Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3810

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
20-000388-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:708, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Doodslag in Geleen en bedreiging. 10 jaar gevangenisstraf. Het hof spreekt, in tegenstelling tot de rechtbank, verdachte vrij van moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000388-14

Uitspraak : 24 september 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van
28 januari 2014 in de strafzaak met parketnummer 03-703548-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep:

- werd de verdachte ter zake van “moord” en “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    werden aan de verdachte drie schadevergoedingsmaatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd;

  • -

    werden de vorderingen van drie in het vonnis nader genoemde benadeelde partijen toegewezen;

  • -

    werden drie in het vonnis nader genoemde benadeelde partijen in hun vorderingen
    niet-ontvankelijk verklaard;

- werd een in beslag genomen telefoon teruggegeven aan verdachte;

- werd de bewaring gelast van een in beslag genomen telefoon.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor de hem onder 1. primair ten laste gelegde moord en het onder 2. ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 2.096,92, te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 30 dagen hechtenis;

  • -

    aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 479,80, te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 9 dagen hechtenis;

  • -

    aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, subsidiair 6 dagen hechtenis;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zal toewijzen tot een bedrag van
    € 2.096,92, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal toewijzen tot een bedrag van
    € 479,80;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] zal toewijzen tot een bedrag van
    € 300,00.

De verdediging heeft:

  • -

    bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 1. primair en subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 1. meer subsidiair en 2. ten laste gelegde;

  • -

    bepleit dat aan verdachte een lagere straf zal worden opgelegd dan door de rechtbank is opgelegd;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] alsmede de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] zoals opgenomen in het voegingsformulier d.d. 7 januari 2014;

  • -

    bepleit dat de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering zoals opgenomen in het voegingsformulier d.d. 20 februari 2013 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Voorts heeft het hof geconstateerd dat de rechtbank bij de vaststelling van de redengevende feiten en omstandigheden en de verwijzing naar de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen niet steeds de vereiste mate van nauwkeurigheid heeft betracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 25 augustus 2012 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] meermalen althans eenmaal geslagen en/of gestompt en/of meermalen althans eenmaal met geschoeide voet tegen zijn hoofd en/of overigens tegen zijn lichaam geschopt en/of getrapt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] op 4 februari 2013 is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 25 augustus 2012 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] meermalen althans eenmaal heeft geslagen en/of gestompt en/of meermalen althans eenmaal met geschoeide voet tegen zijn hoofd en/of overigens tegen zijn lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 25 augustus 2012 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg meermalen althans eenmaal te slaan en/of te stompen en/of meermalen althans eenmaal met geschoeide voet tegen zijn hoofd en/of overigens tegen zijn lichaam te schoppen en/of te trappen, terwijl dat feit op 4 februari 2013 de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 07 september 2012 in de gemeente Stein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer leden van de [familie], te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend in de nacht aangebeld bij de woning van die [familie] en/of luid geroepen door de brievenbus en toen de voordeur werd geopend geschreeuwd dat [slachtoffer 4] moest komen, hij moest hen 20.000 euro betalen en vervolgens tegen de deur geduwd om binnen te komen en geschreeuwd dat ze [slachtoffer 4] dood zouden maken, dat ze het hele gezin dood zouden maken en het huis met de grond gelijk zouden maken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het bewijs1

1.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 25 augustus (het hof begrijpt: 2012) omstreeks 03:02 uur kregen wij de melding om te gaan naar de Valderenstraat te Geleen. Er zou een persoon op de grond liggen. Deze persoon zou bloeden uit zijn hoofd en een rochelend/snurkend geluid maken.

Toen we de Valderenstraat inreden zagen wij dat er een persoon op de grond lag. Nadat we waren uitgestapt, zagen wij dat het slachtoffer met zijn gelaat in de goot lag en met zijn lichaam half op het trottoir, half in de goot. We zagen dat er een donkerkleurige plas bloed onder het hoofd van het slachtoffer lag. Het slachtoffer was niet bij kennis.

Op verzoek van het ambulance personeel zijn wij voor de ambulance uitgereden.

Toen wij bij het ziekenhuis in Sittard arriveerden, is het slachtoffer naar de eerste hulp vervoerd. Slachtoffer werd (daarna) overgebracht naar de intensive care van het Atrium te Heerlen.2

2.

De letselbeschrijving opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 25-08-2012 is er een onderzoek verricht naar het letsel van een persoon.

Betrokkene ligt op de intensive care en is comateus.

Het geobserveerde letsel tijdens het bezoek aan de intensive-care:

  • -

    Aan de rechterkant van het voorhoofd is een grote wond met huiddefect.

  • -

    De volledige linker gelaatshelft tot en met de ogen aan toe is volledig en zeer fors gezwollen.

De verzamelde klinische gegevens:

Betrokkene is bekend met diverse contusiehaarden in de hersenen.

Interpretatie

Het betreft allemaal zeer recent letsel. Er is sprake van een ernstig neurotrauma. Het letsel is ontstaan door inwerking van uitwendig geweld middels stompe voorwerpen (vuisten, schoenen etc).3

3.

De verklaring van [benadeelde], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb mijn broer gezien in het ziekenhuis. Ik ben op 25 augustus 2012 in kennis gesteld van wat er mogelijk gebeurd is met mijn broer. Ik kreeg te horen dat hij zwaargewond in het ziekenhuis lag in Heerlen. Hem hadden ze gevonden op straat, bewusteloos. Hij lag in eerste instantie in Sittard. Daarna is hij overgebracht naar Heerlen.

Ik ben voor het eerst naar het ziekenhuis gegaan in Heerlen op zondag 26 augustus 2012. De persoon die ik zondag in het ziekenhuis zag liggen was [slachtoffer 1]. Ik dacht dat hij is geboren op [geboortedag] 1967. Hij is geboren in [geboorteplaats].4

4.

De brief opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb de actuele situatie van dhr. [slachtoffer 1] in kaart gebracht. Hiertoe heb ik op 11-09-2012 een onderhoud gehad met de dienstdoende intensivist. Uit het onderhoud met de dienstdoende arts is het volgende gebleken:

- de hogere neurologische functies zijn nog niet aanwezig. Hij kan niet praten en geen opdrachten uitvoeren. Op dit moment leeft hij a.h.w. als een “kasplantje”.5

5.

De brief opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Dit is een vervolgrapportage aangaande de medische situatie van dhr. [slachtoffer 1].

Dhr. [slachtoffer 1] is op 18-09-2012 van de IC van het AMC te Heerlen naar de IC van het OMC te Sittard overgebracht. Aldaar is hij op 20-09-2012 overgeplaatst naar een reguliere neurologische afdeling. Uit telefonisch contact met desbetreffende afdeling is het volgende gebleken:

  • -

    Er is geen reactie op prikkels vanuit zijn omgeving.

  • -

    Het ziet er niet meer naar uit dat betrokkene ooit beter gaat functioneren.6

6.

De brief opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Dit is een vervolgrapportage aangaande de medische situatie van dhr. [slachtoffer 1].

Op 22-10-2012 heb ik dhr. [slachtoffer 1] in het Orbis MC te Sittard bezocht. Zijn situatie is dezelfde als vermeld in mijn laatste brief d.d. 25-09-2012. Zijn niveau van functioneren zal niet meer veranderen.7

7.

Het rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door A. Maes, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Overledene

Naam [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1])

Geboortedatum [geboortedag] 1967

Geboorteplaats [geboorteplaats]

De overledene is overleden in het [verpleeghuis] te Geleen op 4 februari 2013.

Resultaten

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) geboren op [geboortedag] 1967 is het navolgende gebleken:

De longen waren vrijwel niet meer luchthoudend met beiderzijds veel groen slijm in de luchtpijptakken, het beeld van dubbelzijdige longontsteking. Dit werd door microscopisch onderzoek bevestigd. De milt was bleek en slap, het beeld van bloedvergiftiging.

Er is neuropathologisch onderzoek verricht op de bij sectie uitgenomen hersenen.

Interpretatie van de resultaten

Volgens ontvangen inlichtingen werd deze 47 jaar oud geworden man circa 5 maanden voor zijn uiteindelijke overlijden op de openbare weg in Geleen belaagd, hij zou in elkaar zijn geslagen en zijn geschopt. Hij werd daarna in slechte toestand in het ziekenhuis opgenomen. Er waren verwondingen o.a. rechts aan het hoofd. Er zou sprake zijn van coma. Er was kennelijk ook ernstig hersenletsel. Hij werd in [verpleeghuis] te Geleen verzorgd waar hij uiteindelijk kwam te overlijden aan complicaties van het coma. Om een relatie tussen het oplopen van het hersenletsel 5 maanden voor de dood en het overlijden vast te stellen werd er gerechtelijke sectie verricht.

Bij sectie werd het lichaam van een man gezien met sterk verlies van spiermassa passend bij langdurig coma en immobilisatie. Er waren littekens o.a. aan het voorhoofd rechts. Deze waren het gevolg van niet recente geweldsinwerkingen rechts tegen het hoofd en kunnen goed passen bij 5 maanden tevoren opgelopen verwondingen. Bij inwendige schouw toonde de grote hersenen rechts gebieden met het aspect van niet recente kneuzing.

Bij neuropathologisch onderzoek werden de hersenen nader onderzocht. Er was sprake van niet recente bloeding onder het harde hersenvlies (subduraal hematoom) passend bij een ontstaan 5 maanden voor de dood. Er waren rechts in de grote hersenen oude kneuzingshaarden (contusiehaarden) en er waren diffuse reactieve veranderingen in de hersenen waarmee het voortduren van het coma was te verklaren. Op grond van het neuropathologisch onderzoek kunnen het traumatisch ontstaan van de hersenletsels en de verschijnselen van coma 5 maanden voor het overlijden goed worden verklaard. De letsels zijn het gevolg geweest van uitwendig inwerkend mechanisch botsend geweld op/tegen het hoofd zoals dat door een klap al dan niet met een voorwerp of een schop/trap tegen het hoofd kan ontstaan.

De bij sectie gevonden dubbelzijdige longontsteking en bloedvergiftiging vormen een verwikkeling van het coma en daarmee van de 5 maanden voor de dood opgelopen geweldsinwerkingen. De longontsteking en de bloedvergiftiging kunnen het overlijden goed verklaren op grond van functieverlies van de longen en algeheel zuurstofgebrek op weefselniveau.

Conclusie

[slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) is overleden als gevolg van verwikkelingen van coma.8

8.

De brief, opgemaakt door D. Botter, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Er vond beoordeling plaats van de medische voorgeschiedenis die voorafging aan het overlijden van de heer [slachtoffer 1], geboren [geboortedag] 1967, overleden 4 februari 2013.

[slachtoffer 1] werd op 25 augustus 2012 in zorgwekkende, reanimatiebehoeftige en bewusteloze toestand langs een weg aangetroffen. Na diagnostiek bleek er sprake van ernstige letsels door geweldsinwerkingen in en aan het hoofd en de linkerzijde van de borstkas.

Ondanks maximale medische zorg is het slachtoffer niet meer bij bewustzijn gekomen en traden infectieuze complicaties op, te weten: luchtweginfecties/longontstekingen (4x), doorligwonden, huidontsteking en bloedvergiftiging op basis van urineweginfectie. Deze complicaties zijn een (indirect) gevolg van de comateuze toestand (bijvoorbeeld: onvermogen tot ophoesten, slikstoornissen) en de immobilisatie (bedlegerigheid).

[slachtoffer 1] is overleden na een ononderbroken aantasting i.c. achteruitgang van de gezondheidstoestand direct in aansluiting op het d.d. 25 augustus 2012 geconstateerde hersenletsel als gevolg van uitwendige inwerking van botsend mechanisch geweld. In dit kader kan zonder meer worden gesteld dat het gepleegde geweld een onmisbare (en wel causale) schakel vormt in de gebeurtenissen die tot het overlijden van [slachtoffer 1] hebben geleid.

Het overlijden van [slachtoffer 1] is het gevolg van het jegens hem gepleegde geweld, aangezien de letsels door het gepleegde geweld de oorzaak zijn geweest van progressieve verslechtering van de gezondheidstoestand van [slachtoffer 1], inclusief het overlijden, ondanks maximale medische zorg.9

9.

De verklaring van [getuige], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

O: Je wordt als getuige gehoord naar aanleiding van de mishandeling van [slachtoffer 1] op de Valderenstraat op 25 augustus 2012.

V: Vertel wat er die nacht gebeurd is?

A: Na die ruzie van [verdachte] in het café zijn we in de auto van hem gestapt. Ik ben samen met [verdachte] in de buurt van het café rondgereden. Na enige tijd reden we over de Valderenstraat. Ik moest daar van [verdachte] stoppen. We zijn weer rondjes door de buurt gaan rijden. We hebben een hele tijd door die buurt rondjes gereden en kwamen op enig moment weer op de Valderenstraat. Ik moest daar van [verdachte] stoppen. Ik stopte de auto op dezelfde plek als waar we eerder ook gestopt waren. [verdachte] stapte uit de auto. Na enkele minuten kwam [verdachte] terug en ging hij weer in de auto zitten.

Ik heb gezien dat hij hem kapot geschopt heeft. Ik zat in de auto en zag alles gebeuren. Ik hoorde echt enkele keren achter elkaar: “Bam bam bam bam”. Dit ging echt heel snel achter elkaar. Daarna zag ik dat [verdachte] terug kwam naar de auto en naast mij ging zitten.

O: Jullie komen voor de tweede keer terug op de Valderenstraat.

V: Wat gebeurt daar vervolgens?

A: Ik heb de auto op dezelfde plek als de eerste keer geparkeerd. Ik zit in de auto en zie dat een jongen uit de richting van het café komt gelopen. Ik zie dat [verdachte] uit de auto stapt en naar die jongen toe rent. Ik moest mijn hoofd naar links draaien en achterom kijken door de ruit van het bestuurdersportier. Die jongen was al voorbij de auto gelopen, aan de linkerkant van de auto.

V: Aan de overkant van de straat dus?

A: Ja. Hij liep op het trottoir.

V: Wat zag je toen?

A: Eerst zag ik niets. Ik hoorde alleen maar boem boem boem.

V: Wat voor geluiden waren dat?

A: Ik hoorde geluiden van slaan. Toen keek ik om.

V: Wat zie je dan?

A: Hoe hij hem slaat. Ik kon zien dat hij hem met zijn voeten slaat. Die jongen lag toen al op de grond. Ik zie dat die jongen op de grond ligt en zie dat [verdachte] een paar keer met zijn voeten tegen die jongen stampt. Ik zie dat [verdachte] boven op de kop van die jongen stampt. Ik dacht: die is dood. Daarna zie ik dat [verdachte] terug naar de auto komt.

O: Nog even terug naar het moment van die mishandeling van die jongen. Je verklaarde dat je omkeek nadat je slaande geluiden hoorde. Je verklaarde dat die jongen toen al op het trottoir lag en dat [verdachte] die jongen stampte.

V: Verklaar eens nader hoe [verdachte] dit deed?

O: getuige gaat staan en doet voor hoe [verdachte] tegen het hoofd van het slachtoffer schopte. Getuige maakt daarbij met zijn rechter knie een beweging omhoog en maakt dan met zijn rechter voet trappende bewegingen naar beneden. Getuige verklaart daarbij het navolgende:

A: Ik zag dat [verdachte] met zijn voet zo deed. Ik zag dat hij met zijn voet tegen het hoofd van die jongen stampte. Niet tegen zijn schouder maar echt tegen zijn hoofd.

V: Nadat [verdachte] de jongen mishandelde en terug kwam naar de auto, wat zag je toen van het slachtoffer?

A: Ik zag dat hij niet meer bewoog.

V: Hoe lag het slachtoffer toen?

A: Ik zag dat de jongen op het trottoir lag.10

10.

De verklaring van [getuige], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Toen wij de laatste keer stil stonden, stonden wij niet precies voor het café, maar een stuk daar vanaf. Die jongen kwam langs. [verdachte] herkende hem. [verdachte] stapte uit. Toen [verdachte] uitstapte ben ik achter het stuur blijven zitten. Ik hoorde alleen maar bam boem. Ik heb vervolgens mijn hoofd gedraaid en heb als het ware links over mijn schouder naar buiten gekeken. De jongen en [verdachte] waren aan de overkant van de weg. Toen ik keek zag ik die jongen al op de grond liggen. Ik zag [verdachte] met zijn voet op het hoofd van die jongen stampen. Ik heb met mijn eigen ogen gezien dat hij gestampt heeft. [verdachte] is naar de auto gekomen en is ingestapt.

Opmerking rechter-commissaris: de getuige doet met zijn been voor hoe [verdachte] volgens hem gestampt heeft. De getuige heft zijn been op door zijn knie te buigen en geeft aan dat [verdachte] zijn voet/been van boven naar beneden op het hoofd van die jongen heeft laten neerkomen.

Ik heb gezien dat [verdachte] dit met zijn rechtervoet deed en dat hij de jongen daadwerkelijk op zijn hoofd raakte. Hij raakte hem niet op zijn schouder of op zijn borst, maar echt op zijn hoofd.11

11.

De verklaring van [getuige], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De jongen kwam aanlopen. Ik zag dat de jongen voorbij de auto liep. [verdachte] is toen uit de auto gegaan achter die jongen aan.

Ik hoorde het geluid van slagen en kreungeluiden. Die kreungeluiden waren niet van [verdachte]. Ik keek om naar de plek waar het geluid vandaan kwam. Ik zag dat die jongen K.O. was. Hij bewoog niet meer.

Ik zag dat [verdachte] tegen het hoofd van de jongen schopte alsof het hoofd een voetbal was. Verder zag ik dat [verdachte] op het hoofd van de jongen gestampt heeft. Het schoppen was dus een horizontale beweging en het stampen verticaal.12

12.

De aangifte van [slachtoffer 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik woon samen met mijn man, mijn twee zonen en mijn dochtertje in de [adres] te Stein (Limburg). Mijn zoon [slachtoffer 4] wist dat er in een woning vlakbij Heerlen gedeald werd. Mijn zoon heeft daar ongeveer 10 dagen geleden melding van gemaakt bij de politie. Ik weet dat er, naar aanleiding van de melding van mijn zoon, ook een inval in deze woning geweest is. Ik hoorde dat hier ongeveer 90 kg drugs gevonden is.

Vrijdag 7 september 2012 tussen 00:00 uur en 00:30 uur werd ik wakker, omdat ik de voordeurbel hoorde. Ik hoorde dat deze langdurig werd vastgehouden. Ik maakte de voordeur in eerste instantie niet open. Vervolgens hoorde ik dat de voordeurbel weer langere tijd ging. Ik maakte de deur nog steeds niet open. Toen hoorde ik iemand door de brievenbus roepen: “hallo, maak de deur open, ik weet dat jullie wakker zijn”. Mijn man opende vervolgens de voordeur. Ik ging achter mijn man in de gang staan. Ik stuurde mijn jongste zoon naar boven.

Ik zag dat er twee mannen voor de deur stonden. Een van de twee mannen herkende ik, aangezien hij vroeger bij ons in de straat heeft gewoond. Ik hoorde dat beide mannen schreeuwden: “waar is [slachtoffer 4]?” Ik zei dat hij niet thuis was. Mijn man vroeg waarom ze [slachtoffer 4] zochten. Ik hoorde dat de mannen schreeuwden dat [slachtoffer 4] hen 20.000,- euro moest betalen. Ik hoorde dat de mannen schreeuwden dat het de schuld van [slachtoffer 4] was dat hun drugs in beslag genomen waren. De mannen waren heel erg opgefokt en kwamen op mij heel dreigend over. Ik was heel erg bang op dat moment. Ik hoorde hen schreeuwen dat [slachtoffer 4] volgens hen wel thuis moest zijn. Ik antwoordde dat [slachtoffer 4] echt niet thuis was. Op dat moment zag ik dat beide mannen met kracht tegen de voordeur duwden. Ik zag dat zij naar binnen wilden komen. Mijn man zei tegen hen dat ze niet naar binnen mochten komen en dat hij de politie ging bellen. Ik hoorde beide mannen zeggen dat mijn man maar de politie moest bellen, dat hen dat niet interesseerde. Ik hoorde de mannen toen schreeuwen dat ze [slachtoffer 4] dood zouden maken. Mijn man zei dat als zij [slachtoffer 4] dood zouden maken, hij de politie zou bellen. De mannen zeiden toen dat dat niks uitmaakte en dat ze het hele gezin zouden doodmaken en het huis met de grond gelijk zouden maken. Ik hoorde dat beide mannen in het Arabisch tegen mij schreeuwden: “wahla”. Dit betekent dat zij dat zweren. In onze cultuur betekent zweren dat je iets ook echt gaat doen.

Over persoon 1 kan ik nog het volgende zeggen. Zijn voornaam is [naam]. Ik weet dat [naam] zijn vrouw zigeunerin is en dat hij twee kinderen heeft, een dochter en een zoon. [naam] heeft eerst bij ons in de straat gewoond. Hij heeft gewoond op de [adres] in Stein (Limburg).

Ik ben op dit moment ontzettend bang dat deze twee mannen mij of iemand van mijn gezinsleden iets zullen aandoen. Mijn man en mijn jongste zoon zijn ook heel erg angstig.13

13.

De verklaring van [slachtoffer 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Mij wordt gevraagd een verklaring af te leggen in verband met de bedreigingen waarvan mijn vrouw aangifte heeft gedaan.

Ik ben gehuwd met mijn vrouw [slachtoffer 2]. Wij hebben 3 kinderen, waarvan mijn oudste zoon [slachtoffer 4] heet.

Omstreeks 00:45 uur lag ik in bed en hoorde onder de deurbel. Toen ging de voordeurbel nog een keer. Ik heb door het raam naar buiten gekeken en zag twee jongens voor de deur. Ik hoorde vervolgens dat de jongens door de gang riepen: “[slachtoffer 4], [slachtoffer 4], waar ben je”. De mannen riepen toen ook nog dat ze wisten dat [slachtoffer 4] daar zou zijn.

Ik ben toen toch naar onder de gang in gelopen en heb de voordeur open gemaakt. De jongens aan de deur vroegen weer waar [slachtoffer 4] was en zeiden dat [slachtoffer 4] grote problemen had. Ik heb gezegd dat [slachtoffer 4] niet thuis was. De mannen wilden naar binnen en ik heb ze tegen de vorstkas terug geduwd. Ik wilde niet dat ze naar binnen kwamen. Ze bleven toen ook buiten voor de deur staan. Op dat moment zag ik dat mijn vrouw naast mij kwam staan. Ik zag dat de jongen met de vingers in onze richting wezen en zeiden: “Jullie grote problemen, voor jullie allemaal thuis”. De jongens zeiden dat [slachtoffer 4] 20.000 euro moest terug geven. Toen wezen ze nog eens met de vingers en zeiden dat wij [slachtoffer 4] moesten geven, ze zouden [slachtoffer 4] dan dood maken.

Toen liepen die twee jongens weg.

Ik heb een van hen al eerder gezien. Hij heet [naam]. Hij heeft bij ons in de straat gewoond. Hij woonde schuin tegenover ons.14

14.

De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 september 2014, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Mijn roepnaam is [verdachte].

Het klopt dat ik op 25 augustus 2012 tussen 02.30 uur en 03.00 uur op de Valderenstraat in Geleen in de buurt van het [café] [slachtoffer 1] heb geslagen en met geschoeide voet heb geschopt als tegen een voetbal.

Ik heb hem met mijn vuist geslagen. Toen is [slachtoffer 1] knock-out gegaan. Ik heb [slachtoffer 1] ergens op zijn gezicht geraakt met mijn vuist. Hij zakte in elkaar op de grond.

Ik heb vervolgens [slachtoffer 1] trappen gegeven.

Ik zat in de auto. [slachtoffer 1] kwam aanlopen vanuit de richting van het café. Ik ben uitgestapt en naar hem toe gelopen. Ik wilde hem een lesje leren.

Ik zat in die auto samen met [getuige]. [getuige] zat in de auto toen ik naar [slachtoffer 1] liep. Ik zat op de bijrijdersplaats van de auto.

Er was eerder die avond een conflict geweest in [café] tussen [slachtoffer 1] en mij.

Ik ben met [getuige] in de auto van mijn vrouw rond gaan rijden. [getuige] reed. Ik zat op de bijrijdersstoel. We zijn rondjes gaan rijden.

Het klopt dat ik op 7 september 2012 in Stein bij de woning van de [familie] ben geweest aan de [adres]. Ik was daar net na middernacht, samen met een ander.

Nadat er was aangebeld, kwam de vader naar beneden.

Ik heb met mijn vrouw en twee kinderen in de [straat] gewoond. Dat was schuin tegenover de woning van de [familie].

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. primair ten laste gelegde, aangezien niet gesproken kan worden van opzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    het opzet niet kan worden gebaseerd op de verklaringen van [getuige], aangezien deze als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt;

  • -

    het opzet niet kan worden gedestilleerd uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte, omdat deze geen voldoende invulling vormen van het bestaan van opzet;

  • -

    niet kan worden uitgesloten dat het fatale letsel is veroorzaakt door een val van het slachtoffer na de eerste klap van verdachte, in welk geval hem de dood van het slachtoffer niet kan worden aangerekend.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.1

Aan het verweer dat de verklaringen van [getuige] als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt is ten grondslag gelegd – zakelijk weergegeven – dat [getuige] onder meer:

  • -

    wisselend heeft verklaard omtrent de woorden die verdachte gebruikt zou hebben in de auto;

  • -

    aanvankelijk heeft verklaard dat verdachte na het verlaten van de auto op het slachtoffer is afgerend, terwijl hij in later verhoren verklaart dat verdachte op het slachtoffer zou zijn af geslopen;

  • -

    een niet erg geloofwaardige verklaring heeft afgelegd omtrent zijn gang naar het café, naar eigen zeggen om personen te waarschuwen.

C.2

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat [getuige] op onderdelen wisselende verklaringen heeft afgelegd. Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [getuige], voor zover het deze heeft gebezigd tot het bewijs, in de kern evenwel consistent en vinden zij in voldoende mate steun in de tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte.

Voorts zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige], voor zover deze tot het bewijs worden gebezigd, zou moeten worden getwijfeld. Het hof bezigt deze verklaringen dan ook tot het bewijs.

D.1

Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof vast dat verdachte opzettelijk – minst genomen in voorwaardelijke zin –
[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. Immers, verdachte heeft [slachtoffer 1] met een vuistslag tegen het hoofd knock-out geslagen en heeft direct daarop volgend meermalen met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer 1] geschopt en getrapt. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand als gevolg van aldus uitgeoefend geweld tegen het hoofd de aanmerkelijke kans loopt zodanig ernstig letsel te bekomen, dat hij als gevolg daarvan het leven kan verliezen. Dit samenstel van gedragingen van verdachte was dan ook geëigend om het slachtoffer te doden. De verdachte moet daarvan, evenals ieder ander weldenkend mens, op de hoogte zijn geweest.

Het samenstel van gedragingen van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het doden van het slachtoffer, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn bewezen verklaarde handelen zou sterven en is het opzet van verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

D.2

Op grond van dit één en ander acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd.

De omstandigheid dat het rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” - behoudens de in de bewijsmiddelen opgenomen inhoud - ook vermeldt dat “ergens hard met het hoofd tegenaan stoten of ergens op vallen (…) op grond van de sectiebevindingen niet [kan] worden uitgesloten” maakt dat niet anders. De raadsman heeft onder verwijzing naar voornoemde passage weliswaar aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het fatale letsel is veroorzaakt door een val van het slachtoffer na de eerste klap van verdachte, maar dat het letsel aldus is ontstaan is uit het onderzoek ter terechtzitting in het geheel niet aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte, daar naar gevraagd ter terechtzitting in hoger beroep, niet heeft verklaard dat het slachtoffer met zijn hoofd op de straat is gevallen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor onder D.1 en D.2 gegeven.

Het verweer – zoals hiervoor onder B weergegeven – wordt derhalve in alle onderdelen verworpen.

Partiële vrijspraak feit 1

E.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de onder 1. primair aan verdachte ten laste gelegde “moord”. Daartoe is – op gronden als weergegeven in het schriftelijk requisitoir – aangevoerd dat verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

E.2

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om de ander van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt aldus een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

E.3

Aan het onderzoek ter terechtzitting zijn aanwijzingen te ontlenen dat verdachte heeft gehandeld met een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Het hof acht het evenwel het meest aannemelijk dat verdachte [slachtoffer 1] heeft opgewacht met het vooropgezet plan om hem een lesje te leren en het heeft niet de overtuiging bekomen dat verdachte heeft gehandeld met een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

E.4

Gelet op het vorenstaande acht het hof, indachtig hetgeen is vooropgesteld over de reikwijdte van het begrip ‘voorbedachte raad’, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, zodat hij in zoverre zal worden vrijgesproken van het hem onder 1. primair ten laste gelegde.

Partiële vrijspraak feit 2

Het hof acht de bedreiging gericht tegen [slachtoffer 4] niet bewezen, omdat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat die bedreiging hem ter kennis is gekomen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

primair

hij op 25 augustus 2012 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk
[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1] gestompt en meermalen met geschoeide voet tegen zijn hoofd geschopt en getrapt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] op 4 februari 2013 is overleden;

2.

hij op 7 september 2012 in de gemeente Stein, tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend in de nacht aangebeld bij de woning van die [familie] en luid geroepen door de brievenbus en toen de voordeur werd geopend geschreeuwd dat [slachtoffer 4] moest komen, hij moest hen 20.000 euro betalen en vervolgens tegen de deur geduwd om binnen te komen en geschreeuwd dat ze [slachtoffer 4] dood zouden maken, dat ze het hele gezin dood zouden maken en het huis met de grond gelijk zouden maken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 25 augustus 2012 in de nachtelijke uren op de openbare weg
[slachtoffer 1] zodanig tegen het hoofd gestompt en geschopt/getrapt dat deze [slachtoffer 1] hersenletsel heeft bekomen, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] op 4 februari 2013 is overleden. Verdachte heeft daarmee een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht en groot leed toegebracht aan onder meer de nabestaanden van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare.

Door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Door een dergelijk delict wordt de rechtsorde zeer ernstig is geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Voorts houdt het hof rekening met de omstandigheid dat verdachte na een caféruzie anderhalf tot twee uur lang [slachtoffer 1] heeft opgewacht met een vooropgezet plan om hem een lesje te leren en dat hij aldus bewust de confrontatie heeft gezocht met [slachtoffer 1].

Verdachte heeft vervolgens, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, de getuige [getuige] ertoe bewogen om aanvankelijk bij de politie in strijd met de waarheid een verklaring af te leggen omtrent hetgeen in de nacht van 25 augustus 2012 had plaatsgevonden.

Daarnaast heeft verdachte op 7 september 2012, ongeveer twee weken later, tezamen met een ander, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bedreigd met de dood. Deze bedreigingen waren zodanig ernstig dat degenen tegen wie de bedreigingen waren gericht op advies van de politie enige dagen zijn ondergedoken.

Het hof houdt rekening met het gewelddadig karakter van dit feit en de mate waarin dit feit heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof allereerst gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 mei 2014.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte zijn medewerking aan gedragskundig onderzoek heeft geweigerd. Aldus kan geen inschatting worden gemaakt van het risico op herhaling en kunnen ook geen aanknopingspunten worden gevonden voor begeleiding of behandeling om herhaling te voorkomen.

Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft wat betreft de duur van deze straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles overwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van
10 jaren passend en geboden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1.

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich door middel van een voegingsformulier d.d.
20 maart 2013 overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend. Bij vonnis waarvan beroep is op deze vordering niet beslist.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in deze vordering niet-ontvankelijk is en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Voorts heeft de benadeelde partij [benadeelde] zich door middel van een (tweede) voegingsformulier d.d. 7 januari 2014 overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van € 2.096,82, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde handelen van verdachte materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 2.096,82. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 1. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening

Het hof zal de verdachte tevens verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

2.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van € 479,80, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2. bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op het gevorderde bedrag van € 400,00. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 2. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 2. bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 79,80. De vordering zal ook in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het onder 2. bewezen verklaarde feit werd begaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte tevens verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

3.

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, in verband met artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering, kan de benadeelde partij niet in deze vordering worden ontvangen omdat verdachte van het onder 2. ten laste gelegde feit, voor zover betrekking hebbend op de benadeelde partij, wordt vrijgesproken.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

1.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde] als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.096,82.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hierboven vermelde betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 2.096,82 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

2.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden tot een bedrag van € 479,80.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hierboven vermelde betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 479,80 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Voorts zal het hof bepalen dat indien en voor zover de mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Beslag

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon, welke toebehoorde aan de overleden [slachtoffer 1], kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt en daarvan zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en
2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering tot schadevergoeding zoals opgenomen in het voegingsformulier d.d. 20 maart 2013 niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1. primair bewezen verklaarde, zoals opgenomen in het voegingsformulier d.d. 7 januari 2014, tot het bedrag van € 2.096,82 (tweeduizend zesennegentig euro en tweeëntachtig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2. bewezen verklaarde tot het bedrag van € 479,80 (vierhonderdnegenenzeventig euro en tachtig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] in haar vordering tot schadevergoeding

niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 2.096,82 (tweeduizend zesennegentig euro en tweeëntachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 479,80 (vierhonderdnegenenzeventig euro en tachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: één GSM, merk Nokia, goednr. 2122378.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: één GSM, merk Samsung, goednr. 2112387.

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 24 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt (onder meer) verwezen naar dossierpagina’s van ambtsedige processen-verbaal van politie, opgenomen in het proces-verbaal van Politie Limburg-Zuid, Divisie Regionale Recherche, Team Grootschalige Opsporing, onderzoek TGO12-06, sluitingsdatum 11 december 2012.

2 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 augustus 2012, proces-verbaalnr. Pl2444 2012098109-4, dossierpagina’s 118-119, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie.

3 De letselbeschrijving, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, forensisch geneeskundige, dossierpagina’s 184-185.

4 Het ambtsedig proces-verbaal 1e verhoor getuige [benadeelde], d.d. 28 augustus 2012, proces-verbaalnr. PL2430 2012098109-31, dossierpagina 133, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden hoofdagent van politie.

5 De brief, d.d. 11 september 2012 zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, forensisch geneeskundige, dossierpagina 186.

6 De brief, d.d. 25 september 2012 zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, forensisch geneeskundige, dossierpagina 187.

7 De brief, d.d. 22 oktober 2012 zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door T.M.D.L. Pelzer, forensisch geneeskundige, dossierpagina 188.

8 Het rapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 18 april 2013, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog.

9 De brief van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 10 september 2013, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door D. Botter, forensisch arts KNMG.

10 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 24 september 2012, proces-verbaalnr. PL2420 2012098109-69, dossierpagina’s 325-333, opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van poltie, en [verbalisant 6], brigadier van politie.

11 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige], d.d. 9 oktober 2012, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Maastricht.

12 Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige], d.d. 9 oktober 2013, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg.

13 Het ambtsedig proces-verbaal aangifte, d.d. 8 september 2012, proces-verbaalnr. PL2441 2012104027-1, dossierpagina’s 768-769, opgemaakt door [verbalisant 7], BOA domein generieke opsporing.

14 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 17 september 2012, proces-verbaalnr. PL2441 2012104027-7, dossierpagina’s 775-776, opgemaakt door [verbalisant 7], BOA domein generieke opsporing.