], van het leven te beroven door met het vuurwapen op hem te schieten op het moment dat hij [slachtoffer 1] te hulp schoot en trachtte haar te ontzetten.

Naar het oordeel van het hof gaat het hier om zeer ernstige feiten, die het zwaartepunt vormen bij de straftoemeting. Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder zwaar aan dat hij er niet voor is teruggeschrokken te trachten zijn ex-vriendin in het bijzijn van hun nog jonge kind met vuurwapengeweld om het leven te brengen. Daarnaast rekent het hof verdachte zwaar aan dat hij zijn gewonde ex-vriendin op haar vlucht heeft achtervolgd en haar bij herhaling van dichtbij heeft beschoten en zelfs het vuurwapen op of dichtbij haar hoofd heeft gehouden en de trekker heeft overgehaald.

Het hof rekent het de verdachte ook zwaar aan dat hij heeft geschoten op de stiefvader van zijn ex-vriendin, toen deze probeerde zijn stiefdochter te ontzetten.

Naast de hiervoor bedoelde feiten is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie, door het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie die hij tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gebruikt, en het bezit van een imitatiewapen, alsmede aan overtreding van de Opiumwet door het aanwezig hebben in zijn woning van een kwekerij met zestig hennepplanten.

Omtrent de persoon van de verdachte is in eerste aanleg gerapporteerd door de psycholoog drs. S.J.J. Steketee in haar rapport d.d. 30 mei 2012 en de psychiater dr. D.J. Vinkers in zijn rapport d.d. 8 juni 2012. Beide deskundigen adviseren de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Op verzoek van de verdediging is door de psychiater M.A. Westerborg in aanvulling op de eerdere persoonlijkheidsonderzoeken van de verdachte een psychiatrisch onderzoek ingesteld naar de persoon van de verdachte, met aandacht voor de interpretatie van het gedrag en de persoonlijkheid van de verdachte in het licht van de sociaal culturele context en de in het verleden opgedane trauma’s van de verdachte. De deskundige concludeert in zijn rapport d.d. 30 januari 2014 dat gesteld kan worden dat de verdachte stressvolle episodes kan doormaken, terwijl de persoonlijkheid niet zo is ontwikkeld dat hij hier adequaat mee kan omgaan. Een advies ten aanzien van de toerekenbaarheid van de feiten heeft de deskundige niet gegeven.

Het rapport van de deskundige Westerborg is vervolgens voorgelegd aan de deskundigen Steketee en Vinkers, met de vraag of de bevindingen en conclusies over de invloed van de sociaal culturele context en de invloed van in het verleden opgedane trauma’s op het gedrag van de verdachte van betekenis zijn voor hun eerdere conclusies en zo ja, hoe die conclusies dan komen te luiden.

De deskundige Steketee heeft bedoelde vraag in haar rapport d.d. 8 mei 2014 ontkennend beantwoord en ook de deskundige Vinkers heeft in zijn rapport d.d. 3 mei 2014 gemeld dat de bevindingen en conclusies van de deskundige Westerborg niet leiden tot andere resultaten.

Het hof zal daarom, evenals de rechtbank, bij de strafoplegging rekening houden met de adviezen van de deskundigen Steketee en Vinkers in hun rapporten d.d. 30 mei 2012 en

8 juni 2012 dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Het hof acht, alles afwegende, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering tegen de verdachte ingediend, strekkende tot betaling van schadevergoeding tot een bedrag van € 20.248,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toegewezen tot een bedrag van

€ 10.052,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 september 2011, en de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard, met bepaling dat zij haar vordering, voor zover niet toegewezen, bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van

het niet toegewezen gedeelte van haar vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft

de vertegenwoordiger van de benadeelde partij de vordering in hoofdsom beperkt tot een bedrag van € 20.052,00. De vordering ligt derhalve thans tot dat bedrag ter beoordeling voor.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij in zoverre zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover en de kosten van rechtskundige bijstand.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] vloeit voort uit

het ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaarde en bestaat voor een bedrag van

€ 20.000,00 uit immateriële schade en voor een bedrag van € 52,00 uit materiële schade.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden en dat die schade voor wat betreft de materiële component overeenkomstig de vordering van [slachtoffer 1] kan worden gesteld op € 52,00 en dat de immateriële schadecomponent begroot dient te worden op

€ 10.000,00.

De verdachte is tot vergoeding van de door [slachtoffer 1] geleden schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van € 10.052,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

19 september 2011, toewijsbaar is.

Evenals de rechtbank, en anders dan de advocaat-generaal, is het hof ten aanzien van het ter zake van de immateriële schade méér gevorderde van oordeel dat de behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zodat de benadeelde partij

[slachtoffer 1] in dat gedeelte van haar vordering niet ontvangen kan worden en zij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Het vorenstaande leidt het hof tot de slotsom dat het vonnis van de rechtbank ook voor wat betreft de beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] bevestigd kan worden.

Nu de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, schaart het hof zich tevens achter de beslissing van de rechtbank om te dezer zake ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering tegen de verdachte ingediend, strekkende tot betaling van schadevergoeding tot een bedrag van € 13.811,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 19 september 2011. Deze vordering is bij vonnis, waarvan beroep, geheel toegewezen, zodat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in hoger beroep van rechtswege aan het oordeel van het hof is onderworpen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] geheel zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] vloeit voort uit

het ten laste van de verdachte onder 2 bewezen verklaarde en bestaat voor een bedrag van

€ 2.000,00 uit immateriële schade en voor een bedrag van € 11.831,50 uit materiële schade.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, zoals gevorderd, tot een totaalbedrag van € 13.811,50.

De verdachte is tot vergoeding van de door [slachtoffer 2] geleden schade gehouden zodat de vordering geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 september 2011.

Nu de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, schaart het hof zich tevens achter de beslissing van de rechtbank om te dezer zake ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Beslag

Het hof verenigt zich met alle door de rechtbank gegeven beslissingen omtrent de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inbegrip van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], alsmede de beslissingen omtrent het beslag.

Aldus gewezen door

mr. J.J. van der Kaaden, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 26 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.