Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3593

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
F 200.140.810_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 11 september 2014

Zaaknummer: F 200.140.810/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/04/120268/ FA RK 12-1903

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te

[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Czarnota,

tegen

[de vrouw],

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.J.C. Vaessen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 januari 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de onderhoudsbijdrage die de man aan de vrouw dient te voldoen in de kosten voor verzorging en opvoeding van de nader te noemen minderjarige [het kind] te wijzigen met ingang van 1 juli 2011, althans 10 januari 2012, althans 31 augustus 2012, althans een datum die het gerechtshof juist acht en deze vast te stellen op een bedrag niet hoger dan € 152,- per maand.

2.1.1.

Bij vermeerdering van verzoek, ingekomen ter griffie op 15 april 2014 heeft de man tevens verzocht de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarbij gewijzigde omgangsregeling tussen de man en [het kind] en opnieuw rechtdoende een contactregeling vast te stellen in ieder weekend van vrijdagmiddag tot en met zondagavond, waarbij de man [het kind] komt ophalen bij de vrouw en de vrouw [het kind] zondagmiddag om 18.00 uur komt ophalen bij de man, althans dat de man [het kind] iedere vrijdagmiddag komt ophalen in Nijmegen, alwaar de vrouw met [het kind] aanwezig zal zijn en hem voorts weer op zondagmiddag om 17.30 uur terugbrengt naar Eindhoven, alwaar de vrouw met [het kind] naar haar huis zal gaan, althans een regeling bepaalt die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 maart 2014, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen onder bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Czarnota;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Vaessen.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [het kind] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof het aan hem toegezonden meningsformulier retour te zenden, dat ter griffie is ingekomen op 14 juli 2014. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit formulier weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 juni 2013, ingekomen bij V-formulier van de advocaat van de man d.d. 13 maart 2013;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 1 juli 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], [het kind] geboren.

[het kind] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 21 juli 2010 heeft de rechtbank Roermond onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 6 augustus 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] moet voldoen een bedrag van € 140,- per maand tot aan de maand dat de partneralimentatie komt te vervallen en per die maand een bedrag van € 360,- per maand.

De bijdrage voor [het kind] beloopt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2013

€ 374,- per maand.

Tevens is hierbij een (uitgebreide en vrijblijvende) zorgregeling bepaald die overeenkomt met het aangehechte ouderschapsplan.

3.3.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie afgewezen en het zelfstandig verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling toegewezen en gewijzigd aldus dat de man en [het kind] omgang met elkaar hebben gedurende een weekend in de twee weken, van vrijdagmiddag tot zondagavond, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen en voor het overige in onderling overleg.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de zorgregeling, de ingangsdatum van de wijziging kinderalimentatie, de behoefte van [het kind] en de draagkracht van de man respectievelijk de vrouw en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Zorgregeling

3.6.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de zorgregeling tussen de man en [het kind] heeft gewijzigd naar een weekend in de twee weken en de helft van de vakanties en feestdagen. Hij wenst dat er ieder weekend omgang is tussen hem en [het kind], zoals dit eerder ook het geval was.

3.6.1.

De vrouw stelt dat [het kind] zelf een minder frequente omgang wil omdat hij nu naar de middelbare school gaat en in het weekend ook andere sociale contacten wil onderhouden en naar feestjes etc. wil kunnen gaan. Volgens de vrouw dient, gelet op zijn leeftijd, met de mening van [het kind] rekening gehouden te worden. Bovendien, zo stelt de vrouw, heeft de man er zelf voor gekozen naar [woonplaats] te verhuizen waardoor contact door de week niet meer kan plaatsvinden waar dit eerder wel mogelijk was.

3.6.2.

Het hof is van oordeel dat een omgangsregeling van eens per veertien dagen een weekend, met de mogelijkheid om hier in onderling overleg en incidenteel van af te wijken indien bijvoorbeeld feestjes of andere bijzondere aangelegenheden dit vergen, de meest wenselijke is. Door partijen is ter zitting ook beaamd dat dit gewenst en haalbaar is. [het kind] heeft zelf in zijn brief aan het hof ook verklaard graag eens in de twee weken een weekend omgang met de man te wensen. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.

Ingangsdatum wijziging kinderalimentatie

3.7.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de onderhoudsbijdrage moet ingaan. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

3.7.1.

Evenals de rechtbank gaat het hof uit van 1 januari 2013 als ingangsdatum, te weten de datum van indiening van het verzoek in eerste aanleg. Het hof ziet in het door de man aangevoerde geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

Behoefte [het kind]

3.8.

De behoefte van [het kind] is in hoger beroep in geschil.

3.8.1.

Evenals de rechtbank zal het hof uitgaan van het gezinsinkomen van partijen in het jaar 2009, nu partijen in dat jaar uit elkaar zijn gegaan. Anders dan de man stelt, dient vanwege het wisselende inkomen van de man vanwege toeslagen, gekeken te worden naar een gemiddelde over de aan dat jaar voorafgaande jaren en niet naar de jaren na het uiteengaan van partijen. De vrouw heeft terecht aangevoerd dat wanneer rekening wordt gehouden met het gemiddelde aan toeslagen over de jaren 2008 en 2009 dan wel over de jaren 2008 tot en met 2010, dit een hoger netto besteedbaar inkomen van de man oplevert en de behoefte van [het kind] dan ook hoger is. Nu de vrouw zich kan verenigen met de berekening van de rechtbank zal het hof eveneens van die berekening uitgaan. Evenals de rechtbank komt het hof bij een netto gezinsinkomen van € 3.612,- per maand op een behoefte van € 544,- per maand (in 2009). Per 1 januari 2013 bedraagt de naar analogie van artikel 1:402a lid 1 BW geïndexeerde behoefte van [het kind] € 578,49 per maand.

Draagkracht man

3.9.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] van € 374,- per maand te voldoen.

3.10.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

3.11.

Het hof zal de draagkracht van de man in twee perioden verdelen, te weten de periode van 1 januari 2013 tot 1 november 2013 waarbij met het oude systeem voor de berekening van kinderalimentatie wordt gerekend en - als gevolg van de gewijzigde zorgregeling respectievelijke de rond oktober ingetreden en niet weersproken wijziging in de functie van de man - de periode vanaf 1 november 2013 waarbij het nieuwe systeem voor de berekening van kinderalimentatie wordt gehanteerd.

Periode 1 januari 2013 tot 1 november 2013

A. Inkomen van de man

Evenals de rechtbank zal het hof bij de berekening van de draagkracht uitgaan van het salaris van de man zoals blijkt uit de jaaropgaaf 2012. Het is weliswaar zo dat in de afgelopen jaren de inkomsten van de man wegens toeslagen wisselend waren maar de vrouw heeft naar het oordeel van het hof overtuigend aangetoond dat die verschillen beperkt in omvang zijn.

Het fiscaal jaarinkomen van de man bedraagt volgens de jaaropgave over 2012 € 42.854,- inclusief de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

De man heeft recht op de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting,

maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

De man stelt dat door de rechtbank ten onrechte rekening is gehouden met inkomensafhankelijke combinatiekorting, hetgeen ook door de vrouw wordt erkend. Het hof zal met deze korting dan ook geen rekening houden bij de berekening.

B. Lasten van de man

Wwb-normbedrag

Het hof houdt rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Het hof gaat van dezelfde bedragen uit als de rechtbank, nu hiertegen door de man niet is gegriefd.

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 384,-, zijnde de helft van de hypotheekrente;

€ 90,-, de helft van de aan de hypotheek gekoppelde premie levensverzekering;

€ 48,-, de helft van de (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 72,- aan basispremie ZVW inclusief premie aanvullende verzekering;

minus € 35,00, zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Premie pensioengat

Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de premie waarmee de man zijn pensioengat dient aan te vullen. Volgens de man dient deze premie te worden meegenomen nu deze last reeds tijdens het huwelijk bestond.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat met deze extra premie geen rekening dient te worden gehouden bij de draagkrachtberekening, nu de onderhoudsbijdrage voor [het kind] prevaleert boven het dichten van een pensioengat.

Kosten zorgregeling

Het hof houdt rekening met de verblijfkosten verbonden aan de zorgregeling. Voor deze kosten wordt een forfaitair bedrag van € 5,00 per dag aangehouden. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat ook voorafgaand aan 1 november 2013 de omgangsregeling tussen de man en [het kind] al anders verliep en meer en meer overgelaten werd aan de wensen van [het kind] om minder omgang te hebben. Derhalve zal het hof ook voor de periode voorafgaand aan 1 november 2013 uitgaan van omgangskosten gebaseerd op minimaal een weekend per 14 dagen en de helft van de vakanties en feestdagen.. Gelet hierop begroot het hof, anders dan de rechtbank, de totale kosten op € 32,50 per maand.

Ten aanzien van de reiskosten overweegt het hof dat in het “oude systeem” al geen rekening meer werd gehouden met reiskosten. Niettemin zal het hof, nu de vrouw tegen de beslissing van de rechtbank op dit punt niet heeft gegriefd, rekening houden met reiskosten. Het hof acht de beoordeling van de rechtbank ten aanzien van de reiskosten die gemoeid zijn met de omgangsregeling redelijk, nu de reisafstand tussen de woonplaats van de man en de woonplaats van de vrouw groot is. Ook het hof zal daarbij rekening houden met een bedrag van € 100,- per maand.

Rente en aflossing schulden

Het hof houdt anders dan de rechtbank tot 1 november 2013 rekening met de schuld van de man aan zijn tante. Het betreft een huwelijkse schuld, waar de man op aflost. Tot

1 november 2013 houdt het hof rekening met een bedrag van € 100,- per maand. Het hof is van oordeel dat van de man verwacht had mogen worden dat deze, volgens de man thans nog steeds bestaande schuld, per 1 november 2013 afgelost had kunnen zijn.

Overige kosten

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de begrafenisverzekering van [het kind] alsmede met diens zakgeld. Ter zitting en uit de stukken is gebleken dat de man beide posten niet meer voor zijn rekening neemt en het hof zal hier dan ook geen rekening mee houden.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van ongeveer € 2.591,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten:

de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen;

de helft van het eigenwoningforfait, door de rechtbank onbetwist becijferd op € 702,-;

de helft van de hypotheekrente betreffende de woning van de man;

de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

Na aftrek van voormelde lasten van het NBI heeft de man een draagkrachtruimte van

€ 1.094,- per maand. Daarvan is 70%, derhalve € 766,-, beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage voor [het kind].

Met betrekking tot de voor de minderjarige te betalen onderhoudsbijdrage heeft de man, mede in aanmerking nemende dat hij de hiervoor vermelde kosten zorgregeling maakt, recht op persoonsgebonden fiscale aftrek. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de minderjarige. Rekening houdend met dit (forfaitaire) fiscale voordeel, heeft de man de draagkracht om € 824,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

Periode met ingang van 1 november 2013

Het hof volgt de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een NBI van € 1.500,- wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 850)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

Het hof houdt rekening met het NBI van de man, uitgaande van het uit de salarisspecificaties van de maanden oktober tot en met december 2013 blijkende bruto inkomen van

€ 2.732,41 per maand, van de te betalen inkomstenbelasting en voorts van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, van € 2.103,- per maand.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 436,- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel ad € 49,- per maand, derhalve in totaal € 485,- per maand.

Draagkracht vrouw

3.15.

De man stelt dat de rechtbank de draagkracht van de vrouw onjuist heeft berekend nu er geen rekening is gehouden met zorgtoeslag en kindgebonden budget. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat zij geen recht heeft op zorgtoeslag en kindgebonden budget, hetgeen ook blijkt uit de door haar overgelegde producties. De vrouw ontvangt slechts een kinderopvangtoeslag.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de grief van de man niet kan slagen. Het hof zal daarom uitgaan van de door de rechtbank becijferde draagkracht van de vrouw van

€ 517.- per maand.

Verdeling draagkracht

3.16.

Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van [het kind] tussen de ouders moet worden verdeeld. Het hof volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat de behoefte van het kind tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht.

3.16.1.

Nu daartegen niet is gegriefd zal het hof in navolging van de rechtbank voor de berekening van eenieders aandeel in de behoefte van [het kind], gelet op de in de gezinnen van partijen verblijvende overige kinderen en hun behoeften, uitgaan van de helft van hun draagkracht, derhalve van een draagkracht bij de man voor de periode van 1 januari 2013 tot 1 november 2013 van € 412,- per maand en voor de periode met ingang van 1 november 2013 van € 242,- per maand en een draagkracht bij de vrouw van € 258,- per maand.

3.16.2.

Een vergelijking van de aldus vastgestelde draagkracht van partijen leidt tot de volgende verdeling van de behoefte van [het kind]:

In de periode van 1 januari 2013 tot 1 november 2013 overschrijdt de totale draagkracht van partijen de behoefte van [het kind]. Ieders draagkracht voor deze periode vergelijkend, dient de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] te voldoen van (412/670 x 578 =) € 355,- per maand, de resterende behoefte, te weten € 223,- komt voor rekening van de vrouw.

In de periode vanaf 1 november 2013 is de draagkracht van partijen tezamen onvoldoende om volledig in de behoefte van [het kind] te voorzien. Dit tekort wordt aan beide ouders voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op de zorgkorting - die het hof, gelet op de vastgestelde zorgregeling, vaststelt op 25% van de behoefte van [het kind] (€ 144,50), zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 242,- minus (€ 144,50 minus € 39,-) = € 136,50.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding in deze periode derhalve vast op € 136,50 per maand.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van

6 november 2013, voor zover daarbij kinderalimentatie is vastgesteld;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de in de beschikking van 21 juli 2010 van de rechtbank Roermond opgenomen regelingen, zoals opgenomen in het convenant d.d. 11 mei 2010 en het ouderschapsplan d.d. 11 mei 2010 voor wat betreft de kinderalimentatie;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], zal voldoen:

- in de periode van 1 januari 2013 tot 1 november 2013 een bedrag van € 355,- per maand en

- met ingang van 1 november 2013 een bedrag van € 136,50 per maand,

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.Th.M. Raab, C.A.R.M. van Leuven en

S.W.E. Rutten en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2014.