Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:381

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
20-004509-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2011:BU6533, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:949, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan een gewapende overval in de Goirkestraat te Tilburg.

Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar, en met gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof heeft het vonnis bevestigd met uitzondering van de bewijsvoering, de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs en de strafmotivering. Daarnaast heeft het hof een verweer van de raadsman over de herkomst van het door de benadeelde partijen verkregen geld verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004509-11

Uitspraak : 18 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 1 december 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-800551-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partijen

[benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3].

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen. Subsidiair is bepleit een op te leggen straf te beperken tot de door de rechtbank opgelegde straf en de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft:

  1. de bewijsvoering en de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs;

  2. de strafmotivering;

  3. de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen, die het hof aanvult met de hierna vermelde overweging aangaande een verweer van de raadsman van verdachte over de herkomst van het door de benadeelde partijen verkregen geld.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het bewezenverklaarde vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd.

A. het (voorwaardelijk) opzet op het gronddelict is niet aanwezig, nu verdachte meermaals heeft verklaard dat hij een fraudedelict ‘beoogde’ en pas na het delict wetenschap kreeg van een ripdeal/diefstal met geweld ;

B. voorts is geen bewijs voorhanden dat de stelling kan ondersteunen dat verdachte daarvan wel wetenschap had; de verklaring van [getuige 1] is namelijk op zichzelf staand, niet specifiek en op bepaalde punten innerlijk tegenstrijdig; voorts dient zijn verklaring als kennelijk leugenachtig dan wel onbetrouwbaar te worden betiteld en daarom te worden uitgesloten van het bewijs;

C. niet staat vast dat de “Duitsers’ daadwerkelijk zijn overvallen. Een alternatief scenario valt niet uit te sluiten: de raadsman heeft daarbij gewezen op de mogelijkheden van een inside job, een derde partij en friendly fire.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tegen betaling een kantoorruimte in een representatief pand ter beschikking gesteld, wetend dat die ruimte voor strafbare gedragingen zou worden gebruikt. Zijn bewering dat hij meende dat het uitsluitend zou gaan om fiscale delicten verwerpt het hof als ongeloofwaardig. De bedoeling was immers dat een normale, en ook solide, bedrijvigheid zou worden voorgewend – niet door het voeren van boekhouding, zoals zou mogen worden verwacht wanneer het inderdaad de fiscus was, die moest worden misleid, maar door het wekken van een schijn van degelijkheid. Het was er onmiskenbaar om te doen dat een derde partij zou geloven dat in het betreffende pand een betrouwbare onderneming was gevestigd.

Verdachte heeft verder verklaard dat hem na korte tijd duidelijk werd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het pand maar enkele malen – en telkens slechts een dag lang - nodig zouden hebben. Desalniettemin zou daarvoor het exorbitant hoge bedrag van 60.000 euro , exclusief btw worden betaald, ongeveer de huur die het pand in een jaar moest opbrengen. Het zou de bedoeling zijn dat in het pand zaken werden gedaan met grote bedragen aan zwart geld, telkens groter dan 100.000 euro. Hij, verdachte, zou daar verder niet naar hebben willen vragen.

Achteraf is gebleken dat het een zogenaamde ripdeal betrof: de slachtoffers werd voorgespiegeld dat een grote partij koper zou kunnen worden verkregen, tegen betaling van 100.000 euro cash; dit geld werd hen, volgens plan, met geweld ontfutseld, in het door verdachte ter beschikking gestelde pand. De verdachte heeft bestreden dat hij dit heeft moeten voorzien.

Zoals hiervoor al uiteengezet acht het hof zijn bewering, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het slechts om zwarte transacties ging, ongeloofwaardig. Het kan niet anders of hij moet hebben begrepen dat een derde partij (de personen die het aangeboden koper wilden kopen) zou worden misleid door het optuigen van een pseudo-kantoor. Het zou om veel geld gaan. Voor het verrichten van transacties – ook al zijn zij zwart – is geen kantoor nodig, dat kan bij wijze van spreken ook op straat. Het kan naar het oordeel van het Hof dan ook niet anders zijn dan dat verdachte – die zelf zakenman is – heeft begrepen dat de eerder genoemde derde partij tegen haar zin van haar (zwarte) geld zou worden ontdaan. Gelet op het hoge bedrag, waarom het zou gaan, en de ervaringsregel dat men zich meestal niet zonder verzet van zijn geld laat ontdoen, kan het ook niet anders dan dat verdachte er ernstig rekening mee heeft gehouden dat op zijn minst sprake zou zijn van afdreiging met gebruik van wapens. Het kan ook niet anders dan dat hij zich er bewust van is geweest dat bij afdreiging met wapens, wanneer verzet wordt geboden, een aanmerkelijke kans bestaat dat dit leidt tot daadwerkelijk geweld, met alle risico’s van dien. Dit is precies wat zich uiteindelijk heeft voorgedaan.

Dat verdachte zich van voornoemde risico’s bewust was wordt naar het oordeel van het hof bevestigd door de hoogte van de hem in het vooruitzicht gestelde beloning; en niet voor niets heeft hij, zoals hij zelf heeft verklaard, met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgesproken dat het pand na gebruik in nette toestand zou worden teruggeleverd – er bestond aanleiding om te vrezen dat opruimen/schoonmaken (na een enkele dag gebruik!) nodig zou zijn.

Aldus handelend heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof willens en wetens bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat tegen de slachtoffers ernstig (wapen-)geweld zou worden gebruikt.

Het hof zal de verklaringen, die zijn afgelegd door [getuige 1], niet gebruiken, zodat het daaromtrent gevoerde verweer geen bespreking behoeft.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen, af dat de in de tenlastelegging omschreven diefstal met geweld daadwerkelijk is gepleegd en verwerpt de door de raadsman opgeworpen alternatieve scenario’s als hoogt onaannemelijk. Ook na langdurig onderzoek en het horen van een reeks van getuigen is daarvoor immers geen redelijk aanknopingspunt gevonden.

Het hof verwerpt mitsdien alle door de raadsman gevoerde verweren.

Bijzondere overweging omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen.

De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet kunnen worden toegewezen omdat hier sprake zou zijn van mogelijk zwart geld. Indien het hof zou beslissen tot toewijzing van de vorderingen brengt dat met zich dat de benadeelden partijen ineens beschikken over legaal geld.

Het hof verwerpt dit verweer.

Zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren is gekomen en door het hof is vastgesteld is van de benadeelde partijen daadwerkelijk een nader te noemen bedrag aan geld weggenomen. Het hof is van oordeel dat de herkomst van dit geld, en of hier belasting over is betaald, thans niet aan de orde is, omdat dit geen invloed kan hebben op de vraag of genoemde partijen nadeel is toegebracht noch op de omvang van dit nadeel.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof daarbij in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat:

  • -

    het bij het bewezenverklaarde feit gaat om medeplichtigheid aan een – professionele en van te voren grondig voorbereide - brutale overval in vereniging, waarbij geweld niet is geschuwd;

  • -

    twee slachtoffers daardoor dusdanig in paniek zijn geraakt dat zij van een balkon zijn gesprongen;

  • -

    voor een van de slachtoffers, -[benadeelde 1]- de gevolgen zeer groot zijn geweest, zoals blijkt uit zijn medische gegevens en slachtofferverklaring; hij heeft bij deze overval een oog verloren omdat hij in zijn gezicht werd geraakt door een kogel;

  • -

    slachtoffers als gevolg van feiten als de onderhavige - naast de lichamelijke gevolgen - nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, waarvan in deze zaak ook is gebleken;

  • -

    door een gewelddadig feit als het onderhavige de rechtsorde ernstig is geschokt en dat dergelijke feiten in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengen;

  • -

    verdachte zich van de risico’s van zijn bijdrage bewust moet zijn geweest, maar zich daardoor niet heeft laten weerhouden en zich louter heeft laten leiden door een hem voorgespiegeld eigen financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 december 2013, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld en op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles tegen elkaar afwegende acht het hof met de advocaat-generaal een straf als opgelegd door de rechtbank passend en geboden.

Een lichtere straf zou onvoldoende recht doen aan het de aard en ernst van het bewezenverklaarde.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inbegrip van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3].

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. J.W. de Ruijter en mr. J.M. Reijntjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van A van Baast, griffier,

en op 18 februari 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.