Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3633

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
19-09-2014
Zaaknummer
HD 200.021.202_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoor-en wederhoor

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.021.202/01

arrest van 16 september 2014

in de zaak van

1 [appellant 1],
[appellante 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel,

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht,

2. [appellant 3],

[appellante 4],

wonende te [woonplaats],

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.K. Decupere te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.W.A.M. van Roy te Beek,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 17 februari 2009, 29 mei 2012, 23 oktober 2012 en 4 februari 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 115204/HA ZA 06-1106 gewezen vonnissen van 9 april 2008 en 10 september 2008.

17 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 4 februari 2014;

- de akte na tussenarrest in principaal appel met producties van [appellanten 3 en 4];

- de akte na tussenarrest van [geïntimeerde].

Vervolgens is arrest bepaald.

18 De verdere beoordeling

in de zaak tussen [appellanten 1 en 2] en [geïntimeerde]

18.1.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld

- dat niet is komen vast te staan dat in de relatie tussen [geïntimeerde] en [appellanten 1 en 2] sprake is van een buurweg;

- dat [geïntimeerde] jegens [appellanten 1 en 2] geen misbruik heeft gemaakt van haar eigenaarsbevoegdheden door langs het bospad hekken te plaatsen;

- dat [appellanten 1 en 2] onvoldoende hebben gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat [geïntimeerde] met het stalen toegangshek [appellanten 1 en 2] op onrechtmatige wijze zou treiteren of op andere wijze misbruik van haar eigendomsrecht zou maken.

18.1.2.

Nu alle grieven van [appellanten 1 en 2] falen, zullen de beroepen vonnissen, voor zover deze zien op het geschil tussen [geïntimeerde] en [appellanten 1 en 2] worden bekrachtigd. [appellanten 1 en 2] zullen als in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep als in het dictum te melden.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

in de zaak tussen [appellanten 3 en 4] en [geïntimeerde]

in incidenteel appel

18.3.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat het door [geïntimeerde] gevorderde verbod aan [appellanten 3 en 4] om [geïntimeerde] de vrije toegang tot het bospad te belemmeren zal worden afgewezen, nu niet is gebleken dat er sprake is van zodanige belemmering, noch van de dreiging daartoe. Het incidenteel appel faalt.

in principaal appel

18.2.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat

a. a) als [geïntimeerde] de hekken langs het bospad op haar eigen terrein heeft geplaatst, zij jegens [appellanten 3 en 4] geen misbruik heeft gemaakt van haar eigenaarsbevoegdheden, maar als zij deze op het terrein van [appellanten 3 en 4] heeft geplaatst, zij daarmee wellicht inbreuk zou maken op het eigendomsrecht van [appellanten 3 en 4];

b) de vordering van [appellanten 3 en 4] tot het verplichten van [geïntimeerde] om haar medewerking te verlenen aan een kadastrale opmeting ter plaatse zal worden toegewezen als in de memorie van grieven omschreven;

c) niet teruggekomen wordt op het oordeel dat de wijziging bij memorie van antwoord in het incidenteel appel tevens houdende wijziging van eis in het principaal appel van deze vordering (tot: dat de kadastrale opmeting zal worden gedaan conform de akte van 23 februari 1934 c.a.) tardief is en derhalve niet toegestaan;

d) de gevorderde verwijdering van de camera’s zal worden afgewezen bij gebrek aan belang nu het dummy’s betreffen;

e) het landtongetje tot de openbare [straatnaam] behoort en geen verklaring voor recht zal worden gegeven dat er ter plaatse geen sprake is van een in-en uitrit maar van een doodlopend bospad en dat het [geïntimeerde] niet zal worden verboden het landtongetje te betreden.

18.3.1.

Bij de akte na tussenarrest verzoeken [appellanten 3 en 4] het hof wederom terug te komen op het in r.o. 18.2.1 onder c weergegeven oordeel. Het hof heeft reeds in zijn tussenarrest van 23 oktober 2012 geoordeeld dat de eiswijziging van [appellanten 3 en 4] tardief is en in strijd met de goede procesorde. De argumenten die [appellanten 3 en 4] thans aanvoeren – welke zij in andere bewoordingen reeds eerder hebben aangedragen – doen niet af aan dit oordeel. Het hof verwijst naar datgene wat in r.o. 12.1-12.3.6. hierover is overwogen en beslist en ziet geen aanleiding om daarop terug te komen.

18.3.2.

Dit betekent dat in de onderhavige procedure tussen partijen heeft te gelden dat [geïntimeerde] eigenaar is van perceel [kadastraalnummer 5].

18.3.3.

Bij de akte na tussenarrest hebben [appellanten 3 en 4] bovendien het Relaas van bevindingen van de landmeter van het Kadaster, opgemaakt op 11 april 2014, overgelegd, waaruit blijkt dat het hekwerk staat op perceel [kadastraalnummer 5].

Uit het voorgaande volgt dat [geïntimeerde] door het plaatsen van het hekwerk geen inbreuk heeft gemaakt op eigendomsrechten van [appellanten 3 en 4], zodat toewijzing van de vordering van [appellanten 3 en 4] tot het verplichten van [geïntimeerde] om haar medewerking te verlenen aan een kadastrale opmeting ter plaatse als door het hof in genoemd tussenarrest overwogen (zie hiervoor onder 18.2.1.b) niet meer relevant is en achterwege kan blijven. Het principaal appel faalt op dit punt eveneens.

18.4.1.

[appellanten 3 en 4] komen in hun akte na tussenarrest ook terug op de kwestie van de camera’s. Zij stellen dat het hof in strijd met de regels van hoor- en wederhoor heeft aangenomen dat de camera’s dummy’s zijn en dat het hof dus de vordering tot verwijdering van de camera’s ten onrechte heeft afgewezen. Zij vragen het hof daarom van dit oordeel terug te komen.

18.4.2.

Naar het oordeel van het hof is geen strijd aanwezig met het beginsel van hoor- en wederhoor. [appellanten 3 en 4] hebben twee maal de gelegenheid gehad om op de stelling dat de camera’s dummy’s waren te reageren; ter comparitie en bij memorie na descente. Ter comparitie heeft de advocaat van [geïntimeerde] gesteld dat de camera’s dummy’s waren. Toen is dat noch door [appellant 3], [appellante 4] of hun advocaat (gemotiveerd) bestreden. In de memorie na descente en comparitie – het eerstvolgende processtuk voorafgaand aan het tussenarrest van 4 februari 2014 – hebben [appellanten 3 en 4] aangegeven dat [geïntimeerde] in 2006 een camerasysteem heeft laten aanleggen en dat [appellanten 3 en 4] vermoeden “dat [geïntimeerde] kort voor de descente de camera’s heeft (laten) vervangen door dummy’s, doch [appellanten 3 en 4] kan dit niet controleren of bevestigen.

Voorts hebben zij toen hun eerder ingenomen standpunt – dat de camera’s een inbreuk maken op hun privacy en dus verwijderd dienen te worden – herhaald. Het hof deelt het standpunt van [appellanten 3 en 4] dat werkende camera’s indien en voor zover gericht op het perceel van [appellanten 3 en 4] (daaronder niet begrepen de aan hen in eigendom toebehorende landtong die in het verlengde ligt van het aan [geïntimeerde] toebehorende bospad, waarop de camera’s wel gericht mogen worden) een ongeoorloofde inbreuk zouden maken op hun privacy.

Echter, met hun reactie(s) zoals hierboven weergegeven hebben [appellanten 3 en 4] de stelling dat de camera’s dummy’s zijn onvoldoende onderbouwd betwist. Uitgaande van het feit dat de camera’s dummy’s zijn, komt het hof dan ook niet terug op het oordeel dat de grief terzake van de camera’s bij gebrek aan belang faalt.

18.4.3.

In principaal appel falen de grieven derhalve.

in de zaak tussen [appellanten 3 en 4] en [geïntimeerde]

in principaal en incidenteel appel

18.5.

De beroepen vonnissen zullen, voor zover deze zien op het geschil tussen [appellanten 3 en 4] en [geïntimeerde] worden bekrachtigd. In principaal appel zullen [appellanten 3 en 4] als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep als in het dictum te melden. In incidenteel appel zal [geïntimeerde], als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Op vordering van [appellanten 3 en 4] zal het hof de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak toewijzen.

Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

16 De uitspraak

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de door de rechtbank Maastricht tussen [appellant 1], [appellante 2], [appellant 3] en [appellante 4] enerzijds en [geïntimeerde] anderzijds onder zaaknummer 115204/HA ZA 06-1106 op 9 april 2008 en 10 september 2008 gewezen vonnissen;

veroordeelt [appellant 1], [appellante 2], [appellant 3] en [appellante 4] in de kosten van de procedure in principaal appel, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 303,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in incidenteel appel, aan de zijde van [appellant 3] en [appellante 4] tot op heden begroot op

€ 1.341,- aan salaris advocaat en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en

J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2014.