Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3749

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
20-000350-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art. 2 onder C Opiumwet. Bekennende verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000350-14

Uitspraak : 22 september 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2014, parketnummer 01-845812-13 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, onder de parketnummers 01-031865-12 en 01-810076-10,

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de hem onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit - opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 46 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over het onder de verdachte in beslag genomen geld en de tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijk opgelegde straffen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Nu voor de verdachte geen hoger beroep openstaat tegen de vrijspraak van het onder 2 en 3 ten laste gelegde, wordt het hoger beroep begrepen als uitdrukkelijk niet tegen die vrijspraak te zijn gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, behoudens voor wat betreft de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest. Hij heeft de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van twee eerder opgelegde voorwaardelijke straffen gevraagd en het hof verzocht met betrekking tot het in beslag genomen geld te beslissen overeenkomstig het vonnis van de eerste rechter.

In zijn pleitnota heeft de raadsman weliswaar geconcludeerd tot vrijspraak terzake het drugsbezit, maar ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zijn standpunt genuanceerd en aangegeven dat vanuit juridisch oogpunt geconcludeerd moet worden, mede gezien de verklaring van zijn cliënt in hoger beroep, dat er sprake is van het aanwezig hebben van cocaïne, en zich derhalve gerefereerd voor wat betreft een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Het hof begrijpt de verdediging aldus dat het beroep op vrijspraak niet is gehandhaafd.

Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep voorts gepleit tot

teruggave van het inbeslaggenomen geld aan de verdachte, en voor wat betreft de gevorderde tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf deze om te zetten in een taakstraf danwel de proeftijd van deze tenuitvoerlegging te verlengen.

Subsidiair is door de raadsman aangevoerd dat indien het hof niet uitgaat van de verklaring van de verdachte dat het bij hem aangetroffen geld spaargeld betrof, de zaak bij tussenarrest moet worden aangehouden teneinde aan de verdachte alsnog de gelegenheid te bieden om door middel van het overleggen van zijn bankafschriften aan te tonen dat hij de waarheid spreekt en dat het hier inderdaad om spaargeld gaat.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Zo komt het hof tot een andere bewijsconstructie dan de eerste rechter.

Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 05 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 201 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 oktober 2013 te 's-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 201 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van het bewezen verklaarde feit volstaat het hof, gelet op de bekennende verklaring van verdachte daaromtrent, met een opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

1.

De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 september 2014, inhoudende: ‘Ik wist dat iemand bij mij op de slaapkamer in de door de rechtbank bewezenverklaarde periode op verschillende plaatsen zakjes met cocaïne had neergelegd. Ik wist dat er in totaal 201 gram cocaïne lag. Ik bewaarde deze cocaïne voor deze persoon’.

2.

De bevindingen van de verbalisant bij het binnentreden van de woning in de [adres]1.

3.

De bevindingen van de verbalisant bij het onderzoek naar de aangetroffen verdovende middelen2.

4.

De bevindingen van NFI-deskundige forensisch drugsanalyse3

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

-de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

-de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving schade wordt berokkend;

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

-de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de

Justitiële Documentatie d.d. 29 juli 2014, niet eerder ter zake soortgelijke misdrijven door de strafrechter is veroordeeld;

-de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles tegen elkaar afwegende komt het hof tot oplegging van een gevangenisstraf die lager is dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur in dit geval een passende reactie.

Met oplegging bovendien van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet valt te herleiden dat het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag (in totaal EUR 2.680,-- (goednr. 578351)) afkomstig is uit het bewezen verklaarde feit.

Gelet daarop is het hof van oordeel dat dit geldbedrag, dat in een enveloppe was gestopt, waarop verdachtes naam stond vermeld, moet worden teruggegeven aan de verdachte. In het licht van deze beslissing wordt het verzoek van de raadsman om bij eventueel tussenarrest het onderzoek te heropenen om de verdachte in de gelegenheid te stellen om – kort gezegd – bankafschriften te overleggen afgewezen, bij gebrek aan verdedigingsbelang.

De vorderingen tot tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie in het arrondissement Oost-Brabant van 13 december 2013, tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te 's-Hertogenbosch van 14 mei 2012 onder parketnummer 01-031865-12 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, van oordeel, dat -nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt- de tenuitvoerlegging van deze straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Het hof is voorts ten aanzien van de vordering van het openbaar ministerie in het arrondissement Oost-Brabant van 13 december 2013, tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 januari 2012 onder parketnummers 01-810076-10 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand, van oordeel, dat -nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt- de tenuitvoerlegging van deze straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Het hof heeft, anders dan de raadsman heeft bepleit, in het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding gezien deze straf al dan niet gedeeltelijk om te zetten in een werkstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 77a, 77g, 77h, 77i en 77dd van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 46 (zesenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geld, te weten: een geldbedrag van in totaal EUR 2.680,-- (goednr. 578351).

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 14 mei 2012, parketnummer 01-031865-12, te weten van:

taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 30 januari 2012, parketnummer 01-810076-10, te weten van:

jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van A van Baast, griffier,

en op 22 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R.M. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het ambtsedig proces-verbaal binnentreden woning van politieregio Brabant-Noord, District Meierij, D1 – Districtelijke Opsporing, proces-verbaalnummer PL21XO-2013104245-3, d.d.5 oktober 2013 (pag 34 tot en met 36).

2 Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van politieregio Brabant-Noord, District Meierij, D1 – Districtelijke Opsporing, proces-verbaalnummer PL21XO-2013104245-19, d.d.6 oktober 2013 (pag 69).

3 Het rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door de rapporteur ing. P.H. Walinga, d.d. 23 oktober 2013, zaaknummer 2013.10.14.065.