Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3651

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
HD 200.128.232_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:9980
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:6248
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2288
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3511
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:384
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioen in eigen beheer, afstorting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.232/01

arrest van 16 september 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. P. Quist te Naaldwijk,

tegen

1 [geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,,

2. Stichting Directiepensioenfonds [stichting directiepensioenfonds] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,,

geïntimeerden,

advocaat: mr. W.M.U. van der Blom te Haarlem,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 juli 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer C/12/78562/HAZA 11-222 gewezen vonnis van 17 april 2013.

6 Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 29 juli 2014;

- de akte van de zijde van de vrouw d.d. 26 augustus 2014;

- de akte van de zijde van de man en de stichting d.d. 16 augustus 2014 met bijlage.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen voornemens te zijn een deskundige te benoemen ter beantwoording van een drietal door het hof geformuleerde vragen. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over aantal, deskundigheid en over de persoon van de te benoemen deskundige(n), met name over het voornemen van het hof tot benoeming van één deskundige, als onder 4.7.5. van voornoemd tussenarrest beschreven. Het hof heeft partijen voorts in de gelegenheid gesteld suggesties te doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

7.2.

Beide partijen hebben vervolgens een akte genomen.

De vrouw heeft gesteld graag te zien dat een door haar aangedragen pensioendeskundige naast de deskundige die het hof voornemens is te benoemen, zal worden benoemd. Voor zover het hof van oordeel is dat met één deskundige kan worden volstaan, is de vrouw van mening dat dit de door haar voorgestelde deskundige zou dienen te zijn.

De vrouw heeft voorts nog een aantal vragen voor de te benoemen deskundige geformuleerd.

De man heeft geen bezwaar tegen het benoemen van de door het hof voorgestelde deskundige.

Voorts heeft de man nog een tweetal vragen voor de te benoemen deskundige geformuleerd.

7.3.

Het hof overweegt naar aanleiding van het voorgaande als volgt.

Het hof blijft van oordeel dat met benoeming van één deskundige kan worden volstaan.

De vrouw heeft niet nader toegelicht waarom twee deskundigen zouden moeten worden benoemd, noch waarom – indien het hof van oordeel is dat met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan – dit de door haar aangedragen deskundige zou moeten zijn.

Ook overigens heeft de vrouw geen inhoudelijke bezwaren tegen de benoeming van de heer Bets als deskundige naar voren gebracht.

Het hof blijft derhalve bij zijn oordeel dat de heer H. Bets van Actuarieel Adviesbureau Confident BV als deskundige dient te worden benoemd.

7.4.

Beide partijen hebben bij voornoemde akten suggesties gedaan over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Voor wat betreft de eerste door de vrouw geformuleerde vraag, te weten:

- in hoeverre kan de vrouw in verband met haar lichamelijke beperkingen nog in staat worden geacht eigen pensioenrechten te verwerven, rekening houdend met het feit dat de pensioenrechten van de man eerst tijdens het huwelijk van partijen zijn opgebouwd en de vrouw altijd heeft meegewerkt in deze onderneming maar geen pensioenrechten kon opbouwen omdat zij niet voldeed aan het 10% aandeelhouderschapcriterium?

ziet het hof geen aanleiding die aan de deskundige voor te leggen, nu deze vraag geen betrekking heeft op de kwestie of de vordering van de vrouw tot afstorting van haar pensioenrechten kan worden toegewezen, welke kwestie middels grief II van de vrouw aan het hof is voorgelegd.

7.5.

Voor het overige hebben de man en de stichting alsmede de vrouw nog de volgende vragen en opmerkingen geplaatst:

7.5.1.

De vrouw heeft de volgende vragen geformuleerd:

- past het bij een onafhankelijk bestuur dat de pensioengerechtigde bij de Stichting

a. a) kan sparen?

en

b) tegen een hogere rente dan de marktrente?

- zijn de kosten die de exploitatie van de Stichting thans met zich meebrengt voor de pensioenuitvoering van één deelnemer niet zodanig hoog dat – gezien de rendementsmogelijkheden in de markt – dit het perspectief te zijner tijd partnerpensioen te ontvangen niet aanzienlijk verslechtert ?

7.5.2.

De man en de stichting hebben de vraag geformuleerd of de continuïteit van de stichting jegens de overblijvende rechthebbende niet in gevaar komt indien het nabestaandenpensioen door afstorten uit het pensioenvermogen wordt gelicht, en dan niet op basis van de – naar de stelling van de man – door de fiscus enkel fiscaal geoorloofde - als aan de financiering van de stichting ten grondslag gelegd, en in het kader van het pensioen in eigen beheer tussen partijen overeengekomen – maar op basis van de door verzekeringsmaatschappij verlangde commerciële waarde.

Voor wat betreft deze door de man en de stichting en door de vrouw geformuleerde vragen en opmerkingen laat het hof het aan het oordeel van de deskundige over of hij deze – bij zijn beantwoording van de door het hof geformuleerde vragen, in welke vragen reeds besloten ligt dat zowel de positie van de man als de vrouw als de onafhankelijkheid van de stichting in de beantwoording dient te worden betrokken – in zijn beoordeling wenst te betrekken.

Het hof ziet voorts reden aan de door het hof reeds geformuleerde vragen een vierde vraag toe te voegen luidende:

4) Hebt u overigens nog opmerkingen die naar uw oordeel van belang zijn in deze zaak?

7.6.1.De vrouw heeft voorts nog gesteld dat het voor de hand ligt de kosten van het deskundigenbericht ten laste van de stichting te brengen, omdat, naar de stelling van de vrouw de stichting de noodzaak heeft doen ontstaan tot het benoemen van de deskundige..

Het hof ziet in het door de vrouw gestelde geen reden om terug te komen van de beslissing in het tussenarrest van 29 juli 2014 dat de kosten van de deskundige voorshands gelijkelijk ten laste van partijen dienen te worden gebracht.

7.6.2.

Beslist wordt als volgt.

8 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Wat is de consequentie van afstorting bij een externe pensioenverzekeraar voor de positie (ten voordele dan wel ten nadele) van zowel de man als de vrouw, in vergelijking met de situatie dat de volledige pensioenaanspraak bij de stichting ondergebracht blijft?

  2. Is er in algemene zin iets te zeggen over het verschil in positie wat onafhankelijkheid betreft, tussen een stichting als de onderhavige en een externe pensioenverzekeraar?

  3. Indien het hof tot het oordeel zou komen dat de man over moet gaan tot afstorting van het kapitaal dat nodig is voor het aan de vrouw toekomende deel van de pensioenaanspraak, welk bedrag is hiermee dan gemoeid?

  4. Hebt U overigens nog opmerkingen die van belang zijn in deze zaak?

Bij welke beantwoording de deskundige de hiervoor in rov. 7.5.1 en 7.5.2. genoemde opmerkingen – te zijner beoordeling – kan betrekken.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

de heer H. Bets van Actuarieel Adviesbureau Confident BV, [adres] , [postcode] [kantoorplaats] (tel. [telefoonnummer] );

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest alsmede van het tussenarrest van 29 juli 2014 aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige met zijn onderzoek niet zal starten voordat de voorschotten door de partijen zullen zijn betaald en derhalve eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 2.359,50, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot nader zal bepalen;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 2.359,50, derhalve € 1.179,75, binnen 2 weken na heden zal overmaken naar IBAN-rekeningnummer NL53 RBOS 0569 990572 ten name van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD 200.128.232/01;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. M.J. van Laarhoven tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 20 januari 2015 in afwachting van het deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van de vrouw, waarna de man en de stichting bij antwoordmemorie kunnen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, C.A.R.M. van Leuven en A.R. Autar, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2014.