Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3550

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
HD 200.134.685_01 en HD 200.134.868_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur standplaats. Na gedwongen ontruiming wegens drugsbezit wordt de huurder vrijgesproken. Recht op nieuwe standplaats of woning?

Recht op voorrang bij inschrijving? Staan oude schulden aan nieuwe inschrijving in de weg?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers HD 200.134.685/01 en HD 200.134.868/01

arrest van 9 september 2014

in de zaak onder zaaknummer HD 200.134.685/01 van

de Stichting Woonwenz,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

verder te noemen: Woonwenz,

advocaat: mr. A.D.A. Quaedvlieg te Venlo,

tegen

[de man],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

verder te noemen: [de man],

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

en

in de zaak onder zaaknummer HD 200.134.868/01 van

[de man],

wonende te [plaats],

appellant,

verder te noemen: [de man],

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

tegen

de Stichting Woonwenz,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

verder te noemen: Woonwenz,

advocaat: mr. A.D.A. Quaedvlieg te Venlo,

in beide zaken als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 26 november 2013 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/04/124488/KG ZA 13-163 in kort geding gewezen vonnis van 27 augustus 2013 tussen [de man] als eiser en Woonwenz als gedaagde.

5 Het verloop van de procedures

5.1.

Het verloop van de procedure met zaaknummer 200.134.685/01 blijkt uit:

- een akte tot voeging van Woonwenz;

- het tussenarrest van 26 november 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 6 januari 2014;

- de memorie van grieven met 11 producties (genummerd 3 tot en met 13) van Woonwenz, houdende zeven grieven;

- de memorie van antwoord van [de man].

5.2.

Het verloop van de procedure met zaaknummer 200.134.868/01 blijkt uit:

- het tussenarrest van 26 november 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 6 januari 2014;

- de memorie van grieven met vijf producties van [de man], houdende één grief;

- de memorie van antwoord met één productie van Woonwenz.

5.3.

In beide zaken is op 20 augustus 2014 pleidooi gehouden. Woonwenz en [de man] hebben een pleitnota overgelegd.

5.4.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memories van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

Nu beide hoger beroepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis zal het hof deze gevoegd behandelen en beslissen bij één arrest.

7.2.

De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende, waarin opgenomen de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen geen grief is gericht (grief 1 Woonwenz).

7.2.1.

[de man] heeft in het verleden een huurovereenkomst – met betrekking tot een woonwagenstandplaats gelegen aan de [straatnaam][huisnummer] te [plaats] – gesloten met Woonwenz. De gemeente [plaats] (hierna: de Gemeente) is eigenaresse van de standplaats; het beheer ligt in handen van Woonwenz. [de man] was eigenaar van de woonwagen.

7.2.2.

De huurovereenkomst is vanwege de vondst op 28 of 29 oktober 2010 van 131,8 gram cocaïne in de woonwagen van [de man] ontbonden bij vonnis van de kantonrechter Venlo van 14 september 2011, welk vonnis is bekrachtigd bij arrest van dit hof van 6 november 2012, met veroordeling van [de man] in de proceskosten. Daartegen is geen cassatieberoep ingesteld.

In dat arrest werd onder meer overwogen en beslist:

7.5.

Het hof zal eerst beoordelen of de huurovereenkomst tussen partijen op grond van de primair door de stichting aangevoerde grondslag, te weten de wettelijke en imperatieve ontbindingsgrond van artikel 7:231 lid 2 BW, kan worden ontbonden.

Op grond van artikel 7:231 lid 2 BW kan de verhuurder de huurovereenkomst (buiten-gerechtelijk) ontbinden, indien het gehuurde door de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. Hieruit volgt dat in het onderhavige geval (afgezien van de kwestie van de reikwijdte van het besluit, welke kwestie hierna aan de orde komt) het besluit van de burgermeester tot sluiting van 7 januari 2011 op zich reeds de ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen rechtvaardigt, ongeacht of [de man] door de aanwezigheid van de harddrugs in de woonwagen (en daarmee op de standplaats) tekort is geschoten in zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep is gebleken dat de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, bij besluit van 5 september 2012 de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 juli 2011, waarbij het beroep van [de man] tegen het sluitingsbevel van de burgemeester ongegrond is verklaard, heeft bevestigd. Dit betekent dat het besluit van de burgemeester tot sluiting thans formele rechtskracht heeft. Het aanvankelijke betoog van [de man] dat tegen het besluit tot sluiting nog een beroepsprocedure loopt, is door de feiten achterhaald.

Het gehuurde is op 18 oktober 2011 (gedwongen) ontruimd op basis van het in 7.2.2 genoemde vonnis van de kantonrechter. Voordien, op 9 februari 2011, werd de woonwagenstandplaats bestuursrechtelijk (door de burgemeester) gesloten voor de duur van één jaar.

7.2.3.

[de man] is strafrechtelijk vervolgd, waarbij hem diverse drugsgerelateerde misdrijven ten laste werden gelegd. Bij vonnis van 23 februari 2011 is [de man] vrijgesproken van het opzettelijk verkopen of afleveren van cocaïne, het witwassen van een geldbedrag en twee personenauto’s en veroordeeld ter zake van het opzettelijk aanwezig hebben van 131,8 gram cocaïne tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Vervolgens is zowel door [de man] als door de officier van justitie hoger beroep ingesteld.

De strafkamer van dit Gerechtshof heeft in het arrest van 13 februari 2013 het vonnis van de rechtbank vernietigd, [de man] van alle tenlasteleggingen vrijgesproken en de teruggave van de personenauto, een Mercedes Benz CLK 2003 gelast. Het hof oordeelde onder meer dat zij niet kon vaststellen dat [de man] zich in enigerlei mate bewust is geweest van de aanwezigheid van cocaïne dan wel in enige relevante zorgplicht is tekortgeschoten.

7.2.4.

Op enig moment na de ontruiming is [de man], zonder toestemming van de Gemeente en/of Woonwenz, met zijn woonwagen teruggekeerd naar de standplaats (hetgeen door de gemeente [plaats] en Woonwenz werd geconstateerd op 30 augustus 2013). De Gemeente en Woonwenz hebben [de man] daarop in kort geding betrokken en zij hebben ontruiming gevorderd. Deze is toegewezen bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 16 oktober 2013. [de man] is tevens veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 2.000,- op de schade aan de standplaats, althans aan de daarop geplaatste betonblokken (die waren bedoeld om onrechtmatig gebruik van de standplaats te voorkomen), alsmede in de proceskosten. [de man] is vervolgens gedwongen ontruimd hetgeen extra kosten teweeg heeft gebracht.

7.2.5.

Op 26 juni 2013 heeft [de man] zich bij Woonwenz opnieuw in laten schrijven als woningzoekende. Deze inschrijving is geëffectueerd, maar Woonwenz is niet bereid [de man] woonruimte aan te bieden. Woonwenz beroept zich daartoe onder meer op het antidrugsbeleid dat is neergelegd in een convenant met de andere wooncorporaties in de Gemeente en met de Gemeente, het zgn. Strakakkoord. Kort gezegd komt dit beleid erop neer dat [de man] zich gedurende een periode van ten minste vijf jaar na beëindiging weliswaar als woningzoekende bij Woonwenz kan inschrijven, maar dat in die periode niet tot toewijzing van een woning zal worden overgegaan (verder te noemen: de blokkering). In de publicatie van dit anti-drugsbeleid staat:

In geval van drugsgerelateerde zaken wordt gedurende een periode van 5 jaar geen andere woonruimte door Woonwenz ter beschikking gesteld.

7.2.6.

Op 12 november 2013 is het kantoor van Woonwenz door circa 25 woonwagenbewoners – waaronder [de man] – bezocht (volgens Woonwenz: bestormd), bij welke gelegenheid de toegangspoort is doorbroken, waarna drie beveiligers en een politieman zich in een ziekenhuis hebben moeten laten behandelen. Een aanwezige ME-ploeg is in actie gekomen. [de man] moet zich nog strafrechtelijk verantwoorden voor dit ‘incident’.

7.3.

De vorderingen

7.3.1.

In eerste aanleg heeft [de man] gevorderd, kort gezegd,

a Woonwenz te veroordelen om de blokkering op te heffen en hem passende woonruimte aan te bieden, op verbeurte van een dwangsom;

b Woonwenz te veroordelen om [de man] binnen 30 dagen met verlening van urgentie een passende woonruimte aan te bieden, op verbeurte van een dwangsom.

7.3.2.

Na door Woonwenz gevoerd verweer heeft de voorzieningenrechter Woonwenz veroordeeld om met onmiddellijke ingang de blokkering op te heffen en eiser conform de geldende regels [onderstreping voorzieningenrechter] een passende woonruimte aan te bieden, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

7.3.3.

In hoger beroep heeft Woonwenz gevorderd dat het vonnis van 27 augustus 2013 zal worden vernietigd en dat vordering van [de man] alsnog en integraal zal worden afgewezen met zijn veroordeling in de proceskosten.

7.3.4.

In hoger beroep heeft [de man] gevorderd het vonnis van 27 augustus 2013 te vernietigen en ‘te herzien in die zin dat aan [de man] alsnog de door hem gevraagde voorkeursbehandeling door Stichting Woonwenz wordt toegewezen met veroordeling van Woonwenz in de kosten.

7.3.5.

De advocaat van [de man] heeft ter zitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de vordering van [de man] betrekking heeft op woonruimte, en dat daaronder niet kan worden begrepen het aanbieden van een standplaats, in het bijzonder niet de oorspronkelijke standplaats. Het hof zal hiervan uitgaan.

Woonwenz heeft overigens aangegeven dat de oorspronkelijke standplaats weliswaar niet aan een derde is verhuurd, en leeg staat, maar dat de Gemeente doende is met een herontwikkeling van het woonwagenkamp in welk kader van de vier standplaatsen er één komt te vervallen.

7.4.

Grief I van Woonwenz luidt:

Ten onrechte heeft de rechtbank in het vonnis (r.o. 2.5) geoordeeld:

Stichting Woonwenz weigert [de man] als woningzoekende en zij is niet bereid Woonruimte aan te bieden.

7.4.1.

Blijkens de toelichting op de grief is wel juist dat Woonwenz niet bereid is [de man] woonruimte aan te bieden, maar [de man] is wel, op 26 juni 2013, ingeschreven als woningzoekende. Het hof heeft kennis genomen van dit laatste feit dat overigens door [de man] niet is betwist.

Woonwenz betoogt dat [de man] derhalve niet als woningzoekende is geweigerd.

Dit betoog kan Woonwenz niet baten. Woonwenz heeft [de man] weliswaar ingeschreven, maar zij verbindt aan die (administratieve) handeling niet het gevolg dat daarmee door [de man] beoogd wordt, namelijk het aanbieden van woonruimte. Daarmee wordt [de man] feitelijk als woningzoekende geweigerd. Het hof zal de feitenvaststelling aldus lezen, namelijk dat Woonwenz weigert [de man] te contracteren. Tot een andere beslissing kan deze nuancering niet leiden. De grief faalt.

7.4.

Grief II van Woonwenz luidt:

Ten onrechte heeft de rechtbank in het vonnis (r.o. 4.1) geoordeeld [dat]:

[de man] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij thans geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

7.4.1.

Blijkens de toelichting op de grief had de voorzieningenrechter de stelling – dat [de man] geen vaste woon- of verblijfplaats heeft – bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing moeten afwijzen.

Naar het oordeel van het hof kan (los van de vraag naar het spoedeisend belang, waarover de volgende grief) in het midden blijven of [de man] een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Ook als dat het geval is heeft [de man] belang bij opheffing van de blokkade en dat hem een passende woonruimte wordt aangeboden. Ter zitting van het hof is door Woonwenz bevestigd dat het al dan niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats niet van invloed is op de toewijzing van woonruimte of de verlening van urgentie. Dit aspect ligt ook niet ten grondslag aan de weigering om woonruimte aan te bieden.

De grief van Woonwenz kan bij gegrondbevinding niet leiden tot een ander dictum. Woonwenz licht ook niet toe waarom dit aspect tot een ander dictum zou kunnen leiden.

De grief faalt.

7.5.

Grief III van Woonwenz luidt:

Ten onrechte heeft de rechtbank in het vonnis (r.o. 4.1) geoordeeld:

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de aard van de vordering in combinatie met het feit dat [de man] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij thans geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, alsmede het feit dat hij pas medio februari 2013 volledig strafrechtelijk is vrijgesproken met zich meebrengen dat hij een spoedeisend belang heeft.

7.5.1.

In de toelichting op de grief wijst Woonwenz op het tijdsverloop. [de man] heeft zich pas op 26 juni 2013, bijna 2½ jaar na de sluiting van de standplaats op 9 februari 2011, bij haar laten inschrijven als woningzoekende. Hij heeft zich ook niet ingeschreven bij andere corporaties. Voorts heeft hij na de vrijspraak bij arrest van dit hof van 13 februari 2013 nog ruim vier maanden gewacht alvorens over te gaan tot inschrijving als woningzoekende bij Woonwenz.

7.5.2.

Ten aanzien van de vraag of toereikende spoedeisend belang bestaat wijst het hof op HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR: 2002:AE4553, waarin werd overwogen dat de vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, beantwoord dient te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak (hier: deze uitspraak van het hof). De omstandigheid dat de eisende partij lang heeft stilgezeten, kan bij die afweging een rol spelen, kan leiden tot behoedzaamheid bij de toewijzing van de gevraagde voorziening, maar deze omstandigheden kunnen noch ieder voor zich noch in onderlinge samenhang het oordeel rechtvaardigen dat de eisende partij geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (meer) heeft.

7.5.3.

Het hof kan Woonwenz toegeven dat een bodemprocedure wellicht meer voor de hand had gelegen. In hoger beroep heeft Woonwenz haar verweer tegen de vordering van [de man] uitgebreid met een beroep op het in 7.2.6 omschreven incident op 12 november 2013 en van die gebeurtenis – waarvan de aard en omvang in geschil is - bewijs aangeboden. Ex nunc oordelende kan derhalve niet meer geoordeeld worden dat een bodemprocedure op een korte termijn zal zijn afgewikkeld. Voorts neemt het hof in aanmerking dat het entameren van een kort geding vóór de vrijspraak niet voor de hand lag.

7.5.4.

Naar het oordeel van het hof heeft [de man] toereikend spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (om na de zijns inziens onterechte ontruiming woonruimte toegewezen te krijgen) temeer nu hij zijn stellingen baseert op de vrijspraak van 13 februari 2013. Het tijdsverloop tussen die vrijspraak en de inleidende dagvaarding (augustus 2013) is niet zodanig dat daarmee het spoedeisend belang aan de vordering is ontvallen.

Bovendien heeft [de man] spoedeisend belang omdat de blokkering van vijf jaar, die op z’n vroegst op 9 februari 2011 (met de bestuursrechtelijk ontruiming is aangevangen), eerst over anderhalf jaar verstrijkt (bij handhaving van de door Woonwenz gehanteerde termijn van vijf jaar althans). Het is in zijn belang deze termijn te bekorten. Woonwenz heeft ter pleidooizitting van het hof overigens verklaard dat haars inziens de termijn van vijf jaar is ingegaan op 18 oktober 2011, de datum van de eerste ontruiming door Woonwenz. De omstandigheid dat [de man] zich niet bij een andere woningverhuurder als woningzoekende heeft ingeschreven maakt dit niet anders.

7.5.5.

Ook als [de man] over andere woon- of verblijfruimte – naar zijn advocaat meedeelde woont hij in een caravan op een camping – beschikt, heeft hij nog voldoende spoedeisend belang bij een voorziening. Hij hoeft niet te dulden dat Woonwenz hem geen woonruimte aanbiedt als hij daar recht op heeft (dus als de daartegen door Woonwenz aangedragen argumenten niet zouden opgaan).

7.5.6.

Grief III faalt. [de man] heeft naar het oordeel van het hof toereikend spoedeisend belang bij de door hem gevraagde voorziening.

7.6.

De grieven V en VI van Woonwenz luiden respectievelijk:

Ten onrechte heeft de rechtbank in het vonnis (r.o. 4.2) geoordeeld:

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het weliswaar zo kan zijn dat een huurovereenkomst op goede gronden is ontbonden en het gehuurde op goede gronden is ontruimd, echter het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, op tegenspraak gewezen, niet bewezen geacht dat [de man] enig drugsgerelateerd misdrijf heeft begaan. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom hij in dit kort geding, mede gelet op het bepaalde in artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een eigen onderzoek zou moeten starten. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat Stichting Woonwenz [de man] eventuele drugsproblematiek thans niet meer voor de voeten mag werpen. Het gestelde anti-drugsbeleid is dan ook niet langer aan de orde.

resp.

Ten onrechte heeft de rechtbank in het vonnis (r.o. 5.1) geoordeeld:

veroordeelt Stichting Woonwenz om met onmiddellijke ingang de blokkering op te heffen en eiser conform de geldende regels een passende woonruimte aan te bieden.

7.6.1.

In deze grieven, die het hof vóór grief IV van Woonwenz zal behandelen, staat het anti-drugsbeleid centraal. Woonwenz stelt zich op het standpunt dat zij haar beleid ten volle mag handhaven en uitvoeren, ookal is [de man] in de strafzaak vrijgesproken.

Voorafgaande merkt het hof op dat art. 161 Rv alleen van toepassing is in het geval de strafrechter bewezen heeft geacht dat iemand een feit heeft begaan, en niet in het zich hier voordoende geval van vrijspraak. De vraag of [de man] zich in civielrechtelijke zin schuldig heeft gemaakt aan een drugsgerelateerd feit en wat daarvan dan de civielrechtelijke gevolgen zijn, staat daarmee in beginsel open, ware het niet dat die vraag al eerder door het hof is beslist, namelijk bij inmiddels onherroepelijk geworden arrest van 6 november 2012 (zie rov. 7.2.2).

7.6.2.

Het hof neemt eerst in overweging dat de door Woonwenz gestelde blokkerings-termijn van 5 jaren te ruim voorkomt. Het hof acht het bepaald niet ondenkbeeldig dat in een bodemprocedure (of in een andere procedure) een termijn van drie jaren als uitgangspunt zal worden gehanteerd, behoudens wellicht bijzondere omstandigheden ten tijde van schending van het drugsverbod die een verlenging zouden kunnen rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden is het hof niet gebleken. In dit verband is van belang dat woningzoekenden (als [de man]) in hoge mate afhankelijk zijn van de verhuurders in de sociale sector. De omstandigheid dat er meerdere sociale verhuurders zijn rechtvaardigt niet het verlengen van de termijn (van drie jaren).

7.6.3.

Het hof neemt vervolgens in aanmerking dat de termijn van blokkering bekort kan en dient te worden indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven en dat van Woonwenz kan worden verlangd het beleid niet te rigide uit te voeren. Tot die bedoelde omstandigheden behoort zonder meer de vrijspraak. Die vrijspraak neemt evenwel niet weg dat in de woonwagen van [de man] cocaïne is gevonden, en dat [de man] het civielrechtelijke verwijt kan worden gemaakt dat hij onvoldoende zorg heeft betracht (vgl. het slot van rov. 7.5 van het arrest van dit hof van 6 november 2012).

Een en ander in aanmerking nemende en tegenover elkaar afwegende is het hof, met de voorzieningenrechter, voorshands van oordeel dat het anti-drugsbeleid thans niet meer aan de orde is, en dat ieder geval [de man] het blokkeringsbeleid nu niet meer kan worden tegengeworpen.

7.6.4.

De grieven falen in zoverre. De veroordeling van Woonwenz om met onmiddellijke ingang de, in het kader van het drugsbeleid ingestelde, blokkering op te heffen, dient in stand te blijven.

7.7.

Grief IV van Woonwenz luidt:

Ten onrechte heeft de rechtbank in het vonnis (r.o. 4.2) geoordeeld:

Uit de stukken blijkt dat de enige reden waarom Stichting Woonwenz weigert om [de man] als woningzoekende te behandelen is gelegen in het feit dat de huurovereen-komst in het verleden rechtsgeldig is ontbonden en het gehuurde rechtsgeldig is ontruimd vanwege drugsproblematiek.

7.7.1.

Woonwenz betoogt in de toelichting op de grief (alsmede in die van grief ? VI ? en in de pleitnota) dat de drugsproblematiek slechts één van de redenen is om de woning te weigeren. De andere redenen zijn:

  1. [de man] is Woonwenz nog meer dan € 16.000,- verschuldigd;

  2. het behoort tot de taak van Woonwenz om overlast te voorkomen;

  3. [de man] heeft zich onbehoorlijk gedragen tegenover Woonwenz;

  4. [de man] heeft een standplaats gekraakt;

  5. [de man] heeft meegedaan aan de ‘bestorming’ van het kantoor van Woonwenz.

7.7.2.

Naast het anti-drugsbeleid heeft Woonwenz andere redenen genoemd om [de man] te weigeren woonruimte aan te bieden. Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

Voor zover Woonwenz zich beroept op haar contracteervrijheid, kan haar dit niet baten. Indien en voor zover [de man] voldoet aan de door Woonwenz aan een woningzoekende in het algemeen gestelde eisen dient hem in beginsel woonruimte toe te worden gewezen, zoals dat ook gebeurt ten aanzien van andere ingeschreven woningzoekenden, of zoals de voorzieningenrechter het uitdrukte: conform de geldende regels. Alleen wegens gewichtige redenen (vgl. art. 6:220 BW) – door Woonwenz te stellen en bij betwisting te bewijzen – kan Woonwenz woonruimte een woningzoekende weigeren woonruimte aan te bieden wanneer zij voor toewijzing in aanmerking zouden komen. Gelet op haar positie in het maatschappelijk verkeer heeft Woonwenz de taak een woningzoekende woonruimte aan te bieden, een taak waarvan zij zich niet naar eigen goeddunken met een beroep op contracteervrijheid kan onttrekken.

Voor die onttrekking is hier in ieder geval ontoereikend het standpunt dat het tot de taak van Woonwenz behoort om overlast te voorkomen. Dat [de man] zijn omgeving overlast heeft aangedaan wordt niet gesteld.

7.7.3.

Wel toereikend voor het aannemen van een gewichtige reden is naar het voorshandse oordeel van het hof het beroep van Woonwenz op de door [de man] onbetaald gelaten schuld, die als onbetwist vaststaat. Deze staat aan toewijzing van woonruimte (lees: het aangaan van een huurovereenkomst) in de weg. Tot deze schuld behoren de proceskosten van de gevoerde procedures, de ontruimingen en het voorschot op de schadevergoedingen. Deze betalingsverplichtingen van [de man] staan in zo’n nauw verband met de huurrelatie die tussen partijen heeft bestaan dat Woonwenz redelijkerwijze de (gedeeltelijke) delging en/of een betalingsregeling kan verlangen alvorens zij een nieuwe (huur)relatie met hem aangaat. Het hangt van de omstandigheden van het geval af in hoeverre Woonwenz genoegen moet nemen met een gedeeltelijke betaling en of een betalingsregeling.

De stelling van [de man] dat hij niet gehouden kan worden om te betalen omdat Woonwenz de situatie zelf heeft gecreëerd door in 2011 tot ontruiming over te gaan – in plaats van te wachten totdat door de strafrechter zou zijn beslist – gaat niet op. Vast staat dat bij [de man] cocaïne is gevonden en dat hem daarvan terecht een civielrechtelijk verwijt is gemaakt, zoals vastgesteld in het arrest van dit hof van 6 november 2012. Bovendien bestond er geen noodzaak tot het ‘kraken’ van de standplaats in 2013. De kosten heeft [de man] over zichzelf afgeroepen.

Zolang [de man] niet bereid is Woonwenz – zelfs maar gedeeltelijk – te betalen, noch een betalingsvoorstel heeft gedaan kan van Woonwenz niet worden verlangd hem woonruimte aan te bieden.

7.7.4.

Ook is toereikend voor de weigering woonruimte aan te bieden, naar het voorlopig oordeel van het hof, de bejegening van de medewerkers op 12 november 2013 (door Woonwenz als ‘bestorming’ aangeduid) door en/of vanwege [de man]. Wat [de man] afdoet als een betreurenswaardig incident heeft, gelet op de aard en omvang zoals die door Woonwenz onbetwist is uiteengezet, begrijpelijkerwijs grote impact gehad bij die medewerkers. Van verontschuldigingen, laat staan een genoegdoening aan de medewerkers door [de man] is het hof niet gebleken. De emoties bij de medewerkers zullen in korte periode sindsdien niet zijn weggeëbd. In deze gebeurtenis kan Woonwenz, analoog aan het anti-drugbeleid, het recht ontlenen om [de man] woonruimte te weigeren.

7.7.5.

Grief IV van Woonwenz slaagt mitsdien. Op de door [de man] geformuleerde grief behoeft niet meer te worden beslist.

7.8.

Grief VII van Woonwenz betreft haar veroordeling in eerste aanleg in de proceskosten aan de zijde van [de man] gevallen, begroot op € 992,29 totaal.

Het hof acht ook deze grief gegrond. Nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de proceskosten in eerste aanleg en in (beide) hoger beroep(en) compenseren op na te melden wijze.

7.9.

Al het bovenstaande komt er op neer dat het hof voorshands van oordeel is dat uitoefening van de, in het kader van het drugsbeleid ingestelde, blokkering thans, na afloop van een periode van drie jaar, niet langer gerechtvaardigd is en om die reden dient te worden opgeheven, althans opgeheven dient te blijven.

Dit oordeel leidt echter niet tot een verplichting aan de zijde van Woonwenz om [de man] thans ook daadwerkelijk woonruimte aan te bieden omdat dit naar het oordeel van het hof op geheel andere gronden niet van Woonwenz kan worden verlangd.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, maar alleen ten aanzien van de veroordeling van Woonwenz om met onmiddellijke ingang de blokkering op te heffen, de uitvoerbaar-verklaring bij voorraad daarvan en de afwijzing van hetgeen meer of anders door [de man] was gevorderd;

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover Woonwenz daarin wordt veroordeeld [de man] conform de geldende regels een passende woonruimte aan te bieden en Woonwenz in de proceskosten is veroordeeld;

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst de betreffende vordering af;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elk van partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, A.P. Zweers-van Vollenhoven en I. Bouter en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.