Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3546

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
HD 200.150.269_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 96 Rv. Art. 333 Rv. “Omgekeerde prorogatie”. Niet-ontvankelijkheid hoger beroep

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 96, geldigheid: 2014-09-12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 333, geldigheid: 2014-09-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.150.269/01

arrest van 9 september 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. A.S.J.H. van Bronk

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. J.J.M. Hermans,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 juni 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 22 mei 2014, als voorzieningenrechter gewezen vonnis tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/190155 / KG ZA 14-186)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met daarin vier grieven en waaraan gehecht het procesdossier van de eerste aanleg en de producties 17 tot en met 22;

- de memorie van antwoord met de producties F; G 1 t/m 26; H 1 en H 2;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 15 augustus 2014.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding.

4 De beoordeling

4.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.

  2. Op 22 december 2008 hebben partijen ten overstaan van mr. R.M.J. van Gent, destijds notaris ter standplaats Heerlen een samenlevingsovereenkomst gesloten.

  3. De samenlevingsovereenkomst houdt onder meer het volgende in:

“(…)

(TIJDELIJKE) VOORTZETTING WOONGENOT

ARTIKEL 10

1. Ingeval de overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van één van de partijen, heeft ieder van de partijen het recht zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek uit te spreken dat hij of zij – met uitsluiting van de andere partij – nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beiden bewoonde woning.

De kantonrechter zal daarbij afwegen de belangen die partijen hebben om in de woning te blijven en de mogelijkheid andere woonruimte te vinden.

(…)

4. Indien de woning toebehoort aan beide partijen of toebehoort aan de partij die er niet in blijft wonen, dient de partij die blijft wonen over gemelde periode een redelijke vergoeding te betalen.

De kantonrechter kan overeenkomstig het hiervoor bepaalde de partij die blijft

wonen gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het betalen van vergoeding.

(…).”

De man heeft deze overeenkomst bij aangetekend schrijven van 31 december 2013 opgezegd.

Partijen hebben samengewoond in de hen in gezamenlijke eigendom toebehorende woning, gelegen te [postcode] [woonplaats], aan de [adres 1] (hierna: de woning).

De vrouw heeft de woning verlaten. De man heeft de bewoning voortgezet.

4.2.

In eerste aanleg heeft de vrouw gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Het uitsluitend gebruik van de woning van partijen (…) aan de vrouw toe te wijzen, totdat deze woning aan een derde geleverd zal zijn, althans tot 6 maanden met uitsluiting van de man mag blijven bewonen, met bevel aan de man deze woning te verlaten en niet meer te betreden vanaf 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 500.-- per dag of dagdeel dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, althans een in goede justitie te bepalen termijn of bedrag.

II. Onder volledige vrijstelling van de vrouw een redelijke gebruiksvergoeding te betalen, de man te veroordelen naar rato van zijn inkomen 75% van de hypothecaire en overige eigenaarslasten ten behoeve van de woning van partijen (…) waaronder in ieder geval de hypotheekrente en -aflossing en de premies van de aan de hypotheek gekoppelde kapitaalpolis en/of levens/overlijdensrisicoverzekering alsook premies opstalverzekering. gemeentelijke belastingen en waterschapsheffingen, als eigen schuld onder vrijwaring van de vrouw tijdig op de gezamenlijke betaalrekening van partijen bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bijdrage.

III. De man te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

4.3.

Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen afgewezen. Daaraan heeft de kantonrechter, kort gezegd, ten grondslag gelegd een afweging van belangen als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst.

4.4.

De vrouw kan zich met dit vonnis niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

4.5.

De man heeft betoogd dat de vrouw niet-ontvankelijk is nu sprake is van een zaak als bedoeld in artikel 96 Rv en hoger beroep niet is voorbehouden. Volgens de vrouw is zij wel ontvankelijk.

4.6.

Het hof oordeelt als volgt over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

4.7.1.

Partijen hebben hun volledige geschil op de voet van artikel 96 Rv aan de kantonrechter voorgelegd. Dit blijkt uit (in hun onderlinge samenhang beschouwd): artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst (waarin partijen hebben voorzien in het inroepen van een beslissing van de kantonrechter); de inleidende dagvaarding waarin onder het kopje “bevoegdheid rechter” artikel 10 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst wordt geciteerd waarna de conclusie wordt getrokken dat de kantonrechter “derhalve bevoegd [is] van het onderhavig geschil kennis te nemen” (waarbij het hof nog opmerkt dat de beide hiervóór in rov. 4.2 weergegeven vorderingen I en II, die het voorwerp uitmaken van het onderhavige geschil, nauw met elkaar verbonden zijn, in dier voege dat vordering II alleen is ingesteld voor het geval de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst krijgt toegewezen. Zij vordert deze veroordeling immers “onder volledige vrijstelling van de vrouw een redelijke gebruiksvergoeding te betalen” en daarvan kan hier, gelet op artikel 10 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst, alleen sprake zijn als zij de woning gaat bewonen en bovendien alleen voor de in artikel 10 lid 1 gemelde periode); de omstandigheid dat beide partijen zijn verschenen voor de kantonrechter en deze partijen ook heeft medegedeeld zijn beslissing in hoogste instantie te nemen; het hiervóór weergegeven niet-ontvankelijkheidsverweer dat de man voert (dat gebaseerd is op toepasselijkheid van artikel 96 Rv); en de stelling van de vrouw in haar dagvaarding in hoger beroep onder het kopje “Bevoegdheid” (in pt. 8) dat zij in artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst “duidelijk een voorkeur van partijen [ziet] om dit soort vraagstukken in eerste aanleg aan een kantonrechter voor te willen leggen ex artikel 96 Rv”. De vrouw stelt weliswaar dat artikel 96 Rv het slechts mogelijk maakt voor partijen om een eenmaal gerezen geschil over een rechtsgevolg dat ter vrije bepaling van partijen staat met wederzijds goedvinden aan de kantonrechter voor te leggen, maar aan deze voorwaarden is hier, gelet op hetgeen hiervóór werd overwogen, juist voldaan. De vrouw heeft ook geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Zij heeft nog wel aangevoerd dat zij tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter “verzet heeft gevoerd” tegen diens – hiervóór weergegeven – mededeling dat hij in hoogste instantie beslist, maar die stelling heeft de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de man onvoldoende onderbouwd (bijvoorbeeld door overlegging van het proces-verbaal van die mondelinge behandeling), zodat het hof aan die stelling voorbijgaat.

4.7.2.

Blijkens het bepaalde in artikel 333 Rv staat in zaken als bedoeld in artikel 96 Rv hoger beroep slechts open indien partijen zich dat beroep, binnen de grenzen van artikel 332 Rv, uitdrukkelijk hebben voorbehouden (HR 8 november 2002 (Olislagers/Otib), NJ 2003, 15). Anders dan de vrouw meent, brengt de enkele omstandigheid dat partijen in (artikel 10 van) de samenlevingsovereenkomst op generlei wijze hebben opgenomen dat geen hoger

beroep openstaat derhalve niet mee dat hoger beroep open staat; een uitdrukkelijk voorbehoud is daarvoor vereist, waarbij het hof nog opmerkt dat niet alleen bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst, maar ook later, bijvoorbeeld in de inleidende dagvaarding of bij de mondelinge behandeling bij de kantonrechter, niet is gebleken van het bedoelde uitdrukkelijke voorbehoud.

4.8.

Er zijn door de vrouw geen concrete feiten te bewijzen aangeboden die, mits bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden zodat het in algemene termen gestelde bewijsaanbod van de vrouw wordt gepasseerd.

4.9.

De slotsom van het voorgaande is dat de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het hof ziet, evenals de kantonrechter, geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat in zaken van familierechtelijke aard (binnen de relatie van partijen is een dochter geboren) de kosten worden gecompenseerd. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, W.T.M. Raab en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.