Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3652

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
HD 200.128.502_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Gebruiksvergoeding. Gebruikslasten. Uitgesteld loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0060

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.502/01

arrest van 16 september 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.H. van Gerwen te Eindhoven,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde sub 1,

advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg,

2. [geïntimeerde sub 2]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde sub 2,

advocaat: mr. J. Cox-Brinkman te Maastricht,

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde sub 3,

advocaat: mr. M.J.M. van Vugt te Maastricht (onttrokken),

4. [geïntimeerde sub 4],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde sub 4,

advocaat: mr. S.H. van Os te Zeist,

5. [geïntimeerde sub 5],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde sub 5,

niet verschenen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 juli 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer C/03 153767/HA ZA 10-945 gewezen vonnissen van 15 december 2010 en 21 maart 2012 en van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis van 20 februari 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 30 juli 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- de brief van geïntimeerde sub 5 van 9 oktober 2013 aan de comparitie-raadsheer;

- het proces-verbaal van comparitie van 14 oktober 2013 (waar behalve geïntimeerden sub 2 en sub 5 partijen zijn verschenen);

- de drie afzonderlijke aktes van appellant, geïntimeerde sub 1 (met productie), geïntimeerde sub 2 en geïntimeerde sub 4 van 7 januari 2014;

- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

- de drie afzonderlijke memories van antwoord van geïntimeerde sub 1, geïntimeerde sub 2 en geïntimeerde sub 4.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

Het gaat in deze zaak, voor zover van belang in hoger beroep, om het volgende.

a. a) Op 26 september 2008 is te [plaats] overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster was gehuwd met de op 9 juni 1990 overleden [echtgenoot]. Erflaatster is de moeder van appellant en geïntimeerden. Erflaatster heeft bij testament van 17 juni 1980 over haar nalatenschap beschikt. Appellant en geïntimeerden zijn erfgenamen van erflaatster en zijn ieder van 1/6e deel gerechtigd tot de nalatenschap. In de nalatenschap van erflaatster valt (onder meer) een registergoed (hierna ook: de woning) gelegen te [plaats] aan [adres], kadastraal bekend [plaats], sectie [sectieletter], nummer [sectienummer].

b) Op vordering van geïntimeerde sub 1 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bij voormeld vonnis van 20 februari 2013 appellant veroordeeld om aan de nalatenschap te betalen een gebruiksvergoeding van € 565,01 per maand (exclusief het 1/6e aandeel ten gunste van appellant) vanaf 1 oktober 2008 tot het moment dat hij de woning heeft verlaten, onder bepaling dat het 1/6e aandeel in deze van appellant hier reeds buiten is gehouden zodat hij hierop geen aanspraak kan maken. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat appellant over de periode oktober 2008 tot en met 26 mei 2012 ter zake van gebruikslasten nog een bedrag van € 5.749,01 verschuldigd is aan de nalatenschap en dat appellant de gebruikslasten die hij vanaf 27 mei 2012 tot het moment waarop hij de woning heeft verlaten/zal verlaten, heeft voldaan en zal voldoen ten laste van de bankrekening van de erflaatster, dient terug te betalen aan de nalatenschap. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen, waaronder de vordering van appellant op de nalatenschap ter zake van uitgesteld loon.

c) Het hoger beroep van appellant strekt ertoe dat het hof het vonnis van 20 februari 2013 vernietigt voor wat betreft de gebruiksvergoeding, de gebruikslasten en uitgesteld loon en dat het hof opnieuw rechtdoende bepaalt dat:

1. primair, appellant aan de boedel dient te betalen een gebruiksvergoeding van 2,5% over de daadwerkelijke verkoopopbrengst van de woning na aftrek van de hypothecaire restschuld ad € 6.248,54, gedurende een periode van 54 maanden; subsidiair, appellant geen gebruiksvergoeding verschuldigd is; meer subsidiair, appellant een gebruiksvergoeding verschuldigd is van € 301,05 per maand aan de overige erfgenamen over de periode van 26 oktober 2008 tot en met 21 maart 2013, met dien verstande dat het totaalbedrag van de gebruiksvergoeding aan de overige erfgenamen in ieder geval niet meer zal bedragen dan het bedrag dat hij per saldo uit de overwaarde zal ontvangen na verkoop en levering van de woning, althans een gebruiksvergoeding als door het hof in goede justitie meent te behoren;

2. de overige erfgenamen aan appellant een bedrag dienen te voldoen ter grootte van € 9.314,70 ter zake van de eigenaars- en gebruikslasten;

3. appellant uit de boedel dient te ontvangen een bedrag van € 8.255,-- ter zake van uitgesteld loon.

7.2.

Appellant heeft vier grieven tegen het vonnis van 20 februari 2013 aangevoerd. Nu de grieven niet gericht zijn tegen de vonnissen van 15 december 2010 en 21 maart 2012 van de rechtbank Maastricht, zal appellant in het hoger beroep tegen die vonnissen niet-ontvankelijk worden verklaard.

7.3.

Het hof zal de aan de orde zijn onderwerpen (gebruiksvergoeding, gebruikslasten, uitgesteld loon) hierna achtereenvolgens bespreken. Het hof beschouwt de vordering van geïntimeerde sub 1 als een vordering tot (financiële afwikkeling van de) verdeling van nalatenschap. Hetgeen door andere partijen, met name appellant, in deze procedure is verzocht, zal het hof in dat kader beoordelen. Gelet op het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 BW zal het hof rekening houden naar billijkheid met de belangen van partijen en met het algemeen belang.

Gebruiksvergoeding

7.4.

De rechtbank overwoog ten aanzien van de door geïntimeerde sub 1 in eerste aanleg gevorderde gebruiksvergoeding dat onweersproken is dat appellant feitelijk exclusief gebruik maakt van de woning die in de nalatenschap valt. Conform vaste jurisprudentie achtte de rechtbank een vergoeding van 4% per jaar over het aandeel van de overige erfgenamen (die niet het genot hebben van de woning) in de overwaarde van de woning redelijk. Uit de stukken leidde de rechtbank af dat de minimale verkoopprijs van de woning (vooralsnog) is gesteld op € 225.000,00, terwijl de omvang van de hypothecaire geldlening die op de woning rust per 26 september 2008 € 21.596,91 bedroeg. Aldus is de overwaarde te begroten op € 203.403,09, waarvan het aandeel per erfgenaam bedraagt € 33.900,52 (namelijk 1/6e deel van € 203.403,09), aldus de rechtbank. De rechtbank concludeerde dat de door appellant aan de nalatenschap te betalen gebruiksvergoeding dan 4% per jaar over de aan de overige vijf erfgenamen toekomende gemiddelde overwaarde over de gebruiksperiode, zijnde

(€ 33.900,52 x 5 x 4% =) € 6.780,10 per jaar, ofwel € 565,01 per maand bedraagt.

7.5.

Grief 1 heeft betrekking op de gebruiksvergoeding. Volgens de toelichting bij grief 1 is appellant van mening dat hij geen dan wel een lagere gebruiksvergoeding verschuldigd is dan de door rechtbank bepaalde vergoeding. Daartoe heeft hij aangevoerd dat tijdens de comparitie op 14 oktober 2013 de daar aanwezige partijen (appellant, geïntimeerde sub 1, geïntimeerde sub 3 en geïntimeerde sub 4) overeenstemming hebben bereikt c.q. deelafspraken hebben gemaakt over de gebruiksvergoeding. Uit het proces-verbaal van de comparitie blijkt dat partijen de omvang van de door appellant aan de boedel te betalen gebruiksvergoeding hebben gefixeerd op 2,5% over de daadwerkelijke verkoopopbrengst van de woning gedurende een periode van 54 maanden, met dien verstande dat van deze verkoopopbrengst eerst moet worden afgetrokken een bedrag van € 6.000,-, zijnde de geschatte hypothecaire restschuld per de datum van de comparitie, althans de feitelijke restschuld per de datum van de comparitie. Appellant stelt dat de restschuld van de hypotheek per 14 oktober 2013 € 6.2480,54 bedraagt. Na de comparitie heeft geïntimeerde sub 2 bij akte kenbaar gemaakt zich te kunnen vinden in de gemaakte afspraak en de overeengekomen berekenmethode en heeft geïntimeerde sub 5 via een e-mail laten weten akkoord te gaan met deze regeling doordat zij stelt zich te conformeren aan de meerderheid, aldus appellant. Appellant verlangt, naar het hof begrijpt primair, dat het hof deze afspraak van partijen over de gebruiksvergoeding bij dit arrest vastlegt.

7.6.

Bij haar memorie van antwoord heeft geïntimeerde sub 1 eveneens verzocht om het door appellant te betalen bedrag aan gebruiksvergoeding conform de gemaakte afspraak op de comparitie in het eindarrest op te nemen. Daarbij gaat geïntimeerde sub 1 ook uit van de hypotheekschuld van € 6.2480,54 per 14 oktober 2013.

7.7.

Geïntimeerde sub 2 heeft zich in haar memorie van antwoord niet specifiek over grief 1 uitgelaten, maar in het algemeen te kennen gegeven dat zij zich kan verenigen met het vonnis van 20 februari 2013 en dat grieven tegen dit vonnis van appellant dienen te worden verworpen.

In haar memorie van antwoord heeft geïntimeerde sub 4 opgemerkt dat zij zich geheel kan vinden in het vonnis van 20 februari 2013 en heeft zij het hof verzocht, voor zover een of meerdere partijen de nadere afspraken die zijn gemaakt ter comparitie niet onderschrijven, dit vonnis te bekrachtigen.

Geïntimeerden sub 3 en 5 hebben geen memorie van antwoord genomen en niet dus ook niet gereageerd op grief 1.

7.8.

Bij de beoordeling van grief 1 stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 3:169 BW is, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Art. 3:169 BW heeft mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:AA9143). Daarbij dienen de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten beheersen tot maatstaf (zie artikel 3:166 lid 3 in verbinding met artikel 6:2 BW).

7.9.

In dit geval staat tussen partijen vast dat appellant na het overlijden van de erflaatster 26 september 2008 het gebruik en genot heeft gehad van de woning, en de andere erfgenamen niet. Ook kan ervan worden uitgegaan dat appellant de woning in elk geval op 14 oktober 2013 definitief had verlaten. Het betreft derhalve een verblijf van ruim 60 maanden.

7.10.

Het hof zal voor het bepalen van de gebruiksvergoeding aansluiten bij de door de aanwezige partijen tijdens de comparitie afgesproken berekenmethode. Daarmee wordt de door appellant aan geïntimeerden te betalen vergoeding, waarbij al is rekening gehouden met het door appellant te ontvangen deel, als volgt berekend:

X = 2,5% x (Y – H) x 5/6 x 1/12

X = gebruiksvergoeding per maand

2,5% = gefixeerde gebruikswaarde

Y = verkoopopbrengst (koopsom) registergoed (naar het hof aanneemt, is dit de netto-opbrengst, dus na aftrek van kosten, waaronder makelaars- en notariskosten)

H = hypotheekschuld per 14 oktober 2013, te weten € 6.2480,54

5/6 = appellant moet aan vijf erfgenamen betalen, terwijl er zes erfgenamen zijn

1/12 = het gaat om een vergoeding per maand.

Voorts is volgens deze berekenmethode de door appellant aan geïntimeerden te betalen gebruiksvergoeding beperkt tot 54 maal (wat staat voor 54 maanden) het bedrag X, met dien verstande dat de gebruiksvergoeding in verrekening zal worden gebracht bij de verdeling van de opbrengst van de woning.

7.11.

Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 7.5 en 7.6, zijn appellant en geïntimeerde sub 1 het over de hiervoor weergegeven berekenmethode eens. De overige erfgenamen hebben daartegen geen, althans niet voldoende duidelijk, bezwaar gemaakt (zie hiervoor rov. 7.7). Het hof acht de volgens deze berekenmethode bepaalde gebruiksvergoeding in dit geval in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de beperking van de vergoeding tot 54 maanden is gerechtvaardigd door de omstandigheid dat appellant reeds in de woning woonde bij het overlijden van de erflaatster en hem na het overlijden van de erflaatster enige tijd (zes maanden) moest worden gegund om te beslissen of hij zal blijven, dan wel om een andere woning te vinden. Grief 1 slaagt derhalve.

Gebruikslasten

7.12.

Volgens grief 2 heeft de rechtbank ten onrechte beslist dat appellant over de periode oktober 2008 tot en met 26 mei 2012 nog een bedrag van € 5.749,01 verschuldigd is aan de nalatenschap en volgens grief 3 heeft de rechtbank ten onrechte beslist dat appellant de gebruikslasten die hij vanaf 27 mei 2012 tot het moment waarop hij de woning heeft verlaten/zal verlaten, heeft voldaan en zal voldoen ten laste van de bankrekening van de erflaatster, dient terug te betalen aan de nalatenschap.

7.13.

Appellant beroept zich er niet langer op dat alle erfgenamen hebben afgesproken om de gebruikslasten uit de nalatenschap te betalen. Het hof neemt dan ook tot uitgangspunt dat de gebruikslasten die verband houden met gebruik van de woning door appellant voor zijn rekening dienen te komen. Voorts heeft appellant erkend dat gaandeweg de bewoning van de woning door appellant een deel van de gebruikslasten voor rekening is gekomen van de rekening van erflaatster.

7.14.

Thans stelt appellant echter dat hij een bedrag ter grootte van € 9.314,70 te veel heeft betaald ter zake van de gebruikslasten en vaste lasten van de woning, welke hij van de overige erfgenamen vergoed dient te krijgen. Volgens hem blijkt dit uit het als productie 7 bij de memorie van grieven overgelegde overzicht van betalingen en ontvangsten over de periode 26 september 2008, de datum van overlijden van de erflaatster, tot en met 30 september 2013, de datum van het laatst ontvangen bankafschrift van de rekening van erflaatster. In het petitum van zijn memorie van grieven heeft appellant ook gevorderd, zoals hiervoor vermeld (rov. 7.1.c onder 2), dat de overige erfgenamen aan appellant een bedrag dienen te voldoen ter grootte van € 9.314,70 ter zake van de eigenaars- en gebruikslasten.

7.15.

Het hof stelt vast dat appellant heeft volstaan met verwijzing naar het als het als productie 7 bij de memorie van grieven overgelegde overzicht. Volgens hem blijkt uit dit overzicht dat hij een vordering heeft op de overige erfgenamen van € 9.314,70. Hij heeft dit echter niet (nader) toegelicht.

Geïntimeerde sub 1 heeft, mede op basis van het overzicht en de als producties 8 en 9 bij de memorie van grieven overgelegde kopieën van bankafschriften, geconcludeerd dat appellant nog in totaal € 1.512,78 verschuldigd is in verband met het gebruik van de woning. Daarbij heeft zij er rekening mee gehouden dat appellant ook eigenaarslasten van de rekening heeft betaald en dat hij het saldo verscheidene keren zelf heeft aangezuiverd.

Gelet op het gebrek aan toelichting door appellant en gezien de onderbouwing van de conclusie door geïntimeerde sub 1 (memorie van antwoord, punten 32 tot en met 39), zal het hof geïntimeerde sub 1 in die conclusie volgen. Dat betekent dat grief 2 gedeeltelijk slaagt. Het hof zal appellant veroordelen om aan de nalatenschap te betalen een bedrag van € 1.512,78 ter zake van gebruikslasten welke werden voldaan ten laste van de bankrekening van de erflaatster, te betalen bij de verdeling van de opbrengst van de woning.

7.16.

Naar het oordeel van het hof kan de beslissing van de rechtbank dat appellant de gebruikslasten die hij vanaf 27 mei 2012 tot het moment waarop hij de woning heeft verlaten/zal verlaten, heeft voldaan en zal voldoen ten laste van de bankrekening van de erflaatster, dient terug te betalen aan de nalatenschap, in stand blijven. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 7.13. Appellant heeft grief 3 – voor zover die zelfstandige betekenis heeft naast grief 2 – niet, althans onvoldoende concreet onderbouwd. Grief 3 faalt dan ook.

Uitgesteld loon

7.17.

Appellant heeft betoogd voor een bedrag van in totaal € 8.255,00 recht te hebben op (uitgesteld) loon uit hoofde van de zorgovereenkomst persoonsgebonden budget tussen hem en erflaatster gesloten op 9 juli 2003. Daartoe heeft hij gesteld dat hij afspraken met de erflaatster met betrekking tot uitgesteld loon heeft gemaakt. De rechtbank heeft in het vonnis van 20 februari 2013 overwogen dat zonder nadere motivering, die appellant niet heeft gegeven, niet valt in te zien dat hij met de erflaatster de door hem gestelde afspraak met betrekking tot uitgesteld loon zou hebben gemaakt (rov. 2.25.2).

7.18.

Met grief 4 keert appellant zich tegen deze overweging. Hij heeft deze grief als volgt toegelicht. Volgens appellant blijkt uit het feit dat erflaatster en hij een zorgovereenkomst hebben opgesteld met erflaatster als budgethouder en appellant als zorgverlener, dat het de bedoeling was dat appellant zorg zou verlenen aan erflaatster en dat hier een vergoeding tegenover zou staan. Hij heeft ook jarenlang daadwerkelijk zorg verleend aan zijn moeder, uit hoofde waarvan hij declaratieformulieren heeft opgesteld ten behoeve van zijn moeder. De desbetreffende declaraties/voorschotten zouden worden betaald telkens aan het einde van elk jaar uit het saldo dat nog aanwezig was na betaling van andere zorgverlener. Het was de bedoeling van erflaatster en hem dat het na betaling van zijn declaraties dan nog resterende saldo vervolgens op de rekening zou blijven bestaan. In de praktijk heeft appellant zijn declaraties bewust niet geïncasseerd om zijn moeder te behoeden voor betalingsonmacht voor wat betreft overige rekeningen van andere zorgverleners, aldus nog steeds appellant.

7.19.

Het hof acht, evenals de rechtbank, de stelling van appellant dat hij afspraken met de erflaatster met betrekking tot uitgesteld loon heeft gemaakt onvoldoende onderbouwd; aan bewijslevering komt het hof dan ook niet toe. Die stelling wordt niet ondersteund door de als productie 12 bij akte van 13 juni 2012 van appellant overgelegde zorgovereenkomst. Zoals de rechtbank heeft overwogen, zijn op de zorgovereenkomst geen aanvullende opmerkingen gemaakt over een aan appellant uit te keren loon. Ook overigens wordt de onderhavige stelling van appellant niet, althans onvoldoende, ondersteund.

Daarnaast geldt bij dat voor een aanspraak op een som ineens in de zin van artikel 4:36 BW als de onderhavige (vgl. gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 22 juli 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD8647; rov. 3.5.4) ingevolge artikel 4:37 lid 1 BW een vervaltermijn. Nu de erflaatster op 26 september 2008 is overleden, kon appellant uiterlijk op 26 maart 2009 zijn eventuele aanspraak op een som ineens geldend maken. Niet gebleken is dat appellant tijdig heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen. In deze procedure heeft appellant dit eerst bij zijn akte van 11 mei 2012 te kennen gegeven. Toen was de aanspraak reeds vervallen.

Dit betekent dat grief 4 hoe dan ook faalt.

Slotsom

7.20.

De slotsom is dat het vonnis van 20 februari 2013 dient te worden vernietigd voor wat betreft de beslissingen van de rechtbank over de gebruiksvergoeding en de gebruikslasten, respectievelijk rov. 3.1 en 3.2 van het vonnis.

7.21.

In de familierelatie tussen partijen (zij zijn broers en zussen), ziet het hof aanleiding om de kosten in eerste aanleg voor zover aan de orde en in dit hoger beroep te compenseren in die zin dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

8 De uitspraak

Het hof:

verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van de vonnissen van 15 december 2010 en 21 maart 2012 van de rechtbank Maastricht;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 februari 2013 voor wat betreft de beslissingen van de rechtbank over de gebruiksvergoeding en de gebruikslasten, respectievelijk rov. 3.1 en 3.2 van het vonnis, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt appellant om aan de nalatenschap te betalen een gebruiksvergoeding bepaald volgens de berekenmethode hiervoor weergegeven in rov. 7.10;

veroordeelt appellant om aan de nalatenschap te betalen een bedrag van € 1.512,78 ter zake van gebruikslasten welke werden voldaan ten laste van de bankrekening van de erflaatster;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten in eerste aanleg voor zover aan de orde en in dit hoger beroep aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.P. de Haan en I. Bouter en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2014.