Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3618

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
20-000633-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:593, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het tezamen met anderen invoeren en aanwezig hebben van 603 kilogram hennep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden alsmede een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren. Vrijspraak van het voorhanden hebben van een revolver en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000633-09

Uitspraak : 16 september 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van
11 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer 02-993004-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is:

  • -

    de verdachte vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde;

  • -

    de verdachte ter zake van

“Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” (feit 2) en

“Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd” (feit 3),

veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- een in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag van € 576,75, teruggegeven aan verdachte.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2. en 3. is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen (onder aanvulling van de bewijsmiddelen), doch met betrekking tot de opgelegde straf, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    het in beslag genomen geldbedrag, conform de rechtbank, zal teruggeven aan verdachte.

De verdediging heeft bepleit dat:

  • -

    verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 3. ten laste gelegde;

  • -

    aan verdachte een zodanige straf zal worden opgelegd dat hij niet terug hoeft naar de gevangenis;

  • -

    de geschorste voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 januari 2008 tot en met
31 januari 2008 te Amsterdam en/of Schiphol en/of Haarlemmermeer en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of aanwezig heeft gehad, ongeveer 850 kilogram, althans ongeveer 603 kilogram, in ieder geval (telkens) een hoeveelheid, hennep, in ieder geval een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op of omstreeks 31 januari 2008 te Hoorn, in elk geval in Nederland, een revolver van het merk North American Arms, kaliber .22 magnum, in elk geval een vuurwapen van de categorie III onder 1, en/of 21, in elk geval een of meer, kogelpatro(o)n(en), kaliber .22 magnum, in elk geval munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van het wapen en de munitie in zijn woning, dat deze voorwerpen in de logeerkamer zijn aangetroffen, niet op het eerste gezicht zichtbaar waren en dat er meer personen op het adres van verdachte stonden ingeschreven en ter plekke ook post is aangetroffen ten name van andere personen. Verdachte verbleef bovendien regelmatig op het adres van zijn ex-vrouw en zijn zoon.

Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie in de zin van art. 26 van de Wet wapens en munitie, is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die vuurwapens en munitie.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat naast verdachte ook anderen in de woning verbleven en dat verdachte regelmatig elders verbleef. Gelet daarop kan niet worden uitgesloten dat verdachte van de aanwezigheid van die revolver en de munitie niet op de hoogte was. Het hof heeft aldus, op grond van de aanwezige bewijsmiddelen, onvoldoende de overtuiging bekomen dat verdachte zich bewust is geweest, dan wel moet zijn geweest, van de aanwezigheid van de revolver en de munitie.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 23 januari 2008 tot en met 31 januari 2008 te Amsterdam en Schiphol tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en aanwezig heeft gehad ongeveer 603 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel,

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

A.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat het bewezen verklaarde handelen van verdachte in verband staat met de internationale handel in softdrugs, welke handel de internationale rechtsorde verstoort en bovendien allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten veroorzaakt, terwijl wetenschappelijk is aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden;

  • -

    de omstandigheid dat het bewezen verklaarde een zeer grote hoeveelheid softdrugs betreft.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    27 maart 2014, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met de strafrechter;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden alsmede een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden. Het hof acht deze straf passend, ook indien wordt aangenomen dat verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, een meer uitvoerende rol heeft gehad in het geheel.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep verder nog bepleit dat de redelijke termijn is overschreden, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De verdachte heeft op 24 februari 2009 hoger beroep ingesteld. In de zaak van de medeverdachte is nader (rogatoir) onderzoek in het buitenland uitgevoerd. Het hof doet uitspraak meer dan 5 jaar en 6 maanden na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding in plaats van de overwogen gevangenisstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
9 maanden op te leggen.

Beslag

Van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door

120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een geldbedrag groot € 576,75.

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 16 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.