Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3540

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
HD 200.127.881_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.127.881/01

arrest van 9 september 2014

in de zaak van

[Productie] Productie B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. W.T.G. Beekhuijzen te 's-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.A. Jacobs te Amersfoort,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 juli 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, kanton ’s-Hertogenbosch, onder zaak-/rolnummer 830027 12-4824 gewezen vonnis van 7 februari 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 23 juli 2013 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 12 september 2013;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

7 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

7.1

Geen grieven zijn gericht tegen de feiten, zoals vastgesteld in onderdeel 2. van het beroepen vonnis. Het hof zal derhalve van diezelfde feiten uitgaan. Voorts staan nog enkele andere feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet voldoende gemotiveerd betwist tussen partijen vast. Het hof zal hierna een samenvatting geven van de relevante feiten.

a. Partijen hebben op 23 maart 2011 een schriftelijk vastgelegde overeenkomst (hierna: Overeenkomst) gesloten voor het maken en plaatsen van een keuken door [appellante] in de woning van [geïntimeerde] (prod. 1 inl. dagv.) voor een bedrag van € 16.499,35 incl. BTW. Een aantal werkzaamheden, zoals die van een loodgieter, stucadoor, schilder en elektricien, vielen niet onder de Overeenkomst; deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door aannemers, die door [geïntimeerde] gecontracteerd zijn (hierna ook: nevenaannemers). [appellante] zou blijkens de inhoud van onderdeel 7 van de Overeenkomst voornoemde werkzaamheden van de nevenaannemers samen met een aantal andere werkzaamheden “coördineren”, waarvoor een bedrag van € 1.920,-- excl. BTW in voornoemde aanneemsom was opgenomen.

b. Op de Overeenkomst zijn de Algemene offerte-, leverings- en betalingsvoorwaarden van de leden van de sectie interieurbouw van de Centrale Bond van Meubelfabrikanten (CBM) van toepassing (prod. 2 inl. dagv.).

c. Omstreeks de zomer van 2011 en nadien heeft [geïntimeerde] in diverse mails en brieven aan [appellante] meegedeeld dat hij op een aantal punten niet tevreden was over de verrichte werkzaamheden. Partijen hebben naar aanleiding daarvan een aantal malen contact met elkaar gehad over een mogelijke oplossing.

d. Bij brief van 19 december 2011 (prod. 4 inl. dagv.) heeft [appellante] onder meer het volgende aan [geïntimeerde] geschreven

(…) Bij de oplevering is gebleken dat er een aantal zaken niet correct waren uitgevoerd. Daarover hebben vervolgens meerdere gesprekken plaatsgevonden. Na de zomervakantie is door u samen met [appellante] op constructieve wijze gekeken hoe de geconstateerde onvolkomenheden opgelost kunnen worden. Tijden ons overleg op 25 oktober jl. is de afwikkeling van de zaak tot in detail besproken en zijn we het samen eens geworden over welke acties er uitgevoerd zouden gaan worden. Hieronder treft u de lijst van de gemaakte afspraken aan.

(…)

De kosten behorende bij de posten 1 t/m 15 en het opdikken van de zijkant van het aanrechtblok komen voor rekening van [appellante] Interieur Projecten. Verdere aanpassingen van de keuken komen voor rekening van de opdrachtgever. Besproken is om als extra werk uit te voeren: Eén extra rij tegels plaatsen boven het aanrechtblok: meerwerk € 75,00 excl. BTW. Tot zover de afspraken zoals partijen die op 25 oktober jl. gezamenlijk hebben gemaakt. Tijdens het gesprek op deze datum hebben wij u ook aangeven waarom [appellante] Interieur Projecten niet uit eigener beweging over gaat tot het vervangen van de keukenblokken en laden door keukenblokken met laden zonder greeplijst (…)”

e. Bij brief van 18 januari 2012 van mr. Zeeman (prod. 5 inl. dagv.) wordt namens [geïntimeerde] aan [appellante] meegedeeld dat [geïntimeerde] aanspraak blijft maken op het opnieuw plaatsen van andere ladekasten onder de aanrechten. Als reden hiervoor wordt genoemd het niet attenderen door [appellante] op een “significante ruimtevermindering” in verband met de gebruikmaking van laden met terugliggende greeplijsten en voorts vanwege het terugbrengen van de aanrechtbladhoogte bij handhaving van de plinthoogte.

f. [geïntimeerde] heeft zoals bepaald in de Overeenkomst de eerste termijn van de aanneemsom ad € 4.159,30 bij het verstrekken van de opdracht en de tweede termijn ad € 5.546,-- bij aanvang van de werkzaamheden betaald. De eindafrekening van [appellante] d.d. 19 december 2011 ad € 11.022,61 incl. BTW (prod. 6 inl. dagv.), die tevens ziet op een aantal niet in geschil zijnde meerwerkposten, is door [geïntimeerde] onbetaald gelaten in verband met klachten over de uitgevoerde werkzaamheden.

7.2.1

[appellante] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat [geïntimeerde] genoemd bedrag van € 11.022,61 betaalt, vermeerderd met rente en kosten.

7.2.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de vordering in conventie. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd:

a. een verklaring voor recht dat de hoofdvordering van [appellante] wordt verminderd met een bedrag van € 2.284,80 (bedrag coördinatiekosten incl. BTW);

b. vernietiging van de in artikel 16 lid 4, 5 en 6 van de algemene voorwaarden genoemde bedingen;

c. een verklaring voor recht dat hij bevoegd is tot opschorting van betaling totdat [appellante] de hierna onder d. genoemde gebreken heeft hersteld

d. veroordeling van [appellante] om kosteloos de volgende herstelwerkzaamheden ter verrichten:

- 1. herstel van te dik stucwerk;

- 2. opnieuw aan laten sluiten van het tegelwerk op de granito schrobranden;

- 3. vervangen van het te dik aangebrachte aanrechtblad en het geheel met juist afschot herplaatsen;

- 4. het ongedaan maken van de te geringe ruimte tussen het aanrechtblad en de plank aan de muur boven het aanrecht;

- 5. het terugbrengen van de hoogte van het aanrecht naar 95 cm;

- 6. het conform de werktekening uitvoeren van de stopcontacten en het tegelplan;

- 7. het herstellen van de beschadiging van de granitovloer,

- 8. het opheffen van de te dunne zijkant aan het aanrecht aan de zijde van het fornuis;

- 9. het verwijderen van de aluminiumstrips achter de ladefronten;

e. ingeval [appellante] niet voldoet aan de hiervoor sub d. bedoelde vordering, het verstrekken van een machtiging aan [geïntimeerde] om die werkzaamheden zelf te doen uitvoeren tot een bedrag van € 11.000,-- excl. BTW;

f. veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.

7.2.3

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.3 en 4.4 beslist dat [appellante] bij brief van 19 december 2011 (prod. 4 inl. dagv.) heeft erkend dat bij oplevering is gebleken dat een aantal zaken niet correct is uitgevoerd en dat partijen het kennelijk eens zijn geworden over de door [appellante] kosteloos uit te voeren (herstel)werkzaamheden van de gebreken, zoals hiervoor in 7.2.2 sub d onder 1 tot en met 8 genoemd. De rechtbank heeft op die grond de vordering tot het verrichten van deze herstelwerkzaamheden toegewezen alsmede -in zoverre- de in reconventie sub c gevorderde verklaring voor recht en de sub e gevorderde machtiging.

De rechtbank heeft voorts beslist dat [geïntimeerde] geen vordering toekomt terzake de in 7.2.2 sub d onder 9 genoemde werkzaamheden, verband houdende met de terugliggende greep in de ladenkasten onder de aanrecht. Ten slotte heeft de rechtbank de - hiervoor in 7.2.2 weergegeven - in reconventie sub a gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de coördinatiekosten en de sub b gevorderde vernietiging van een deel van de algemene voorwaarden afgewezen.

De rechtbank heeft de vordering van [appellante] in conventie in zoverre afgewezen dat de rechtbank [geïntimeerde] heeft veroordeeld om binnen veertien dagen na deugdelijk herstel van de gebreken door [appellante] over te gaan tot betaling van een bedrag van € 11.022,61 te vermeerderen met rente.

Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat – zowel in conventie als in reconventie – de proceskosten dienen te worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7.3

Grief 1 in incidenteel appel van [geïntimeerde] richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de in reconventie gevorderde - hiervoor in 7.2.2. sub d onder 9, genoemde - werkzaamheden. Deze grief faalt op de volgende gronden.

Blijkens de toelichting op de grief en de verwijzing naar paragraaf 13 van zijn memorie verwijt [geïntimeerde] in hoger beroep aan [appellante] dat [appellante] volkomen onnodig in de binnenkant van de ladenkasten tussen de “wangen” van het keukenblok een metalen lijst heeft aangebracht, waardoor de opbergruimte in die ladenkasten is verminderd. Gelet op wat onder metalen greeplijsten moet worden verstaan, had [geïntimeerde] naar eigen zeggen hier niet op bedacht behoeven te zijn. [geïntimeerde] voert in dit kader aan: “De thans gemonteerde “lijsten” kunnen, naar het inzicht van [geïntimeerde], op eenvoudige wijze verwijderd worden zonder de hechtheid of deugdelijkheid van het keukenblok of de keukenkasten aan te tasten, althans vervangen worden door een andere voorziening, zodanig dat de laden van de keuken - zonder beperking - wel tot de volledige hoogte daarvan kunnen worden gebruikt.”

Mede gelet op het expliciet ingenomen standpunt van [geïntimeerde] in de toelichting op deze grief, dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat hij exact heeft gekregen wat hij terzake besteld heeft, begrijpt het hof dat de klacht van [geïntimeerde] in hoger beroep uitsluitend ziet op de door [appellante] aan de binnenkant van de lade – volgens [geïntimeerde] nodeloze – toegepaste aluminiumstrip. Het hof gaat derhalve in zoverre voorbij aan een klacht vanwege non conformiteit (artikel 7:17 BW in paragraaf 13 van de memorie) van de bestelde ladenkasten.

[appellante] betwist dat zij deze aluminium strips nodeloos heeft aangebracht; greeploze keukens worden volgens haar nu eenmaal op deze wijze uitgevoerd, waarbij altijd een deel van de bruikbare hoogte van de lade wordt verkleind. [appellante] voert aan dat dit niet een uitvoering is die door haar is verzonnen of op de markt is gebracht. [appellante] wijst er op dat in de Overeenkomst staat vermeld dat de fronten greeploos zijn doordat er gebruik gemaakt wordt van een terugliggende, roestvrijstalen greeplijst.

In onderdeel 5 van de Overeenkomst staat overeenkomstig de stelling van [appellante] vermeld dat de fronten van de ladekasten greeploos zijn doordat gebruik gemaakt wordt van een terugliggende greeplijst, zodat het hof ervan uitgaat dat [geïntimeerde] hiervan op de hoogte was.

Voor zover de grief ziet op de in eerste aanleg ingenomen stelling dat [appellante] [geïntimeerde] voor de gevolgen van de terugliggende greep met betrekking tot ruimte in de laden had dienen te waarschuwen, verwijst het hof naar het oordeel van de rechtbank in 4.6 van het beroepen vonnis en neemt dit oordeel over.

Voorzover [geïntimeerde] in hoger beroep [appellante] verwijt dat zij als aannemer een fout heeft gemaakt door nodeloos de gewraakte lijst aan te brengen, geldt dat [appellante] dit gemotiveerd betwist heeft en dat [geïntimeerde] niet voldoende concreet heeft aangegeven waarom deze werkwijze onjuist was. Deze onduidelijkheid klemt temeer nu [geïntimeerde] in zijn brief van 25 november 2011 nog het plaatsen van “een ander ladesysteem met grepen op of aan de fronten” vorderde en mr. Zeeman namens [geïntimeerde] in de brief van 18 januari 2012 aanvoerde dat deze klacht alleen opgelost kan worden door “het opnieuw plaatsen van andere ladekasten onder de aanrechten”. Zelfs indien het hof veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat een andere constructie dan de aangebrachte aluminiumstrips achter de terugliggende greeplijsten in de laden ook mogelijk was geweest, betekent dit nog niet zonder meer dat de door [appellante] toegepaste constructie een tekortkoming in de uitvoering van de werkzaamheden oplevert. Daarvoor heeft [geïntimeerde] onvoldoende gesteld.

Het hof passeert op die gronden het bewijsaanbod in paragraaf 34 van de memorie van [geïntimeerde], welk bewijsaanbod er kennelijk op neerkomt dat een andere constructie had kunnen worden aangebracht.

7.4

[geïntimeerde] heeft in de paragrafen 32 en 33 van de memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van eis in het incidenteel hoger beroep, aangekondigd dat hij in hoger beroep een wijziging dan wel aanvulling van eis beoogt indien en voor zover

a. a) het hof tot het oordeel komt dat van [geïntimeerde] redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat hij [appellante] de gelegenheid moet geven de gebreken te herstellen, èn

b) het hof aan een financiële afwikkeling van de tussen partijen gerezen geschillen de voorkeur geeft.

Met betrekking tot de sub a) genoemde voorwaarde oordeelt het hof dat [geïntimeerde] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, die meebrengen dat thans niet meer van hem gevergd kan worden dat [appellante] de gebreken herstelt. Integendeel, [appellante] heeft in haar brief van 19 december 2011 er zelfs op aangedrongen om de vijftien in die brief genoemde herstelwerkzaamheden op korte termijn uit te voeren. Het hof begrijpt met name uit paragrafen 9 tot en met 16 van de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, dat deze werkzaamheden overeenkomen met de thans in de onderhavige procedure door [geïntimeerde] in reconventie onder gevorderde werkzaamheden, met uitzondering van de (in 7.2.2 van dit arrest sub d onder 9. genoemde) verwijdering van de aluminiumstrips van de ladekasten. Ook de rechtbank heeft dit blijkens de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 van het beroepen vonnis kennelijk aldus begrepen. Het hof zal derhalve daarvan uitgaan.

In paragraaf 17 van voornoemde conclusie voert [geïntimeerde] aan dat het geschil met betrekking tot de aanwezigheid van de aluminiumstrips achter de ladefronten er de oorzaak van is dat ”voornoemde herstelpunten niet tot uitvoering zijn gekomen”. Zoals uit rechtsoverweging 7.3 van dit arrest blijkt is het hof evenals de rechter in eerste aanleg van oordeel dat [geïntimeerde] ten onrechte deze herstelwerkzaamheden heeft gevorderd.

[geïntimeerde] heeft derhalve geen goede redenen aangevoerd waarom thans niet van hèm gevergd kan worden dat de herstelwerkzaamheden, voor zover toegewezen, niet alsnog door [appellante] uitgevoerd kunnen worden.

Derhalve is niet voldaan aan de door [geïntimeerde] sub a) gestelde voorwaarde voor een eiswijziging.

Met betrekking tot de sub b) gestelde voorwaarde geldt voorts dat een partij zelf bepaalt welke vordering zij in geval van een gestelde wanprestatie instelt en dat niet een eventuele voorkeur van een rechter daarin leidend kan zijn.

Derhalve moet het ervoor gehouden worden dat aan de voorwaarden, die [geïntimeerde] heeft gesteld aan de wijziging/aanvulling van zijn eis in hoger beroep, niet is voldaan. Het hof wijst er nog op dat ook de in de paragrafen 22 en 23 van de memorie van [geïntimeerde] uitgesproken voorkeur voor een financiële oplossing van het geschil en de door hem geconstateerde bevoegdheid tot het ontbinden van de Overeenkomst en het vorderen van schadevergoeding niet heeft geleid tot het daadwerkelijk nemen van deze stappen, althans niet voldoende kenbaar voor het hof.

Het hof zal derhalve uitgaan van de oorspronkelijke herstelvordering, zoals ook al weergegeven in de eerste alinea van paragraaf 33 van voornoemde memorie van [geïntimeerde]. Het hof merkt ten overvloede op dat [appellante] in haar memorie van antwoord in incidenteel appel aangeeft dat zij (ook) begrijpt dat [geïntimeerde] zijn oorspronkelijke herstelvordering in stand laat en slechts voorwaardelijk een gewijzigde vordering (partiele ontbinding en schadevergoeding) instelt.

7.5

Grief 2 in incidenteel appel richt zich tegen de afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] in reconventie, zoals in rechtsoverweging 7.2.2 sub a van dit arrest weergegeven. Ook deze incidentele grief faalt. [geïntimeerde] heeft in de Overeenkomst afgesproken dat voor de daar genoemde coördinatiekosten een bedrag van € 1.920,-- excl. BTW betaald zou worden. De enkele omstandigheid, dat [appellante], zoals [geïntimeerde] stelt, tekort is geschoten in deze coördinatie, brengt niet mee dat dit deel van de aanneemsom uiteindelijk niet betaald behoeft te worden. Daarvoor is een gedeeltelijke ontbinding van de Overeenkomst nodig en dat heeft [geïntimeerde] niet gevorderd en evenmin heeft hij voldoende duidelijk meegedeeld dat hij de Overeenkomst ten dele buitengerechtelijk heeft ontbonden. Evenmin heeft hij schade gesteld, die verrekend moet worden met het bedrag van de coördinatiekosten.

Maar ook op inhoudelijke gronden dient deze vordering afgewezen te worden, waarvoor het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.10 van het beroepen vonnis.

7.6

Grief 1 in principaal appel richt zich tegen het oordeel in 4.3 en 4.4. van het beroepen vonnis, dat [appellante] in haar brief van 19 december 2011 uitdrukkelijk heeft erkend dat bij de oplevering is gebleken dat een aantal zaken niet correct is uitgevoerd, dat partijen het eens zijn geworden over de in die brief onder 1 tot en met 15 genoemde herstelwerkzaamheden en dat [appellante] op die grond veroordeeld kan worden tot het verrichten van de gevorderde werkzaamheden (behoudens met betrekking tot de aluminiumstrip achter de ladefronten).

[appellante] voert aan dat het hier slechts om een aanbod gaat dat zij uit coulance heeft gedaan omdat [geïntimeerde] een goede bekende van [appellante] is en zij [geïntimeerde] tevreden wilde stellen. In ieder geval is het aanbod van [appellante] aan [geïntimeerde] niet door laatstgenoemde geaccepteerd, zodat [appellante] naar haar zeggen niet gebonden is aan het in de brief verwoorde aanbod. Voorts betwist [appellante] dat hij tekort geschoten is in de door haar te verrichten werkzaamheden.

Deze grief kan op de volgende gronden geen doel treffen.

Het hof leest met [geïntimeerde] in voormelde brief dat [appellante] heeft erkend dat er tekortkomingen bij de oplevering zijn geconstateerd en dat er op 25 oktober 2011 tussen partijen afspraken zijn gemaakt met betrekking tot herstelwerkzaamheden en dat deze afspraken zijn vastgelegd in voornoemde brief van 19 december 2011. Dat [appellante] aan deze afspraken dan wel toezeggingen tot het verrichten van deze herstelwerkzaamheden een voorwaarde heeft verbonden, of dat het hier zou gaan om een – tijdelijk - aanbod valt naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet te lezen in deze brief. De door [appellante] genoemde passage, waarin [appellante] wijst op de mogelijkheid dat [geïntimeerde] mogelijk niet gebruik wil maken van “aanpassingen zoals op 25 oktober jl. besproken” en dat [geïntimeerde] binnen twee weken na de datum van deze brief schriftelijk een en ander dient te bevestigen, brengt een dergelijke uitleg niet mee en is evenmin te aan te merken als een voorwaarde, waaronder deze afspraken zijn gemaakt dan wel de toezeggingen van [appellante] zijn gedaan. Derhalve kan [geïntimeerde] terecht een beroep doen op deze afspraken en is de vordering van [geïntimeerde] in zoverre terecht toegewezen.

Het voorgaande brengt mee dat het hof niet in zal gaan op alle door [appellante] in deze procedure aangevoerde verweren, die er op neer komen dat zij niet aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] gestelde gebreken en ook overigens niet is gehouden tot het verrichten van deze werkzaamheden.

[appellante] heeft – voor het geval het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het verrichten van de herstelwerkzaamheden bekrachtigd zou worden - nog aangevoerd dat zij dan gebaat is bij een duidelijke omschrijving van de te verrichten werkzaamheden. Het hof acht dit – gelet op de wat onduidelijke vordering van [geïntimeerde] met betrekking tot de aard van de te verrichten werkzaamheden en de daardoor aanwezige kans op executieproblemen – terecht en zal in zoverre verwijzen naar de gedetailleerde afspraken van 25 oktober 2011, zoals door [appellante] zelf beschreven in de brief van 19 december 2011 en door [geïntimeerde] kennelijk akkoord bevonden.

7.7

Grief II in principaal appel richt zich tegen de in reconventie toegewezen verklaring voor recht dat [geïntimeerde] bevoegd is tot opschorting van betaling, en blijkens de verwijzing naar rechtsoverweging 4.12 van het beroepen vonnis ook tegen het oordeel dat [geïntimeerde] de resterende hoofdsom van € 11.022,61, te vermeerderen met de contractuele rente, pas behoeft te betalen binnen veertien dagen na behoorlijk herstel door [appellante].

Deze grief faalt, nu [appellante] hiervoor uitsluitend een beroep doet op het ontbreken van aansprakelijkheid voor de hiervoor bedoelde herstelwerkzaamheden.

7.8

Grief III in principaal appel richt zich tegen het verstrekken van een machtiging aan [geïntimeerde] tot het (doen) uitvoeren van de herstelwerkzaamheden, zoals door [geïntimeerde] in reconventie gevorderd en zoals toegewezen door de rechtbank. Ook ten aanzien van deze grief heeft [appellante] geen andere argument aangevoerd dan dat zij niet aansprakelijk is voor het verrichten van de herstelwerkzaamheden. Het hof acht echter termen aanwezig om de termijn waar binnen [appellante] deze werkzaamheden dient te verrichten te stellen op vier weken na betekening van dit arrest. Grief III in principaal appel faalt derhalve grotendeels.

7.9

Grief IV in principaal appel richt zich op dezelfde gronden als hiervoor tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Gelet op de uitkomst van de procedure in eerste aanleg acht het hof deze proceskostenveroordeling terecht.

7.10

Het voorgaande brengt mee dat de grieven in principaal appel nagenoeg geheel falen en die in incidenteel appel geheel falen. Gelet daarop zal het hof [appellante] veroordelen in de kosten van het principaal appel en [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel. Het hof zal de kosten van de comparitie van partijen gelijkelijk over het principaal en het incidenteel appel verdelen.

7.11

Het hof zal voor alle duidelijkheid en om de hiervoor in 7.6 genoemde executieproblemen te voorkomen het beroepen vonnis in conventie en reconventie, vernietigen en het dictum hierna opnieuw formuleren.

8 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, kanton ’s-Hertogenbosch, in conventie en in reconventie, en opnieuw rechtdoende:

a. verklaart voor recht dat [geïntimeerde] gerechtigd is om de voldoening van de restant hoofdsom ad € 11.022,61 op te schorten totdat de hierna onder b. genoemde werkzaamheden deugdelijk en definitief, zonder bijkomende kosten, zijn verricht;

b. veroordeelt [appellante] om binnen vier weken na betekening van dit arrest aan te vangen met het verrichten van de in de brief van [appellante] van 19 december 2011 onder 1 tot en met 15 genoemde werkzaamheden, met inachtneming van de aldaar genoemde aandachtspunten, en deze deugdelijk en definitief en zonder bijkomende kosten af te ronden binnen acht weken na de aanvang van die werkzaamheden;

c. machtigt [geïntimeerde] om bij niet tijdige voldoening door [appellante] aan de onder b. genoemde veroordeling de betreffende werkzaamheden zelf te (doen) uitvoeren, met veroordeling van [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde] van de met die herstelwerkzaamheden gemoeide kosten tot maximaal € 11.000,- excl. btw na overlegging van de op die werkzaamheden ziende facturen door [geïntimeerde];

d. veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen nadat de hiervoor onder b genoemde werkzaamheden deugdelijk zijn verricht over te gaan tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 11.022,61, te vermeerderen met de contractuele rente van 1 % per maand vanaf de vijftiende dag dat [geïntimeerde] na deugdelijke uitvoering van deze werkzaamheden niet tot betaling is overgegaan;

e. compenseert de proceskosten van de eerste aanleg, zowel van de procedure in conventie als van die in reconventie, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal appel, welke kosten het hof tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299,-- voor verschotten en op € 1.341,-- voor salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, welke kosten het hof tot op heden aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.341,-- voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, J.R. Sijmonsma en D.A.E.M. Hulskes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.