Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3636

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
HD 200.096.059_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4940
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

effectenlease-overeenkomst. Artikel 1:88/89 BW. Bewijs is voorshands door Dexia geleverd

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88, geldigheid: 2014-09-19
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89, geldigheid: 2014-09-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/444
JONDR 2014/1231

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.096.059/01

arrest van 16 september 2014

in de zaak van

1 [appellant],

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als [appellanten]

en ieder afzonderlijk als [appellant] en [appellante],

advocaat: mr. T.M. ten Velde te Tilburg,

tegen

Dexia Bank Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Dexia,

advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 augustus 2011 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Breda, team kanton, locatie Tilburg van 11 mei 2011, gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 470583 CV EXPL 08-26)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met productie;

- de memorie van antwoord met productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

(i) Dexia is de rechtsopvolger van Bank Labouchere N.V. (Met Dexia wordt hierna ook Bank Labouchere N.V. bedoeld.)

(ii) Op of omstreeks 6 december 2000 heeft [appellante] door tussenkomst van [X.] Pensioen Consultants B.V. met Dexia de effectenlease-overeenkomst Capital Effect Vooruitbetaling gesloten (prod. 1 conclusie van antwoord conventie).

Ingevolge deze overeenkomst heeft [appellante] een geldbedrag van € 42.602,24 van Dexia geleend waarmee effecten zijn aangekocht die [appellante] van Dexia heeft geleaset. Over het geleende bedrag was [appellante] tijdens de looptijd van de overeenkomst (240 maanden) rente verschuldigd tot een bedrag van € 66.432,16. Deze bedragen vormden tezamen de leasesom van € 109.034,40. Deze leasesom diende als volgt te worden voldaan: een bedrag van € 21.807,00 (de som van 60 maandtermijnen minus 20% korting) bij aanvang van de overeenkomst en vanaf de 61e maand tot en met de 240e maand 180 maandtermijnen van € 454,31.

(iii) Ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten was [appellante] reeds gehuwd met [appellant]. [appellant] heeft [appellante] geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de overeenkomst. Bij brief van 5 juli 2005 (prod. 11 conclusie van antwoord conventie) heeft [appellant] met een beroep op het bepaalde in artikel 1:88 BW de overeenkomst vernietigd en terugbetaling gevorderd van de door [appellante] betaalde termijnen.

Dexia heeft dit beroep op vernietiging niet aanvaard.

(iv) Dexia heeft in verband met een betalingsachterstand van [appellante] de effectenlease-overeenkomst op 19 juni 2006 beëindigd. Op de door Dexia per datum beëindiging gemaakte eindafrekening (prod. 5 conclusie van antwoord conventie) is vermeld dat [appellante] een bedrag van € 12.617,39 aan Dexia is verschuldigd.

[appellante] heeft uit hoofde van deze overeenkomst € 22.261,31 aan maandtermijnen aan Dexia betaald en € 3.895,92 aan dividenden ontvangen. Dexia heeft daarnaast € 759,81 aan dividenden verrekend: een bedrag van € 443,22 is op eindafrekening vermeld als ‘Tegoeden contract [nummer]’ en is verdisconteerd in het saldo van de eindafrekening; een bedrag van € 316,59 heeft Dexia verrekend met de op de eindafrekening vermelde schuld. Na verrekening van laatstgenoemd bedrag resteert een door [appellante] aan Dexia te betalen bedrag van € 12.300,80. Dit bedrag is niet door [appellante] betaald.

3.2.

Bij beschikking van 25 januari 2007 (LJN: AZ7033) heeft het hof Amsterdam op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW de tussen Dexia en een viertal belangenorganisaties gesloten (gewijzigde) WCAM-overeenkomst van 8 mei 2006 verbindend verklaard voor de ‘gerechtigden’ als bedoeld in artikel 2 van die overeenkomst, met dien verstande dat een gerechtigde tot schadevergoeding binnen zes maanden na de aankondiging dat de beschikking onherroepelijk was geworden door een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 BW kon laten weten niet gebonden te willen zijn.

[appellanten] heeft tijdig laten weten dat hij niet aan de verbindendverklaarde overeenkomst gebonden wil zijn. Uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat [appellanten] niet gebonden is aan de verbindendverklaarde WCAM-overeenkomst.

3.3.

[appellanten] heeft Dexia in rechte betrokken en onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat de overeenkomst is vernietigd primair op grond van dwaling, subsidiair op grond van de artikelen 1:88/89 BW, meer subsidiair dat de overeenkomst is ontbonden op grond van wanprestatie van Dexia, althans dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van Dexia tot terugbetaling van de gedane betalingen, vermeerderd met de wettelijke rente en proceskosten.

3.4.

Dexia heeft zich ten verwere onder meer erop beroepen dat de bevoegdheid van [appellant] zich op de vernietigbaarheid van de overeenkomst te beroepen, was verjaard op de voet van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW. Dexia heeft in reconventie gevorderd [appellanten] te veroordelen tot betaling van € 12.300,80, vermeerderd met rente en proceskosten.

3.5.

[appellanten] heeft in reconventie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van Dexia.

3.6.

De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis het beroep van Dexia op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst gehonoreerd, het beroep van [appellanten] op dwaling verworpen en de primaire en subsidiaire grondslag van de vordering aldus afgewezen.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat Dexia als aanbieder van de betreffende effectenlease-overeenkomst jegens [appellante] tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht, dat Dexia als gevolg hiervan onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld en dat zij uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade. De kantonrechter heeft op de voet van artikel 6:101 BW twee derde deel van de restschuld van € 10.345,84 (€ 12.617,39 restant hoofdsom minus € 2.271,55 achterstallige termijnen), derhalve € 6.897,23, voor rekening van Dexia gelaten, geoordeeld dat een derde deel van de restschuld door [appellante] moet worden gedragen en dat de schadepost bestaande uit betaalde termijnen voor rekening van [appellante] behoort blijven.

De kantonrechter heeft de vordering in conventie vervolgens afgewezen en de vordering in reconventie jegens [appellante] toegewezen tot € 5.403,57 (€ 12.300,80 minus € 6.897,23), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2006, [appellanten] veroordeeld in de proceskosten in conventie en [appellante] in de proceskosten in reconventie.

3.7.

[appellanten] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot het alsnog toewijzen van zijn vordering op de primaire, althans subsidiaire, grondslag en tot afwijzing van de reconventionele vordering.

3.8.

Grief I richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomst was verjaard op het moment dat [appellant] bij brief van 5 juli 2005 de vernietigbaarheid van deze overeenkomst inriep. Grief II komt op tegen de verwerping van het beroep op dwaling. Het hof zal eerst grief II bespreken.

dwaling

3.9.

De onjuiste voorstelling van zaken waarop [appellanten] zich beroept, komt erop neer dat [appellante] door de tussenpersoon [X.] Pensioen Consultants B.V. niet is geïnformeerd dat zij door het aangaan van de overeenkomst een geldlening sloot, en dus met geleend geld belegde, dat zij niet is gewezen op het aan de overeenkomst verbonden financiële risico en evenmin dat er een restschuld kon ontstaan of dat zij haar inleg kon verliezen. De overeenkomst werd door de tussenpersoon juist gepresenteerd als een spaarvorm om het pensioen zeker te stellen, aldus [appellanten] stelt zich op standpunt dat Dexia op grond van artikel 6:76 BW aansprakelijk is voor de gedragingen van de tussenpersoon.

3.10.

Het hof overweegt als volgt. Het betoog dat [appellante] de effectenlease-overeenkomst is aangegaan onder invloed van dwaling en dat deze daarom vernietigbaar is, miskent dat voor degene die zich redelijke inspanningen getroostte - zoals van [appellante] mocht worden verwacht - uit de bewoordingen van de overeenkomst voldoende duidelijk kenbaar was dat: 1. deze voorzag in de verstrekking van een geldlening door Dexia; 2. het geleende bedrag zou worden belegd in effecten; 3. de wederpartij over het geleende bedrag rente was verschuldigd; 4. het geleende bedrag zou worden belegd in effecten; en 5. dit bedrag na verloop van tijd moest worden terugbetaald, ongeacht de waarde van de effecten op het tijdstip van verkoop daarvan.

Gelet op het bovenstaande heeft Dexia voorafgaande aan het aangaan van de effectenlease-overeenkomst op wezenlijke punten voldoende duidelijke inlichtingen verstrekt om een onjuiste voorstelling van zaken bij [appellante] over de eigenschappen van deze overeenkomst en de daaraan verbonden risico’s te voorkomen. [appellante] kan zich dus niet met succes op de in artikel 6:228 lid 1 sub b BW genoemde dwalingsgrond beroepen.

De stelling van [appellanten] dat de tussenpersoon die bij de totstandkoming van de effectenlease-overeenkomst betrokken is geweest, [appellante] heeft voorgehouden dat sprake was van een spaarproduct, maakt het voorgaande niet anders. Ook indien [appellante] de effectenlease-overeenkomst is aangegaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken (mede) wegens uitlatingen van de tussenpersoon en deze uitlatingen, indien bewezen, op de voet van artikel 6:76 BW voor rekening zouden komen van Dexia, brengt dit niet mee dat [appellanten] de effectenlease-overeenkomst met een beroep op dwaling kan vernietigen. Uit de bewoordingen van de effectenlease-overeenkomst blijkt immers voldoende duidelijk dat werd belegd in effecten, dat dus niet werd gespaard, en dat het hiertoe geleende bedrag na verloop van tijd moest worden terugbetaald ongeachte de waarde van de effecten, hetgeen [appellante] bij nauwkeurige lezing van de overeenkomst duidelijk had kunnen zijn. Deze uitlatingen van de tussenpersoon ontsloegen haar niet van haar verplichting dat zij zich redelijke inspanningen getroostte het bepaalde in de effectenlease-overeenkomst en de daaruit voor haar voortvloeiende risico’s te begrijpen, alvorens deze aan te gaan.

Het beroep op dwaling gaat derhalve niet op. (Zie ook het arrest van hof ’s-Hertogenbosch van 17 juni 2014, GHSHE:1775.)

Grief II faalt.

het beroep op 1:88/89 BW

3.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige effectenlease-overeenkomst moet worden aangemerkt als huurkoop, dat dus op grond van artikel 1:88 lid 3 BW voor het aangaan van deze overeenkomst de schriftelijke toestemming van de andere echtgenoot is vereist, en dat deze op grond van artikel 1:89 BW de bevoegdheid heeft tot vernietiging van de overeenkomst als niet voldaan is aan dit vereiste.

De rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst, waarvoor een echtgenoot krachtens artikel 1:88 BW de toestemming van de andere echtgenoot behoeft, verjaart op grond van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW door verloop van drie jaar nadat deze aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Voor het ten dienste komen te staan van de rechtsvordering tot vernietiging, en hiermee voor de aanvang van de verjaringstermijn, is bepalend wanneer de echtgenoot van wie de toestemming was vereist daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden (HR 28 januari 2011, LJN: BO6106 en HR 17 februari 2002, LJN: BU6508). Niet is vereist dat de andere echtgenoot bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden. De mogelijkheid de hier bedoelde vernietigingsgrond in te roepen is ook niet afhankelijk van een oordeel over de juridische kwalificatie van effectenlease-overeenkomsten (HR 26 november 2004, NJ 2006, 115; HR 5 januari 2007, NJ 2007, 320). De onzekerheid over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden en/of de kwalificatie van effectenlease-overeenkomsten belet de andere echtgenoot immers niet de vernietiging in te roepen. Na de voltooiing van de verjaringstermijn kan de overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd (artikel 3:52 lid 2 BW). Het komt er dus op aan wanneer [appellant] daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de effectenlease-overeenkomst.

3.12.

Dexia, die zich beroept op verjaring van de aan [appellant] toekomende rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst, dient feiten te stellen en, bij voldoende betwisting, te bewijzen, waaruit de gegrondheid van dat beroep kan volgen.

3.13.

Dexia heeft daartoe aangevoerd dat het binnen Nederlandse gezinsverhoudingen gebruikelijk is dat beleggingsbeslissingen, zoals het aangaan van een effectenlease-overeenkomst, met medeweten en instemming van beide partners worden genomen. Uitgaande van een normale gezinssituatie en gezien de hoogte van het vooruitbetaalde bedrag van € 21.807,00 is niet vol te houden dat [appellant] niet vanaf het begin van de looptijd van de overeenkomst van het bestaan hiervan op de hoogte was, aldus Dexia. Daarnaast ziet Dexia in het feit dat [appellant] en [appellante] samen een onderneming hebben aanleiding om ervan uit te gaan dat zij elkaar bij dergelijke grote beslissingen op de hoogte stellen.

Voorts wijst Dexia op de stelling van [appellanten] bij conclusie van repliek in conventie “dat eisers in de veronderstelling waren dat het om een spaarovereenkomst ging” en dat nu [appellant] aldus stelt te hebben gedwaald hij reeds vanaf het begin van de looptijd van de overeenkomst van het bestaan hiervan op de hoogte is geweest. Dexia heeft in eerste aanleg voorts opgemerkt dat de stelling van [appellanten] dat [appellant] in 2005 op de hoogte kwam van de overeenkomst omdat er toen een restschuld was ontstaan onjuist is, omdat pas bij beëindiging van de overeenkomst op 19 juni 2006 bleek van een restschuld. Dexia heeft in hoger beroep voorts aangevoerd dat de door [appellanten] in hoger beroep aangevoerde feiten omtrent de wetenschap van [appellant] verschillen van de feiten die [appellanten] in eerste aanleg heeft gesteld. In eerste aanleg heeft [appellanten] gesteld dat [appellant] in 2005 bekend werd met het bestaan van de overeenkomst omdat [appellante] toen het bestaan van de overeenkomst moest opbiechten omdat er een schuld was ontstaan. In hoger beroep beweert [appellanten] echter dat [appellant] op de hoogte kwam van de overeenkomst toen er een RVS-adviseur langs kwam. Dexia stelt voorts dat uit de bewering van [appellante] dat zij de vraag stelde aan de adviseur van RVS, die langs kwam om de geldzaken van [appellant] te bespreken, de financiën van [appellant] en [appellante] niet zo gescheiden waren als [appellanten] beweert. Dexia wijst voorts erop dat [appellanten] heeft aangevoerd dat [appellante] vragen heeft gesteld aan de RVS-adviseur over de overeenkomst in de lente van 2005 omdat destijds Dexia en effectenlease-overeenkomsten in het nieuws begonnen te komen, terwijl de effectenleaseproblematiek al in 2001/2002 in de media aan de orde was. Dexia gaat er derhalve van uit dat [appellant] in elk geval reeds vanaf medio 2002 in de media heeft vernomen over Dexia en de effectenleaseproblematiek en dat [appellante] toen het bestaan van de overeenkomst met [appellant] heeft besproken. Dexia heeft tot slot gesteld dat financiën voor de oude dag bij uitstek een onderwerp is dat binnen gezinsverhoudingen wordt besproken.

3.14.

[appellanten] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat [appellant] pas in 2005 bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst omdat [appellante] toen het bestaan van de overeenkomst moest opbiechten omdat er een schuld was ontstaan. [appellante] heeft zelfstandig het spaargeld in de overeenkomst gestoken en aangezien zij voor het grootste deel de administratie verrichtte en er geen bedrag van de betaalrekening werd onttrokken, kon [appellant] ook niet eerder op de hoogte komen van de overeenkomst dan in 2005 toen zij [appellant] informeerde. [appellanten] betwist dat de door Dexia geschetste normale gezinssituatie van toepassing is op het gezin ‘[appellant]’. Sinds het begin van het huwelijk heeft [appellante] de administratie op zich genomen en was er sprake van een taakverdeling, hetgeen volgens [appellanten] vaker gebeurt indien door echtelieden een onderneming wordt gevoerd. [appellanten] heeft in hoger beroep in de toelichting op grief I voorts aangevoerd dat [appellante] [appellant] in de lente van 2005 op de hoogte heeft gebracht van de overeenkomst en dat dat samenhing met een bezoek van een medewerker van RVS. De adviseur van RVS kwam toen langs om de geldzaken van [appellant] te bespreken. [appellante] heeft toen vragen gesteld aan de adviseur van RVS omtrent de door haar met Dexia gesloten overeenkomst. De reden daarvan was dat Dexia en effectenlease-overeenkomsten in het nieuws begonnen te komen. De RVS-adviseur heeft toen bevestigd dat de onderhavige overeenkomst een effectenlease-overeenkomst betrof. Dat was het moment dat [appellant] kennis kreeg van het bestaan van de overeenkomst en de inhoud daarvan. De adviseur van RVS heeft beide echtelieden toen geadviseerd een advocaat in te schakelen. Voor [appellante] was het gezien de taakverdeling tussen beide echtelieden ook niet ongebruikelijk om bedragen van € 20.000,00 uit te geven voor bijvoorbeeld bedrijfsvoering, of wanneer zij van bank wisselt. Dat ligt anders wanneer er een forse schuld wordt aangegaan uit hoofde van een effectenlease-overeenkomst. Omdat [appellante] zelf niet wist dat de overeenkomst een effectenlease-overeenkomst betrof, bestond er geen noodzaak [appellant] eerder op de hoogte te stellen, aldus [appellanten]

3.15.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] met vorenstaande stellingen, bezien in onderling verband en samenhang, het verweer van Dexia dat [appellant] meer dan drie jaar voordat hij bij brief van 5 juli 2005 de vernietiging van de effectenlease-overeenkomst inriep met het bestaan van de overeenkomst bekend was, gemotiveerd betwist. Dat betekent dat Dexia de door haar gestelde bekendheid dient te bewijzen.

3.16.

Het hof acht het, anders dan Dexia, zeer wel voorstelbaar dat [appellant] van het sluiten en het verdere bestaan van de overeenkomst niets heeft gemerkt totdat hij hieromtrent, naar de stellling van [appellanten], in de lente van 2005 werd geïnformeerd. Ook al zou het in het algemeen gebruikelijk zijn dat beslissingen op dit gebied door echtelieden in gezamenlijk overleg worden genomen, dan betekent dat nog niet dat ook [appellante] en [appellant] zich aan dit gebruik hielden. De stelling van Dexia dat [appellanten] bij conclusie van repliek in conventie heeft aangevoerd dat “eisers in de veronderstelling waren dat het om een spaarovereenkomst ging” en dat [appellant] aldus stelt te hebben gedwaald ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, berust op een onjuiste lezing van de stellingen van [appellanten] heeft in eerste aanleg (par. 26 conclusie van repliek conventie) in het kader van het beroep op dwaling gesteld: “Voor de tussenpersoon had het bovendien helder moeten zijn dat eisers in de veronderstelling waren dat het om een spaarovereenkomst ging. Immers, het spaargeld wat bedoeld was voor later is gestoken in de overeenkomst.” Hieruit volgt naar het oordeel van hof niet zondermeer dat [appellant] reeds ten tijde van het aangaan van de overeenkomst in december 2000 ervan op de hoogte was dat [appellante] door tussenkomst van de tussenpersoon een spaarovereenkomst of een overeenkomst met Dexia had gesloten. Uit deze stelling kan evengoed worden begrepen dat het volgens [appellanten] de tussenpersoon duidelijk had moeten zijn geweest dat [appellante] een spaarovereenkomst wilde sluiten.

3.17.

Met Dexia is het hof echter van oordeel dat hetgeen [appellanten] in eerste aanleg heeft gesteld over de aanleiding dat [appellante] [appellant] in 2005 informeerde, niet geheel in overeenstemming is met hetgeen [appellanten] in hoger beroep heeft aangevoerd. In eerste aanleg stelt [appellanten] immers dat [appellante] in 2005 het bestaan van de overeenkomst moest opbiechten omdat er een schuld was ontstaan, terwijl de aanleiding om [appellant] te informeren volgens het gestelde in de memorie van grieven was gelegen in het feit dat effectenleasezaken in het nieuws begonnen te komen en zij in verband daarmee tijdens het bezoek van de RVS-adviseur in de lente van 2005 vragen zou hebben gesteld. De stelling van [appellanten] dat [appellante] één en ander in 2005 heeft opgebiecht omdat er een schuld was ontstaan, acht het hof, gezien het feit dat de overeenkomst eerst op 19 juni 2006 (met een restschuld) door Dexia is beëindigd, bovendien niet bepaald aannemelijk. Dexia heeft er voorts terecht op gewezen dat, naar het hof ook ambtshalve bekend is, Dexia en de effectenleaseproblematiek reeds in 2002 uitvoerig in de media is uitgemeten en niet, zoals [appellanten] heeft gesteld, eerst in 2005 in het nieuws gekomen.

Gelet op het vorenstaande is het hof voorshands van oordeel dat Dexia het in 3.12. genoemde bewijs heeft geleverd. [appellanten] zal gelet op zijn bewijsaanbod worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van Dexia.

3.18.

In afwachting van de bewijsvoering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellanten] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [appellant] al meer dan drie jaren vóór 5 juli 2005 op de hoogte was van het bestaan van de op 6 december 2000 gesloten effectenlease-overeenkomst;

bepaalt, voor het geval [appellanten] het tegenbewijs door getuigen wil leveren, dat de getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. S. Riemens als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 30 september 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 6 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellanten] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, S. Riemens en D.A.E.M. Hulskes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2014.