Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3661

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
HD 200.136.496_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1692
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koopovereenkomst schip

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.136.496/01

arrest van 16 september 2014

in de zaak van

[appellant],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

domicilie gekozen hebbende te Haarlem,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. V.J.M.H.Y. van Haaster te Haarlem,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden c.s.],

advocaat: mr. W.A. Koers te Leusden,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 september 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 26 juni 2013, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerden c.s.] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. C/01/222224 / HA ZA 11-5)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het comparitievonnis van 6 april 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het tegen [geïntimeerden c.s.] verleende verstek, welk verstek ter rolle van 31 december 2013 is gezuiverd;

- de memorie van grieven met drie producties;

- de memorie van antwoord.

Nadat [appellant] zijn pleidooiverzoek heeft ingetrokken hebben partijen arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. Op 27 maart 2009 hebben [geïntimeerden c.s.] als verkopers en [appellant] als koper een koopovereenkomst gesloten ter zake van een schip voor een koopsom van € 15.000,00.

b. In artikel 1 van de koopovereenkomst is dit schip omschreven als: “Rudolf Diesel; Ex-mijnenveger (ex-opleidingsschip Amerikaanse Marine) - geschikt voor bewoning en recreatie - 42,0 x 7,50 x 2,40 x 9.00m.) (…) bouwjaar 1943 (…)”.

In artikel 1 staat verder: “Het Vaartuig is verkocht in de (technische) staat waarin het Vaartuig zich op het moment van ondertekening van deze koopovereenkomst bevindt en verkoper kan niet aansprakelijk gehouden worden voor enig gebrek of verborgen gebrek. Het vaartuig zal door verkoper uit het kadaster worden uitgeschreven.”

In artikel 4 staat:

De totale verkoopprijs bedraagt € 15.000. Deze totaalsom zal door koper aan verkoper worden voldaan in 30 opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 500, bij vooruitbetaling te voldoen op de eerste van de maand ingaande 1 april 2009. (…)

De eigendomsoverdracht vindt plaats per direct: Met ingang van het datum ondertekening is het Vaartuig voor rekening en risico van koper. Koper zal het vaartuig voor 1 april 2009 verplaatsen naar een andere ligplaats of met de havenmeester een nieuwe overeenkomst sluiten voor 1 april 2009.

c. [geïntimeerden c.s.] hebben het schip aan [appellant] geleverd. [appellant] heeft op 1 april 2009 de eerste termijn van € 500,00 aan [geïntimeerden c.s.] betaald.

d. [geïntimeerden c.s.] hebben bij brief van 9 oktober 2009 [appellant] verzocht om de (op dat moment bestaande) betalingsachterstand van € 3.000,00 zo spoedig mogelijk te voldoen. Hierna heeft [appellant] een bedrag van € 800,00 aan [geïntimeerden c.s.] voldaan.

e. Bij brief van 28 april 2010 hebben [geïntimeerden c.s.] [appellant] gewezen op de (op dat moment bestaande) betalingsachterstand van € 5.200,00 en hem gesommeerd om zijn verplichtingen na te komen. Bij brieven van 25 juni 2010 en 19 juli 2010 heeft de gemachtigde van [geïntimeerden c.s.] [appellant] gesommeerd om zijn maandelijkse afbetalingsverplichting te hervatten.

f. [appellant] heeft de verschuldigde termijnen niet voldaan.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerden c.s.]:

Primair [appellant] te veroordelen tot:

1. betaling van € 7.400,00 ter zake van achterstallige betalingen tot en met september 2010 alsmede ter zake achterstallige betalingen vanaf 1 oktober 2010 tot en met datum vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente;

2. betaling van het op grond van artikel 4 van de koopovereenkomst maandelijks verschuldigde bedrag van € 500,00 vanaf de eerste dag van de maand na de dag van de uitspraak tot de dag dat de overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd (1 oktober 2011);

3. betaling van € 913,92 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2010, zulks met voordeling van [appellant] in de proceskosten;

Subsidiair veroordeling van [appellant] tot hetgeen primair is gevorderd, met dien verstande dat in plaats van het primair onder 2 gevorderde wordt gevorderd om voor recht te verklaren dat [appellant] maandelijks aan [geïntimeerden c.s.] € 500,00 dient te voldoen vanaf de eerste dag van de maand na de dag van de uitspraak tot de dag dat de overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd (1 oktober 2011).

3.2.2.

Aan deze vordering hebben [geïntimeerden c.s.], kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellant] in verzuim is met het voldoen van zijn maandelijkse betalingsverplichting van € 500,00 voor de aankoop van het schip. [geïntimeerden c.s.] maken aanspraak op betaling van de inmiddels per 1 oktober 2011 geheel opeisbare resterende koopsom van € 13.700,00.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft hierbij primair een beroep gedaan op artikel 6:228 lid 1, aanhef onder sub b BW (dwaling) en subsidiair op artikel 6:248 BW (redelijkheid en billijkheid).

Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat niet aan de vereisten van artikel 6:228 lid 1, aanhef en sub b BW is voldaan, ten gevolge waarvan een beroep op dwaling niet slaagt.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [geïntimeerden c.s.] gevorderde nakoming van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerden c.s.] gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat [appellant] is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden c.s.] van € 13.700,00, vermeerderd met de conform artikel 4 van de koopovereenkomst berekende wettelijke rente alsmede in de proceskosten. De vordering ter zake de buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft kort gezegd geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden c.s.] met veroordeling van [geïntimeerden c.s.] in de kosten van beide instanties.

3.5.

In de eerste grief stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte het beroep op dwaling heeft afgewezen omdat - anders dan [appellant] stelt - niet aan de vereisten van artikel 6:228 lid 1, aanhef sub b BW zou zijn voldaan. [appellant] stelt dat [geïntimeerden c.s.] hem niet verteld hebben dat het schip asbest bevatte, terwijl zij hiervan wel op de hoogte waren. [appellant] behoorde ook niet te weten dat er asbest in het schip aanwezig was. Volgens [appellant] doet het er niet aan af dat hij kennis van zaken had van de scheepvaart. [appellant] stelt ook dat hij het schip nooit had gekocht als hij wist dat deze vol met asbest zat.

3.6.

Op grond van artikel 6:228 lid 1, aanhef en sub b BW is een overeenkomst die tot stand gekomen is onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar, indien de wederpartij (i.c. [geïntimeerden c.s.]) in verband met hetgeen zij omtrent dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende (i.c. [appellant]) had behoren in te lichten. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerden c.s.] wisten dat het schip asbest bevatte. [geïntimeerden c.s.] hebben gesteld dat zij [appellant] daarvan op de hoogte hebben gesteld, hetgeen [appellant] op zijn beurt heeft betwist. Nu [appellant] zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stelling dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van asbest in het schip, rust op hem de bewijslast ten aanzien van zijn stelling dat [geïntimeerde 2] hem niet daarover heeft ingelicht. Conform zijn aanbod zal [appellant] thans worden toegelaten die stelling te bewijzen.

3.7.

De bepaling in artikel 1 van de koopovereenkomst dat verkoper niet aansprakelijk gehouden kunnen worden voor enig gebrek of verborgen gebrek doet naar het oordeel van het hof niet af aan de mogelijkheid van [appellant] om als verweer tegen de vordering van [geïntimeerden c.s.] een beroep te doen op dwaling. Immers, deze bepaling is niet zo ruim geformuleerd dat daarmee ook een beroep op dwaling geacht moet worden te zijn uitgesloten.

3.8.

De stelling van [geïntimeerden c.s.] dat [appellant] geen beroep meer kan doen op dwaling omdat zijn rechtsvordering is verjaard, faalt op grond van het bepaalde in artikel 3:51 lid 3 BW.

3.9.

In afwachting van de resultaten van de bewijsvoering zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst [geïntimeerden c.s.] [appellant] niet hebben medegedeeld dat in het schip asbest aanwezig was;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M. van Ham als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 30 september 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.Th. Gründemann, M. van Ham en M.E. Bruning en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2014.