Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3535

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
HD 200.113.031_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gebondenheid aan Dexia Aanbod Overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/415
JONDR 2014/1099

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.113.031/01

arrest van 9 september 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. S.J.W.M. Vonken te Heerlen,

tegen

Varde Investments (Ireland) Limited,

gevestigd te [vestigingsplaats], Ierland,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Varde,

advocaat: mr. P.C.M. Ouwens te Spijkenisse,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 augustus 2012 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen van 30 mei 2012, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Varde als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 456301 CV EXPL 11-11428)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de akte van Varde met producties;

- de antwoordakte van [appellant].

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

( i) Dexia is de rechtsopvolger van Bank Labouchere N.V., die ook handelde onder de naam Legio-Lease. (Met Dexia wordt hierna ook Bank Labouchere N.V. bedoeld.)

(ii) Op of omstreeks 21 juli 1999 heeft Dexia met [appellant] een effectenlease-overeenkomst gesloten (genaamd WinstVerDriedubbelaar) (prod. 1 inleidende dagvaarding). Ingevolge de overeenkomst heeft [appellant] een geldbedrag van f 43.125,72 van Dexia geleend waarmee effecten zijn aangekocht die [appellant] van Dexia heeft geleaset. Over het geleende bedrag was [appellant] tijdens de looptijd van de overeenkomst rente verschuldigd tot een bedrag van f 9.048,63. Deze bedragen vormden de leasesom van f 52.174,35.

(iii) In 2003 heeft Dexia aan [appellant] het zogeheten Dexia Aanbod gedaan. Het Dexia Aanbod bood afnemers die bij het eindigen van de looptijd van de effectenlease-overeenkomst werden geconfronteerd met een restschuld een drietal keuzemogelijkheden voor de wijze waarop die eventuele restschuld na het einde van de looptijd van de effectenlease-overeenkomst kon worden voldaan.

(iv) Op 17 maart 2003 heeft [appellant] het “Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod” ondertekend ten behoeve van de onderhavige effectenlease-overeenkomst (prod. 2 inleidende dagvaarding) en, naar het hof begrijpt, aan Dexia geretourneerd, waarna tussen Dexia en [appellant] de Overeenkomst Dexia Aanbod (prod. 1 akte Varde hoger beroep) tot stand is gekomen.

( v) De effectenlease-overeenkomst is op of omstreeks 20 juli 2005 geëindigd. Op de door Dexia per datum beëindiging gemaakte eindafrekening is vermeld dat [appellant] een bedrag van € 4.295,10 aan Dexia is verschuldigd (prod. 4 akte Varde hoger beroep).

(vi) Dexia heeft haar vordering op [appellant] aan Varde gecedeerd. Bij brief van 10 januari 2008, geadresseerd aan [appellant], [adres 1] te [plaats], is de overdracht van de betreffende vordering medegedeeld (prod. 2 conclusie van repliek).

3.2

Varde heeft [appellant] bij dagvaarding van 30 november 2011 in rechte betrokken en gevorderd [appellant] te veroordelen om aan Varde te betalen een bedrag van € 4.091,80 (bestaande uit een hoofdsom van € 2.989,06, € 660,85 aan vervallen rente, € 450,00 aan buitengerechtelijke kosten, verminderd met een betaling van € 8,11), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding.

Blijkens de door Varde overgelegde specificatie (prod. 5 akte Varde hoger beroep) is de hoofdsom als volgt berekend. Ingevolge artikel 14.3. van de Hoofdovereenkomst Duisenbergregeling van 23 juni 2005 is over de restschuld van € 3.583,95 (restant hoofdsom minus de opbrengst verkoop, zoals vermeld op de eindafrekening van 20 juli 2005) minus een Ahold-uitkering van € 110,69 d.d. 14 december 2003, zijnde per saldo € 3.473,26 een vergoeding toegekend van 33,33% ofwel € 1.157,64. Op de resterende schuld van € 4.295,10 (zoals vermeld op de eindafrekening) is vervolgens het bedrag van € 1.157,64 en een Ahold-uitkering van € 148,40 d.d. 10 december 2007 in mindering gebracht, waarna de gevorderde hoofdsom van € 2.989,06 resteert.

3.3

De kantonrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de verweren van [appellant] verworpen en de vordering van Varde volledig toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.4

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering van Varde.

3.5.1

Het hof zal eerst ingaan op de stelling van [appellant] dat de door Varde in hoger beroep genomen akte met producties buiten beschouwing moet worden gelaten. Volgens [appellant] dient het overleggen van omvangrijke producties op een dusdanig laat moment in de procedure als tardief te worden aangemerkt en daarmee in strijd met de eisen van een goede procesorde.

3.5.2

Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad beperkt de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld.

Varde heeft door zich te beroepen op de door haar bij akte in hoger beroep in het geding gebrachte producties niet de grondslag van haar eis veranderd of vermeerderd, doch slechts de door haar in eerste aanleg gestelde grondslag van haar vordering nader onderbouwd.

3.5.3

Varde was bovendien volgens het rolreglement toegelaten een akte te nemen en de omvang van de daarbij overgelegde producties is niet zodanig dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde.

3.6.1

Met grief 1 stelt [appellant] dat geen rechtsgeldige mededeling van de cessie heeft plaatsgevonden nu hij de mededelingsbrief van de cessie van 10 januari 2008 niet heeft ontvangen.

3.6.2

De vraag of [appellant] deze brief al dan niet heeft ontvangen, behoeft geen beantwoording. [appellant] heeft immers niet betwist dat aan hem mededeling van de cessie is gedaan doordat de deurwaarder op 13 maart 2008 namens Varde een exploot aan [appellant] (op het adres [adres 1] te [plaats]) heeft betekend (prod. 2 conclusie van repliek). [appellant] heeft evenmin aangevoerd dat hij op het moment van betekening niet meer op voormeld adres woonachtig was en dat hij dit exploot niet heeft ontvangen. Blijkens de inhoud van het exploot, waarvan de juistheid niet door [appellant] is weersproken, is bij dit exploot een brief betekend van EDR van 25 februari 2008 waarin is bevestigd dat de vordering op [appellant] op 10 januari 2008 aan Varde is gecedeerd en is [appellant] gesommeerd tot betaling van de vordering die Varde van Dexia had overgenomen. Hieruit volgt dat de [appellant] in elk geval door het aan hem uitgebrachte exploot van 13 maart 2008 met de cessie bekend is geworden, althans bekend kon zijn.

Ten overvloede overweegt het hof dat mededeling van de cessie bovendien nogmaals heeft plaatsgehad door het vermelde in de door Varde op 30 november 2011 uitgebrachte inleidende dagvaarding.

Grief 1 faalt.

3.7.1

Grieven 2 tot en met 4 richten zich kort gezegd tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] door ondertekening van het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod op 17 maart 2003 met Dexia een vaststellingsovereenkomst is aangegaan.

3.7.2

[appellant] heeft niet betwist dat hij door ondertekening van het Aanmeldingsformulier Dexia Aanbod met Dexia de Overeenkomst Dexia Aanbod is aangegaan, zoals ook overigens met zoveel woorden is vermeld op het formulier onder het aangekruiste vakje “Ja, ik ga in op het Dexia Aanbod”. Onder dit aangekruiste vakje is immers vermeld: “Door ondertekening van dit formulier () ga ik met Dexia () de Overeenkomst Dexia Aanbod aan.”

[appellant] heeft echter gesteld dat het Aanmeldingsformulier, zonder enige toelichting en zonder terhandstelling van de algemene voorwaarden, onder zijn aandacht is gebracht met de mededeling dat het voor hem gunstiger zou zijn deze te ondertekenen.

3.7.3

Op het Aanmeldingsformulier onder het aangekruiste vakje: “Ja, ik ga in op het Dexia Aanbod” is echter vermeld: “De volledige tekst van de Overeenkomst Dexia Aanbod als opgenomen bij de Juridische Documenten Dexia Aanbod moet, voor zoveel nodig, geacht worden volledig in dit aanmeldingsformulier te zijn ingelast en herhaald. Ik verklaar deze overeenkomst ontvangen, gelezen en begrepen te hebben, en met de bepalingen daarvan in te stemmen.”

Dit door [appellant] ondertekende formulier, zijnde een onderhandse akte, levert ingevolge artikel 157 lid 2 Rv tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Dit betekent dat, behoudens door [appellant] te leveren tegenbewijs, moet worden aangenomen dat [appellant] de Overeenkomst Dexia Aanbod heeft ontvangen.

[appellant] zal evenwel niet worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Van [appellant] mocht immers, alvorens hij de Overeenkomst Dexia Aanbod aanging, worden verwacht dat hij, indien de overeenkomst, in weerwil van het vermelde in het formulier niet was bijgesloten, om toezending van de overeenkomst had verzocht, dat hij vervolgens van de overeenkomst nauwgezet kennis had genomen en zich de nodige inspanningen had getroost om de inhoud van de overeenkomst te begrijpen alvorens hij de overeenkomst aanging. [appellant] kan zich er dan ook niet op beroepen dat hij niet van de overeenkomst kennis heeft genomen.

3.7.4

De Overeenkomst Dexia Aanbod - waarin [appellant] als Deelnemer wordt aangeduid - houdt voor zover van belang het volgende in:

“()

5.1.2

Deelnemer verklaart dat hij ter zake van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en) () afstand doet van alle door of namens hem of te zijnen behoeve door derden jegens Dexia () , gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met die effectenlease-overeenkomst(en) ()

()

6.4.1

Deelnemer () doet () afstand van zijn () recht deze overeenkomst te ontbinden en/of te vernietigen op de grond dat, naar achteraf mocht blijken, één der partijen niet een juiste voorstelling van zaken had met betrekking tot feiten en/of omstandigheden (waaronder begrepen, maar niet beperkt tot, de uitkomst van eventuele juridische procedures met betrekking tot effectenlease waarbij Dexia al dan niet partij is) die voor één en/of beide partij(en) voor het aangaan van deze overeenkomst van belang zijn geweest.”

3.7.5

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de door [appellant] met Dexia gesloten Overeenkomst Dexia Aanbod als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW moet worden aangemerkt. Blijkens het bepaalde in het hiervoor aangehaalde artikel 5.1.2 is door middel van deze overeenkomst immers bedoeld om eventuele geschillen betreffende de wijze van totstandkoming en uitvoering van effectenlease-overeenkomsten als de onderhavige te beëindigen of te voorkomen (vgl. hof

’s-Hertogenbosch 22 mei 2012 (GHSHE:2012:BW6540) en 2 juli 2013 GHSHE:2013:2743).

3.7.6

Uit het vorenstaande volgt dat de verweren die [appellant] uit hoofde van of verband houdende met de door hem gesloten effectenlease-overeenkomst (dwaling etc.) had willen voeren, gelet op het bepaalde in artikel 5.1.2 van de overeenkomst, niet meer aan de orde kunnen komen. [appellant] kan zich evenmin met vrucht erop beroepen dat hij heeft gedwaald met betrekking tot de gevolgen van het Dexia Aanbod. Het hof is van oordeel dat voor degene die zich redelijke inspanningen had getroost de Overeenkomst Dexia Aanbod, in het bijzonder de aangehaalde passages te begrijpen, voldoende duidelijk was dat hij, indien hij de Overeenkomst Dexia Aanbod aanging, in artikel 5.1.2 afstand deed van alle door hem gepretendeerde rechten met betrekking tot de door hem gesloten effectenlease-overeenkomst(en). [appellant] heeft zijn stelling dat hij een onjuiste voorstelling van zaken had bij het aangaan van de Overeenkomst Dexia Aanbod onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat, zoals [appellant] beweert, gezegd zou zijn dat het gunstiger zou zijn te tekenen, is daarvoor niet voldoende.

Voor zover [appellant] zich niet ervan bewust was welke consequenties het aangaan van de Overeenkomst Dexia Aanbod had, heeft hij zulks dan ook aan zichzelf te wijten.

De grieven 2 tot en met 4 falen.

3.8.1

Grief 5 richt zich tegen de hoogte en het bestaan van de restschuld.

3.8.2

[appellant] heeft niet betwist dat hij na te noemen correspondentie en aanmaningen van Dexia en EDR (behoudens de brief van 10 januari 2008), zoals overgelegd als producties 1 en 2 bij conclusie van repliek, heeft ontvangen zodat hiervan in rechte wordt uitgegaan. Uit de brief van Dexia van 6 september 2005 aan [appellant] blijkt dat [appellant] door middel van de aan hem toegezonden, gespecificeerde, eindafrekening van 20 juli 2005 in kennis is gesteld van de restschuld van € 4.295,10. Uit de brief van Dexia van 13 september 2005 blijkt dat [appellant] kennelijk eveneens op 20 juli 2005 een zogenaamd Duisenbergoverzicht is toegezonden, terwijl uit de brief van EDR van 4 september 2008 aan [appellant] blijkt dat na aftrek van de aan [appellant] toegekende Duisenbergvergoeding de te betalen hoofdsom € 2.989,06 bedroeg, zijnde de hoofdsom die door Varde in rechte wordt gevorderd. Deze gegevens (de eindafrekening en de specificatie van de vordering) zijn bovendien door Varde bij akte in hoger beroep (prod. 4 en 5) in het geding gebracht. Nu [appellant] aldus van de gespecificeerde en gevorderde hoofdsom kennis heeft, althans heeft kunnen nemen, had van hem mogen verwacht dat hij de gevorderde hoofdsom gemotiveerd had betwist. Nu hij zulks heeft nagelaten zal in rechte van de juistheid van de gevorderde hoofdsom worden uitgegaan. De kantonrechter heeft deze vordering derhalve terecht toegewezen.

Grief 5 faalt.

3.9

De grieven richten zich niet tegen de door de kantonrechter toegewezen nevenvorderingen ter zake wettelijke rente en buitenrechtelijke kosten, zodat ook deze vorderingen toewijsbaar zijn.

3.10

Nu de grieven falen, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie [woonplaats] van 30 mei 2012;

veroordeelt [appellant] in proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Varde tot op heden begroot op € 666,00 aan griffierecht en op € 316,00 aan kosten advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, S. Riemens en D.A.E.M. Hulskes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.