Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3757

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
HD 200.141.419_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale bevoegdheid. Artikel 5, lid 1 sub a EEX-Verordening. Twee in België woonplaats hebbende partijen. Internationaal karakter. De rechtbank Limburg is bevoegd als het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd dan wel moet worden uitgevoerd.

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken 5, geldigheid: 2014-09-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 6, p. 305

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.141.419/01

arrest van 23 september 2014

in de zaak van

[X.] Internationaal Transport BVBA,

gevestigd te [vestigingsplaats] (België),

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Venlo,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] (België),

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 januari 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis in het incident van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 8 januari 2014, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, en [geïntimeerde] als eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/04/119299/HA ZA 12-335)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met productie;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellante], [geïntimeerde] en Wessem Port Services Group B.V. te [plaats] (hierna: WPS Group) waren gezamenlijk de houders van het gehele geplaatste aandelenkapitaal in Wessem Port Services Wegtransport B.V. te Roermond (hierna: WPS). Op 1 september 2006 is tussen [appellante], WPS Group en [geïntimeerde] een aandeelhoudersovereenkomst gesloten (productie 1 inleidende dagvaarding), waarin onder meer is opgenomen dat [appellante] van [geïntimeerde] een calloptie ontvangt, inhoudende het recht om het aandelenbelang van 10% van [geïntimeerde] in zijn geheel te kopen op enige datum die [appellante] verkiest doch uiterlijk op de dag dat [geïntimeerde] niet langer in dienst zal zijn van (de rechtsopvolgers van) WPS. In de overeenkomst is bepaald (punt 8) dat de koopprijs wordt vastgesteld door de intrinsieke waarde van de aandelen zoals die ten tijde van uitoefening van de calloptie zal luiden, eventueel te verhogen met een alsdan nader te bepalen goodwillvergoeding.

3.1.2.

Bij brief van 8 oktober 2010 (productie 2 inleidende dagvaarding) heeft [appellante] de calloptie per 31 december 2010 ingeroepen. Over de daarbij te hanteren koopprijs (de vaststelling van de intrinsieke waarde en de eventuele goodwillvergoeding) zijn partijen het niet eens geworden. [geïntimeerde] heeft er onder protest aan meegewerkt dat de aandelen bij notariële akte van levering (productie 9 inleidende dagvaarding) ten overstaan van notaris [notaris] te Roermond aan [appellante] zijn overgedragen tegen betaling van € 135.470,-. Dit bedrag was blijkens de als productie 9 bij inleidende dagvaarding overgelegde akte van verkoop en levering van aandelen gestort op de derdengeldrekening van notariskantoor [notariskantoor] te Roermond.

3.2.1.

[geïntimeerde] vordert:

a. een deskundige te benoemen ter bepaling van de intrinsieke waarde van de door [geïntimeerde] aan [appellante] geleverde aandelen per 31 december 2010 en ter bepaling van de hoogte van de aan hem te betalen goodwillvergoeding uit hoofde van de overeenkomst van 1 september 2006;

b. na vaststelling daarvan door de deskundige: veroordeling van [appellante] tot betaling van het verschil tussen het reeds door [geïntimeerde] ontvangen bedrag van € 135.470,- en de vastgestelde waarde van de aandelen en de goodwill, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf (primair) 1 januari 2011 tot de dag van voldoening.

3.2.2.

Bij incidentele conclusie heeft [appellante] gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van de hoofdzaak kennis te nemen. Kort gezegd heeft [appellante] daartoe aangevoerd dat beide partijen in België woonplaats hebben, dat een internationaal karakter ontbreekt en dat de zaak daarom moet worden berecht door de Belgische rechter. Subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat de Nederlandse rechter wel rechtsmacht toekomt, stelt [appellante] zich op het standpunt dat de rechtbank Den Haag relatief bevoegd is van het geschil kennis te nemen.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in het incident.

3.2.4.

Bij het bestreden vonnis in het incident heeft de rechtbank geoordeeld dat zij bevoegd is van het geschil kennis te nemen, de vordering in het incident afgewezen en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van de conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

Bij beslissing van 22 januari 2014 heeft de rechtbank op verlangen van [appellante] op de voet van artikel 337 lid 2 Rv bepaald dat van het vonnis in het incident tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld.

3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot het alsnog toewijzen van haar vordering in het incident.

Het hof zal de grieven in het hiernavolgende gezamenlijk behandelen.

3.4.

[appellante] heeft - terecht - niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 3.4 van het bestreden vonnis dat sprake is van een geschil met een internationaal karakter. Nu het geschil tussen partijen die beiden woonplaats hebben in België de waarde van de aandelen van een in Nederland gevestigde besloten vennootschap betreft gaat ook het hof uit van het internationale karakter van de zaak en de toepasselijkheid van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening). (Vergelijk HvJ EU 17 november 2011, C-327/10 inzake Hypotechna Banka c. Lindner)

3.5.

Uitgangspunt is dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. In het onderhavige geval gaat het, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 3.5 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld, om de koop en verkoop van vermogensrechten, zodat artikel 5 lid 1 sub a van de EEX-Verordening van toepassing is. Op grond van die bepaling kan een (rechts)persoon in afwijking van het hiervoor bedoelde uitgangspunt ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EG moet het begrip 'verbintenissen uit overeenkomst' verordeningsautonoom worden uitgelegd, dus niet aan de hand van een nationaal rechtsstelsel. Aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van de EEX-Verordening.

3.6.

In het onderhavige geval is de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt de betalingsverplichting van [appellante] van de (resterende) intrinsieke waarde van de door [geïntimeerde] aan [appellante] verkochte aandelen en van de (eventuele) goodwillvergoeding (betaling van de volgens [geïntimeerde] nog verschuldigde restant koopprijs, een geldsom dus), gegrond op de overeenkomst van 1 september 2006. De grieven slagen voor zover [appellante] daarmee betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor de uitleg van het begrip 'de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt' moet worden gekeken naar de verbintenis die de keerzijde vormt van het contractuele recht waarop een beroep wordt gedaan (de verbintenis tot levering van de aandelen). In de (ook door de rechtbank aangehaalde) uitspraak van het Hof van Justitie EG van 6 oktober 1975, NJ 1977/170, C.14/76 (De Bloos / Bouyer), is bepaald dat het gaat om de verbintenis uit hoofde waarvan de eisende partij haar actie heeft ingesteld, de litigieuze verbintenis. In dat arrest wordt overwogen: "dat ingeval de verzoeker aanspraak op schadevergoeding maakt of ontbinding van de overeenkomst ten laste van de wederpartij verlangt, de in artikel 5, sub 1, bedoelde verbintenis steeds die is welke voortvloeit uit de overeenkomst en waarvan niet-nakoming wordt aangevoerd ter rechtvaardiging van zodanige vordering;". Dat is in het onderhavige geval de door [geïntimeerde] gevorderde betaling van de volgens hem aanvullend verschuldigde koopprijs.

3.7.

In het onderhavige geval heeft inzake de koopprijs al een betaling plaatsgevonden door storting op de rekening van de notaris, zij het dat volgens [geïntimeerde] niet de volledige koopprijs aldus is betaald. Het hof leidt hieruit af dat de koopsom in het kader van de levering van de aandelen dus in Nederland moest worden gestort, zodat betaling van de (gestelde) nabetaling van de koopsom ook in Nederland zal moeten worden gestort. De rechtbank Limburg, locatie Roermond, is dan het gerecht van de plaats waar de betalingsverplichting moet worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder a EEX -Verordening (vergelijk Hof van Justitie EG 6 oktober 1976, NJ 1977/169 (Tessili/Dunlop).

3.8.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat artikel 5 (lid 1 sub a) van de EEX-Verordening [geïntimeerde] inderdaad een grond biedt om [appellante] op te roepen voor de Nederlandse rechter, en wel die te Roermond. De grieven kunnen daarom niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Het hof zal dat vonnis onder verbetering van rechtsgronden bekrachtigen en de zaak terugverwijzen voor verdere behandeling door de rechtbank. Gelet op van de uitspraak van de Hoge Raad van 29 april 2005 (rechtsoverweging 3.3.2), ECLI:NL:HR:2005:AS8913, acht het hof uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bevoegdverklaring niet opportuun.

3.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep onder verbetering van rechtsgronden;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, voor de verdere behandeling en afdoening;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 308,- aan griffierecht en op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.T. Begheyn, R.R.M. de Moor en J.R. Sijmonsma en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2014.