Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3784

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
HD 200.133.835_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding, wettelijke rente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.133.835/01

arrest van 23 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.M. van de Wijnckel te Oostburg,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: als de vrouw,

advocaat: mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen te Terneuzen,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juni 2013, gewezen tussen de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/12/82410 / HA ZA 12-25)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven, producties en vermeerdering van eis van de man;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en vermeerdering van eis van de vrouw;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van de man;

- het H12-formulier van de advocaat van de man d.d. 24 juni 2014 met één productie (productie 8).

- het pleidooi, gehouden op 9 juli 2014, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de dagvaarding in hoger beroep en de memorie van antwoord, tevens van grieven in het incidenteel appel.

4 De beoordeling

In principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. Partijen zijn op [datum] 2006 na het sluiten van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd te [plaats 1], Zuid Afrika.

  2. Bij beschikking van 6 januari 2010 heeft de rechtbank Middelburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

  3. De echtscheidingsbeschikking is op 18 februari 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

  4. De huwelijkse voorwaarden (productie 3 bij inleidende dagvaarding) houden onder meer het volgende in:

“(…)

Artikel 1

De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit.

(…)

Artikel 3

Tussen de echtgenoten kan een geschil bestaan met betrekking tot de vraag aan wie van hen roerende zaken of rechten aan toonder toebehoren, die niet onder de werking van een bewijsovereenkomst vallen. Indien geen van hen zijn rechten op die goederen kan bewijzen, worden deze geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.

Vergoedingsrechten

Artikel 4

Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.

(…)

Kosten van de huishouding

Artikel 7

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar rato van hun inkomen. Hieronder worden uitdrukkelijk niet begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van ieders eigen kinderen al of niet ten huize verblijvend. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

(…)

Verrekening van inkomsten

Artikel 9

1. De echtgenoten zijn verplicht om jaarlijks te verrekenen hetgeen van hun inkomen resteert, nadat daarop de bijdrage in de kosten van de huishouding in mindering is gebracht. Bij deze verrekening komt ieder de helft van het gezamenlijk bespaarde bedrag toe.

2. De verrekening vindt plaats, doordat de echtgenoot wiens resterende inkomen groter is dan dat van de andere echtgenoot, de helft van het verschil tussen beide resterende inkomens aan de andere echtgenoot uitkeert.

3. De uitkering geschiedt in geld en vindt, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, plaats binnen een jaar na afloop van het kalenderjaar.

4. Indien de in een jaar bespaarde inkomsten niet overeenkomstig lid 3 zijn verrekend, wordt de waarde van hetgeen met die besparingen is verkregen in de verrekening betrokken.

5. Indien tijdens het huwelijk in het geheel niet is verrekend, wordt het vermogen dat ieder van de echtgenoten bij ontbinding van het huwelijk heeft tot op tegenbewijs geacht met de bespaarde inkomsten te zijn verkregen.

6. Indien een goed voor een deel met bespaard inkomen is gefinancierd, wordt het goed voor het deel dat uit de bespaarde inkomsten is betaald in de verrekening betrokken. Indien een goed met behulp van een lening is verkregen, wordt het goed tot het te verrekenen vermogen gerekend naar de mate waarin rente en/of aflossing van de lening uit de bespaarde inkomsten van een echtgenoot of van beide echtgenoten is voldaan.

7. Indien tot het inkomen behoort de winst van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 6 lid 3, wordt de waarde van de in de onderneming gereserveerde, uitkeerbare winst en hetgeen met de belegging daarvan is verkregen in de verrekening betrokken naar de mate waarin de echtgenoot tot de winst is gerechtigd. Indien deze winst tijdens het huwelijk niet is verrekend wordt het gehele vermogen van de rechtspersoon tot op tegenbewijs geacht uit te verrekenen, uitkeerbare winst of de belegging daarvan te bestaan.

8. De verrekening van hetgeen met de besparingen is verkregen moet, voor zover die niet tijdens het huwelijk is uitgevoerd, plaatsvinden binnen drie jaar na ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed. Indien partijen niet anders overeenkomen, moet de waarde van het te verrekenen vermogen worden vastgesteld per de datum waarop de verrekening plaatsvindt. Deze waarde zal door partijen worden vastgesteld in onderling overleg en bij gebreke daarvan op de wijze als bepaald in artikel 679 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

9. De echtgenoten beogen met deze bepaling de toename van ieders vermogen tijdens het huwelijk, voor zover die toename niet het gevolg is van een verkrijging krachtens erfrecht of schenking of van waardestijging van de goederen die door hen ten huwelijk zijn aangebracht, aan ieder voor de helft ten goede te laten komen. In verband hiermee moeten ook verkrijgingen die niet of die mogelijk niet als inkomen kunnen worden gezien, zoals optierechten en vergoedingen bij het einde van de dienstbetrekking, in de verrekening worden betrokken. Goederen die aan een echtgenoot op bijzondere wijze verknocht zijn zoals bedoeld in artikel 1:94 lid 3 Burgerlijke Wetboek worden slechts in de verrekening betrokken voor zover de verknochtheid zich niet daartegen verzet.

Opheffing verrekenverplichting

Artikel 10

Er bestaat geen verplichting tot verrekening van inkomsten als bedoeld in het vorige artikel:

a. gedurende de periode dat de echtgenoten niet samenwonen, tenzij dit berust op een uitdrukkelijke onderlinge afspraak of het gevolg is van overmacht;

(…)”

5. Partijen hebben tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 9 onder 1 van de huwelijkse voorwaarden.

6. De huwelijkse samenwoning van partijen is op 24 mei 2009 geëindigd.

4.2.

De vrouw heeft in eerste aanleg in conventie - na vermeerderingen van eis - (samengevat) gevorderd:

I. de man te gelasten binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen (tussen-) vonnis aan de vrouw af te geven dan wel in de procedure te brengen:

- verificatoire bescheiden waaruit de (begin- en eind)saldi alsmede het verloop van de bij randmelding 10 van de dagvaarding genoemde bankrekeningen blijkt over de gehele huwelijkse periode van 26 april 2006 tot 24 mei 2009;

- de op naam van de man gestelde aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2005 tot en met 2009;

- verificatoire bescheiden waaruit blijkt welke bedragen zijn afgelost op de op naam van de man afgesloten hypothecaire geldleningen over de gehele huwelijkse periode van 26 april 2006 tot 24 mei 2009;

II. te bepalen dat de zaak na overlegging van de bij I gevorderde stukken wordt voortgezet teneinde tot een totale afwikkeling te komen van het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen verrekenbeding;

III. de man te veroordelen om aan de vrouw, binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis te betalen ter zake:

- de op zijn naam gestelde levenslooprekening een bedrag van € 9.990,- netto;

- het aan hem aangekochte ULM vliegtuig € 3.750,-;

- de door de vrouw betaalde hypotheekrente € 1.484,78;

- de door de vrouw betaalde kosten voor de bungalow in Zuid Afrika € 413,-;

- de door de vrouw betaalde facturen van de orthodontist € 201,80;

- de door de man aangekochte motor, merk Honda, primair een bedrag van € 600,- en subsidiair € 400,- althans een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen bedrag;

- de uit de gemeenschappelijke middelen voor de man betaalde motorrijlessen, kosten juridische bijstand en aanschaf bank € 900,78;

IV. de man te veroordelen om aan de vrouw, binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, te betalen de som van € 20.010,35;

althans (ad III en IV) door de rechtbank vast te stellen bedragen alles te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 24 mei 2009, zijnde de datum waarop de samenleving van partijen is geëindigd dan wel met ingang van een datum die rechtbank juist acht;

V. een verklaring voor recht inhoudende dat mocht blijken dat de vrouw op 24 mei 2009 vermogen op haar bankrekeningen heeft staan dit vermogen, voor zover dat een bedrag van € 36.200,- niet te boven gaat, geacht wordt uit de nalatenschap van haar moeder te zijn verkregen en om die reden niet in de verrekening dient te worden betrokken;

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

4.3.

De man heeft in eerste aanleg (samengevat) in conventie verweer gevoerd en - na vermeerdering van eis - in reconventie gevorderd:

I. te gelasten dat de vrouw binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen (tussen) vonnis aan de man dient af te geven dan wel in de procedure dient te brengen:

- verificatoire bescheiden waaruit de (begin- en eind)saldi alsmede het verloop van de bij punt 33 bij eis in reconventie genoemde bankrekeningen blijkt over de gehele huwelijkse periode van samenleving van 26 april 2006 tot 24 mei 2009;

- de op naam van de vrouw gestelde aangiften en aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2005 tot en met 2009;

II. te bepalen dat de zaak in reconventie na overlegging van de onder I in reconventie weergegeven stukken wordt voortgezet teneinde tot een totale afwikkeling te komen van het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen verrekenbeding;

III. de vrouw te veroordelen om, binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan de man te voldoen:

- een bedrag ad € 26.500,- uit hoofde van overgespaarde inkomsten;

- een bedrag ad € 5.822,50 uit hoofde van de waarde van de Citroën C3 en Toyota Carolla;

- een bedrag ad € 6.022,91 uit hoofde van de kosten welke resteerden na verkoop van de woning te [plaats 2] en na aankoop van de woning van de vrouw te [plaats 3];

- een bedrag ad € 2.000,- uit hoofde van schilderwerk aan en installatie van keukenapparatuur in de woning van de vrouw te [plaats 3];

- een bedrag ad € 606,54 uit hoofde van de premie ziektekostenverzekering en wegenbelasting;

alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2012 tot de dag der algehele voldoening;

IV. te bepalen dat een bedrag ad € 5.000,- dat de man heeft verkregen uit hoofde van de verkoop van aandelen in het ULM-vliegtuig, welke de man reeds bij aanvang van het huwelijk in zijn bezit had niet in de verrekening dient te worden betrokken;

V. te bepalen dat een bedrag van € 3.655,- wat de man heeft verkregen uit hoofde van de verkoop van de aandelen welke de man reeds bij aanvang van het huwelijk in zijn bezit had, niet in de verrekening wordt betrokken;

met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

4.4.

De rechtbank heeft in conventie en in reconventie de man veroordeeld om aan de vrouw, binnen veertien dagen na het gewezen vonnis, te betalen € 9.633,71, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van het vonnis.

4.5.

Partijen kunnen zich (met onderdelen van) het beroepen vonnis niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

4.6.

De man vordert in principaal hoger beroep – met (deels voorwaardelijke) vermeerdering van eis – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het beroepen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juni 2013 te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de vrouw alsnog af te wijzen, althans de vrouw in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren danwel haar deze te ontzeggen;

II. het beroepen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juni 2013 te vernietigen voor zover de vorderingen van de man werden afgewezen en opnieuw rechtdoende:

a. te bepalen dat een bedrag ad € 5.000,- dat de man heeft verkregen uit hoofde van de verkoop van aandelen in het ULM-vliegtuig welke de man reeds bij aanvang van het huwelijk in zijn bezit had niet in de verrekening dient te worden betrokken;

b. de vrouw te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, aan de man te voldoen een bedrag ad primair €16.727,83, subsidiair € 2.538,47, uit hoofde van de kosten van de kinderen;

c. de vrouw te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, aan de man te voldoen een bedrag ad € 1.715,70 uit hoofde van de tijdens de huwelijkse periode, met aanwending van overgespaard inkomen, verrichtte aflossingen op de persoonlijke lening bij Postbank N.V.

III. de vrouw te veroordelen om al hetgeen de man heeft voldaan ter uitvoering van het beroepen vonnis aan hem terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling tot de dag van terugbetaling;

IV. de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties, in conventie en reconventie, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen, en verhoogd met € 68,- in geval van betekening, met bepaling dat de vrouw vanaf veertien dagen na de dag waarop het arrest is uitgesproken de wettelijke rente over de proceskosten en (na)kosten is verschuldigd.

4.7.

De vrouw vordert in incidenteel appel, - met vermeerdering van eis - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vorderingen van de vrouw terzake vergoeding door de man aan de vrouw van een bedrag van € 324,50 voor de sofa en € 2.974,50 voor de ten laste van de vrouw gekomen betalingen aan mevrouw [eerste ex-echtgenote] alsnog toe te wijzen, zo nodig onder aanvulling van gronden;

II. te verklaren dat de man over hetgeen hij de vrouw verschuldigd is uit hoofde van het verrekenbeding wettelijke rente verschuldigd is met ingang van 23 september 2009 en voor het overige met ingang van de dag van dagvaarding in eerste aanleg;

III. bij vermeerdering van eis de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 3.168,92 verhoogd met de wettelijke rente berekend vanaf 3 augustus 2009 tot aan de algehele voldoening althans de wettelijke rente over een door het hof in redelijkheid te bepalen termijn;

IV. de man te veroordelen in de kosten van beide instanties, eerste aanleg en hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten ad € 131,- verhoogd met € 68,- in geval van betekening, met bepaling van de man vanaf veertien dagen na de dag van betekening de wettelijke rente verschuldigd is over de proces- en nakosten.

4.8.

De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen:

  1. het ULM-vliegtuig (grief 1 van de man);

  2. de gezamenlijke bankrekening met nummer [rekeningnummer 1]: in het bijzonder de kosten van de kinderen,de door de man betaalde partneralimentatie en privé behouden inkomsten (grief 2 van de man, alsmede de (voorwaardelijke) vermeerdering van eis van de man en grief 2 van de vrouw);

  3. de persoonlijke lening bij bij Postbank N.V. (vermeerdering van eis van de man);

  4. e sofa (grief 1 van de vrouw);

  5. het door de man opgenomen bedrag van € 3.168,92 (vermeerdering van eis van de vrouw);

  6. de wettelijke rente (grief 3 van de vrouw).

Alvorens hierna deze onderwerpen achtereenvolgens te bespreken dient het hof eerst te oordelen op het door de man opgeworpen bezwaar tegen de vermeerdering van eis van de vrouw.

4.8.1.

De man stelt dat de vermeerdering van eis (welke betrekking heeft op huuropbrengsten van een woning in Zuid-Afrika, welke gemeenschappelijk eigendom was van de man en de vrouw) in strijd is met de eisen van een goede procesorde en met het grievenstelsel. De vrouw heeft in eerste aanleg niet gesproken over het bedrag van

€ 3.168,92 terzake de huuropbrengsten van de woning in Zuid-Afrika. De man stelt dat een verband met de onderhavige procedure ontbreekt en dat de vrouw een verkapt appel instelt tegen het vonnis van de kantonrechter van 29 juni 2011 (productie 39 bij memorie van antwoord in incidenteel appel), waarin verdeling van de huuropbrengsten van de woning in Zuid-Afrika aan de orde was.

4.8.2.

Het hof verwerpt het bezwaar van de man. De vermeerdering van eis heeft tijdig plaatsgevonden, namelijk bij gelegenheid van de eerste proceshandeling van de vrouw in hoger beroep. De man is in de gelegenheid geweest om bij zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep inhoudelijk te reageren op de kwestie. Ook overigens is het hof niet gebleken van strijd met de goede procesorde. Het hof zal dan ook verder van de vermeerderde eis uitgaan.

Ad a) het ULM-vliegtuig (grief 1 van de man)

4.9.

De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de door de man overgelegde overeenkomst van 20 januari 2005 (productie 14 bij conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie) niet meer kan worden afgeleid dan dat de man met ingang van die datum (mede)beheerder was van het vliegtuig. De overeenkomst van 17 april 2008 (productie 10 bij inleidende dagvaarding) is daarentegen een overeenkomst waaruit de koop van (de helft) van het vliegtuig door de man blijkt. Het vliegtuig wordt daarom geacht tijdens het huwelijk te zijn gekocht. Niet weersproken is dat is betaald met bespaarde inkomsten ad € 7.500,-. De rechtbank heeft geoordeeld dat de helft van dit bedrag, te weten € 3.750,- aan de vrouw toekomt. De rechtbank heeft de vordering van de man in reconventie onder IV afgewezen.

4.9.1.

De man stelt dat uit de overeenkomst van 20 januari 2005 blijkt dat het ULM-vliegtuig is gefinancierd en aldus in eigendom is verkregen door de heer [eigenaar 1], de heer [eigenaar 2] en de man (ieder voor 1/3e). De man heeft de koopprijs voor zijn aandeel contant betaald. Het ULM-vliegtuig is op naam van de stichting Light Aeroclub geregistreerd omdat het volgens de Belgische wet niet mogelijk was het toestel op naam van een van de drie heren te zetten, nu geen van drieën de Belgische nationaliteit bezat. Aldus is het ULM-vliegtuig aangeschaft voorafgaande aan het huwelijk. In april 2008 heeft de heer [koper aandeel] het aandeel van de heer [eigenaar 2] overgenomen alsmede 1/6e aandeel van de man (tezamen de helft van het toestel). De heer [koper aandeel] heeft wel de Belgische nationaliteit zodat het toestel op naam is komen te staan van [koper aandeel] en de man.

De man betwist dat tijdens het huwelijk een bedrag van € 7.500,- is voldaan voor de aandelen in het vliegtuig uit de gemeenschappelijke gelden.

Ter onderbouwing van zijn stellingen legt de man verklaringen van de heer [eigenaar 1], de heer [eigenaar 2] en de heer [getuige] over.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4.9.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW wordt, nu partijen het in artikel 9 onder 1 van de huwelijkse voorwaarden genoemde periodiek verrekenbeding niet hebben uitgevoerd, het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. In artikel 9 onder 5 van de huwelijkse voorwaarden is – in aansluiting op voornoemd wetsartikel – bepaald dat indien tijdens het huwelijk in het geheel niet is verrekend, het vermogen dat ieder van de echtgenoten bij ontbinding van het huwelijk heeft tot op tegenbewijs, wordt geacht met de bespaarde inkomsten te zijn verkregen.

Aldus wordt het ULM-vliegtuig vermoed te zijn verkregen met overgespaard inkomen.

Voor het slagen van tegenbewijs is het voldoende dat het door de andere partij geleverde bewijs (in casu het wettelijk vermoeden) wordt ontzenuwd (HR 2 mei 2003, NJ 2003/468).

4.9.3.

Als productie 14 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie heeft de man de overeenkomst van 9 juli 2005, ondertekend door de heer [eigenaar 1], Stichting Ligt Aëroclub West en de man, overgelegd waarin zij zijn overeengekomen dat de heer [eigenaar 1] zijn 1/3 eigenaarsaandeel van de ULM FK9 met Call-sign [call-sign] overdraagt aan de man tegen betaling van € 12.000,-.

Als productie 2 bij de dagvaarding in hoger beroep heeft de man een getuigenverklaring van de heer [eigenaar 1] overgelegd. In deze verklaring verklaart hij:

“Ondergetekende [eigenaar 1], wonende te [woonplaats 3], [adres 1], verklaart dat hij in januari 2005 samen met Dhr. [appellant] en Dhr. [eigenaar 2] een Ultra Light Vliegtuig met registratienummer [call-sign] heeft gekocht. Ik kan getuigen dat Dhr. [appellant] en Dhr. [eigenaar 2] samen met mij de aankoopprijs van € 36.000,00 hebben betaald aan de verkoper.

Aangezien wij voornamelijk gebruik maken van Belgische vliegvelden en Dhr. [appellant] en Dhr. [eigenaar 2] over een Belgisch vliegbrevet beschikten was het logisch om het vliegtuig ook in België in te schrijven. Echter volgens de Belgische voorschriften moet dan minstens één van de eigenaren de Belgische nationaliteit bezitten. Dit was niet het geval.

Het was wel mogelijk om het vliegtuigje in te schrijven op naam van de Belgische Stichting Light Aerocblub waarbij de financierders volledig over het toestel konden beschikken. Deze stichting werkte nauw samen met de Nederlandse stichting Light Aeroclub West. In feite was dit één vliegclub. Met deze Stichting is verder afgesproken dat de financierders als beheerders over de vliegtuigen konden beschikken en hun aandeel verhandelbaar zou zijn. Deze afspraken tussen de drie financierders en de Stichting, zijn opgesteld en ondertekend in de overeenkomst van 20 januari 2005. Hierin is uitdrukkelijk vermeld dat ik medefinancierder zal zijn en dat ik mijn aandeel zal aanbieden zodra een derde beheerder zich zou aandienen.

Helaas hebben wij de eerstvolgende maanden geen derde beheerder kunnen zodat Dhr. [appellant] op 9

juli 2005 mijn aandeel heeft overgenomen tegen betaling van een bedrag van € 12.000,-. Ik kan getuigen dat Dhr. [appellant] dit bedrag aan mij heeft betaald. Daarmee verkreeg Dhr. [appellant] 2/3 van de aandelen van het Ultra Light vliegtuig.”

Voorts heeft de man bij voornoemde productie 2 bij de dagvaarding in hoger beroep de verklaring van de heer [getuige] overgelegd die verklaart:

“Namens de vzw Light Aero Club, ondernemingsnr. [nummer 1] Rechtbank van Koophandel te [plaats 4] (Belgie), verklaart ondergetekende [getuige], woonachtig te [woonplaats 4], [adres 2] (Nederland), zijnde afgevaardigd- bestuurder van de vzw, het volgende:

de vzw heeft tot doel het bevorderen, faciliteren en organiseren van het vliegen met ultra lichte vliegtuigen.

in januari 2005 is de ULV (Ultra Light Vliegtuig) met Call Sign [call-sign] door en op naam van de vzw ingeschreven in het Belgische Luchtvaartregister op naam van de vzv Light Aero Club. Dit op verzoek van de leden [eigenaar 1], [eigenaar 2] en [appellant] van de stichting Light Aeroclub West, met welke stichting de vzw LAC destijds samenwerkte.

aangezien de vzw alleen faciliteert, is met bovengenoemde leden, [eigenaar 1], [eigenaar 2] en [appellant] overeengekomen dat de aankoopprijs en alle bij het vliegtuig behorende kosten van onderhoud, verzekering etc. voor rekening van vermelde leden zouden komen. Tevens is overeengekomen dat zij volledig over het toestel konden beschikken en dat de aandeelhouders hun aandeel vrij konden verhandelen.

nadien heeft de vzw genoemde ULV uitgeschreven uit het Belgische Luchtvaartregisters en is de ULV opnieuw en nu op naam van dhr [koper aandeel] en [appellant] geregistreerd in het Belgisch luchtvaartregister.

De vzw heeft de transactie, waardoor dhr [koper aandeel] mede-eigenaar werd van vermelde ULV, gefaciliteerd en bemiddeld. De verkoopsovereenkomst (17 april 2008) was een feitelijke bemiddeling in de onderlinge overeenkomst tussen de heren [eigenaar 2], [koper aandeel] en [appellant], die het mogelijk maakte dat genoemde ULV in België geregistreerd kon blijven. De (ver)koopsommen zijn onderling tussen kopers/verkopers verrekend en de vzw heeft geen enkel bedrag ontvangen dan wel betaald in deze. Bij deze transactie is door dhr. [koper aandeel] per bank € 10.000,- betaald aan Dhr. [eigenaar 2] en € 5000,- aan dhr. [appellant], in totaal € 15.000,-.”

Bij voornoemde productie 14 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie heeft de man een verklaring van de heer [koper aandeel] overgelegd waarin deze verklaart als volgt:

“In april 2008 heb ik een half aandeel gekocht van het Ultra Light vliegtuig met de registratie [call-sign]. Daartoe heb ik 1/6 aandeel gekocht van Dhr. [appellant] en 1/3 aandeel van Dhr. [eigenaar 2]. Dit toestel stond op naam van de vliegclub Light Aero Club en is op mijn naam overgeschreven met vermelding dat Dhr. [appellant] mede-eigenaar is voor 50%.

Voor mijn aandeel van 50% heb ik aan Dhr. [appellant] €5.000 en aan Dhr. [eigenaar 2] € 10.000 overgemaakt.”

Bij de verklaring is een bankafschrift van de rekening met IBAN nummer [rekeningnummer 2] overgelegd waaruit de betalingen zoals omschreven in de verklaring blijken. De man heeft voorts afschriften van een op zijn naam staande Belgische bankrekening met nummer [rekeningnummer 3] overgelegd, waaruit een betaling van [koper aandeel] aan de man blijkt van € 5.000,- op 14 april 2008 (productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie) met als omschrijving “verkoop aandeel FK9 ([call-sign]) aan [koper aandeel]”.

4.9.4.

Gelet op voornoemde overeenkomst van 9 juli 2005, de verklaringen van de heren [koper aandeel], [eigenaar 1] en [getuige], en de bij de verklaring van [koper aandeel] overgelegde bankafschriften, alsmede de bankafschriften van de man van de Belgische rekening met nummer [rekeningnummer 3], in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de man voldoende heeft ontkracht dat hij de koopprijs van het (aandeel in het) vliegtuig tijdens het huwelijk heeft voldaan. Nergens blijkt uit dat de man tijdens het huwelijk van partijen een bedrag van € 7.500,- heeft besteed aan de aanschaf van een aandeel in het ULM-vliegtuig, terwijl in de stukken wel steun kan worden gevonden voor de stelling van de man dat hij – tegen betaling – reeds in 2005 een aandeel in het vliegtuig heeft verworven waarna vervolgens [koper aandeel] in april 2008 - tegen betaling - het aandeel van de heer [eigenaar 2] in het ULM-vliegtuig heeft overgenomen alsmede 1/6e aandeel van de man (tezamen de helft van het toestel). Nu de man aldus geslaagd is in het door hem te leveren tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden dat het vliegtuig uit overgespaarde inkomsten is verkregen rust de verdere bewijslast van de stelling van de vrouw dat de man tijdens het huwelijk een bedrag van € 7.500,- uit overgespaard inkomen heeft besteed aan de aanschaf van een aandeel van het ULM-vliegtuig op de vrouw. Zij heeft op dit punt echter geen (voldoende specifiek) bewijsaanbod gedaan.

4.9.5.

Met betrekking tot de stelling van de vrouw dat de man eerst tijdens het huwelijk de juridische eigendom van een aandeel in het vliegtuig heeft verkregen overweegt het hof dat - in het kader van de beantwoording van de vraag of het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen is gevormd uit hetgeen verrekend had moet worden (art.1:141 lid 3 BW, artikel 9 lid 5 huwelijkse voorwaarden) - niet beslissend is dat de juridische eigendom van (een aandeel in) het vliegtuig eerst tijdens het huwelijk is verkregen maar of deze is verkregen met – kort gezegd – overgespaarde inkomsten. Zoals hiervoor is overwogen heeft de man – naar het oordeel van het hof – voldoende aangetoond dat hij reeds in 2005 – tegen betaling – een belang in het vliegtuig heeft verkregen, waarbij – naar het oordeel van het hof – uit de overeenkomst van 2005, in samenhang met de hiervoor weergegeven verklaringen van [eigenaar 1] en [getuige] kan worden afgeleid dat de beheersovereenkomst van 20 januari 2005, in wezen een constructie betrof, waarbij, vergelijkbaar met economische eigendom, het economisch belang bij het vliegtuig berustte bij de man en de andere deelnemers. De benaming beheersovereenkomst doet daar niet aan af.

4.9.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat de grief van de man slaagt en het beroepen vonnis op dit punt in zoverre dient te worden vernietigd dat de vordering van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 3.750,- alsnog dient te worden afgewezen.

4.9.7.

Nu de verrekenvordering van de vrouw met betrekking tot het vliegtuig wordt afgewezen, dient te worden beoordeeld of de vordering van de man te bepalen dat een bedrag ad € 5.000,- dat de man (van [koper aandeel]) heeft verkregen uit hoofde van de verkoop van aandelen in het ULM-vliegtuig welke de man reeds bij aanvang van het huwelijk in zijn bezit had niet in de verrekening dient te worden betrokken, alsnog voor toewijzing in aanmerking komt. De man heeft in eerste aanleg deze vordering aldus toegelicht (conclusie van dupliek, tevens houdende vermeerdering van eis, nr. 20) dat op het eindsaldo van de rekening met nummer [rekeningnummer 3] een bedrag ad € 5.000,- in mindering dient te worden gebracht teneinde tot het bedrag te komen dat in de verrekening van de begin-en eindsaldi dient te worden betrokken. De vrouw heeft deze vordering van de man gemotiveerd betwist.

4.9.8.

Naar het oordeel van het hof dient deze vordering te worden afgewezen. Uit de eigen stellingen van de man (conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, nr. 8) volgt dat genoemde rekening voornamelijk werd gebruikt om de kosten van het vliegen met het ULM- vliegtuig te bekostigen en dat vanaf 2008 toen de heer [koper aandeel] een aandeel kocht in het vliegtuig deze rekening ook werd gebruikt als “vliegpot” waarop huur van het vliegtuig werd gestort en kosten van reparatie en onderhoud werden voldaan. De man heeft (onder verwijzing naar bankafschriften, die zijn overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie) in de pleitnota in hoger beroep gesteld dat een bedrag van € 4000,- niet is aangewend voor onderhoudskosten, maar dat dit bedrag is overgeschreven naar een spaarrekening van de man met nummer [rekeningnummer 4] en dat deze rekening vervolgens door beide partijen werd gebruikt. Gelet op deze stelling van de man gaat het hof ervan uit dat het bedrag van € 5000,- is besteed, hetzij aan onderhoud van het vliegtuig hetzij door partijen gezamenlijk. Naar het oordeel van het hof is voor toewijzing van de vordering van de man dan ook geen plaats. Het vonnis van de rechtbank dient op dit punt, zij het op andere grond, te worden bekrachtigd.

Ad b) de gezamenlijke bankrekening met nummer [rekeningnummer 1]: in het bijzonder de kosten van de kinderen, de door de man betaalde partneralimentatie en privé behouden inkomsten (grief 2 van de man, alsmede de (voorwaardelijke) vermeerdering van eis van de man en grief 2 van de vrouw)

4.10.

De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu de man niet heeft weersproken dat een bedrag van € 6.183,- aan gemeenschappelijke gelden is aangewend ten behoeve van de kinderen van de man, de man de helft van dit bedrag (€ 3.091,50) aan de vrouw dient te vergoeden, nu deze kosten op basis van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden niet behoren tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Met grief 2 in het principaal appel keert de man zich tegen dit oordeel. Voorts heeft hij zijn eis voorwaardelijk vermeerderd.

4.10.1.

De man stelt dat partijen een financiële huishouding voerden als zijnde gehuwd in gemeenschap van goederen, en dat zij aldus bewust zijn afgeweken van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. Alle kosten en spaargelden zijn dan ook gedeeld als gevolg waarvan – in afwijking van de huwelijkse voorwaarden – de kosten van alle kinderen van partijen als gemeenschappelijke kosten werden voldaan. Een andere verdeling hanteren was praktisch gezien ook onmogelijk nu twee kinderen van de vrouw bij partijen verbleven en het derde kind gedurende ongeveer de helft van de huwelijkse periode bij partijen verbleef. Het vaststellen van het aandeel per kind per maand in vaste lasten is simpelweg onmogelijk. Er werd veelvuldig met geld geschoven tussen de verschillende rekeningen waarvan partijen gebruik maakten waardoor de gelden van partijen volledig vermengd zijn. Het wel in de verrekening betrekken van de kosten van de kinderen van de man - die drie kinderen heeft die in de huwelijkse periode merendeels buitenshuis woonden - en niet van de kosten van de kinderen van de vrouw - van wie twee kinderen gedurende de gehele huwelijkse periode bij de man en de vrouw hebben verbleven en een kind gedurende ongeveer de helft - zou, aldus de man, bovendien in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.

Primair stelt de man dan ook dat geen verrekening over en weer dient plaats te vinden. Subsidiair stelt de man dat hij de kosten voor zijn kinderen van zijn privérekening met nummer [rekeningnummer 5] heeft voldaan.

Voorts stelt de man dat als het hof van oordeel is dat de kosten van de kinderen van de man in de verrekening dienen te worden betrokken. ook de kosten welke partijen gezamenlijk hebben voldaan voor de kinderen van de vrouw dienen te worden verrekend. In dit verband heeft de man zijn eis dan ook (voorwaardelijk) vermeerderd als in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep nader vermeld.

4.10.2.

De vrouw voert verweer. Zij stelt dat de kosten van verblijf van de kinderen van beide partijen in het gezin van partijen nooit zijn verrekend. Ook de kinderen van de man verbleven periodes in het gezin. In zoverre kan de vrouw instemmen met de stelling van de man, namelijk dat de lasten van verblijf en dergelijke altijd als kosten van de huishouding zijn betaald. De man dient echter wel de helft van zijn betalingen aan zijn meerderjarige zoons ( studiebijdragen, ziektekostenverzekering ne autorijles) aan de vrouw te voldoen. De man heeft in de eerste jaren van het huwelijk, nadat zijn salaris op de gemeenschappelijke rekening was bijgevoegd, steeds een bedrag van € 1.250,- overgemaakt naar zijn eigen privérekening ter betaling van onder meer zijn alimentatieverplichtingen jegens zijn eerste ex-echtgenote mevrouw [eerste ex-echtgenote] en de (studie) kosten van zijn twee kinderen uit zijn eerdere huwelijk. De man had deze verplichtingen met privégeld moeten betalen nu dit geen kosten van de gemeenschappelijke huishouding betreffen en partijen moesten verrekenen wat na betaling van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding resteerde. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de man in verband met de aan zijn meerderjarige zoons betaalde bijdragen een bedrag van € 3.091,50 verschuldigd is.

4.10.3.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vordering van de vrouw betreffende de door de man betaalde partneralimentatie en de in privé behouden inkomsten, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Hiertegen richt zich grief 2 van de vrouw. Zij stelt dat de man betalingen aan zijn ex-echtgenote heeft voldaan tot een bedrag van € 5.949 en dat de man deze betalingen uit privé- vermogen had moeten voldoen. De vrouw vordert de helft van dit bedrag ad € 2.974,50 van de man. De man voert verweer.

4.10.4.

Grief 2 van de man (en diens voorwaardelijke vermeerdering van eis) alsmede grief 2 van de vrouw lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.10.5.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In artikel 7 onder 1 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding uitdrukkelijk niet worden begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van ieders eigen kinderen al of niet ten huize verblijvend. De vrouw stelt dat het nooit de bedoeling is geweest om de verblijfskosten niet tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding te laten behoren, maar dat artikel 7 slechts geldt voor de overige kosten van de kinderen, welke stelling echter geen steun vindt in de tekst van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de stellingen van beide partijen genoegzaam dat partijen artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden in zoverre niet hebben nageleefd dat zij de verblijfkosten van beider kinderen in het gezin van partijen steeds als kosten van de huishouding hebben voldaan. De vrouw heeft ook niet voldoende gemotiveerd betwist dat haar kinderen in de huwelijkse periode grotendeels in het gezin verbleven en dat de kinderen van de man merendeels buitenshuis woonden. Voorts heeft de vrouw niet betwist dat van de gemeenschappelijke rekening ook kosten van de kinderen van de vrouw zijn voldaan die niet tot de verblijfkosten kunnen worden gerekend. Het hof is dan ook van oordeel dat gelet op gedrag van partijen tijdens de huwelijkse periode, waarbij partijen zijn afgeweken van de huwelijkse voorwaarden, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw thans van de man de helft van de betaalde kosten voor de kinderen van de man vordert. Dit brengt met zich dat grief 2 van de man slaagt en de voorwaardelijke vermeerdering van eis van de man geen bespreking meer behoeft. Nu voorts de vrouw niet gemotiveerd heeft betwist dat de betalingen aan de ex-echtgenote van de man betalingen voor de dochter van de man betroffen komt de vordering van de vrouw tot betaling van een bedrag van € 2.974,50 niet voor toewijzing in aanmerking. Mitsdien faalt grief 2 van de vrouw.

Ad c) de persoonlijke lening bij Postbank N.V. (vermeerdering van eis van de man)

4.11.

De man stelt dat uit overgespaard inkomen een persoonlijke lening van de vrouw bij Postbank N.V. gedeeltelijk is afgelost. De lening bedroeg voor het huwelijk € 18.811,37 en op 3 juli 2007 € 15.379,98 toen de lening door de vrouw volledig is afgelost. De vordering is tijdens het huwelijk derhalve met € 3.431,39 afgenomen hetgeen overeenkomt met de maandelijkse aflossingen. De vrouw dient de man op grond van artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 1.715,70 te betalen.

De vrouw stelt dat de man op de hoogte is geweest van de betaling op deze schuld. De vrouw is van mening dat de aflossing op voorhuwelijkse eigen woningschuld niet valt onder de verrekenverplichting en dat de vordering van de man om die reden moet worden afgewezen.

De man heeft de stellingen van de vrouw betwist.

4.11.1.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De persoonlijke lening bij Postbank N.V. betreft een schuld van de vrouw aangegaan voorafgaand aan het huwelijk van partijen ten behoeve van een woning van de vrouw. De vrouw heeft niet kunnen aantonen dat zij de aflossingen tijdens het huwelijk van in totaal

€ 3.431,39 heeft voldaan uit haar privévermogen, zodat deze worden geacht te zijn voldaan uit overgespaard inkomen. De helft van het bedrag van de gedane aflossingen, te weten

€ 1.715,70, komt toe aan de man. De vordering van de man zal worden toegewezen.

Ad d) de sofa (grief 1 van de vrouw)

4.12.

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw ten aanzien van de sofa afgewezen. De rechtbank acht de stelling van de vrouw dat deze bank niet in de inboedelverdeling tussen partijen is betrokken, in het licht van het verweer van de man onvoldoende onderbouwd.

4.12.1.

De vrouw stelt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat partijen een gemeenschappelijke inboedel hadden die bij het uiteengaan van partijen is verdeeld. Partijen hebben bij huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap uitgesloten. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden beide partijen ieder een complete inboedel zoals ook blijkt uit de aan de huwelijkse voorwaarden aangehechte lijst van aanbrengsten. Bij het uiteengaan hadden partijen geen gemeenschappelijke inboedel, ieder heeft de eigen inboedelgoederen meegenomen.

De man heeft in december 2006 voor € 649,- een sofa gekocht die hij heeft betaald van de op naam van beide partijen gestelde bankrekening met nummer [rekeningnummer 1], waarop in die tijd het inkomen van beide partijen werd gestort. De enkele betaling van de en/of rekening maakt niet dat de bank als gemeenschappelijk eigendom geldt. De man heeft de sofa gekocht, deze is aan hem geleverd en bij het uiteengaan door hem behouden. De factuur was ook op zijn naam gesteld. De vrouw heeft op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden recht op vergoeding van de helft van de aanschafprijs, oftewel € 324,50.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

4.12.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Niet is komen vast te staan dat de sofa alleen op naam van en ten behoeve van de man is gekocht, nu de man die stelling van de vrouw gemotiveerd heeft betwist. De vrouw heeft terzake geen bewijsaanbod gedaan. Dit brengt met zich dat op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden heeft te gelden dat de sofa geacht wordt aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren. De vrouw heeft voorts ook in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd betwist dat, zoals de man, stelt de sofa is betrokken bij de onderlinge verdeling van enkele gemeenschappelijke inboedelzaken, in die zin dat de op 9 april 2009 gekochte laptop is toebedeeld aan de vrouw en de op 15 december 2006 aangeschafte sofa aan de man. Grief 1 van de vrouw faalt.

Ad e) het door de man opgenomen bedrag van € 3.168,92 (vermeerdering van eis van de vrouw)

4.13.

De vrouw stelt dat de man, na de voor verrekening geldende peildatum van 24 mei 2009, op 3 augustus 2009 een bedrag van in totaal € 3.168,92 van de bankrekening van de vrouw naar zijn eigen bankrekening heeft overgeschreven met vermelding “1/3 deel huuropbrengst”. Partijen hadden destijds een woning in Zuid-Afrika die was verhuurd. De man had beslag gelegd op de huuropbrengsten in Zuid-Afrika. In depot stond als gevolg van de beslaglegging omgerekend ongeveer een bedrag van € 10.000,-. De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 juni 2011 geoordeeld dat de vrouw 2/3 deel van de huuropbrengsten toekomt en de man 1/3 deel. De man heeft in Zuid-Afrika zijn 1/3 deel van de huuropbrengsten betaald gekregen. Het bedrag dat de man van de bankrekening van de vrouw naar zijn eigen bankrekening heeft overgemaakt, welk bedrag zag op hetzelfde 1/3 deel van de huuropbrengsten, heeft de man nimmer terugbetaald. De vrouw vordert een bedrag van € 3.168,92 te vermeerderen met rente.

4.13.1.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. De man stelt dat de vermeerdering van eis van de vrouw een verkapt hoger beroep bevat tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Middelburg van 29 juni 2011. De man stelt dat hij op 3 augustus 2009 zijn 1/3e deel van de huuropbrengsten van de rekening van de vrouw heeft onttrokken en het verhuurbureau vervolgens opdracht heeft gegeven om de huurinkomsten vanaf dat moment, dus vanaf augustus 2009 in depot te houden. De huurinkomsten tot augustus 2009 waren aldus reeds door partijen verdeeld. De kantonrechter heeft aldus alleen beslist over de in depot staande huuropbrengsten vanaf augustus 2009. Tenslotte stelt de man dat partijen elkaar op 26 april 2012 finale kwijting hebben verleend ten aanzien van de woning in Zuid-Afrika.

4.13.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In het vonnis van de rechtbank Middelburg, Sector kanton, van 29 juni 2011 heeft de kantonrechter overwogen:

“(…)

3.1.

Na het vertrek van [geïntimeerde] uit de echtelijke woning op 24 mei 2009 is er tussen hen een afspraak gemaakt over de verdeling van de huuropbrengsten van het huis in [plaats, Zuid-Afrika]. Over de inhoud van deze afspraak zijn partijen het thans niet geheel eens. Vast staat wel dat is afgesproken dat aan [geïntimeerde] tweederde deel van de huuropbrengsten zou toekomen en aan [appellant] eenderde deel. (…)

3.2.

Helaas zijn er bij de uitvoering van de voormelde afspraak moeilijkheden gerezen, die snel zijn geëscaleerd. Dienaangaande wordt het volgende vastgesteld dat enerzijds is gesteld en anderzijds niet, of onvoldoende is weersproken:

De huuropbrengsten van het huis in [plaats, Zuid-Afrika] werden overgemaakt op een bankrekening in Zuid-Afrika, die op naam stond van [geïntimeerde], maar waarop [appellant] een machtiging had. Met behulp van deze machtiging nam [appellant] eenderde deel van het saldo ad Rand 104.904,28 te weten een bedrag van Rand 32.000 op. [geïntimeerde] blokkeerde echter eind juli/begin augustus 2009 de machtiging van [appellant]. Tevens nam [geïntimeerde] van een bankrekening van [appellant] in Zuid-Afrika op 1 augustus 2009 een bedrag van Rand 32.000 op zonder toestemming van [appellant].

[geïntimeerde] heeft ter zitting gesteld dat de bank dit heeft gedaan, maar dat wordt gelogenstraft door productie 3 van [appellant], een ondertekende betalingsopdracht.

Vervolgens heeft [appellant] van een Nederlandse bankrekening ten name van [geïntimeerde] een bedrag van € 3.168,92, zijnde de tegenwaarde van Rand 32.000 op 3 augustus 2009 overgemaakt naar zijn eigen bankrekening in Nederland. [appellant] had via het internet toegang tot de Nederlandse bankrekening van [geïntimeerde]. Tevens heeft [appellant] aan het verhuurbureau in Zuid-Afrika opdracht gegeven om de huuropbrengsten van het huis in [plaats, Zuid-Afrika] in depot te houden.

3.3.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellant] dit laatste heeft gedaan, omdat zij haar standpunt over de verdeling van de gelden op haar bankrekening niet wil herzien. Dat kan niet waar zijn, want [appellant] heeft daarvan minder dan eenderde deel opgenomen (zonder onderscheid of de gelden op 24 mei 2009 reeds aanwezig waren of niet). Daaruit moest [geïntimeerde] afleiden dat [appellant] zich nu juist wel ging houden aan de afspraak, die hiervoor onder 3.1. is weergegeven. Aangenomen moet worden dat [appellant] opdracht heeft gegeven de huuropbrengsten in depot te houden, omdat hij er geen vertrouwen meer in had dat [geïntimeerde] zich aan de afspraak zou houden. De gang van zaken gaf [appellant] alle aanleiding voor dit gebrek aan vertrouwen. Zonder toelichting, die [geïntimeerde] niet heeft gegeven, is niet te begrijpen, waarom zij de overschrijving van Rand 32.000 van haar bankrekening in Zuid-Afrika ongedaan heeft gemaakt door de overschrijving van eenzelfde bedrag vanaf de bankrekening van [appellant] in Zuid-Afrika naar haarzelf.

(…)”

De kantonrechter heeft – onder meer – de man bevolen om zijn medewerking te verlenen aan de uitbetaling aan de vrouw van het haar toekomende deel van de huuropbrengsten van het huis in [plaats, Zuid-Afrika], Zuid-Afrika, zijnde tweederde deel van de thans in depot staande gelden.

4.13.3.

Het hof is van oordeel dat de stelling van de vrouw dat de man het bedrag van

€ 3.168,92 aan de vrouw zou moeten terugbetalen omdat de man slechts 1/3 deel van het in depot staande bedrag van € 10.000,- toekomt geen steun vindt in het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Middelburg van 29 juni 2011. De vrouw heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep weliswaar gesteld dat zij het gedeelte dat de man van de trustrekening heeft opgenomen heeft teruggeboekt naar de betreffende rekening en dat het saldo (ongeveer € 10.000,-) vervolgens volgens het vonnis is verdeeld, maar de vrouw heeft die stelling niet nader onderbouwd en deze blijkt ook niet uit het vonnis. Het had op de weg van de vrouw gelegen om haar standpunt aanstonds nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten.

Daarentegen vindt het standpunt van de man zoals hiervoor verwoord in rov. 4.13.1 wel steun in voornoemd vonnis, in het bijzonder in de rov. 3.2 en 3.3. Daaruit valt op te maken dat de man € 3.168,92, zijnde 1/3 deel van de op 3 augustus 2009 aanwezige huuropbrengsten naar zijn rekening heeft overgemaakt en dat vervolgens bij de kantonrechter is geprocedeerd over de na 3 augustus 2009 in depot gestorte huuropbrengsten waarvan ook 1/3 deel aan de man toekomt.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep nog betoogd dat haar vordering betrekking heeft op de verrekening van de saldi op de Nederlandse bankrekeningen en dat de man na de peildatum op 3 augustus 2009 voornoemd bedrag van haar rekening heeft opgenomen, zodat om die reden het bedrag aan haar moet worden terugbetaald. Het hof gaat aan dat betoog voorbij nu het aan de vrouw te wijten valt dat de man zich genoodzaakt zag om het bedrag van € 3.168,92 van haar Nederlandse bankrekening af te boeken, nu de vrouw eerder de opname van de man van Rand 32.000 van de rekening waarop de tot eind juli 2009 aanwezige huuropbrengsten stonden gestald ongedaan had gemaakt door van de rekening van de man in Zuid-Afrika Rand 32.000 over te boeken naar haar eigen rekening.

De vordering van de vrouw wordt afgewezen. Gelet op het voorgaande behoeft het standpunt van de man met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst van 26 april 2012 geen bespreking meer.

Ad f) de wettelijke rente (grief 3 van de vrouw)

4.14.

De rechtbank heeft de door de vrouw gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de veertiende dag na betekening van het vonnis. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de man eerst vanaf dat moment in verzuim is met de betaling aan de vrouw van het bij het vonnis vastgestelde bedrag.

4.14.1.

De vrouw stelt dat over hetgeen uit hoofde van het verrekenbeding verschuldigd is, conform geldende jurisprudentie, waarbij de vrouw ter gelegenheid van het pleidooi heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011: BU6591, ingevolge artikel 6:119 BW wettelijke rente verschuldigd is met ingang van het moment waarop de vordering opeisbaar is terwijl de schuldenaar daarvan met voldoening in verzuim is. De vordering ontstaat in beginsel op het in artikel 1:142 lid 1 BW onder b genoemde tijdstip, namelijk het tijdstip van indiening van het verzoekschrift echtscheiding. Op dat moment treedt ook het verzuim in. Nu het verzoek is ingediend op 23 september 2009 dient de wettelijke rente over de verrekenvordering in te gaan op die datum.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

4.14.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Naar het oordeel van het hof kan het beroep door de vrouw op het arrest van de HR van 2 december 2011, haar stelling dat de wettelijke rente is gaan lopen op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding, in zoverre niet dragen, dat in het onderhavige geval – anders dan in genoemd arrest niet alleen een termijn is overeengekomen met betrekking tot de periodieke verrekening maar ook een termijn met betrekking tot de finale verrekenplicht. Ingevolge artikel 9 onder 8 van de huwelijkse voorwaarden dient de verrekening van hetgeen met de besparingen is verkregen, immers binnen drie jaar na ontbinding van het huwelijk plaats te vinden. De echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Middelburg van 6 januari 2010 is op 18 februari 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft bij dagvaarding van 6 februari 2012 – binnen de in artikel 9 onder 8 van de huwelijkse voorwaarden genoemde termijn – een verrekenvordering ingesteld, zodat naar het oordeel van het hof de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 6 februari 2012.

De grief van de vrouw slaagt gedeeltelijk.

4.15.1.

Gelet op al het voorgaande dient het vonnis van de rechtbank te worden vernietigd voor zover het betreft de vergoeding door de man aan de vrouw van de helft van de waarde van het aandeel van de man in het vliegtuig en van de kosten van de kinderen van de man alsmede voor wat betreft de wettelijke rente. Voor het overige dient het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden bekrachtigd. De vermeerderde eis van de man ter zake de persoonlijke lening van de vrouw komt voor toewijzing in aanmerking. Voor alle duidelijkheid zal het hof het vonnis van de rechtbank in zijn geheel vernietigen en opnieuw recht doen als in het dictum te bepalen.

4.15.2.

Samenvattend dient te worden vergoed door de man aan de vrouw:

Motorrijbewijs

€ 180,80

Levensloopregeling

€ 8.857,86

Motor

€ 400,00

Totaal

€ 9.438,66

Door de vrouw dient vergoed te worden aan de man:

Kosten verkoop woning vrouw

€ 6.022,91

Ziektekosten en wegenbelasting

€ 606,54

Persoonlijke lening bij Postbank N.V.

€ 1.715,70

Totaal

€ 8.345,15

Uit het beroepen vonnis blijkt dat de vrouw aan de man terzake de bankrekeningen van partijen moet vergoeden een bedrag van € 17,-.

Per saldo is de man dus verschuldigd aan de vrouw € 1.076,51 (9.438,66 minus € 17,- en minus € 8.345,15).

4.16.

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, zullen de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 juni;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om aan de vrouw, binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, te betalen een bedrag van € 1.076,51, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 6 februari 2012;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het over en weer meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, W.Th.M. Raab, en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2014.