Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3715

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
F 200.139.942-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat er bij de man sprake is van een hogere draagkracht dan door de rechtbank is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 september 2014

Zaaknummer: F 200.139.942/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/04/122960 / FA RK 13-606

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw], en [de jongmeerderjarige],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de vrouw en de jongmeerderjarige,

advocaat: mr. J.W.J. Hopmans,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G.H.J. Spee.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 7 januari 2014, hebben de vrouw en de jongmeerderjarige verzocht voormelde beschikking te vernietigen met vaststelling van een door de man te betalen ouderbijdrage, die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 28 februari 2014, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw en de jongmeerder-jarige in hun verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen en – al dan niet onder verbetering van gronden – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Hopmans;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Spee.

2.3.1.

De jongmeerderjarige is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 september 2013;

  • -

    het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 22 januari 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de man, gedateerd 17 juli 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de man en de vrouw zijn geboren:

- de jongmeerderjarige, op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats];

- [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].

De man heeft de kinderen erkend.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Roermond, sector kanton, van 17 april 2012 is een meerderjarigenbewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de jongmeerderjarige, met benoeming van de vrouw tot bewindvoerder over die goederen.

De vrouw heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat zij als bewindvoerder toestemming heeft gegeven voor het hoger beroep dat door de jongmeerderjarige is ingesteld, zodat de jongmeerderjarige ontvankelijk is in het hoger beroep.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad – verklaarde beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2013 als bijdrage in de kosten van levens-onderhoud en studie van de jongmeerderjarige een bedrag van € 25,-- per maand moet voldoen.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] een bedrag van € 25,-- per maand moet voldoen.

3.4.

De vrouw en de jongmeerderjarige kunnen zich met deze beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de vrouw en de jongmeerderjarige richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van de man.

Ingangsdatum

3.6.

De ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdragen, zijnde 1 juni 2013, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte kinderen

3.7

De (resterende) behoefte van de jongmeerderjarige ad € 100,-- per maand en de (resterende) behoefte van [de minderjarige] ad € 223,-- per maand is in hoger beroep niet in geschil, zodat deze vast staan.

Draagkracht

3.8

De vrouw heeft de navolgende vier grieven tegen de bestreden beschikking opgeworpen die allen de draagkracht van de man betreffen:

1. De rechtbank heeft ten onrechte het gemiddelde bedrijfsresultaat vastgesteld op basis van de resultaten over de jaren 2010, 2011 en 2012. Het bedrijfsresultaat over 2012 is zodanig afwijkend van de resultaten van de voorgaande jaren, dat dit jaar buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank heeft daarom het netto besteedbaar inkomen van de man ten onrechte vastgesteld op een bedrag van € 1.238,-- per maand. De vrouw stelt dat het bestedingspatroon van de man niet correspondeert met voornoemd netto besteedbaar inkomen. Ook wordt er blijkens de jaarstukken van 2012 plotseling een schuld aan de vader van de man van € 98.000,-- opgevoerd, terwijl de vrouw en de jongmeerderjarige van hun accountant hebben vernomen dat het privé-vermogen van de man met bijna € 100.000,-- zou zijn toegenomen.

2. De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat over het jaar 2013 geen hoger bedrijfsresultaat te verwachten valt. De man heeft hiervan geen stukken overgelegd.

3. De man is in het bezit van een kostbare schilderijencollectie, waartoe onder andere een schilderij van Vermeer behoort. De vrouw en de jongmeerderjarige zijn van mening dat de man de schilderijencollectie liquide kan maken en met het rendement daarvan rekening gehouden kan worden bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage.

4. De vrouw en de jongmeerderjarige zijn er verder mee bekend dat de man meerdere bankrekeningen in het buitenland heeft waarop aanzienlijke saldi staan. De man heeft deze vermogensbestanddelen verzwegen, terwijl hiermee bij de berekening van de draagkracht van de man wel rekening had moeten worden gehouden.

3.8.1

Ten aanzien van grief 1:

3.8.1.1. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep in aanvulling op haar grief nog aangevoerd dat zij ernstig twijfelt aan de juistheid van de overgelegde jaarstukken. De vrouw stelt daartoe dat nadat de man alimentatieplichtig is geworden de bedrijfsresultaten steeds verder zijn gedaald terwijl er nog altijd veel bedrijvigheid te zien is rondom de woning met bedrijfsruimte van de man. Dit strookt niet met de slechte bedrijfsresultaten. De vrouw heeft het vermoeden dat sprake is van creatief boekhouden c.q. creatieve administratie. De vrouw stelt verder dat de man alleen jaarstukken heeft overgelegd van [bedrijf] en dat er tijdens de samenwoning van partijen daarnaast sprake was van een [beheer] Beheer B.V. waaruit inkomen werd gegenereerd. De man heeft van deze vennootschap geen stukken overgelegd. Ten aanzien van de schuld van de man aan zijn vader voert de vrouw aan dat jaarlijks een bedrag door de vader van de man wordt kwijtgescholden, hetgeen als vermogen moet worden aangemerkt.

3.8.1.2. De man is van mening dat het bedrijfsresultaat in 2012 niet dermate laag of afwijkend is, dat er aanleiding bestaat om het bedrijfsresultaat over 2012 buiten beschouwing te laten. In 2011 was al een sterke terugval merkbaar in het aantal deelnemers aan de kernactiviteit die door het bedrijf van de man wordt aangeboden, hetgeen zijn weerslag heeft gehad op de nevenactiviteiten in 2012. De omzet is gedurende 2013 verder gedaald naar € 13.850,--, waardoor het gemiddelde bedrijfsresultaat over de laatste drie jaren nog lager is dan door de rechtbank is vastgesteld. De man heeft verschillende activiteiten ondernomen om hierin verandering te brengen, waarin hij wordt belemmerd door problemen met zijn gezondheid.

De man betwist dat er gedurende de samenwoning van partijen sprake was van een andere onderneming naast [bedrijf]. De man heeft verklaard dat het bij [beheer] Beheer B.V. gaat om een besloten vennootschap van zijn vader waarmee de man verder niets van doen heeft en waaruit door hem ook geen inkomen is genereerd. De man kan de stelling van de vrouw dat sprake is van een grote bedrijvigheid rondom zijn woning met bedrijfsruimte niet plaatsen, behalve dat hij zijn bedrijfsruimte al jaren twee keer per jaar ter beschikking stelt voor een grote bijeenkomst van vijf dagen. De man ontvangt hiervoor een niet kostendekkende vergoeding van € 350,-- per keer. De man wordt voor de kosten van zijn levensonderhoud ondersteund door zijn vader. De gelden die hij ter ondersteuning ontvangt moeten na de dood van zijn vader worden verrekend bij de afwikkeling van diens nalatenschap. De man heeft verder verklaard dat de lening van zijn vader oorspronkelijk ƒ 600.000,-- bedroeg. De vader van de man heeft af en toe een deel van die lening “weggeschonken”. Er is derhalve geen sprake van inkomen maar van vermindering van schuld.

3.8.1.3. Het hof overweegt ten aanzien van grief 1 als volgt:

De stelling van de vrouw en de jongmeerderjarige dat zij het stellige vermoeden hebben dat het extreem lage bedrijfsresultaat te wijten is aan het voeren van een “creatieve boekhouding c.q. creatieve administratie acht het hof in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende onderbouwd om de overgelegde jaarstukken in twijfel te trekken en/of buiten beschouwing te laten.

Het hof overweegt daarbij dat de man ter zitting onweersproken heeft verklaard dat [beheer] Beheer B.V. een besloten vennootschap van zijn vader is waar hij niets mee van doen heeft. De stelling dat er nog altijd sprake is van veel bedrijvigheid rondom de woning met bedrijfsruimte van de man is door de vrouw in het geheel niet onderbouwd. Daarbij komt dat indien daar sprake van zou zijn, hetgeen door de man wordt betwist behoudens de twee bijeenkomsten van vijf dagen per jaar, daarmee nog niet komt vast te staan dat de man meer omzet genereert dan uit de jaarstukken blijkt.

Uit de door de man overgelegde jaarstukken 2012 is het hof, anders dan de vrouw stelt, niet gebleken van een plotselinge schuld aan de vader van de man van € 98.000,--,. Deze schuld kwam ook in eerdere jaarstukken voor. Het hof gaat dan ook reeds daarom aan die stelling voorbij.

De man heeft ten aanzien van de toename van zijn vermogen erop gewezen dat dit de afname betreft van de eigenwoningschuld, waarbij het gaat om een schuld aan zijn vader die een deel van de schuld in de loop der jaren heeft kwijtgescholden. Anders dan de vrouw, is het hof van oordeel dat met de afname van deze schuld bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening dient te worden gehouden. Er is immers geen sprake van gelden die ter vrije beschikking van de man staan. Dat toename van het vermogen zou zijn gerealiseerd uit inkomen van de man en de man dus de beschikking zou moeten hebben over meer inkomsten dan blijkt uit de jaarstukken, is door de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd zodat het hof ook daar aan voorbij gaat.

De vrouw heeft voorts betoogd dat indien de man jaarlijks door zijn vader financieel wordt ondersteund, hiermee bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden. Het hof gaat hier aan voorbij nu op de vader van de man geen verplichting rust om de vader financieel te steunen in het voldoen van een bijdrage in het levensonderhoud van [de minderjarige] en de jongmeerderjarige

Uit de door de man overgelegde jaarstukken volgt dat er vanaf het jaar 2010 sprake is van afnemende bedrijfsresultaten. Uit de voor het eerst in hoger beroep overgelegde jaarstukken over 2013 volgt dat de dalende tendens in de bedrijfsresultaten zich ook in 2013 heeft voortgezet, nu er in 2013 sprake is van verlies van € 447,--. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het bedrijfsresultaat over 2012 – als niet representatief – buiten beschouwing te laten. De rechtbank is terecht uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2010 tot en met 2012. Grief 1 van de vrouw en de jongmeerderjarige faalt.

3.8.2.

Ten aanzien van grief 2:

Nu de man in hoger beroep alsnog de belastingaangifte en de jaarstukken over 2013 heeft overgelegd, faalt grief 2 van de vrouw en de jongmeerderjarige eveneens.

3.8.3.

Ten aanzien van grief 3:

De vrouw heeft ter zitting verder verklaard dat de man inderdaad niet beschikt over een aquarel van Vermeer maar wel over een tweetal schilderijen, die gezien de verzekeringswaarde, waarvan de hoogte haar niet precies bekend is, van grote waarde zijn. De man heeft betwist dat hij de beschikking heeft over twee schilderijen. Het ene schilderij waaraan de vrouw refereert is van zijn vader en ook weer in diens bezit. Het andere is een aquarel verworven uit de nalatenschap van zijn moeder met een waarde van niet meer dan € 9000,--. Desgevraagd heeft de vrouw aangegeven ter zake niet over bewijsstukken van haar stellingen te beschikken zodat het hof in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man aan de stellingen terzake van de vrouw en de jong meerderjarige voorbij gaat. Ook de derde grief faalt.

3.8.4.

Ten aanzien van grief 4:

De man heeft betwist dat hij bankrekeningen in het buitenland bezit. De vrouw en de jongmeerderjarige hebben zonder enige nadere onderbouwing enkel gesteld er mee bekend te zijn dat de man meerdere bankrekeningen in het buitenland heeft waarop aanzienlijke saldi staan. Ter zitting heeft de vrouw ook aangegeven ter zake ook niet over enig bewijs te beschikken. Het hof passeert dan ook deze stelling van de vrouw en de jong meerderjarige als onvoldoende onderbouwd.

De vrouw en de jong meerderjarige hebben de stelling dat de man vermogensbestanddelen zou hebben verzwegen niet nader geconcretiseerd en onderbouwd. Voor zover daarbij gedoeld wordt op de verkoop van het onroerend goed in Portugal, ter zake waarvan de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat zij bewijsstukken wenst te zien van de verkoopprijs en de verkoopopbrengst van de woning in Portugal, overweegt het hof het volgende.

De man heeft onweersproken verklaard dat het bij de verkoop niet ging om een woning maar om een stuk land met daarop een ruïne dat al lang in de verkoop stond. Verder heeft de man verklaard dat de ontvangen koopprijs nog onvoldoende was om de vrouw het bedrag van € 57.000-- te betalen, waartoe hij bij vonnis van 7 februari 2014 was veroordeeld. Uit de belastingaangifte 2013 blijkt dat de door de man ter zake het onroerend goed in Portugal opgegeven waarde per 1 januari 2013 € 70.000,-- en per 31 januari 2013 € 55.000,-- bedroeg. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de man enig voor de beoordeling van zijn draagkracht relevant vermogen heeft verzwegen.

Ook grief vier faalt derhalve.

3.9.

Nu alle grieven van de vrouw en de jongmeerderjarige falen brengt dat met zich dat de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man terecht rekening heeft gehouden met een netto besteedbaar inkomen van € 1.238,-- per maand. Nu de man een netto besteedbaar inkomen heeft lager dan € 1.250,- netto per maand is de rechtbank terecht uitgegaan van een minimumdraagkracht van de man van € 50,--, te weten € 25,-- per maand voor de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige en € 25,-- per maand voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige].

3.110. De beschikking waarvan beroep zal, gelet op al het bovenstaande, worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 oktober 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, M.C. van Dijkhuizen en J.H.J.M. Mertens-Steeghs en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2014.