Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3594

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
F 200.140.969_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0256

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 11 september 2014

Zaaknummer: F 200.140.969/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/262317 / FA RK 13-2196

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.T.P. Tielemans,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 januari 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen een bedrag van € 24,-- per maand dient te voldoen, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, met de uitdrukkelijke plicht voor de vrouw om al het door de man per april 2013 teveel betaalde aan hem terug te betalen, dan wel door de man te laten verrekenen met de nog te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 maart 2014, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Tielemans;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Wijk.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de man op 24 juli 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 30 juli 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 7 juni 1991 te [huwelijksplaats] gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [de dochter] (hierna: [de dochter]), op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats].

[de dochter] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 5 december 2008 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 31 december 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 november 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] een bedrag van € 288,87 per maand moet voldoen.

3.3.

Partijen zijn in 2010 – in onderling overleg – een wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] overeengekomen in die zin dat deze bijdrage verlaagd werd tot € 228,-- per maand.

De bijdrage voor [de dochter] beloopt ingevolge de wettelijke indexering in 2013 € 237,-- per maand.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] met ingang van 29 april 2013 nader vastgesteld op een bedrag van € 250,-- per maand.

3.5.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De grieven van de man betreffen – zakelijk weergegeven –:

- de behoefte van [de dochter];

- de draagkracht van de man.

Behoefte [de dochter]

3.7.

De behoefte van [de dochter] ad € 567,66 per maand (2013) is in hoger beroep niet in geschil.

Tussen partijen is alleen in geschil of de vrouw aanspraak kan maken op het kindgebonden budget dat in mindering strekt op de behoefte van [de dochter].

3.7.1.

De man stelt dat de vrouw recht heeft op een kindgebonden budget van € 104,-- per maand. De man heeft ter zitting van het hof betoogd dat het een persoonlijke keuze van de vrouw is om te gaan samenwonen met haar partner. Dat de vrouw hierdoor geen aanspraak meer kan maken op het kindgebonden budget, mag niet voor zijn rekening komen.

De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.7.2.

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de vrouw samenwoont met een (verdienende) partner. Het hof overweegt dat of de vrouw al dan niet aanspraak kan maken op het kindgebonden budget onder meer afhankelijk is van de hoogte van het verzamelinkomen van de vrouw en haar partner. Het hof zal aansluiting zoeken bij de feitelijke fiscale situatie van de vrouw. Nu uit de bestreden beschikking volgt dat de vrouw bij een parttime dienstverband een inkomen heeft van € 1.702,19 bruto per maand, nog te vermeerderen met vakantietoeslag, acht het hof het voldoende aannemelijk dat de vrouw geen aanspraak kan maken op het kindgebonden budget. Immers, indien de partner van de vrouw een inkomen heeft dat ongeveer gelijk is aan het inkomen van de vrouw, overstijgt het verzamelinkomen de inkomensgrens voor het kindgebonden budget. Het hof ziet in hetgeen de man ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd, geen aanleiding om alsnog rekening te houden met het kindgebonden budget. Het hof overweegt ten overvloede dat, zoals hierna in deze beschikking zal blijken, het kindgebonden budget geen invloed heeft op de door de man te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], nu de behoefte van [de dochter] aanzienlijk hoger is dan de draagkracht van de man.

Grief 1 van de man faalt.

Draagkracht

3.8.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding de behoefte van [de dochter] tussen de ouders moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

3.9.

Het hof stelt vast dat de door de rechtbank becijferde draagkracht van de vrouw van € 195,37 per maand in hoger beroep niet in geschil is, zodat deze vast staat.

Draagkracht man

3.10.

De grief van de man richt zich tegen het feit dat de rechtbank zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet heeft gehonoreerd en dat de rechtbank de zorgkorting buiten beschouwing heeft gelaten.

Aanvaardbaarheidstoets

3.11.

De man woont sinds 1 januari 2013 samen met zijn partner en haar dochter. De partner van de man ontvangt met ingang van de datum van de samenwoning geen Wwb-uitkering meer. De partner spreekt gebrekkig Nederlands, aldus de man. Hij heeft ter zitting van het hof verklaard dat zijn partner een werkbegeleidingstraject van vier jaar bij het UWV heeft doorlopen, maar dat dit niet in een dienstverband heeft geresulteerd. De man heeft verder verklaard dat zijn partner door chronische spier- en gewrichtspijn beperkt is in haar arbeidsmogelijkheden. De man is op 3 februari 2014 een geregistreerd partnerschap met zijn partner aangegaan. De man stelt dat hij sinds januari 2013, doch in ieder geval met ingang van 3 februari 2014 onderhoudsplichtig is jegens zijn partner en haar dochter genaamd [de dochter van de partner]. De biologische vader van [de dochter van de partner] is niet te traceren en draagt niet bij in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter van de partner]. De man stelt dat [de dochter van de partner], blijkens de tabel eigen aandeel kosten kinderen, een behoefte heeft van € 210,-- per maand. Het kindgebonden budget van

€ 105,-- dient hierop in mindering te worden gebracht. De man doet een beroep op de aanvaardbaarheidstoets omdat de hoogte van de huidige (en mogelijk toekomstige) alimentatieverplichting, tezamen met het feit dat hij eveneens onderhoudsplichtig is voor zijn partner en haar dochter, leidt tot een situatie die voor hem onaanvaardbaar is. De man stelt dat hij dan niet meer in de noodzakelijke lasten van zijn bestaan kan voorzien.

3.11.1.

De vrouw maakt hiertegen gemotiveerd bezwaar, daartoe stellende dat de onderhoudsverplichting van [de dochter] prioriteit heeft op de vermeende onderhoudsverplichting van de man richting zijn partner en haar dochter. De vrouw merkt op dat de partner van de man al jaren in Nederland verblijft en dat zij zich de afgelopen jaren had kunnen inzetten om een inkomen te genereren. Niet gebleken is dat zij ook maar enige moeite heeft gedaan om een inkomen te verwerven. Ten aanzien van de door de man gestelde gezondheidsproblemen van zijn partner stelt de vrouw dat de man deze stellingen niet heeft onderbouwd. De vrouw betwist dat de biologische vader van [de dochter van de partner] niet te traceren is, nu de man deze stelling evenmin heeft onderbouwd. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets heeft afgewezen.

3.11.2.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de onderhoudsverplichting van de man jegens [de dochter] voorrang boven zijn onderhouds-verplichting jegens zijn partner. Daarbij komt dat ook ingevolge het Rapport Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) een partner in staat wordt geacht om in het eigen levensonderhoud te voorzien, tenzij de onderhoudsplichtige aannemelijk maakt dat die partner daartoe niet in staat is. Het hof is van oordeel dat de man dit zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De man heeft weliswaar gesteld dat zijn partner – vanwege taal- en medische problemen – niet in staat is om in het eigen levensonderhoud te voorzien, maar hij heeft deze stellingen niet met een rapport van een arbeidsdeskundige dan wel op een andere wijze met onderliggende stukken onderbouwd, hetgeen – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – wel op zijn weg had gelegen. Het hof zal daarom deze stellingen van de man als onvoldoende onderbouwd passeren. Het hof is dan ook van oordeel dat de partner van de man in staat kan worden geacht om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

3.11.2.1. Ten aanzien van de door de man gestelde onderhoudsverplichting jegens [de dochter van de partner] overweegt het hof het volgende. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de resterende behoefte van [de dochter van de partner] € 105,-- per maand bedraagt. Hoewel de man in beginsel door het geregistreerd partnerschap met zijn partner als stiefouder mede onderhoudsplichtig jegens [de dochter van de partner] is geworden, ziet het hof in de onderhavige zaak aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het hof overweegt daartoe dat naast de man, de partner van de man en de biologische vader van [de dochter van de partner] eveneens onderhoudsplichtig jegens [de dochter van de partner] zijn. Het is het hof niet gebleken dat de partner van de man en de biologische vader van [de dochter van de partner] tezamen niet volledig in de (geringe) resterende behoefte van [de dochter van de partner] van € 105,-- per maand kunnen voorzien. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de partner van de man blijkens de door de man overgelegde sollicitaties in de eerste helft van 2014 hoofdzakelijk solliciteert op goed betaalde HBO-functies. Voorts heeft de man op geen enkele wijze met stukken onderbouwd dat de biologische vader van [de dochter van de partner] niet te traceren is, hetgeen – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – wel op zijn weg had gelegen. De draagkracht van de man komt derhalve in zijn geheel ten goede aan [de dochter].

3.11.2.2. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets heeft afgewezen.

Grief 2 van de man, voor zover deze ziet op de aanvaardbaarheidstoets, faalt derhalve.

3.11.2.3. De rechtbank heeft terecht de draagkracht van de man volgens de formule becijfert op een bedrag van € 200,76 per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel ad € 58,-- per maand, derhalve in totaal € 258,76 per maand. Het fiscaal voordeel kan over het verleden niet meer worden gerealiseerd, maar nu de man ter zitting van het hof heeft verklaard dat geen sprake is van een achterstand in de kinderalimentatie, gaat het hof ervan uit dat de man het fiscaal voordeel ook over het verleden heeft gerealiseerd.

Nu de totale draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in het eigen aandeel in de kosten van [de dochter] te voorzien, behoeft geen verdeling van de kosten voor [de dochter] te worden gemaakt.

Zorgkorting

3.12.

De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de tussen partijen geldende zorgregeling en de daarmee corresponderende zorgkorting. De man heeft ter zitting van het hof verklaard dat de in het echtscheidingsconvenant opgenomen zorgregeling – op initiatief van [de dochter] – sinds de zomer van 2013 niet meer wordt uitgevoerd.

De man heeft wel dagelijks telefonisch contact en contact via de Whatsapp met [de dochter]. Voorts komt [de dochter] af en toe op bezoek. De man heeft er vertrouwen in dat de contactregeling met [de dochter] uiteindelijk weer wordt hervat, zodat rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 15%. De man stelt dat de totale draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [de dochter] te voorzien, zodat het tekort aan beide ouders voor de helft dient te worden toegerekend.

3.12.1.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank terecht geen rekening heeft gehouden met de zorgkorting omdat [de dochter] niet bij de man overnacht. De vrouw sluit niet uit dat in de toekomst het contact tussen [de dochter] en de man wordt hersteld, maar tijdens die herstelcontacten zal [de dochter] evenmin bij de man overnachten. Nu in de zorgkorting overnachtingen zijn verdisconteerd, dient met de zorgkorting geen rekening te worden gehouden. De vrouw heeft ter zitting van het hof subsidiair betoogd dat rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 15%.

3.12.2.

Het hof volgt de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Weliswaar staat vast dat de in het echtscheidingsconvenant opgenomen zorgregeling tijdelijk niet (volledig) wordt uitgevoerd, maar het is het hof niet gebleken dat de man tekortgeschoten is op dat gebied, nu het ontbreken van structureel contact tussen de man en [de dochter], gelegen is in het initiatief van [de dochter]. Het hof ziet daarom aanleiding toch rekening te houden met een zorgkorting van 15%, temeer nu partijen ter zitting van het hof de intentie hebben uitgesproken om te komen tot contactherstel tussen de man en [de dochter]. Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [de dochter] € 567,66 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting afgerond een bedrag van € 85,-- per maand. Grief 2 van de man, voor zover deze ziet op de zorgkorting, slaagt derhalve.

Fiscaal voordeel

3.13.

Met betrekking tot de voor [de dochter] te betalen onderhoudsbijdrage heeft de man recht op een persoonsgebonden fiscale aftrek. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan [de dochter]. De advocaat van de man heeft ter zitting van het hof verzocht om de draagkracht van de man met en zonder fiscaal voordeel te becijferen, gelet op de mogelijke afschaffing van deze persoonsgebonden fiscale aftrek in de toekomst. Het hof zal aan dit verzoek gevolg geven maar het hof heeft geconstateerd dat dit wel gevolgen heeft voor de effectuering van de zorgkorting, zoals hieronder zal blijken.

Draagkracht man inclusief fiscaal voordeel

3.13.1.

Indien rekening wordt gehouden met het fiscaal voordeel is de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende om volledig in de behoefte van [de dochter] te voorzien, waardoor het tekort aan beide ouders voor de helft wordt toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 258,76 - (€ 85,00 - € 57,00) = € 230,76.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding [de dochter] derhalve vast op een bedrag van € 230,76 per maand.

Draagkracht man exclusief fiscaal voordeel

3.13.2.

Indien geen rekening wordt gehouden met het fiscaal voordeel is de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende om volledig in de behoefte van [de dochter] te voorzien, en nu dit tekort groter is dan twee maal de zorgkorting kan de man zijn aanspraak op de zorgkorting niet effectueren en dienen beide ouders maximaal bij te dragen in de behoefte van [de dochter]. Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding – vanaf het moment dat de persoonsgebonden fiscale aftrek wordt afgeschaft –vast op een bedrag van € 200,76 per maand.

Ingangsdatum wijziging

3.14.

Gelet op het vorenoverwogene komt het hof tot een lagere onderhoudsbijdrage dan partijen – in onderling overleg in 2010 – (met inachtneming van de wettelijke indexering) zijn overeengekomen. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de ingangsdatum van de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, in het geval van een verlaging van die bijdrage tussen partijen niet in geschil is. Het hof zal daarom de ingangsdatum van de wijziging vaststellen op 25 juni 2013.

Terugbetalingsverplichting

3.15.

De man verzoekt dat de door hem teveel betaalde onderhoudsbijdrage door de vrouw wordt terugbetaald dan wel dat hij deze mag verrekenen met de nog toekomstige termijnen. De man is van mening dat de vrouw rekening kon houden met een verlaging van de onderhoudsbijdrage. De vrouw verzet zich hiertegen, zij stelt de reeds door haar ontvangen onderhoudsbijdragen ten behoeve van [de dochter] te hebben gespendeerd.

3.15.1.

Het hof ziet in hetgeen de man in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de vrouw een terugbetalingsverplichting op te leggen. Het hof overweegt daartoe dat de door vrouw ontvangen onderhoudsbijdragen ten behoeve van [de dochter] zijn aangewend voor het doel waarvoor deze zijn verstrekt en reeds zijn verteerd. Het hof wijst het verzoek van de man af en wijst het verzoek van de vrouw, zoals ter zitting nader toegelicht door haar advocaat, toe.

3.16.

De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2013, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de tussen partijen in 2010 in onderling overleg overeengekomen (gewijzigde) kinderalimentatie;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], geboren op [geboortedatum] 1998, zal voldoen een bedrag van € 230,76 per maand met ingang van 25 juni 2013, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat hetgeen de man ingevolge de bestreden beschikking teveel heeft betaald niet door de vrouw behoeft te worden terugbetaald of door de man kan worden verrekend;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, E.L. Schaafsma-Beversluis en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2014.