Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3617

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
20-000733-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:839, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor brandstichting in zijn eigen bedrijfspand en poging tot oplichting van de schadeverzekeraar tot 30 maanden gevangenisstraf. Het hof acht de lezing van verdachte dat de brand is gesticht door personen die hem in zijn bedrijfspand hebben overvallen, niet aannemelijk. De rechtbank sprak verdachte eerder vrij.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157, 326, geldigheid: 2014-09-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000733-14

Uitspraak : 15 september 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 februari 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-825368-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

wonende te [woonadres].

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is de verdachte vrijgesproken van – kort gezegd – brandstichting met gevaar voor personen en/of goederen (feit 1) en poging tot oplichting van de schadeverzekeraar (feit 2). Voorts heeft de rechtbank de betreffende schadeverzekeraar in haar vordering als benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard, teruggave van in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte gelast en het – sinds 29 oktober 2012 geschorste – voorarrest van de verdachte opgeheven.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2014, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

 het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren;

 de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

 de in beslag genomen voorwerpen verbeurd zal verklaren;

 de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal toewijzen (posten I en III) met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair, in het geval het hof komt tot enige bewezenverklaring van het ten laste gelegde, is het verrichten van een drietal nadere onderzoekshandelingen verzocht. Meer subsidiair is verzocht de strafoplegging te beperken in die zin dat het onvoorwaardelijk deel van die straf gelijk wordt gesteld aan de duur van het ondergane voorarrest. Voor het overige is niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding bepleit en is verzocht om teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen kleding.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging in eerste aanleg, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 27 april 2012 te Bergeijk opzettelijk brand heeft gesticht en/of opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in/aan het bedrijfspand [adres], hebbende hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk (een) brandbare stof(fen) door/in genoemd pand gesprenkeld en/of gegoten en/of verspreid en/of vervolgens (open) vuur in aanraking gebracht met deze brandbare stof(fen), terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) zich in de nabijheid van voornoemd pand bevindende perso(o)n(en) en/of gemeen gevaar voor één of meer nabij gelegen pand(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;


2.
hij in of omstreeks de periode van 27 april 2012 tot en met 23 juli 2012 te Bergeijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [schadeverzekeraar] N.V. te bewegen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- aangifte heeft gedaan van een diefstal met geweld, gevolgd door een brandstichting door een drietal onbekende personen en/of

- daarvan melding heeft gedaan bij voornoemde verzekeringsmaatschappij en/of

- bij voornoemde verzekeringsmaatschappij de schade voortvloeiend uit voornoemde brandstichting heeft geclaimd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 27 april 2012 te Bergeijk opzettelijk brand heeft gesticht in het bedrijfspand [adres], hebbende hij toen aldaar opzettelijk een brandbare stof in genoemd pand verspreid en vervolgens open vuur in aanraking gebracht met deze brandbare stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;


2.
hij in de periode van 27 april 2012 tot en met 23 juli 2012 te Bergeijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [schadeverzekeraar] N.V. te bewegen tot de afgifte van geld, met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- aangifte heeft gedaan van een diefstal met geweld, gevolgd door een brandstichting door een drietal onbekende personen en

- daarvan melding heeft gedaan bij voornoemde verzekeringsmaatschappij en

- bij voornoemde verzekeringsmaatschappij de schade voortvloeiend uit voornoemde brandstichting heeft geclaimd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Onder 2 heeft het hof bewezen verklaard “het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen”. Dit is ingegeven door het feit dat volgens de aangifte van poging tot oplichting door [schadeverzekeraar] N.V. de verdachte een schadeclaim heeft ingediend krachtens een verzekeringsovereenkomst krachtens welke “[bedrijf] B.V. e.a.” én de verdachte als verzekerde gelden (dossier p. 164-165 e.v.).

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De rechtbank heeft de verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vrijgesproken en daartoe onder meer overwogen dat het alternatieve scenario, zoals door de verdachte - ook ten overstaan van het hof - is geschetst, niet is uit te sluiten op grond van de bewijsmiddelen.

Echter ingevolge vaste jurisprudentie dient het volgende als uitgangspunt te gelden.

Ingeval een verdachte het hem ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, zal de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken moeten weerleggen. Dat kan op zich geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten, maar een dergelijke weerlegging is niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging namelijk kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.1

Ten aanzien van het door de verdachte geschetste – hierna uitvoerig te bespreken – alternatieve scenario dat er in het kort op neer komt dat de brand is gesticht door personen die hem die ochtend in zijn bedrijfspand hebben overvallen, overweegt het hof als volgt:2

1.

De verdachte is op donderdagavond 26 april 2012 ’s avonds nog in het onderhavige bedrijfspand geweest. De verdachte is daar toen als laatste vertrokken en heeft toen het alarm ingeschakeld (verklaring verdachte p. 42-43; uitdraai alarmsysteem p. 128). Het alarmsysteem werkte naar behoren (Rapport Custos Contra Forensics, p. 79).

Op vrijdag 27 april 2012 om 05:36 uur arriveerde de verdachte met zijn bestelbus bij zijn bedrijfspand. Om 05:37 uur ging de verdachte via de personeelsingang zijn bedrijfspand binnen en schakelde het alarm uit. Om 05:40 uur liep hij vanuit de personeelsingang terug naar zijn bestelbus en hij ging vervolgens binnen een minuut opnieuw via de personeelsingang het bedrijfspand in (camerabeelden, p. 323 en p. 480-482; alarmuitdraai, p. 128; verklaring verdachte, p. 44-45).

2.

Om 05:50 uur gaf de alarminstallatie een eerste brandmelding (alarmuitdraai van de meldkamer, p. 128). Op datzelfde tijdstip, 05:50 uur, stortte een zijgevel van het bedrijfspand in (camerabeelden, p. 323 en p. 482). Om 5:54:51 uur komt een persoon het gebouw uit (camerabeelden, p. 324 en p. 483).

3.

Aan de achterzijde van het pand, waar de brand heeft plaatsgevonden, heeft de politie in de productiehal zes brandresten bemonsterd (proces-verbaal FTO, p. 343-348; rapport Brandtechnisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 22 oktober 2013, figuur 2 op p. 500). In deze brandresten zijn door het NFI vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine (NFI-rapport d.d. 3 juli 2012, p. 353-355 en p. 358).

4.

Het NFI heeft geconcludeerd dat de bevindingen van het onderzoek passen bij een explosieve ontbranding van een benzinedamp-luchtmengsel voorafgaande aan of aan het begin van de brand, waaraan eventueel opdwarrelend stof nog een bijdrage heeft geleverd. Volgens het NFI waren er op basis van de bevindingen van het onderzoek omstandigheden in de productiehal aanwezig waaruit kan worden geconcludeerd dat een tijdsbestek van tien minuten, of zelfs acht minuten, voldoende was om motorbenzine te sprenkelen/uit te gieten waarvan de gegenereerde damp voldoende was om een explosie te veroorzaken waardoor de bouwkundige deformaties zijn ontstaan (NFI-rapport d.d. 22 oktober 2012, p. 513-514).

5.

In het bedrijfspand was in een werkplaats waar (race)motoren stonden een jerrycan van circa 20 liter aanwezig met daarin nog een geringe hoeveelheid benzine (rapport I-Tek B.V., p. 207-209 en p. 213-214). De verdachte wist dat er motorbenzine in het pand aanwezig was blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep dat er in zijn bedrijfspand altijd wel een kan met motorbenzine stond.

6.

De arts die de verdachte op 27 april 2012 kort na de brand (verklaring verdachte, p. 58-59) heeft onderzocht in het ziekenhuis heeft op het medische informatieformulier in de rubriek “Bijzondere mededelingen” het volgende aangetekend: “Kleding rook naar benzine” (p. 74). Die arts heeft nadien op vragen van de politie geantwoord dat de verdachte “zeker meer dan een beetje” naar benzine rook, dat hij de verdachte daarop had aangesproken en dat de verdachte dit beaamde (p. 328).

7.

In de schoenen van de verdachte zijn door het NFI vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine (p. 338, 346-347 en 429-430; NFI-rapport d.d. 3 juli 2012, p. 353-355 en p. 358).

8.

De verdachte heeft op 27 april 2012 te 10:05 uur bij de politie aangifte gedaan van een overval door drie onbekende personen (p. 66-72). Die aangifte houdt in dat de verdachte in de vroege ochtend van 27 april 2012 naar zijn bedrijfspand is gegaan om latjes te zagen voor een klant. De verdachte is via de zijdeur (hof: de personeelsingang) naar binnen gegaan en hij heeft de latjes gezaagd. Dit heeft maximaal vijf minuten geduurd. Hij heeft de latjes vervolgens in zijn auto gezet en is terug naar binnen gegaan om de zaak af te sluiten en het alarm weer in te schakelen. Het toetsenbord van het alarm bevond zich binnen vlak bij deze zijdeur. Op het moment dat hij het alarm had ingeschakeld en vervolgens de deur (hof: de personeelsingang) naar buiten opende, stonden er drie mannen voor de deur. Eén van de mannen duwde de verdachte terug naar binnen. De verdachte heeft toen het alarm weer moeten uitschakelen. Vervolgens is de verdachte de werkplaats ingeduwd en heeft één van de mannen geroepen: ‘Money, money’. Nadat hij zijn portemonnee had afgegeven, kreeg de verdachte een klap in zijn gezicht, waardoor hij direct het bewustzijn verloor. Toen hij weer bij bewustzijn kwam, zag hij dat de ruimte donker was en vol rook stond. Hij is vervolgens gaan kruipen, waarbij hij zich ook nog heeft gestoten, en is tenslotte via de werkplaats en daarna via dezelfde route naar buiten gegaan als waardoor hij naar binnen was gekomen (hof: de personeelsingang). [A] kwam naar hem toegelopen en heeft het alarmnummer gebeld.

Getuige [A] heeft op 27 april 2012 verklaard dat – nadat hij had gezien dat de zijgevel van het bedrijfspand van de verdachte eruit lag, rook uit het dak kwam en hij achterin vlammen ontwaarde – hij zag dat de verdachte onder het stof via de personeelsingang van het pand naar buiten kwam (p. 515-516). Daarna belde [A] voor de tweede keer 112. Dat was om 5:55 uur (p. 262).

9.

Op het moment waarop de verdachte zijn aangifte deed, wist hij niet dat de personeelsingang van zijn bedrijfspand werd opgenomen door een beveiligingscamera van een naburig bedrijf (verklaring verdachte bij de politie d.d. 24 juli 2012, p. 41 en 44 en verklaring ter terechtzitting in hoger beroep).

10.

De bewakingscamera is dusdanig gepositioneerd dat men de zijingang (hof: personeelsingang) van het pand niet kan benaderen zonder dat dit door de camera wordt vastgelegd. De politie heeft de camerabeelden van deze personeelsingang van verdachtes bedrijfspand bekeken geruime tijd vóór, rondom en na het tijdstip waarop de overval volgens de aangifte van de verdachte zou hebben plaatsgevonden. Op deze beelden zijn nergens drie onbekende personen gesignaleerd (p. 323-324).

11.

Het hof stelt vast dat de aangifte van de verdachte, volgens welke de overvallers via de personeelsingang het pand hebben betreden, weerlegging vindt in de camerabeelden.

12.

Nadat de verdachte werd geconfronteerd met het feit dat er camerabeelden van de personeelsingang waren en dat de drie door hem genoemde overvallers daarop niet te zien waren, heeft de verdachte verklaard dat het in zijn beleving is gegaan zoals in zijn aangifte omschreven – te weten dat toen hij, nadat hij het alarm had ingeschakeld, de deur van de personeelsingang opende om het pand te verlaten, de overvallers buiten bij de personeelsingang stonden en hem via de personeelsingang hebben gedwongen terug het pand in te gaan – maar dat het gelet op de camerabeelden dan anders moet zijn gegaan. De overvallers moeten dan wel het pand op andere wijze zijn binnengekomen, namelijk via de (volgens de verdachte niet afgesloten) hoofdingang of via een kapot raam en wel nadat de verdachte het alarm had uitgeschakeld, waarna zij hem van binnenuit hebben overmeesterd toen hij het alarm opnieuw wilde inschakelen (verklaring verdachte p. 49-51 en verklaringen verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep).

13.

Ten aanzien van het alternatieve scenario waarin de overvallers het pand via de hoofdingang zouden hebben betreden, overweegt het hof als volgt.

Aan de hoofdingang werd geen braakschade aangetroffen (p. 346), zodat betreden van het bedrijfspand via de hoofdingang slechts mogelijk is geweest indien de hoofdingang die betreffende vrijdagmorgen 27 april 2012 niet op slot was.

De brandweercommandant heeft op 9 mei 2012 tegen de politie verklaard dat hij zich kan herinneren dat twee brandweerlieden, onder wie [B] (het hof begrijpt: [B]) na aankomst bij het bedrijfspand van de verdachte met een sleutel onder andere de voordeur van het bedrijfspand hebben geopend (proces-verbaal van bevindingen, p. 325).

[B], lid van de vrijwillige brandweer in Bergeijk, heeft bij de politie verklaard dat hij van de verdachte een sleutelbos heeft gekregen en onder andere de hoofdingang met een door de verdachte aangewezen sleutel heeft geopend (p. 527). Bij de raadsheer-commissaris heeft [B] op 5 februari 2013 verklaard dat de verdachte hem een sleutelbos heeft gegeven en de sleutel heeft aangewezen die op alle deuren zou passen. [B] heeft met deze sleutel onder andere de voordeur opengemaakt.

De verdachte heeft bij de politie op de vraag of hij de voordeur heeft afgesloten toen hij donderdagavond (hof: 26 april 2012, de dag voor de brand) de deur uitging, geantwoord: “Ja, ik ga ervan uit dat dat zo is. (…) Bij het verlaten het alarm erop gezet en de deur afgesloten en de sleutel meegenomen.” (p. 51) Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte voorts verklaard dat hij aanneemt dat hij de voordeur, dat wil zeggen de hoofdingang, had afgesloten, omdat hij dat normaal gesproken altijd deed.

14.

De raadsman heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van twee getuigen. Aangevoerd is dat in het rapport van onderzoeksbureau I-Tek wordt gesteld dat de hoofdingang niet op slot zou hebben gezeten. Indien het hof op dit punt (het hof begrijpt dat bedoeld wordt: met betrekking tot het al dan niet afgesloten zijn van de hoofdingang) “voor een belangrijk deel zijn oordeel vestigt”, verzoekt de raadsman het hof de twee medewerkers van I-Tek (het hof begrijpt: [C] en [D], zie p. 196) als getuigen te horen over de vraag wie van de brandweer zij hebben gesproken, zulks om vast te stellen of het klopt dat de hoofdingang niet op slot zat.

15.

Het hof wijst het verzoek tot het horen van de twee medewerkers van I-Tek af, aangezien het daartoe geen noodzaak ziet. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de brandweerman [B] tot tweemaal toe – bij de politie en de raadsheer-commissaris – heeft verklaard dat hij de hoofdingang heeft geopend met een door de verdachte ter beschikking gestelde sleutel. Dit vindt steun in de verklaring die de brandweercommandant op 9 mei 2012, derhalve vrij kort na de brand, tegenover de politie heeft afgelegd. Voorts heeft de verdachte zelf verklaard dat hij ervan uitgaat dat hij de avond tevoren de hoofdingang heeft afgesloten, hetgeen ook voor de hand ligt en strookt met zijn normale handelwijze. Onder deze omstandigheden acht het hof het horen van genoemde medewerkers van I-Tek niet noodzakelijk met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Het hof acht zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht.

16.

Op grond van hetgeen onder 13 is overwogen, acht het hof niet aannemelijk geworden dat drie overvallers door de hoofdingang het bedrijfspand zijn binnengekomen.

17.

Het hof acht evenmin aannemelijk geworden dat de drie overvallers via de door de verdachte bedoelde kapotte ruit het bedrijfspand zijn binnengekomen. Uit het dossier blijkt immers dat het gat na ontdekking door de verdachte met planken was gedicht (p. 51, 68 en 345) en dat de brandweer een houten plaat voor de ruit heeft verwijderd (p. 196). Bovendien acht het hof niet aannemelijk dat drie mannen door het gat in de ruit naar binnen hebben kunnen klimmen, gelet op de beperkte grootte van het gat en de hoogte daarvan ten opzichte van de grond (1.20 meter: p. 51), zoals blijkt uit de foto’s in het dossier (p. 196 en 424-425).

18.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het ontbreken van benzineresten op de kleding van de verdachte het “schuldige scenario” uitsluit en hij heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan dat middels “een goed gelijkende proef en/of een goed gelijkende reconstructie” getoetst en/of aangetoond zal worden of het mogelijk is om de brand te stichten, op de wijze als is gebeurd, zonder dat daarbij benzine op de kleding terechtkomt.

Het hof wijst het verzoek tot “een goed gelijkende proef en/of een goed gelijkende reconstructie” af, aangezien een dergelijk onderzoek – bij gebreke van voldoende informatie over de exacte wijze waarop de benzine in het pand is verspreid en de hoeveelheid verspreide benzine – niet uitvoerbaar is.

19.

De raadsman heeft vervolgens verwezen naar een aantal andere uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden die steun zouden bieden aan de lezing van de verdachte dat hij is overvallen en dat de brand door de overvallers is gesticht.

Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen steun voor de lezing van de verdachte. De herkomst van de aangetroffen schoensporen, het “mogelijke” (p. 431) sleepspoor en de jas in de vuilnisbak van het waslokaal is ongewis, mede in aanmerking genomen dat het gaat om een bedrijfspand waarin meerdere personen werkzaam waren en dat na de brandstichting door meerdere personen is betreden. Naar het oordeel van het hof kan het bij de verdachte geconstateerde – beperkte – letsel zijn veroorzaakt doordat hij werd verrast door de snelheid en heftigheid waarmee een en ander gepaard ging of door het feit dat hij bij het kruipend verlaten van het pand, zoals hij zelf heeft verklaard (p. 67), ergens tegenaan is gebotst. Dit geldt ook voor het feit dat is gezien dat de verdachte onder het stof uit het pand gezwalkt kwam. De raadsman heeft verder nog gewezen op het feit dat niet is gebleken dat de verdachte voorafgaand aan de brand persoonlijke, voor hem waardevolle spullen uit het pand heeft gehaald. Dit gegeven zegt op zichzelf weinig, omdat dit ook ten doel kan hebben gehad de verdenking van zichzelf af te halen.

20.

De raadsman heeft voorts nog aangevoerd dat op camerabeelden lichtschijnsel tegen de gevel van het pand van de verdachte te zien is, dat lijkt op het even ontsteken van de koplampen van een personenauto/voertuig op een tegenover het pand gelegen parkeerplaats, en dat even later te zien is dat een auto vanaf dezelfde richting de kruising oprijdt en passeert met hoge snelheid. Hieruit kan volgens de raadsman de aanwezigheid van de mogelijke overvallers worden afgeleid. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep afdrukken van de betreffende camerabeelden overgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan op grond van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd noch op grond van de door de verdachte overgelegde afdrukken van beelden een verband worden vastgesteld tussen het lichtschijnsel op de gevel en de later passerende auto. Voorts kan uit hetgeen is aangevoerd, waaronder de rijsnelheid van de auto en het feit dat niet rechts wordt gereden, niet volgen dat de auto op de beelden de auto van “de overvallers” zou zijn. Uit hetgeen hiervoor is opgemerkt, vloeit immers voort dat een overval op de verdachte, zoals door hem gesteld, op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.

21.

De raadsman heeft bij pleidooi ten slotte een voorwaardelijk verzoek gedaan tot nader onderzoek van de hiervoor genoemde beelden waarop het lichtschijnsel te zien is en van de beelden ter hoogte van de hoofdingang en de zijstraat.

Het hof wijst dit verzoek af, aangezien het daartoe geen noodzaak ziet, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof acht nader onderzoek van de camerabeelden niet noodzakelijk met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Het hof acht zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht.

22.

Het hof concludeert dat de verdachte in het bedrijfspand aanwezig is geweest toen de brand werd gesticht en dat hij de tijd, gelegenheid en middelen (de in het pand aanwezige motorbenzine) heeft gehad om de brand te stichten, alsmede dat in zijn schoenen vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine zijn aangetoond en dat zijn kleding na de brand opvallend naar benzine rook. Zijn als eerste geschetste alternatieve scenario (de overvallers kwamen binnen door de personeelsingang) wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, terwijl zijn tweede alternatieve scenario (de overvallers moeten zijn binnengekomen door de hoofdingang of de kapotte ruit) niet aannemelijk is geworden, terwijl ook voor het overige ieder begin van aannemelijkheid ontbreekt dat een of meer anderen dan de verdachte ten tijde van het stichten van de brand in het pand aanwezig is/zijn geweest.

Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dat van de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van een ander was te duchten, is niet gebleken. Daarvan zal de verdachte derhalve worden vrijgesproken. In het verlengde van de bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, acht het hof bewezen dat de verdachte, zoals onder 2 is ten laste gelegd, heeft gepoogd zijn verzekeringsmaatschappij op te lichten door een valse aangifte te doen van een overval gevolgd door een brandstichting, daarvan melding te doen bij de verzekeringsmaatschappij en bij de verzekeringsmaatschappij de schade voortvloeiend uit de brandstichting te claimen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 157, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 2 bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 326, eerste lid, juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht en wordt gekwalificeerd als:

poging tot oplichting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft, zoals hiervoor vermeld, gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof, indien het zou toekomen aan strafoplegging, een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest zal opleggen in combinatie met een fors voorwaardelijk deel.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en vervolgens poging tot oplichting van de verzekeringsmaatschappij.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof gelet op:

 de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; in dit verband wijst het hof er op dat brandstichting met gemeen voor goederen in het Wetboek van Strafrecht wordt bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren;

 de omstandigheid dat geen andere reden dan financieel gewin bij de verdachte de drijfveer lijkt te zijn geweest;

 de omstandigheid dat een opzettelijke brandstichting als de onderhavige in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op:

 de inhoud van het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2014, waaruit blijkt dat de verdachte – behoudens een hier niet ter zake doende transactie ter zake van een milieudelict – niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen;

 de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 3 januari 2013, onder meer inhoudende dat indien de verdachte veroordeeld zou worden een reclasseringstoezicht, al dan niet in combinatie met gedragsinterventies/behandeling, niet geïndiceerd is vanwege het lage recidiverisico;

 de grote persoonlijke en financiële gevolgen die de verdachte zelf heeft ondervonden door het bewezen verklaarde.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de duur van 30 maanden met zich brengt.

Op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte komt het hof tot oplegging van een gevangenisstraf van kortere duur dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Die persoonlijke omstandigheden zijn echter niet van zodanig gewicht dat gelet op de ernst van de feiten kan worden volstaan met de door de raadsman bepleite strafoplegging.

Mede gelet op de inhoud van het nagenoeg blanco strafblad van de verdachte en het reclasseringsrapport acht het hof geen termen aanwezig om een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Beslag

Het hof volgt de advocaat-generaal niet in haar vordering tot verbeurdverklaring van de in beslag genomen kleding van de verdachte, nu niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor verbeurdverklaring. Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de in beslag genomen kleding.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [schadeverzekeraar] N.V. heeft in eerste aanleg ter zake van het onder 2 ten laste gelegde een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 22.036,16 aan materiële schade.

De vordering bestaat uit de volgende posten:

I. declaratie I-Tek BV ad € 18.846,92

II. declaratie Nysingh ad € 399,24

III. kosten afdeling Speciale Zaken ad € 2.790,--

De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de onder 2 bewezen verklaarde poging tot oplichting – in het kader waarvan de verdachte aangifte heeft gedaan van een overval gevolgd door een brandstichting, daarvan melding heeft gedaan bij de benadeelde partij en de schade voortvloeiend uit de brandstichting bij de benadeelde partij heeft geclaimd – rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 21.636,92 (posten I en III). Daarbij heeft het hof gelet op de onderbouwing van die schadeposten in de bijlagen bij het voegingsformulier, mede in relatie tot de uit het dossier gebleken werkzaamheden van het door de benadeelde partij ingeschakelde onderzoeksbureau I-Tek BV.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, voor zover die betrekking heeft op post II. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat in zoverre sprake is van schade die rechtstreeks door het onder 2 bewezen verklaarde aan de benadeelde partij is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen.

Het hof ziet geen aanleiding om ten behoeve van [schadeverzekeraar] N.V. de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De schadevergoedingsmaatregel is geen veiligheidsmaatregel, maar beoogt uitsluitend herstel van de rechtmatige toestand. Aan doel en strekking van de maatregel ligt de gedachte ten grondslag het slachtoffer de inning van het aan hem verschuldigde uit handen te nemen. Nu de benadeelde partij voldoende geëquipeerd is om tot inning van het toe te wijzen bedrag te komen, acht het hof enige vorm van inmenging van de Staat op dit punt niet noodzakelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 157 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast – na het onherroepelijk worden van dit arrest – de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- twee schoenen, kleur zwart (goednrs. 513067 en 513068),

- een broek, kleur blauw (goednr. 513063),

- een trui, kleur blauw (goednr. 513061),

- een jas (goednr. 513455).

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [schadeverzekeraar] N.V. ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit tot het bedrag van € 21.636,92 (eenentwintigduizend zeshonderdzesendertig euro en tweeënnegentig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.W. de Ruijter en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 15 september 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359

2 De vermelde pagina’s verwijzen naar het dossier van de politie Brabant Zuid-Oost, nr. PL2233 2012060948, met sluitingsdatum 22 november 2013 (voorblad) dan wel 26 november 2013 (ambtelijk verslag), bestaande uit doorgenummerde pagina’s 1-533.