Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3532

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
HD 200.109.306_02
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:925
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omvang van het overgedragen perceel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.109.306/02

arrest van 9 september 2014

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. G.J.L.F.M. Schakenraad te Eindhoven,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 18 september 2012 en 1 april 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 235112/HA ZA 11-1378 gewezen vonnissen van 21 december 2011, 28 maart 2012 en 13 juni 2012.

9 Het verloop van de procedure

9.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 1 april 2014;

- de akte van [appellanten c.s.]

9.2.

Het hof heeft arrest bepaald.

10 10. De verdere beoordeling

10.1.

Bij genoemd tussenarrest (rov. 7.4) zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en suggesties te doen over de aan de deskundige voor te leggen vragen.

10.2.

[appellanten c.s.] heeft bij akte aangevoerd dat hij zich kan vinden in de benoeming van één deskundige in dienst van het kadaster en in de door het hof geformuleerde vragen. [geïntimeerden c.s.] heeft geen antwoordakte genomen.

10.3.

Het hof merkt op dat in meergenoemd tussenarrest per abuis is opgenomen “perceel [sectienummer 2] ”. Dit moet zijn perceel [sectienummer 3] . Het hof past de hierna te formuleren vraagstelling hierop aan.

10.4.

Gelet op het voorgaande gaat het hof over tot benoeming van de heer R. Mac Gillavry tot deskundige. De aan hem te stellen vragen luiden:

1. Hoe loopt de kadastrale grens tussen de percelen [sectienummer 1] en [sectienummer 3] ?

Wilt u de grens afbakenen door middel van (bijvoorbeeld) palen? Wilt u een kaart maken van de huidige situatie (huizen, schutting, bomen, (gedempte) sloot etc.) en daarop de kadastrale grens intekenen?

2. Bevindt de schutting die in eigendom is van [geïntimeerden c.s.] zich, uitgaande van de kadastrale grens, op het perceel [sectienummer 1] , op perceel [sectienummer 3] of op de erfafscheiding tussen die percelen?

Het hof verzoekt de deskundige daarnaast de opmerkingen te maken die hij in dezen van belang acht.

Het voorschot op de kosten van de deskundige zal, zoals het hof reeds in voormeld tussenarrest heeft aangekondigd, voorshands ten laste van beide partijen worden gebracht, ieder voor de helft.

10.5.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

11 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 10.4 van dit arrest geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

De heer R. Mac Gillavry

Het Kadaster

Postbus [postbusnummer]

[postcode] [kantoorplaats]

Tel. [netnummer en telefoonnummer]

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van in totaal € 495,00, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat ieder van partijen de helft van genoemd voorschot van € 495,00, derhalve € 247,50, binnen 2 weken na heden zal overmaken naar IBAN-rekeningnummer NL53 RBOS 0569 990572 ten name van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch onder vermelding van zaaknummer HD 200.109.306/02;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. S. Riemens tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 13 januari 2015 in afwachting van het deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellanten c.s.] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, S. Riemens en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.