Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3539

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
HD 200.126.932_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenlevers; peildatum wettelijke rente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.126.932/01

arrest van 9 september 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R. Zwamborn te Goes,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.M.E. Bilterijst te Goes,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen vonnis van 27 maart 2013 tussen principaal appellant – de man – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en principaal geïntimeerde – de vrouw – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/12/84125 / HA ZA 12-147)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande comparitievonnis van 15 augustus 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories, tevens houdende vermeerdering van eis.

4 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.2.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Op 31 mei 2006 hebben zij bij notariële akte een samenlevingsovereenkomst gesloten.

De relatie is per 1 juli 2011 beëindigd.

4.3.

Partijen hebben in gezamenlijk eigendom de woning met erf en tuin, staande en gelegen te [woonplaats 1] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] , [sectieletter] , nummer [sectienummer 1] (hierna: de woning) en twee percelen tuingrond, kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] [sectieletter] , nummers [sectienummer 2] en [sectienummer 3] . Deze twee percelen (hierna: de percelen tuingrond) grenzen aan het perceel waarop de woning staat.

4.4.

De vrouw heeft in eerste aanleg in conventie – na wijziging van eis zonder processueel bezwaar van de man – gevorderd de man te veroordelen medewerking te verlenen aan de verdeling van de woning, onder de verplichting de hypothecaire geldlening voor zijn rekening te nemen en de vrouw ter zake te vrijwaren en haar ten titel van overbedeling € 20.000,- uit te keren, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.

4.5.

De man heeft in eerste aanleg in reconventie – na wijziging van eis zonder processueel bezwaar van de vrouw – gevorderd een deskundige te benoemen die de waarde van de woning zal vaststellen, te bepalen dat de gemeenschap tussen partijen wordt verdeeld overeenkomstig zijn stellingen en hierbij, indien de vrouw haar medewerking weigert, een onzijdig persoon te benoemen die ten aanzien van de voor de verdeling noodzakelijke rechtshandelingen in de plaats van de vrouw treedt en te bepalen dat de vrouw het bedrag dat zij ter zake van haar overbedeling aan de man dient te voldoen binnen een maand na het vonnis overmaakt op de rekening van een door de man aan te wijzen notaris.

4.6.

De rechtbank heeft in het beroepen vonnis:

in conventie en in reconventie:

a. de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vastgesteld, waarbij de rechtbank:

  • -

    aan de man heeft toegedeeld de woning staande en gelegen te [postcode] [woonplaats 1] , aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] , [sectieletter] , nummer [sectienummer 1] , alsmede de percelen tuingrond, kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] , [sectieletter] , nummers [sectienummer 2] en [sectienummer 3] ;

  • -

    heeft bepaald dat de man de verplichtingen van de op de woning rustende hypothecaire geldlening voldoet als eigen verplichtingen en de vrouw daarvan vrijwaart;

beide partijen veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan bovenstaande verdeling en indien de vrouw haar medewerking aan de verdeling zou weigeren, mr. D.A.H. Veldhof, advocaat te [woonplaats 2] , tot onzijdige persoon benoemd die ten aanzien van de voor de verdeling noodzakelijke rechtshandelingen in de plaats van de vrouw treedt;

de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 5 juni 2012;

de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 9.967,52;

het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

de proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

het meer of anders gevorderde afgewezen.

4.7.

Beide partijen kunnen zich met het beroepen vonnis niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

4.8.

In hoger beroep zijn de volgende onderwerpen aan de orde gesteld:

  1. de overbedelingsvergoeding (grief 1);

  2. de waarde van de woning (grief 2);

  3. vergoeding wettelijke rente (grief 3);

  4. financiering kosten verbouwing van de woning (grief 4);

  5. aandeel in de kosten van aanschaf van de woning (grief 1 incidenteel appel).

4.9.

Het hof zal deze onderwerpen hierna achtereenvolgens beoordelen.

4.10.

De overbedelingsvergoeding (grief 1) en de waarde van de woning (grief 2)

4.10.1.

De rechtbank heeft aan de man toegedeeld de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] . Aangaande de toedeling van de woning aan de man heeft de rechtbank geoordeeld dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw daarvoor een vergoeding krijgt wegens overbedeling van € 20.000,-. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een tussen partijen overeengekomen waarde van de woning van € 290.000,-.

4.10.2.

De man betwist dat partijen een overbedelingsvergoeding van € 20.000,- zijn overeengekomen in die zin dat hij dit bedrag aan de vrouw zou betalen op het moment dat de woning aan hem zou worden toebedeeld. Over een dergelijk bedrag is volgens de man alleen maar gesproken in het kader van een overwaarde in de hypothetische situatie dat de woning, inclusief schuur voor een bedrag ad. € 290.000,- aan een derde zou worden verkocht. Volgens de man is bij de berekening van een mogelijke overbedelingsvergoeding uitgegaan van een verkeerde waarde van de woning te weten € 290.000,-. Daarbij is uitgegaan van een voorgenomen verkoopprijs, inclusief schuur. De man stelt dat bij de vaststelling van de overbedelingsvergoeding uitgegaan moet worden van de door [makelaardij] Makelaardij per datum uiteengaan, zijnde 1 juli 2011, getaxeerde waarde van de woning ad € 267.000,-, zodat de overbedelingsvergoeding niet meer dan € 13.500,- bedraagt. In die taxatie is terecht geen rekening gehouden met de (in aanbouw zijnde) schuur.

4.10.3.

De vrouw heeft de grieven van de man bestreden. Zij stelt dat partijen hebben afgesproken dat de vrouw wegens overbedeling € 20.000,- zou ontvangen. De man heeft dat volgens de vrouw ook tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank erkend. De vrouw betwist het door de man overgelegde taxatierapport van [makelaardij] Makelaardij.

4.10.4.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man moet worden toegedeeld.

Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van de aan de vrouw toekomende overbedelingsvergoeding. De vrouw heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat aan de vrouw een vergoeding uit overbedeling toekomt van € 20.000,-. De man is het ermee eens dat aan de vrouw een bedrag toekomt ter zake overbedeling, maar betwist dat partijen in dezen een overbedelingsvergoeding van € 20.000,- zijn overeengekomen. Aangezien de vrouw stelt dat tussen partijen een bindende afspraak met betrekking tot de overbedelingsvergoeding tot stand is gekomen rust op de vrouw de bewijslast ter zake. Nu de vrouw daartoe bewijs heeft aangeboden door het horen van haar vader, alsmede haar vorige advocaat, mr. H. van Es, zal het hof de vrouw toelaten tot bewijsvoering.

4.11.

Vergoeding wettelijke rente (grief 3)

4.11.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de door de vrouw gevorderde wettelijke rente [over € 20.000,-] toewijsbaar is met ingang van de dag der dagvaarding, te weten 5 juni 2012.

4.11.2.

De man stelt dat een eventuele vordering uit overbedeling pas ontstaat op het moment dat de verdeling van de woning is geëffectueerd. Daarvan is nog geen sprake nu de woning nog altijd gezamenlijk eigendom is van partijen. De man is van mening dat hij, nu er geen (hoofd)vordering is, onmogelijk in verzuim kan zijn ten aanzien van de wettelijke rente, zodat op grond van artikel 6:119 BW geen wettelijke rente verschuldigd is.

De vrouw betwist de stelling van de man.

4.11.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof constateert dat partijen geen beroep hebben gedaan op artikel 9 lid 6 van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst, waarin het volgende is bepaald:

Indien door de ene partij een uitkering wegens overbedeling moet worden gedaan aan de andere partij, zal de schuldenaar de bevoegdheid hebben de uitkering te voldoen uiterlijk een jaar na de ontbinding van de overeenkomst. Over het nog niet betaalde deel van de uitkering is door de schuldenaar een rentevergoeding verschuldigd gelijk aan de wettelijke rente. De schuldeiser heeft de bevoegdheid zekerheidstelling te vragen voor de nakoming van de uit dit lid voortvloeiende verplichtingen.

Nu het hof het bepaalde in voormeld artikel voor de beoordeling van onderhavig geschilpunt van belang acht, verzoekt het hof partijen zich hierover uit te laten. Om partijen daartoe in de gelegenheid te stellen zal het hof de zaak naar de rol verwijzen.

4.11.4.

Het hof merkt bovendien op dat het standpunt niet wordt gedeeld door de Hoge Raad, zie HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176 en NJ 2007/624: de datum van het vonnis van de rechtbank heeft te gelden als datum van de verdeling en als datum waarop wettelijke rente verschuldigd wordt, niet de datum waarop de notariële akte van toedeling wordt gepasseerd of ingeschreven. Partijen kunnen zich ook dienaangaande uitlaten.

4.12.

Financiering kosten verbouwing van de woning (grief 4)

4.12.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat onvoldoende vaststaat dat de man de kosten van de verbouwingen van de woning uit eigen middelen heeft voldaan, zodat de vrouw niet kan worden verplicht de (door de man gevorderde) helft van de verbouwingskosten aan de man te betalen.

4.12.2.

De man stelt dat hij uit eigen middelen de kosten van de verbouwing van de woning heeft voldaan. Volgens de man heeft hij de door hem voor de verbouwing gebruikte materialen ter waarde van € 23.000,- besteld op rekening van zijn vennootschap [appellant] en [appellant] V.O.F. Dit in verband met de inkoopvoordelen die de vennootschap heeft. De materialen zijn geboekt onder een klus die de vennootschap onder eigen beheer uitvoerde, namelijk het bouwen en te gelde maken van een woning te [plaats] . Met zijn medevennoot tevens broer is de man overeengekomen dat de materiaalkosten zouden worden verrekend met arbeidsuren ten behoeve van de nieuwbouw van een privéwoning van de broer van de man. Met de materialen heeft de man een volledige aanbouw en nieuwe keuken gerealiseerd. De man acht derhalve een vergoeding van de vrouw van € 10.000,- redelijk.

4.12.3.

De vrouw heeft de grief van de man bestreden. Zij betwist dat de man een bedrag van € 20.000,- uit eigen middelen heeft besteed aan materialen in verband met de verbouwing. De man houdt volgens de vrouw geen rekening met de inbreng van de vrouw en de gemeenschappelijke rekening die steeds werd gebruikt.

4.12.4.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Partijen zijn het er over eens dat de woning is verbouwd. Het komt het hof aannemelijk voor dat de man de verbouwingen uit eigen middelen heeft voldaan nu de vrouw de stelling van de man op dit punt niet expliciet heeft betwist en gesteld noch gebleken is dat dat de vrouw heeft bijgedragen aan de kosten van de materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken.

4.12.5.

Wat betreft de door de man opgevoerde materiaalkosten acht het hof een deskundigenonderzoek noodzakelijk nu de vrouw heeft betwist dat er voor ca. € 23.000,- aan materialen zou zijn verwerkt in de woning van partijen. Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige(n) de volgende vraag voor te leggen: wat is de waarde van de materialen die zijn gebruikt voor de realisatie van de aanbouw en de nieuwe keuken?

4.12.6.

Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

4.13.

Aandeel in de kosten van aanschaf van de woning (grief 1 incidenteel appel)

4.13.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de man de helft van de aanschafskosten van de woning ad € 19.935,04, zijnde € 9.967,52, van de vrouw kan terugvorderen.

4.13.2.

De vrouw erkent dat de man € 20.000,- van zijn spaarrekening heeft overgeboekt naar de gemeenschappelijke rekening van partijen. Dit wil volgens de vrouw echter nog niet zeggen dat die betaling of dat geld ook gebruikt is voor het betalen van de aanschafkosten van de woning. De gemeenschappelijke rekening werd door beide partijen gevoed en aangevuld, ieder naar draagkracht en overeenkomstig de taken en afspraken in de relatie. De vrouw is daarom van mening dat de rechtbank volkomen ten onrechte heeft aangenomen dat de aanschafskosten volledig door de man zijn betaald.

De man heeft de grief van de vrouw bestreden.

4.13.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Naar het oordeel van het hof bestaat er geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. Met het overleggen van de afrekening van de notaris d.d. 28 mei 2008 en het afschrift waaruit blijkt dat de man op 26 mei 2008 € 20.000,- heeft overgeboekt van zijn spaarrekening naar de gemeenschappelijke rekening van partijen, heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de notariskosten uit eigen middelen heeft voldaan zodat de man op grond van artikel 6.4. van de samenlevingsovereenkomst recht heeft op betaling van de helft van dit bedrag door de vrouw.

Dit betekent dat de grief van de vrouw faalt.

5 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

laat de vrouw toe te bewijzen dat er tussen partijen een rechtens bindende afspraak tot stand is gekomen, waarbij de man zich heeft verbonden om een bedrag van € 20.000,- aan de vrouw te voldoen ter zake overbedeling met betrekking tot de woning;

bepaalt, voor het geval de vrouw bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. W.Th.M. Raab als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 23 september 2014 voor:

  • -

    opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op woensdagen en vrijdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

  • -

    akte uitlaten met betrekking tot artikel 9 lid 6 van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst (rov. 4.11.3);

  • -

    akte uitlaten deskundigenbericht;

bepaalt dat de advocaat van de vrouw bij zijn opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rol dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van de vrouw tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, W.Th.M. Raab en A.R. Autar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.