Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3592

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
F 200.142.929_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:24 lid 1 BW Verzoek van moeder ter verbetering geboorteakte dochter voor wat betreft de naam van de dochter en de moeder zelf. Rechtbank en hof wijzen af, nu niet is gebleken van een misslag/onvolledigheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 24, geldigheid: 2014-09-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 11 september 2014

Zaaknummer: F 200.142.929/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/182944 / FA RK 13-1657

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te

[woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I. Wudka,

tegen

De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Maastricht,

verweerder,

hierna te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 december 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 maart 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover daarin haar verzoek tot verbetering van de geboorteakte van haar dochter is afgewezen) en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de opdracht krijgt de geboorteakte van haar dochter te verbeteren zoals door de moeder in het appelschrift uiteengezet, in die zin dat – zo begrijpt het hof – de moeder verzoekt te bepalen dat de naam van haar dochter wordt gewijzigd in:

  • -

    geslachtsnaam: ‘[geslachtsnaam]’

  • -

    voornaam: ‘[voornaam]’

alsmede dat de gegevens van de moeder op de geboorteakte van de dochter als volgt worden gewijzigd:

  • -

    geslachtsnaam: ‘[geslachtsnaam]’

  • -

    voornaam: ‘[voornaam]’.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 10 april 2014, heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. I. Wudka, namens de moeder;

  • -

    de heer M.M.J. Gordijn, in zijn hoedanigheid van ambtenaar van de burgerlijke stand.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 10 maart 2014.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder is afkomstig uit van Somalië.

Uit haar is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] een dochter geboren (hierna: de dochter).

3.2.

Op de geboorteakte van de dochter staat vermeld:

- Bij de gegevens van het kind:

o Geslachtsnaam: -

o Voornamen: [voornaam]

- Bij de gegevens van de ouders:

o Naam moeder: [naam moeder]

o Voornamen moeder: -

3.2.

Bij besluit van 18 juni 2014 heeft de gemeente Maastricht het verzoek van de moeder om tot naamswijziging van haarzelf en de dochter op voormelde geboorteakte over te gaan, afgewezen.

3.3.1.

Vervolgens heeft de moeder de rechtbank verzocht – voor zover thans relevant – de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de naam van de dochter te verbeteren op de geboorteakte in die zin dat de voornaam van de dochter ‘[voornaam]’ luidt en de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’.

Verder heeft de moeder verzocht dat dat zij op de geboorteakte van de dochter wordt vermeld met de voornaam ‘[voornaam]’ en de geslachtsnaam ‘[geslachtsnaam]’.

3.3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans relevant, het verzoek van de moeder tot verbetering van de geboorteakte van haar dochter afgewezen, nu geen sprake is van misslagen en de persoonsgegevens van de dochter op de juiste wijze zijn vermeld.

Kort gezegd heeft de rechtbank daartoe overwogen dat de dochter staatloos is, dat de geslachtsnaam en de voornamen van de dochter worden bepaald door het Nederlandse recht en dat zij, nu zij alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder staat, geen geslachtsnaam aan de moeder kan ontlenen, omdat de moeder geen geslachtsnaam heeft. De dochter heeft dan ook uitsluitend een voornaam. De dwingendrechtelijke bepalingen van het (Nederlandse) namenrecht bieden geen enkele ruimte daarvan in het belang van het kind of anderszins af te wijken zoals door de moeder is bepleit.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert zij aan dat, anders dan de rechtbank overweegt, niet is vast komen te staan dat de moeder geen geslachtsnaam heeft.

Het kan volgens de moeder niet zo zijn dat haar dochter uitsluitend een voornaam draagt.

Wat de moeder betreft kan alleen al vanwege praktische overwegingen de geslachtsnaam worden gevolgd zoals haar vader deze heeft doorgegeven tijdens zijn eerste gehoor bij de IND.

De moeder sluit zich in zoverre aan bij de rechtbank dat zij eveneens van mening is dat de dochter staatloos is en dat daarom het Nederlands recht van toepassing is.

3.5.

De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft in zijn verweerschrift, kort gezegd, gesteld dat de moeder ter zitting heeft verklaard het Islamitisch geloof aan te hangen en dat naar Islamitisch recht geen onderscheid wordt gemaakt tussen voor- en achternaam; men wordt geregistreerd met een naamsketen.

Omdat de dochter staatloos is, worden haar voor- en achternaam bepaald door het Nederlands recht. Op grond van artikel 1:5 lid 1 BW draagt een kind dat alleen in familierechtelijke betrekking staat tot de moeder, zoals in deze zaak het geval is, haar geslachtsnaam. Nu de moeder echter geen geslachtsnaam bezit is er geen geslachtsnaam opgenomen in de geboorteakte van de dochter en heeft de dochter uitsluitend een voornaam.

Het hof overweegt als volgt.

Rechtsmacht

3.6.

Het hof heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

Inhoudelijk

3.7.1.

Het hof begrijpt het verzoek van moeder aldus dat zij verzoekt om verbetering van de geboorteakte van haar dochter op grond van artikel 1:24, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op grond van dit artikel kan aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een daarin ontbrekende akte of latere vermelding, doorhaling van een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat op verzoek van belanghebbenden of van het openbaar ministerie worden gelast door de rechtbank.

3.7.2.

Het hof stelt voorop dat de rechtbank op goede gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt, het verzoek van de moeder heeft afgewezen.

Het hof kan zich echter indenken dat de moeder praktische problemen ervaart bij de huidige situatie en heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep met de advocaat van de moeder de mogelijkheid van geslachtsnaamwijziging zoals bedoeld in artikel 1:7 lid 2 BW besproken waarbij het hof heeft opgemerkt dat alleen de Koning daartoe beslissingsbevoegd is.

Mr. Wudka heeft in dit kader verklaard dat hij deze procedure is gestart, maar dat deze procedure mogelijk zal stagneren omdat de moeder en de dochter niet beschikken over een paspoort. Het hof is van oordeel dat de moeder het Koninklijk Besluit hieromtrent dient af te wachten.

Het hof geeft de moeder mee dat zij, indien haar verzoek niet wordt ingewilligd door de Koning, de mogelijkheid heeft om de rechtbank om een voorlopige geslachtsnaam te verzoeken in afwachting van haar naturalisatie tot Nederlandse, ter gelegenheid van welke procedure de moeder een geslachtsnaam zal kunnen kiezen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de dochter zal worden meegenomen in deze naturalisatieprocedure.

3.7.3.

Dit leidt er toe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, M.C. van Dijkhuizen en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2014.