Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3530

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
HD 200.103.828_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade tengevolge van levering varkensvoer dat met Medroxy Progesteron Acetaat (MPA) is besmet. Bewijswaardering. Omvang schade in verband met schade afnemer van eiseres en in verband met door Productschap Vee en Vlees uitgekeerde bedragen in kader opkoopregeling besmette varkens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.103.828/01

arrest van 9 september 2014

in de zaak van

[foods] Foods BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. W.M. Bijloo te Middelharnis,

tegen

[varkensbedrijf] Varkensbedrijf BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.C.B.C. Geerts te Rosmalen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 juni 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 110388/HA ZA 04-1047 gewezen vonnissen van 24 september 2008, 26 augustus 2009 en 25 januari 2012.

7 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 25 juni 2013;

- het proces-verbaal van de enquête van 15 oktober 2013;

- het proces-verbaal van voortzetting van de enquête van 17 oktober 2013;

- het proces-verbaal van voortzetting van de enquête van 26 november 2013;

- het proces-verbaal van de contra-enquête van 21 januari 2014;

  • -

    de memorie na enquête van [varkensbedrijf] d.d. 18 maart 2014 met producties;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [foods] d.d. 13 mei 2014 met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd.

8 De verdere beoordeling

8.1.

Voorafgaand aan de verdere beoordeling acht het hof het noodzakelijk op het volgende te wijzen. Partijen (en ook bijvoorbeeld de AID in verschillende processen-verbaal) hebben soms bij de vermelding van een aangetroffen concentratie MPA de aanduiding “mg/kg” gebruikt, waarbij echter niet “milligram” maar “microgram” per kilogram werd bedoeld. Een andere aanduiding die hiervoor in deze zaak wordt gebruikt is “ppb”, dat overeenkomt met de hoeveelheid microgram per kilogram. Zie bijvoorbeeld pv AID p. 577 (prod. 9 inl dgv) dat over 1900 mg/kg rept en het bijbehorende RIKILT-overzicht op p. 712 dat in de kolom waarin het getal 1900 wordt vermeld, een indicatief MPA-gehalte in µg/kg hanteert. Dat laatste is overigens op p. 712 niet althans moeilijk leesbaar. Op p. 705 (prod. 12 inld dgv) is wel zichtbaar dat dit gehalte in µg/kg wordt uitgedrukt.

De aanduiding “mg/kg” betekent strikt genomen echter “milligram per kilogram”. Voor “microgram per kilogram” zou de aanduiding “µg/kg” gebruikt moeten worden. Het hof neemt aan dat het feit dat op een doorsnee toetsenbord het symbool “µ” niet voorkomt en een andere handeling vereist is om dit symbool in de tekst te verwerken, de achtergrond is van het veelvuldig gebruik van “mg/kg” in plaats van “µg/kg”. Tot een andere beoordeling leidt dit niet; vaststaat immers dat steeds “µg/kg” of ook wel “ppb” als hoeveelheid is bedoeld.

Ook het hof heeft in het tussenarrest van 25 juni 2013 verschillende malen “mg/kg” vermeld in plaats van “µg/kg” en “mg/kg” dient dus als “µg/kg” te worden gelezen.

Hierna zal steeds de aanduiding “µg/kg” worden gebruikt of “ppb” waarmee dus hetzelfde gehalte (MPA) wordt bedoeld.

8.1.1.

Het hof volhardt bij en verwijst naar voornoemd tussenarrest. In dat arrest heeft het hof overwogen dat er sterke aanwijzingen zijn dat het door [foods] aan [varkensbedrijf] geleverde voormengsel met MPA was besmet. In r.o. 5.2.2 tot en met 5.2.6 heeft het hof die sterke aanwijzingen genoemd. In r.o. 5.2.7 heeft het hof geoordeeld, dat niettemin op grond van in deze rechtsoverweging genoemde feiten en omstandigheden, in dat stadium nog niet als vaststaand feit kan worden aangenomen, ook niet bij wijze van voorshands oordeel, dat [foods] aan [varkensbedrijf] met MPA besmet voormengsel heeft geleverd.

8.1.2.

Vervolgens heeft het hof bij genoemd tussenarrest [varkensbedrijf] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [foods] aan haar in april en/of mei 2002 met MPA besmet varkensvoer, althans varkensvoerbestanddelen waaronder het voormengsel bostelmix, heeft geleverd, tengevolge waarvan de varkens van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] gezondheidsproblemen kregen zoals – in het geval van drachtige varkens – het niet kunnen bevallen en zeugen die niet berig wilden worden.

8.1.3.

[varkensbedrijf] heeft op 15 oktober 2013 haar bestuurder [varkensbedrijf], [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] (bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen Cehave) en [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] (Agrifirm, voorheen Cehave) doen horen, op 17 oktober 2013 [medewerker van Rined] (Rined), [ingenieur bij de NVWA, voorheen AID] (inspecteur bij de NVWA, voorheen AID) en [varkensboer 1] en op 26 november 2013 [inspecteur 1. bij de NVWA, voorheen AID] en [inspecteur 2. bij de NVWA, voorheen AID] (beiden inspecteur bij de NVWA, voorheen AID). In contra-enquête heeft [foods] op 21 januari 2014 [getuige 1.] en [getuige 2.] doen horen.

8.1.4.

De getuigen hebben onder meer als volgt verklaard:

[varkensbedrijf]:

Begin mei 2002, ik kan niet meer precies aangeven welke datum, ontstonden er problemen op mijn bedrijf: zeugen die eigenlijk moesten afbiggen (bevallen), konden dat niet en zeugen die berig moesten worden, werden dat niet.

Wij zijn toen natuurlijk gaan onderzoeken wat de oorzaak zou kunnen zijn. Bij die onderzoeken zijn onder andere betrokken: [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave], de heer [X.] (…)

Wij kregen pas wat meer duidelijkheid nadat een partij door mij aangemaakte brijvoer naar mijn zwager, [varkensboer 1], werd vervoerd. Nadat mijn zwager dit aan zijn varkens had gevoerd, ontstonden er meteen problemen. [varkensboer 1] heeft twee dagen dit brijvoer aan zijn varkens gevoerd. Daarna is hij ermee gestopt en de problemen verdwenen toen.

Wij wisten toen dat het probleem in het brijvoer moest zitten.

Dat brijvoer bestaat uit ongeveer 10% tarwegistconcentraat, 25% aardappelstoomschillen, 32,5% Amystar en 32,5% bierbostelmix. Ik weet deze percentages niet meer exact, maar bij benadering. (…)

Het voer dat ik zelf aan mijn varkens gaf bestond uit ongeveer 50% van bovengenoemd brijvoer, 50% droogvoer en een beetje Hedimol en wat water. Dat komt door diverse leidingen uiteindelijk in één mengbak. Vanuit die mengbak worden de varkens dan gevoerd.

De Hedimol werd geleverd door Hedimix, de aardappelstoomschillen door [leverancier 1.], de Amystar door [leverancier 2.] en de bierbostelmix door [foods]. Het tarwegistconcentraat werd volgens mij ook door [foods] geleverd, maar dat weet ik niet meer zeker.

[medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] heeft op ons bedrijf onderzoek verricht in onze administratie aan de hand van facturen en leverbonnen. Later heeft de AID de hele administratie voor onderzoek meegenomen. (…)

Nadat voor ons duidelijk was dat de oorzaak van het probleem in het natte brijvoer moest zitten, heeft [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] op een maandag, volgens mij 27 mei 2002, bij ons en bij [varkensboer 1] monsters genomen. Ik was niet bij die monsterneming. Het kan zijn dat mijn vader er wel bij was, maar dat weet ik niet meer. Die monsters neem je door een pot onder een silo te houden. [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] heeft zo bij ons van de natte bijproducten monsters genomen en bij [varkensboer 1] van het door mij geleverde brijvoer. Die monsterpotten zijn niet op mijn bedrijf gebleven. Ik neem aan dat [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] ze naar het CCL heeft gebracht. Later zijn die monsters, althans een aantal ervan, aan de AID ter beschikking gesteld. Ik was daar niet bij aanwezig.

(…)

Het voer dat mijn varkens kregen (daarmee bedoel ik dus die 50% droogvoer plus ongeveer 50% nat brijvoer, een beetje Hedimol en water) bedroeg per dag ongeveer tweeënhalve kilo tot zeven à acht kilo droge stof. Met droge stof bedoel ik de droge component van elke ingrediënt. Dit komt ongeveer overeen met twaalf tot 30 liter per varken per dag, afhankelijk van of zo’n varken dragend of zogend is. Per liter varieert het gewicht aan droge stof.

(…)

Als de bostelmix door [foods] op ons bedrijf werd afgeleverd was daar in ongeveer 90% van de gevallen niet iemand van mijn bedrijf bij. Ikzelf ben daar in ieder geval nooit bij geweest. Ik weet dus ook niet welke kleur de bostelmix had. Ik heb ook nooit gezien dat het mengsel dat wij uiteindelijk aan onze varkens gaven een andere kleur had dan geel/bruinig.

Bij de bestelling werd meestal aangegeven in welke silo er gelost moest worden en dat deed de chauffeur dan. De silo’s hebben nummers. Als niet duidelijk was waar gelost moest worden, vroeg de chauffeur dat aan mijn bedrijfsleider. Dat was toen [bedrijfsleider]. Bij het lossen zelf was [bedrijfsleider] dan niet aanwezig.

Ik heb nooit producten geleverd gekregen door Rined of door [voeders] Voeders. Ik heb nooit zaken gedaan met Rined. Wel heeft Rined bij mij de bostelmix opgehaald nadat was gebleken dat die besmet was met MPA. Volgens mij heeft Rined dat in opdracht van de AID gedaan, in ieder geval niet in mijn opdracht.

Ik gebruikte voor mijn voer geen glucosesiroop/suikerwater.

[bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave]:

“(…)

In april/mei 2002 zorgde ik vanuit CeHaVe voor bedrijfsadvisering en bedrijfsbegeleiding bij het bedrijf van [varkensbedrijf]. Ik gaf adviezen op het gebied van voer, houderij, klimaat en dergelijke. Ik legde ongeveer één keer in de drie tot zes weken een bedrijfsbezoek af. Dat werd natuurlijk meer als er problemen waren.

In mijn aantekeningen heb ik gezien dat ik op 26 april 2002 nog schreef: “loopt lekker.” Daarmee bedoel ik dat er op het bedrijf van [varkensbedrijf] geen problemen waren.

Op 14 mei 2002 schreef ik dat zeugen opeens niet meer berig werden (…)

Er kwam toen het probleem bij dat zeugen niet konden bevallen. Wij hebben er diverse mensen bij gehaald, zoals [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave], een toxicoloog en een nog niet eerder bij de zaak betrokken dierenarts.

Er zijn diverse monsters genomen van de natte bijproducten en van complete brijvoer. Aan de hand van mijn aantekeningen kan ik zien dat ik zelf op 27 mei 2002 bij [varkensbedrijf] van alle natte bijproducten monsters heb genomen en bij [varkensboer 1] van het natte voormengsel en van droge grondstoffen. Het natte voormengsel bij [varkensboer 1] zat in één silo en was van [varkensbedrijf] afkomstig.

De gang van zaken bij die monsterneming op 27 mei 2002 was als volgt. Om de een of andere reden konden we niet binnen bij elke silo een monsterpot onder een aftappunt houden. Ik herinner mij nog goed dat we naar buiten moesten en bij elke silo een afsluitschuif hebben open getrokken. Dat was best wel zwaar en ik werd bijgestaan door ik meen twee anderen. Ik dacht dat dat [vader van eigenaar varkensbedrijf BV], de vader van [eigenaar varkensbedrijf BV], en [bedrijfsleider] waren. Van de eerst vrijgekomen hoeveelheid namen wij geen monster, omdat dat uit de vulleiding kwam. Daarna volgt dan het spul wat echt in de silo zit en dat hebben wij opgevangen met een speciekuip of een grote emmer. Daar hebben we een monsterpot doorheen gehaald. Ik weet nu niet meer zeker of er per silo een andere bak is gebruikt. Volgens mij maakten we de bak met water schoon en gebruikten hem dan voor de volgende monsterneming. De monsterpotten die wij gebruikten, hebben wij op voorraad bij CeHaVe en zijn steeds nieuw. Meestal doe ik de monsterneming, in dit geval met de pot een hoeveelheid uit de bak scheppen, zelf, maar ik kan u nu, na ruim elf jaar, echt niet meer precies zeggen wie wat fysiek heeft gedaan. Zo weet ik ook niet meer of ik zelf de potten naar het CCL heb gebracht of dat een ander dat heeft gedaan. Ook weet ik niet of de potten nog enige tijd bij [varkensbedrijf] op het bedrijf hebben gestaan. Ik ga er wel vanuit dat ze nog dezelfde dag naar het CCL zijn gegaan. Er was immers een groot belang bij zo snel mogelijk te achterhalen wat de oorzaak was van de problemen.

(…)

De monsterpotten zijn niet door mij verzegeld; het waren potten met een gewone schroefdop.

(…)

CeHaVe leverde aan [varkensbedrijf] het droogvoer. Dat bestond vaak uit onder andere tarwegries, soyahullen en zonnebloemschroot. [varkensbedrijf] voegde daar natte bijproducten aan toe en water.

Op de vraag of CeHaVe op enig moment in verband is gebracht met een leverantie van met MPA besmet voer, kan ik u zeggen dat ik mij alleen herinner dat in een later stadium, dus na mei 2002, bekend werd dat er bepaalde melasses op de markt waren die mogelijk met MPA waren besmet. Omdat CeHaVe voor haar voerpakketten soms ook melasses inkocht en verwerkte, heeft CeHaVe, net zoals andere mengvoerfabrikanten, een paar keer uit voorzorg leveranties teruggehaald.

Voor zover ik weet bestond het brijvoer dat [varkensbedrijf] maakte uit Amystar, bostelmix, tarwegist, Hedimol en aardappelstoomschillen. Wij gaven een rantsoenadvies op basis van de mengverhouding in droge stof. Voor dat natte brijvoer was dat dan – bij benadering – 20% Amystar, 10 tot 15% bostelmix, 10% stoomschillen, 4 à 5% tarwegist en 3% Hedimol. Dit is een algemene benadering. In de verhoudingen wordt gevarieerd naar gelang zeugen drachtig zijn of al zogen.

(…)

[varkensbedrijf] voerde ook wel hagelslag aan de zeugen die aan het einde van de lactatie zaten en op het punt stonden om weer gedekt te worden. In ieder geval was het niet veel en dus niet dagelijks aan alle varkens.

(…)

[medewerker van Agrifirm voorheen CeHave]:

(…)

In april/mei 2002 was ik al enige tijd betrokken bij het bedrijf van [varkensbedrijf] als nutritionist. Ik bedoel daarmee dat ik rantsoenadviezen gaf. Ik bepaalde dus de samenstellingen van de voerpakketten. [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] deed meer in zijn algemeenheid de begeleiding en advisering van het bedrijf van [varkensbedrijf].

Op 10 mei 2002 ontstonden er problemen bij [varkensbedrijf]; zeugen bleken slecht af te biggen. Kort daarna, op 13 mei 2002 (dat staat ook in het aangehechte schema, maar is slecht leesbaar), bleek ook dat zeugen niet berig werden. Als eerste maatregel (op 17 mei 2002) hebben wij de Hedimol, die [eigenaar varkensbedrijf BV] voerde, uit het voer gelaten. Vervolgens is besloten de varkens niet langer met de natte bijproducten te voeren, maar alleen met droogvoer en water. (…)

Op 14 mei 2002 is op het bedrijf van [varkensbedrijf] nat brijvoer gemaakt voor [varkensboer 1]. Dat is op 21 mei 2002 aan [varkensboer 1] geleverd. [varkensboer 1] meldde op 25 mei 2002 dat zeugen niet berig werden. Dat staat ook vermeld in het aangehechte schema, maar dat is daarop slecht leesbaar. Daarop hebben wij op 27 mei 2002 een nader onderzoek verricht op het bedrijf van [eigenaar varkensbedrijf BV]. Ik heb toen aan de hand van de administratie van [varkensbedrijf] (facturen, afleverbonnen en dergelijke) in kaart gebracht welke varkensvoerbestanddelen door welke leverancier en wanneer aan [varkensbedrijf] waren geleverd. Ik heb daarbij ook steeds aan de desbetreffende leverancier gevraagd wat er voorafgaand aan de desbetreffende vracht in de vrachtauto was vervoerd.

Van de leveranties heb ik een schema gemaakt dat in kopie aan dit proces-verbaal is gehecht. (…)

Ik heb met het door mij verrichte administratieve onderzoek vooral willen bekijken of er vreemde of ongebruikelijke producten aan [varkensbedrijf] waren geleverd. Uit dat onderzoek bleek mij echter niet van ongebruikelijke varkensvoerbestanddelen. Het zou natuurlijk wel zo kunnen zijn dat één van die producten met MPA was besmet; uiteraard kon ik dat niet met dit onderzoek uitsluiten. Het ging mij er meer om dat ik rariteiten qua grondstoffen kon uitsluiten.

(…)

Waar ik in genoemd schema een A heb vermeld, bedoel ik daarmee dat van die leveranties op 27 mei 2002 een monster is genomen. (…)

Op het schema hebben de kolommen [kolom 1.], [kolom 2.] en ‘Gerst’ betrekking op door CeHaVe aan [varkensbedrijf] geleverde voerpakketten. De kolommen daarna, [kolom 3.], [kolom 4.], ‘Gerst’ en ‘Tarwe’, betreffen voerpakketten door CeHaVe aan [varkensboer 1] geleverd.

Daarna volgt ‘Bostelmix’ dat in die periode door [foods] aan [varkensbedrijf] werd geleverd.

‘TGC’ is tarwegistconcentraat. Ik weet niet meer wie de leverancier was. Ik zie in mijn aantekeningen wel dat het werd getransporteerd door [transportbedrijf]. Daarmee bedoel ik de heer [directeur van transportbedrijf].

De leverancier van Amystar was [leverancier 2.], die van ‘AASS’ (aardappelstoomschillen) was [leverancier 1.]. [aardappelstoomschillenfabriek 1.] en [aardappelstoomschillenfabriek 2.] waren de fabrieken waar vanuit dit product werd getransporteerd.

(…)

Met ‘Halffabrikaat gemaakt voor [varkensboer 1]’ (op 14 mei 2002) wordt het natte brijvoer bedoeld dat door [varkensbedrijf] voor [varkensboer 1] werd gemaakt. Dat bestond uit tarwegistconcentraat, Amystar, stoomschillen en bostelmix. Dit voormengsel werd op 21 mei aan [varkensboer 1] geleverd.

Het rantsoenadvies van CeHaVe voor het natte brijvoer behelsde in die periode, op basis van droge stof, voor zeugen die 30 dagen en langer drachtig waren:

17,5% gerst, 10% aardappelstoomschillen, 4% tarwegist, 16,85% bostelmix, 18,2% Amystar en 3% Hedimol. Daaraan werd dan 30,45% droogvoer (in het schema c7652 dr) toegevoegd.

Voor lacterende zeugen was dit: 15,6% gerst, 7% aardappelstoomschillen, 3,64% tarwegist, 7% bostelmix, 18% Amystar en 3% Hedimol. Daaraan werd dan 45,7% droogvoer (in het schema c7751 kr) toegevoegd.

In de administratie van [varkensbedrijf] ben ik geen hagelslag tegen gekomen. Ik weet wel dat [varkensbedrijf] ooit wel eens hagelslag toevoegde aan het voer voor zijn varkens.

[varkensboer 1] had dus met dezelfde producten als [varkensbedrijf] tot 25 mei 2002 geen problemen. Na ontvangst door hem op 21 mei 2002 van het op 14 mei 2002 voor hem gemaakte brijvoer ontstonden die problemen, zoals gezegd, wel. Wij hebben daaruit geconcludeerd dat de oorzaak van het probleem in die vier producten (tarwegistconcentraat, Amystar, aardappelstoomschillen en bostelmix) voor het natte brijvoer zaten; [varkensboer 1] en [varkensbedrijf] gebruikten verschillend aanvullend, en van ons afkomstig droogvoer.

Toen zijn we dus, op 27 mei 2002, van al die ingrediënten en van het natte brijvoer zelf monsters gaan nemen. Bij die monsterneming ben ik niet aanwezig geweest. Wie precies de monsters heeft genomen weet ik niet. Ik weet nog wel dat mijn collega [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] toen ook op het bedrijf aanwezig was.

(…)

Na mei 2002 en nadat van de MPA-besmetting was gebleken, is door verschillende veevoederleveranciers voer teruggehaald omdat daarin mogelijk met MPA besmette melasse of tarwegries zat. Zo heeft ook CeHaVe een aantal leveranties teruggehaald, maar mij is niet bekend of bij die leveranties met MPA besmet voer zat.

(…)

Uit een print van het voerpakket dat CeHaVe destijds aan [varkensbedrijf] leverde, welke print in kopie aan dit proces-verbaal is gehecht, leid ik af dat in dat voerpakket geen melasse werd gebruikt. De print behelst een voorschrift voor de fabriek. De fabriek produceert overeenkomstig dat voorschrift. Als u mij vraagt of ik zeker weet dat daarin dan toch niet ook melasse zat, zeg ik: dat ik dat natuurlijk niet kan garanderen; ik produceerde immers niet zelf.

CeHaVe gebruikte wel soms melasse in haar producten, maar, zoals gezegd, bij mijn weten niet in het in de periode 15 maart 2002 – 17 mei 2002 aan [varkensbedrijf] geleverd droogvoer.

[medewerker van Rined]:

“(…)

Wij hebben op enig moment in 2002 van [glucosebedrijf] van [voeders] Voeders glucose gekocht. Dat hebben wij opgeslagen in onze opslagsilo in [vestigingsplaats].

(…) Om wel uit te kunnen leveren aan onze klanten, gingen wij dan vanuit onze extra opslagsilo’s leveren. Zo deden wij dat ook ongeveer één à twee weken nadat [glucosebedrijf] de door ons gekochte glucose in de opslagsilo in [vestigingsplaats] had gelost. Ik moet daarbij nog even zeggen dat toen [glucosebedrijf] die glucose loste, er ongeveer 850 ton tarwezetmeel in onze silo zat en dat daar toen zo’n 39 ton glucose van [glucosebedrijf] bij is gekomen.

Een van onze chauffeurs viel het bij het laden vanuit de silo op dat de tarwezetmeel een rode kleur had. Hij belde mij daarover en ik heb daarover contact opgenomen met [glucosebedrijf]. [glucosebedrijf] zei toen dat het een soort aanlenglimonade was. Ik was er nogal nijdig over en [glucosebedrijf] heeft toen aangeboden om het zelf terug te halen en op te voeren. U moet zich voorstellen dat toen de door [glucosebedrijf] geleverde glucose al helemaal gemengd was met de in de silo aanwezige tarwezetmeel. In de silo bevindt zich een roerwerk dat voor de vermenging zorgt. [glucosebedrijf] is dus toen vanuit de silo in [vestigingsplaats] gaan laden; ik denk dat hij wel zo’n 600 à 750 ton per week aan zijn eigen varkens opvoerde.

In die tijd hebben wij zelf ook nog ongeveer 24 vrachten uit de silo gehaald en uitgeleverd aan onze klanten. Dat is niet allemaal afkomstig uit de eerste 900 ton (de 850 tarwezetmeel die er in zat toen de 39 ton glucose van [glucosebedrijf] erbij kwam). Als zo’n silo zuigleeg is, blijft er toch nog wat achter en dat bevuilde de nieuwe partij tarwezetmeel met MPA. Dus ook de aan klanten uitgeleverde vrachten uit deze tweede partij hebben wij moeten terughalen.

Naar de klanten toe brachten wij het verhaal dat de rode kleur werd veroorzaakt door een partij aanlenglimonade die erbij zat. Kort daarna werd ik gebeld door [varkensboer 2] in [vestigingsplaats] die vruchtbaarheidsproblemen had met zijn zeugen. (…)

Drie dagen later stond de AID op mijn stoep. Zij wilden weten wat er in de silo zat. Wij hebben vervolgens bij alle klanten aan wie wij hadden uitgeleverd het voer dat nog aanwezig was teruggehaald. Al die bedrijven van deze klanten werden geblokkeerd. Ook onze silo in [vestigingsplaats] natuurlijk. Ook werd Rined onder toezicht geplaatst en onze GMP-erkenning werd toen ingetrokken. (…)

Deze hiervoor omschreven kwestie hield geen verband met [varkensbedrijf] of [foods]. Het bedrijf van [varkensbedrijf] kende ik ook helemaal niet. Wel heb ik later contact gehad met [eigenaar varkensbedrijf BV] om te praten over deze MPA-problematiek en in opdracht van de AID hebben wij de silo’s bij [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] leeggehaald. De reden was dat wij opslagcapaciteit hadden voor besmet voer. Al dat besmette voer hebben wij later in opdracht van de AID laten vernietigen. Daarbij zat dus ook de partij die wij bij [varkensbedrijf] hadden opgehaald. (…)

Rined doet wel regelmatig zaken met [foods]. Ik denk dat het ook al zo was in april/mei 2002. Over het algemeen verkochten wij maïs aan [foods]. (…)

Alle uitgeleverde vrachten met besmet voer zijn boven water gekomen. Daarmee bedoel ik dat er niet één vracht administratief is zoekgeraakt. Het is juist heel duidelijk geworden; samen met de AID hebben wij alle vrachten die bij ons uit de silo in [vestigingsplaats] zijn gegaan in kaart gebracht.

Van de 24 door Rined aan klanten uitgeleverde vrachten besmet voer is er volgens mij niets naar [varkensboer 3] gegaan, maar zeker weten doe ik dat niet. Wij leverden wel eens aan [varkensboer 3], maar dan ging het altijd om aardappelstoomschillen en nooit om tarwezetmeel.

Mr. Geerts toont mij de lijst van klanten aan wie Rined vanuit de silo in [vestigingsplaats] had uitgeleverd. Deze lijst is als bijlage 0D15 in het proces-verbaal van de AID (p.234) opgenomen en aan dit proces-verbaal van verhoor gehecht.

Ik zie inderdaad op deze lijst dat [varkensboer 3] er niet op voorkomt. “

[ingenieur bij de NVWA, voorheen AID]:

“(…)

Bij [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] heb ik geen monsters genomen. Ik heb ook geen administratief onderzoek uitgevoerd. Dat zijn mijn collega’s van het team Diervoeders geweest. (…)

U houdt mij voor dat uit het AID-pv 1.2/AH/05, p.541 (hof: productie 15, inl. dagv.), blijkt dat de hiervoor genoemde diervoedercontroleurs op 25 juni 2002 op basis van de onderzoeksgegevens die uit de administratie van [varkensbedrijf] naar voren zijn gekomen een selectie hebben gemaakt van transporteurs/leveranciers van [varkensbedrijf]. Het kan zijn dat daarbij ook de administratie van [varkensboer 1] is bekeken.

Ik kan u niet zeggen of alle leveranciers/transporteurs zijn geselecteerd voor nader onderzoek en dus ook niet welke criteria zijn gebruikt bij deze selectie indien slechts een deel van de leveranciers is geselecteerd.

Ik weet ook niet wat de eindconclusie van deze nadere onderzoeken is geweest.

[varkensboer 1]:

“(…)

Op een zondagavond in mei 2002, dat moet 26 mei 2002 zijn geweest, viel mij op mijn bedrijf op dat zeugen niet berig werden. We hebben een vast weekritme, waarin op maandagochtend 90% van de gespeende zeugen berig is en de eerste verschijnselen daarvan zie je altijd op de zondagavond daarvoor. Omdat ik wist van vergelijkbare problemen op het bedrijf van mijn zwager [eigenaar varkensbedrijf BV] heb ik met hem contact opgenomen. De volgende ochtend, maandag 27 mei 2002, heeft [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] bij mij een monster genomen van de mix van natte brijproducten die ik kort daarvoor van [eigenaar varkensbedrijf BV] geleverd had gekregen. De mix wordt door [eigenaar varkensbedrijf BV] gemaakt.

Ik was wel op het bedrijf aanwezig maar ben niet bij die monsterneming door [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] aanwezig geweest. Ik heb [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] wel daarna gezien met de monsterpot. (…)

[bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] heeft de monsterpot meegenomen. Ik neem aan dat hij de pot aan het CCL ter beschikking heeft gesteld want later kreeg ik een uitslag van dit laboratorium. Ik weet niet meer wat die uitslag was, maar wel dat er toen niet op MPA is gecheckt.

De mix natte bijproducten die ik van [varkensbedrijf] ontving, bestaat uit: bierbostel, Amystar (tarwezetmeel), tarwegistconcentraat en aardappelstoomschillen. Ik weet niet meer de verhouding van deze ingrediënten. In tegenstelling tot [eigenaar varkensbedrijf BV] voerde ik niet tevens Hedimol.

Naast deze mix van natte bijproducten voeren wij aanvullende droogvoercomponenten die wij kregen van CeHaVe. Dat waren verschillende samenstellingen voor dragende en voor zogende varkens.

[medewerker van Agrifirm voorheen CeHave], van CeHaVe, adviseerde mij over de samenstelling van de voerpakketten.

Nog diezelfde dag, 27 mei 2002 (of de dag daarna), zijn wij gestopt met het voeren van de mix natte bijproducten. Wij zijn toen enkel droogvoer met water gaan voeren. Het droogvoer dat ik in voorraad had, is doorgevoerd. Ik weet niet meer precies wanneer er een nieuwe lading droogvoer is gekomen. Meestal wordt na verloop van een week tot tien dagen een nieuwe lading droogvoer besteld en geleverd. Of dat nieuwe droogvoer een andere samenstelling had, weet ik niet meer.

Zoals gezegd, bestond er op mijn bedrijf een weekritme. De dieren die op dat moment berig hadden moeten zijn of hadden moeten bevallen, werden niet alsnog berig en konden ook niet alsnog bevallen. Pas bij de volgende groep, dus de week daarna, werd het iets beter en langzamerhand trad volledig herstel op.

Pas veel later, namelijk op 21 juni 2002 (ik weet deze dag nog goed: op de verjaardag van mijn zoon kregen wij een OTP uitgereikt door de AID), werd duidelijk dat de oorzaak van de vruchtbaarheidsproblemen lag in een MPA-besmetting. Weer enige tijd later is toen de bij mij aanwezige, besmette mix natte bijproducten opgehaald. (…) Ik had die mix gewoon bewaard in mijn silo, maar daar is dus, behalve dan monsters, niets meer uitgehaald.

Peperkamp:

(…)

Ik weet niet meer of destijds alle leveranciers van [varkensbedrijf] zijn onderzocht en ook niet op basis van welke criteria er een selectie is gemaakt, als die al zou zijn gemaakt. Ik kan alleen zeggen dat er tegenwoordig zou worden geselecteerd op basis van hoeveelheden. Daarmee bedoel ik dat de leveranciers van de grootste hoeveelheden het eerst zouden worden onderzocht.

Ik weet na elf jaar werkelijk niet meer welke bedrijven ik onderzocht zou hebben en ook niet of er door mij monsters zijn genomen.

(…)

[inspecteur 2. bij de NVWA, voorheen AID]:

(…)

Uit pagina 541 van genoemd proces-verbaal blijkt dat we op 25 juni 2002 met een aantal collega’s hebben overgelegd over het verder uit te voeren onderzoek met betrekking tot het bedrijf van [varkensbedrijf]. Omdat ik was gespecialiseerd op het gebied van diervoeders, evenals mijn collega’s Verbeek en Klaver, ben ik bij die bespreking betrokken. Binnen de AID dacht men aan tarwegistconcentraat als oorzaak van de problemen. Ik weet nog dat wij als diervoedersspecialisten daar de kanttekening bij plaatsten dat het probleem dan nog veel groter zou moeten zijn. Op dat moment was nog niet bekend dat [varkensboer 1] en [varkensboer 2] in [vestigingsplaats] vergelijkbare problemen hadden/kregen.

Ik weet zeker dat alle leveranciers van [varkensbedrijf] zijn geselecteerd voor nader onderzoek. Of deze vervolgens ook allemaal onderzocht zijn, weet ik niet, maar dat is wel de gebruikelijke gang van zaken.

Ik ben verder niet meer bij het onderzoek ten aanzien van het bedrijf van [varkensbedrijf] betrokken geweest. Wel heb ik nog onderzoek uitgevoerd bij Rined en de silo in [vestigingsplaats]. Alle aan- en afvoerlijnen van Rined met betrekking tot die silo zijn toen door mij in kaart gebracht. [varkensbedrijf] zat daar niet bij.

Ik weet nog wel dat achteraf bleek dat bij de invoer in de computer van Rined in zoverre een fout was gemaakt dat bij enkele ritten niet de term ‘Af [vestigingsplaats]’ was vermeld. Aan de hand van het onderzoek naar alle rittenstaten heb ik dit kunnen constateren.

Ik heb de overtuiging dat wij uiteindelijk de aan- en afvoerlijnen voor 100% in kaart hebben kunnen brengen. Ik weet dat [varkensbedrijf] daar niet in voor kwam.

(…)

[getuige 1.]:

“(…)

Mr. Bijloo vraagt mij welke concentratie MPA in het eindvoer aanwezig moet zijn om de problemen die bij de varkens op de bedrijven van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] zijn gerezen, te veroorzaken. Ik antwoord daarop als volgt. Als ik het mij goed herinner, is in het eindvoer bij met name het bedrijf van [varkensboer 1] een concentratie MPA gemeten van 51.000 ppb. Om de opgetreden symptomen te veroorzaken moet in het eindvoer een concentratie van 35.000 tot 60.000 ppb hebben gezeten. Navraag bij de afdeling Diervoeding van de universiteit van Gent leerde mij dat er in het eindvoer voor varkens maximaal 22% bostelmix zit. Als ik ervan uit ga dat het eindvoer 20% bostelmix bevat, dan moet er 250.000 ppb MPA in de gebruikte bostelmix hebben gezeten om op een concentratie van ongeveer 50.000 ppb in het eindvoer uit te komen.

Mr. Bijloo vraagt mij welk percentage glucosesiroop – ervan uitgaande dat die glucosesiroop 900.000 ppb MPA bevatte - er in de bostelmix moet hebben gezeten om de bij de varkens op beide bedrijven gerezen problemen te veroorzaken. Ik antwoord daarop dat het percentage 25 tot 30% moet hebben bedragen om tot de concentratie van 250.000 ppb in de gebruikte bostelmix te komen.

Mr. Bijloo vraagt mij of een concentratie van 1.900 ppb MPA in de bostelmix de bij [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] gerezen problemen kan hebben veroorzaakt. Ik antwoord daarop: nee. Ik verwijs hiervoor naar mijn eerder afgelegde verklaringen op dit punt.

[getuige 2.]:

(…)

Ik ben nog steeds in dienst bij [foods]. Ook bij [foods] heb ik de functie van bedrijfsleider. Ik houd mij in de eerste plaats bezig met de verzorging van de dieren. Daarnaast meng ik de voormengsels voor diverse varkenshouderijen. Daaronder valt ook de bostelmix voor [varkensbedrijf]. Ik deed dat ook al in april en mei 2002.

Het maken van de bostelmix doe ik als volgt. Ik pomp eerst de tarwezetmeel in de tanks 3 of 4 van [foods] waarin zich de menginstallaties bevinden. Dat pompen van het tarwezetmeel gebeurt met een andere pomp dan de pomp waarmee het suikerwater van tank 5 bij Genubo naar tanks 1 en 2 bij [foods] is gepompt en via een andere leiding. Ik verwijs in dit verband naar een foto die ik gisteren heb gemaakt van een plattegrond van ons bedrijf, welke foto u aan dit proces-verbaal zult hechten. Op die foto staat bij nr. 16, dat is het adres Eerste Groeneweg nr. 16 in Middelharnis, het adres van Genubo, een mengbak van Genubo waarin het eindvoer voor de varkens van Genubo wordt gemaakt. Er loopt een leiding vanuit tank 5 bij Genubo naar deze mengbak. Vanuit deze zelfde tank loopt een andere leiding naar Eerste Groeneweg nr. 22, het adres van [foods]. In tank 5 bij Genubo was het suikerwater van Bioland gelost. Daarvan bestaat geen opslagstaat. Genubo had dergelijke opslagstaten niet. Het overpompen vanuit tank 5 bij Genubo naar tanks 1 en 2 bij [foods] is handmatig gebeurd. Daarmee bedoel ik dat de afsluiters worden opengezet, waarna de pomp wordt aangezet. Dat is allemaal uitgevoerd door mij.

Het pompen van de tarwezetmeel naar de mengbakken bij [foods] gebeurt ook handmatig.

Terugkomend op het maken van het voormengsel (de bostelmix) voor [varkensbedrijf], zeg ik nog dat, nadat de tarwezetmeel in tank 3 of 4 is gepompt, er met behulp van een shovel bierbostel (dat steekvast is) aan toe wordt gevoegd.

Voor wat betreft het overpompen van het suikerwater op 25 april 2002 verklaar ik nog het volgende. Op die datum was in de loop van de ochtend dat suikerwater in tank 5 bij Genubo gelost. In de loop van de middag was het spul gaan bruisen en gisten en ging het er over heen. Omdat ik wist dat tanks 1 en 2 bij [foods] leegstonden, heb ik ongeveer de helft van de die dag geloste partij suikerwater overgepompt naar tanks 1 en 2 van [foods]. Zowel tank 5 bij Genubo als tanks 1 en 2 bij [foods] hebben een inhoud van ongeveer 55 kubieke meter. De reden waarom ik in twee tanks heb overgepompt is dat er een schuimlaag was van wel een meter en ik wilde voorkomen dat dit bij de tanks waarnaar werd overgepompt over de rand zou komen.

Omdat het suikerwater afkomstig was van Bioland heb ik het zo geregistreerd dat ik in de kolom ‘leverancier’ Bioland heb ingevuld en niet Genubo. Dit opdat altijd helder is waarvan het geloste product afkomstig is. Ik doe dat wel vaker zo. (…)

Een of twee dagen na het overpompen van het suikerwater heb ik dat teruggepompt naar tank 5 van Genubo. Ook dit overpompen heb ik zelf uitgevoerd. Ik ben vergeten dit terugpompen te registreren. Dat had wel gemoeten. (…)

Het voormengsel voor [varkensbedrijf] wordt in tanks 3 en 4 van [foods] gemaakt. In die zelfde tanks worden ook voormengsels voor Genubo gemaakt. Het kan gebeuren dat op dezelfde dag voormengsels voor Genubo en voor [varkensbedrijf] worden gemaakt, maar het suikerwater van Bioland is niet in tanks 3 en 4 van [foods] aan het eindvoer voor Genubo toegevoegd. Dat laatste gebeurde namelijk in de mengbak van Genubo op nr. 16.

Het klopt dat dezelfde vrachtwagens waarmee het suikerwater van Bioland naar Genubo is vervoerd, ook zijn gebruikt voor het vervoer van het voormengsel voor [varkensbedrijf] vanaf het bedrijf van [foods]. Normaal gesproken worden de vrachtwagens na iedere vracht gespoeld met zo’n twee à driehonderd liter water. Dat gebeurt meteen nadat er is gelost, zodat er niet nog voer uit de slang komt en op de grond morst. Het spoelen van de vrachtwagens gebeurt door de desbetreffende chauffeur.

(…)

Ik laat ook nog een foto zien die ik gisteren heb gemaakt van een luchtfoto die bij ons in de kantine hangt. Ik hoor u zeggen dat u ook deze foto aan het proces-verbaal zult hechten. Op die foto heb ik handmatig de nummers 12 t/m 22 geschreven bij de daarmee corresponderende opstallen. De nummers 12 t/m 18 betreffen de opstallen van Genubo, nummer 22 is [foods].

(…)

In tanks 1 en 2 van [foods] gaat nooit bostelmix omdat in die tanks geen roerinstallatie zit.

Zou je wel een voormengsel daarin doen, dan zou dat bezinken en krijg je het er niet meer uit.

Het is niet gebruikelijk om suikerwater aan een voormengsel toe te voegen, vanwege gistingsproblemen. Wel aan het eindvoer, vanwege de smaak. Dat gebeurt meestal een uur voor het voederen. Dit gebeurt overigens automatisch (computergestuurd), net zoals de toevoeging van de overige ingrediënten aan het voormengsel waarmee het eindvoer wordt gemaakt. Hoewel het suikerwater een oranje/rode kleur had, kan ik mij niet herinneren dat het eindvoer bij Genubo een andere kleur had. Dat verbaast mij niet echt omdat slechts een klein percentage suikerwater aan het eindvoer wordt toegevoegd. Toevoeging van suikerwater aan het eindvoer verhoogt niet het drogestofgehalte van het eindproduct.

(…)

Bij mijn weten is het suikerwater van Bioland niet in aanraking gekomen met de ten behoeve van [varkensbedrijf] gemaakte bostelmix, omdat het suikerwater in tanks 1 en 2 bij [foods] zat en de bostelmix in tanks 3 en 4 worden gemaakt.”

8.1.5.

Bij memorie na enquête heeft [varkensbedrijf] voorts het (met betrekking tot de MPA kwestie opgemaakte) proces-verbaal van de AID overgelegd, naast nog een aantal andere producties. [varkensbedrijf] heeft, samengevat, het volgende betoogd.

Uit het door [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] opgemaakte schema (bijlage proces-verbaal van enquête, tevens prod. 71 [varkensbedrijf]) blijkt dat van de daarop met een A aangegeven leveranties op 27 mei een monster is genomen. Het betreft onder meer het door [varkensbedrijf] op 21 mei 2002 aan [varkensboer 1] geleverde brijvoer en het op 24 mei 2002 door [foods] aan [varkensbedrijf] geleverde Bostelmix. In het op 21 mei 2002 aan [varkensboer 1] geleverde brijvoer was bostelmix verwerkt die afkomstig was van de op 8 mei 2002 door [foods] aan [varkensbedrijf] geleverde partij bostelmix. Vaststaat dat dit brijvoer, dat bij [varkensboer 1] in een silo opgeslagen is gebleven en op 21 juni aldaar door de AID is bemonsterd, een concentratie MPA van 51100 µg/kg bevatte; [varkensbedrijf] verwijst hier naar r.o. 4.2.13 van het tussenarrest van 25 juni 2013. Het op 27 mei 2002 genomen monster van de op 24 mei 2002 geleverde partij bostelmix is op zorgvuldige wijze genomen. Dit monster was ook positief op MPA (1900 ppb). Alleen [foods] leverde bostelmix aan [varkensbedrijf], dat blijkt ook uit de administratie van [varkensbedrijf] en uit het door [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] opgemaakte schema.

[varkensbedrijf] heeft nooit producten geleverd gekregen door Rined of [voeders] Voeders. Dat wordt bevestigd door [medewerker van Rined] van Rined en door de lijst (p. 234 AID pv) van klanten aan wie Rined vanuit de silo in [vestigingsplaats] had geleverd. Op deze lijst komt [varkensbedrijf] niet voor.

Het door Cehave geleverde droogvoer zat zowel bij [varkensbedrijf] als [varkensboer 1] in een aparte silo en niet in de silo van waaruit monsters zijn genomen die positief op MPA zijn bevonden. Het droogvoer van Cehave kan dus als bron van de MPA-verontreiniging worden uitgesloten. Bovendien werd dit droogvoer aan een groot aantal bedrijven geleverd en dan zouden er dus op veel meer bedrijven vergelijkbare problemen als bij [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] moeten zijn ontstaan. Verder blijkt uit een print van het voerpakket dat Cehave destijds aan [varkensbedrijf] leverde dat daarin geen melasse werd gebruikt.

Evenmin kan de incidenteel door [varkensbedrijf] aan sommige varkens gevoerde hagelslag de oorzaak van de gerezen problemen zijn. Bovendien zijn er geen facturen voor levering van hagelslag in de periode april/mei 2002.

De bostelmix, Amystar en aardappelstoomschillen waren de hoofdbestanddelen van het door [varkensbedrijf] voor [varkensboer 1] gemaakte brijvoer. De componenten Amystar en aardappelstoomschillen zijn op 27 mei 2002 bij [varkensbedrijf] bemonsterd en negatief op MPA bevonden. Alleen de op 24 mei 2002 geleverde bostelmix was met MPA verontreinigd.

Het MPA gehalte in het niervet van de geslachte varkens verklaart de aantasting van de dieren bij [varkensbedrijf] en [varkensboer 1].

Tenslotte heeft [varkensbedrijf] verwezen naar een verklaring [X.] van 28 februari 2014 (prod. 62), waarin Leengoed reageert op de verklaring van [getuige 1.] van 21 januari 2014.

Volgens [varkensbedrijf] is zij geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs.

8.1.6.

[foods] heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Cehave heeft besmet voer geleverd aan het bedrijf van [varkensbedrijf] in België. De getuigen [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] en [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave], in dienst van Cehave, zijn niet onpartijdig. Het labaratorium CCL is onderdeel van Cehave [vestigingsplaats] en daarom niet onafhankelijk. De op 27 mei 2002 door [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] genomen monsters kunnen niet aan [foods] worden tegengeworpen. Er is geen controle geweest op het vullen van de silo’s bij [varkensbedrijf], mogelijk hebben daar ook andere leveranciers in geladen. De door [varkensbedrijf] gebruikte hagelslag kan met MPA zijn besmet. Het voer dat Cehave aan [varkensbedrijf] leverde bevatte ook tarwegries. [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] heeft verklaard dat tarwegries mogelijk met MPA is besmet. [medewerker van Rined] verklaart wel dat Rined nooit aan [varkensbedrijf] heeft geleverd, maar dat is ongeloofwaardig nu Rined later wel de besmette partij voer bij [varkensbedrijf] heeft opgehaald. De getuigen weerspreken niet dat de besmetting op de bedrijven van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] zijn veroorzaakt door droogvoer van Cehave en/of van andere leveranciers (van bijvoorbeeld chocola). Er is geen deugdelijk en onafhankelijk onderzoek verricht naar de samenstelling van de leveranties door [foods]. Uit de verklaring van [getuige 1.] volgt dat de bostelmix van [foods] niet de ernstige symptomen bij de varkens van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] kan hebben veroorzaakt. De verklaring van [X.] van 28 februari 2014 moet buiten beschouwing worden gelaten, nu [foods] noch het hof bij de ondervraging van [X.] betrokken zijn geweest. Bovendien zijn [getuige 1.] en professor [professor] meer deskundig dan [X.], aldus [foods]. Zij heeft nadere verklaringen van [professor] en [getuige 1.] overgelegd (prod. 83 en 84). Het door [varkensbedrijf] overgelegde proces-verbaal van de AID bevat 805 pagina’s en [varkensbedrijf] laat ten onrechte na aan te geven op welke specifieke passages zij zich wenst te beroepen. Daarom kan dit proces-verbaal niet tot het bewijs bijdragen. [varkensbedrijf] citeert ten onrechte een passage uit het AID proces-verbaal, waar wordt vermeld dat [voeders] Voeders en Genuva de MPA-besmettingen hebben veroorzaakt; ook andere bedrijven zoals Cehave hebben die veroorzaakt. Het suikerwater dat Genubo aan het eindvoer toevoegde, circa een uur voor het voeren, is niet toegevoegd in de mengsilo’s 3 en 4 bij [foods], maar in de mengkeuken van Genubo zelf. De vordering van [varkensboer 1] is verjaard.

Het bewijs van de stelling dat [foods] aan [varkensbedrijf] met MPA verontreinigd varkensvoer heeft geleverd; grieven 5 t/m 11, 15, 16, 19 t/m 24 en tevens 1 t/m 4, 17 en 18.

8.2.1.

Naar het oordeel van het hof is met de door [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] en [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] afgelegde verklaringen komen vast te staan dat op 27 mei 2002 op voldoende zorgvuldige wijze monsters zijn genomen van een door [foods] op 24 mei 2002 aan [varkensbedrijf] geleverde partij bostelmix en van een door [varkensbedrijf] op 21 mei 2002 aan [varkensboer 1] geleverde partij brijvoer, waarin bostelmix van [foods] was verwerkt. Het enkele feit dat [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] en [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] in dienst zijn bij Cehave en Cehave in verband is gebracht met een onderzoek naar met MPA besmet voer aan de Belgische vestiging van [varkensbedrijf] betekent niet dat aan de verklaringen van [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] en [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] geen waarde kan worden gehecht. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en waarom [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] en/of [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] er persoonlijk belang bij zouden hebben gehad om [foods] in verband met de MPA verontreiniging te brengen en Cehave buiten beeld te houden. Verder neemt het hof in aanmerking dat in de door [foods] overgelegde stukken omtrent Cehave en het bedrijf van [varkensbedrijf] in [vestigingsplaats] in België ook een aanwijzing is te lezen, dat bij een tegenexpertise geen of onvoldoende MPA werd aangetroffen en dat de blokkering van dit bedrijf vervolgens werd opgeheven. Ook is onbestreden dat de varkens van dit Belgische bedrijf zijn vrij gegeven voor de slacht (wat niet aan de orde zou zijn geweest indien het vlees MPA zou bevatten) en dat dit bedrijf enkel schade tengevolge van het tijdelijk stilleggen van het bedrijf (stagnatie-schade) heeft geleden.Verder is er kennelijk geen aanleiding geweest om de Nederlandse vestiging van Cehave en het daar aanwezige droogvoer aan een onderzoek te onderwerpen, althans iedere aanwijzing daarvan ontbreekt.

8.2.2.

[medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] heeft aan de hand van een tijdens zijn verhoor op 15 oktober 2013 overgelegd schema toegelicht dat van de daarop met een “A” gemerkte leveranties op 27 mei 2002 monsters zijn genomen. Het gaat daarbij om:

- een op 7 mei 2002 aan [varkensbedrijf] geleverde partij tarwegistconcentraat (“TGC”);

- een op 21 mei 2002 aan [varkensbedrijf] geleverde partij Amystar;

- een op 21 mei 2002 door [varkensbedrijf] aan [varkensboer 1] geleverde partij brijvoer, welke partij op 14 mei 2002 op het bedrijf van [varkensbedrijf] is gemaakt met onder meer een op 8 mei 2002 door [foods] aan [varkensbedrijf] geleverde partij bostelmix;

- op 23 mei 2002 door Cehave aan [varkensboer 1] geleverde voedselpakketten (“Gerst”, “Tarwe”);

- een op 24 mei 2002 door [foods] aan [varkensbedrijf] geleverde partij bostelmix;

- een op 24 mei 2002 door [leverancier 1.], vanuit de fabriek te [vestigingsplaats], aan [varkensbedrijf] geleverde partij aardappelstoomschillen (“AASS”).

In een verhoor van 17 juli 2002 (hof: of 17 juni 2002, gelet op de dagtekening van dit proces-verbaal van 18 juni 2002) door [ingenieur bij de NVWA, voorheen AID] en [inspecteur 2. bij de NVWA, voorheen AID] (AID) van [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] (prod. 77 [foods])), heeft [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] verklaard dat de tank bij [varkensbedrijf] voor de bostelmix leeg is geweest wat in het schema is aangeduid met de letter “B” en dat in die tank op 24 mei 2002 een nieuwe partij bostelmix van [foods] is gelost. In dat verhoor van medio 2002 heeft [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] ook verklaard dat het schema voerstromen in kaart brengt en is opgemaakt aan de hand van onder meer facturen, vrachtbrieven en een agenda waarin de vrachten met het door [varkensbedrijf] aan [varkensboer 1] geleverde halffabrikaat (hof: het brijvoer) staan vermeld.

8.2.3.

[bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] heeft toegelicht hoe de gang van zaken tijdens de monsterneming op 27 mei 2002 is geweest. Het hof heeft geen reden aan de waarheidsgetrouwheid van deze verklaring te twijfelen. Voorts neemt het hof in aanmerking dat [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] regelmatig het bedrijf van [varkensbedrijf] bezocht en dat bedrijf dus kende. Aangenomen mag worden dat [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] wist in welke silo’s welk product zat en hoe die produkten er uit zagen. De door [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] geschetste gang van zaken bij de monsterneming komt overtuigend en zorgvuldig over. Dat [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] na zoveel jaar niet meer weet of de monsterpotten nog enige tijd bij [varkensbedrijf] zijn gebleven, maakt dit niet anders. Het is niet aannemelijk en er is geen enkele aanwijzing voor, dat [varkensbedrijf] de monsterpotten nog enige tijd op haar bedrijf heeft gehouden of de potten geopend heeft en de inhoud heeft gewijzigd. [varkensbedrijf] had er alle belang bij dat zo spoedig mogelijk duidelijk zou worden wat de oorzaak van de problemen was.

De door [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] op 27 mei 2002 genomen monsters zijn naar het oordeel van het hof dan ook bruikbaar voor het door [varkensbedrijf] te leveren bewijs. Het enkele feit dat [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] niet een opsporingsambtenaar van de AID is en niet volgens een bepaald door de AID in acht te nemen protocol heeft gehandeld, betekent niet dat onvoldoende vaststaat, dat het bij de op 27 mei 2002 genomen monsters (onder meer) gaat om hoeveelheden van de bij [varkensbedrijf] aanwezige, bostelmix van [foods], tarwegistconcentraat, Amystar en aardappelstoomschillen en bij [varkensboer 1] aanwezig brijvoer, dat bestaat uit tarwegistconcentraat, aardappelstoomschillen, Amystar en bostelmix.

8.2.4.

Het in de silo bij [varkensboer 1] opgeslagen brijvoer bevatte blijkens een daarvan door de AID op 21 juni 2002 genomen monster een concentratie MPA van 51100 µg/kg (r.o. 4.2.13 van het tussenarrest). Uit de verschillende, hiervoor aangehaalde getuigenverklaringen blijkt dat dit brijvoer bestond uit tarwegistconcentraat, aardappelstoomschillen, Amystar en bostelmix. De AID heeft op 27 juni 2002 van de op 27 mei 2002 door [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] genomen monsters de bostelmix, de Amystar en het tarwegistconcentraat laten onderzoeken door het Rikilt. De bostelmix bleek positief op MPA (1900 µg/kg), in de Amystar en het tarwegistconcentraat werd geen MPA aangetroffen (p. 577 AID pv, prod. 61 maar ook reeds bij inleidende dagvaarding als prod. 9 overgelegd). De conclusie is dan gerechtvaardigd dat in ieder geval de bostelmix de MPA verontreiniging heeft veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof staat eveneens vast dat deze bostelmix van [foods] afkomstig was. [foods] heeft wel gesteld dat ook anderen aan [varkensbedrijf] bostelmix leverden, maar zij heeft die stelling niet onderbouwd, wat wel op haar weg lag in het licht van de betwisting door [varkensbedrijf] en het feit dat de zowel door [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] als de AID onderzochte administratie van [varkensbedrijf] geen leveranties van bostelmix door anderen dan [foods] laat zien.

8.2.5.

Er is geen verslaglegging van een onderzoek (naar MPA) van de bemonsterde aardappelstoomschillen. Theoretisch is dus niet uit te sluiten dat – naast de bostelmix – ook de aardappelstoomschillen MPA bevatten. Daarvoor ontbreekt echter iedere aanwijzing. [inspecteur 2. bij de NVWA, voorheen AID] heeft verklaard zeker te weten dat alle leveranciers van [varkensbedrijf] zijn geselecteerd voor nader onderzoek. Hij weet alleen niet of deze leveranciers vervolgens ook allemaal zijn onderzocht, maar wel dat dat de gebruikelijke gang van zaken is. Nu het proces-verbaal van de AID niet rept van een onderzoek naar [leverancier 1.], de leverancier van de aardappelstoomschillen, noch van een bemonstering en onderzoek van dit product, acht het hof de conclusie gerechtvaardigd dat onderzoek naar [leverancier 1.] c.q. het product van deze leverancier niets heeft opgeleverd dan wel dat de AID geen aanleiding heeft gezien enig onderzoek naar deze leverancier/dit product te verrichten. Op zichzelf genomen is in laatstgenoemd geval niet bekend op welke grond de AID zo’n onderzoek niet nodig zou hebben geoordeeld, dus evenmin of er gronden waren die een dergelijke beslissing redelijkerwijs konden dragen. Wel blijkt uit het (verschillende malen overgelegde, o.a. bij inl. dgv. als prod. 8a, p. 252 AID pv) verslag van de MPA verontreiniging (“De zwakste schakel…”) dat [varkensbedrijf], [varkensboer 1] en [varkensboer 2] de aardappelstoomschillen van verschillende leveranciers afnamen, zodat dit product niet als verdacht werd aangemerkt. Hoe dan ook laat een en ander de in r.o. 8.2.4 genoemde conclusie (van [foods] afkomstige bostelmix is met MPA verontreinigd) onverlet.

8.2.6.

Het door Cehave aan [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] geleverde droogvoer is kennelijk niet op MPA onderzocht. [varkensbedrijf] heeft gesteld dat dit mengvoer als oorzaak van de MPA besmetting kan worden uitgesloten, aangezien het aan een groot aantal bedrijven werd geleverd en dan op veel meer bedrijven vergelijkbare problemen als bij [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] zouden moeten zijn ontstaan. Dat is inderdaad aannemelijk. [foods] heeft weliswaar betoogd dat “veel bedrijven besmet zijn geraakt die droogvoer van Cehave hebben gebruikt”, maar zij licht niet toe om welke bedrijven het dan zou gaan en in de in het geding gebrachte stukken is daarvoor geen enkele aanwijzing te lezen.

Verder heeft [varkensbedrijf] er terecht op gewezen, dat in het bij [varkensboer 1] bemonsterde brijvoer (een nat product) geen voedselpakket van Cehave (droogvoer) zat, zodat de in dat monster aangetroffen hoeveelheid MPA in ieder geval niet afkomstig kon zijn van het droogvoer van Cehave. Weliswaar heeft [foods] aangevoerd dat in het monster wel droogvoer van Cehave moet hebben gezeten omdat volgens haar van het eindvoer een monster werd genomen, maar dat verweer houdt geen stand. Uit de verklaringen van [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] en [varkensboer 1] blijkt immers dat het monster is genomen van de partij brijvoer die in een bepaalde silo bij [varkensboer 1] opgeslagen was en bleef en dus niet van het eindvoer dat uiteindelijk aan de varkens werd gevoerd en dat ontstond door menging van natte producten (het brijvoer) en droge producten (het droogvoer van Cehave).

8.2.7.

Het is voorts weinig aannemelijk dat de soms door [varkensbedrijf] aan het voer toegevoegde hagelslag als (mede-)oorzaak van de bij de varkens van [varkensbedrijf] ontstane problemen is aan te merken. [varkensbedrijf] heeft toegelicht dat slechts incidenteel aan het voer voor slechts enkele varkens hagelslag werd toegevoegd, wat werd bevestigd door [bedrijfsadviseur Agrifirm, voorheen CeHave] en [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave]. Voor een structurele toevoeging aan het voer voor alle varkens, zowel bij [varkensbedrijf] als bij [varkensboer 1], bestaat geen enkele aanwijzing.

[foods] heeft nog betoogd dat de administratie van [varkensbedrijf] niet volledig is, omdat daaruit niet zou blijken dat [varkensbedrijf] ook wel hagelslag aan zijn varkens voerde. Dit enkele feit is onvoldoende voor de conclusie dat [varkensbedrijf] administratie niet op orde of niet volledig zou zijn. Overigens bestond er kennelijk wel een factuur met betrekking tot dit “choco-product”, maar blijkens de datum daarvan (18 juni 2002) kan die factuur niet reeds eind mei 2002, toen [medewerker van Agrifirm voorheen CeHave] zijn onderzoek verrichtte, deel hebben uitgemaakt van de administratie van [varkensbedrijf].

8.2.8.

Er is voorts geen enkele aanwijzing dat de bij [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] veroorzaakte problemen zijn veroorzaakt door leveranties vanuit de silo van Rined in [vestigingsplaats]. [varkensbedrijf] heeft betwist ook beleverd te zijn door Rined en [medewerker van Rined] van Rined heeft bevestigd dat Rined nooit aan [varkensbedrijf] heeft geleverd. Anders dan [foods] heeft aangevoerd maakt het enkele feit dat Rined later het besmette voer bij [varkensbedrijf] heeft opgehaald, de verklaring van [medewerker van Rined] niet ongeloofwaardig. [medewerker van Rined] heeft toegelicht dat dat in opdracht van de AID was en verband hield met het feit dat Rined opslagcapaciteit voor besmet voer had. [foods] heeft dit niet bestreden. Verder komt [varkensbedrijf] niet voor op de lijst van bedrijven waaraan vanuit de silo in [vestigingsplaats] is geleverd en heeft [inspecteur 2. bij de NVWA, voorheen AID] verklaard alle aan- en afvoerlijnen van Rined met betrekking tot de silo in [vestigingsplaats] in kaart te hebben gebracht en dat [varkensbedrijf] daar niet bij zat.

8.2.9.

Resumerend overweegt het hof dat de verweren van [foods] voor een groot deel bestaan uit het opperen van alternatieve, hypothetische scenario’s, waarbinnen andere leveranciers en andere producten verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de geconstateerde MPA-besmetting en de veroorzaakte problemen bij de varkens van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1]. Die scenario’s hebben in de loop van de procedure hun tamelijk hypothetische karakter behouden. Het is weliswaar [varkensbedrijf] op wie de bewijslast van de door haar gestelde rol van [foods] rust, hetgeen ook impliceert dat [foods] niet hoeft te bewijzen dat van een door haar geopperd alternatief scenario sprake is, maar naarmate meer concrete feiten en omstandigheden wijzen op de juistheid van de stellingen van [varkensbedrijf], kan als verweer niet meer worden volstaan met de stelling dat niet valt uit te sluiten dat een andere leverancier de gevorderde schade heeft veroorzaakt.

8.2.10.

Naar het oordeel van het hof zijn met de nadere bewijslevering door [varkensbedrijf] voldoende feiten en omstandigheden (r.o. 8.2.1 t/m 8.2.4) komen vast te staan die, in samenhang met de door het hof in zijn tussenarrest in r.o. 4.2.6, 4.2.8, 4.2.12, 4.2.13, 4.2.15, 4.2.16, 4.2.17 en 5.2.2 tot en met 5.2.6 genoemde feiten en omstandigheden, de conclusie rechtvaardigen dat [foods] aan [varkensbedrijf] in april en/of mei 2002 met MPA besmet varkensvoer, althans varkensvoerbestanddelen waaronder het voormengsel bostelmix heeft geleverd, tengevolge waarvan de varkens van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] gezondheidsproblemen kregen zoals – in het geval van drachtige varkens – het niet kunnen bevallen en zeugen die niet berig wilden worden. Kort samengevat (voor de volledige weergave verwijst het hof naar genoemde rechtsoverwegingen) houden die feiten en omstandigheden in:

1. proefslachtingen op 24 mei en 14 juni 2002 waarbij in het niervet van de geslachte varkens van [varkensbedrijf] MPA-concentraties variërend van 13 tot 63 ppb werden aangetroffen;

2. de MPA was afkomstig van suikerwater van [suikerwaterfabrikant] en kwam via Bioland in België bij de Nederlandse bedrijven [voeders] Voeders en Genuva terecht en via Genuva bij Genubo, dat bedrijf houdt op een bedrijfsperceel grenzend aan dat van [foods];

3. blijkens een opslagstaat van [foods] is op 25 april 2002 een partij suikerwater afkomstig van Bioland in twee tanks van [foods] gelost;

4. in een op 21 juni 2002 genomen monster uit een op 21 mei 2002 aan [varkensboer 1] geleverde partij brijvoer (door [varkensbedrijf] aangemaakt op 14 mei 2002 met onder meer bostelmix uit een op 8 mei 2002 door [foods] aan [varkensbedrijf] geleverde partij), werd een concentratie MPA van 51100 µg/kg aangetroffen. Dat brijvoer bestond uit bostelmix, tarwegistconcentraat, Amystar en aardappelstoomschillen;

5. de bostelmix bevatte MPA, het tarwegistconcentraat en de Amystar niet. Dat blijkt uit op 27 mei 2002 genomen monsters (op 27 juni 2002 door de AID overgenomen) van bij [varkensbedrijf] aanwezige partijen bostelmix, Amystar en tarwegistconcentraat. De op 27 mei 2002 genomen monsters zijn op voldoende zorgvuldige wijze genomen. De bostelmix werd geleverd door [foods];

6. in op 2 juli 2002 uit silo’s van [foods] genomen monsters van tarwezetmeel, Porkermix en suikerwater/recidrink werden concentraties MPA aangetroffen. Weliswaar dateren die monsternemingen van na de relevante leveranties van [foods] aan [varkensbedrijf], maar een concrete aanwijzing dat deze verontreiniging op 2 juli 2002 is veroorzaakt door een andere bron dan het door Genuva/Genubo van Bioland afgenomen besmette suikerwater ontbreekt. Zo’n concrete aanwijzing is in ieder geval niet de door [foods] geopperde stelling dat de door Sita geleverde “recidrink” mogelijk met MPA was besmet. Verder vermelden de opslagstaten nergens Rined als leverancier;

7. het Productschap Diervoeder (PDV) heeft de GMP-erkenning van [foods] in juli 2002 opgeschort in verband met het feit dat [foods] volgens het PDV, bevestigd door het College van Beroep voor het bedrijfsleven, niet heeft voorkomen dat het aan Genuva en Genubo geleverde, met MPA besmette suikerwater in producten van [foods] terecht is gekomen;

8. [foods] en haar directeur [directeur van transportbedrijf] zijn strafrechtelijk vervolgd en zowel in eerste aanleg als in hoger beroep veroordeeld voor, kort gezegd, het in het verkeer brengen van met MPA verontreinigd varkensvoer. De latere vernietiging van deze uitspraken door de Hoge Raad komt voort uit overschrijding van de absolute verjaringstermijn. De veroordelingen behouden vrije bewijskracht.

Overigens wordt het verweer van [foods] dat het hele AID pv buiten beschouwing moet blijven omdat [varkensbedrijf] niet specifiek heeft aangegeven op welke passages zij zich beroept, verworpen. Op zichzelf genomen heeft [foods] een punt dat een partij niet kan volstaan met het overleggen van een pak stukken zonder aan te geven op welke onderdelen zij zich beroept, maar [varkensbedrijf] heeft, zoals hiervoor is aangegeven, zich wel specifiek op sommige onderdelen van dat proces-verbaal beroepen. Daar waar zij dat met succes heeft gedaan, kunnen die onderdelen tot het bewijs bijdragen.

8.2.11.

Partijen hebben nog gedebatteerd over de vraag of de in de bostelmix van [foods] aangetroffen concentratie MPA van 1900 ppb de bij de varkens van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] gerezen problemen kan hebben veroorzaakt en over de vraag hoeveel ppb MPA er in de bostelmix moet hebben gezeten om die problemen te veroorzaken. Voor wat betreft de eerstgenoemde vraag overweegt het hof het volgende. Ook indien als juist wordt aangenomen de stelling dat een concentratie van 1900 ppb (de in de op 24 mei 2002 geleverde partij bostelmix aangetroffen concentratie MPA) nooit de gerezen problemen kan hebben veroorzaakt, leidt dat enkele feit niet tot een ander (bewijs)oordeel. Deze aangetroffen concentratie zegt immers niets over concentraties MPA in de twee daaraan voorafgaande leveringen op 27 april en 8 mei 2002. Dat blijkt ook reeds uit het feit dat een veel hogere concentratie MPA (51100 ppb) is aangetroffen in het brijvoer dat was aangemaakt met bostelmix afkomstig van de op 8 mei 2002 geleverde partij bostelmix. Verder staat vast dat de problemen bij [varkensbedrijf] rezen in de eerste helft van mei 2002, dus van vóór de levering bostelmix van 24 mei 2002, en dat bij [varkensboer 1] problemen rezen nadat de varkens op dat bedrijf werden gevoerd met brijvoer dat deels bestond uit bostelmix afkomstig van de op 8 mei 2002 geleverde partij bostelmix. Overigens staat niet vast dat de in een monster uit een partij bostelmix aangetroffen concentratie MPA representatief is voor de concentratie MPA in die hele partij; de bostelmix wordt immers gemaakt door tarwezetmeel te mengen met steekvaste bierborstel (verklaring [getuige 2.] d.d. 21 januari 2014) en de mate waarin en tijd gedurende welke de totale hoeveelheid gemengd wordt is niet bekend.

8.2.12.

Hierbij komt het volgende. [varkensbedrijf] heeft in het kader van het in r.o. 8.2.11 genoemde debat tussen partijen verwezen naar verklaringen van [X.], [foods] naar verklaringen van [getuige 1.] en [professor]. Op basis van de thans voorhanden informatie kan het hof niet beoordelen of en welke stellingen van deze deskundigen juist zijn. Naar het oordeel van het hof kan een (nader) onderzoek naar de juistheid van de bevindingen van deze deskundigen echter achterwege blijven. De problemen bij de varkens bij [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] en het feit dat deze zijn veroorzaakt door met MPA verontreinigd voer, staan vast. Zoals hiervoor is overwogen acht het hof bewezen dat [foods] aan [varkensbedrijf] voer heeft geleverd dat met MPA was verontreinigd. Deze als tekortkoming van [foods] aan te merken gedraging roept een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven. Dit risico heeft zich verwezenlijkt. Daarmee is het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel gegeven en is het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, [foods] in dit geval, om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. In dit geval ontbreekt echter iedere concrete aanwijzing voor het bestaan van een mede-oorzaak voor de MPA-verontreiniging. Bij deze stand van zaken staat dus ook vast dat de gezondheidsproblemen bij de varkens van Welvaars en [varkensboer 1] zijn veroorzaakt door de door [foods] aan [varkensbedrijf] geleverde, met MPA verontreinigde bostelmix.

8.2.13.

Waar de grieven 5 t/m 11, 15, 16, 19 t/m 24 in zoverre gegrond waren, dat het hof het bezwaar tegen het voorshandse bewijsoordeel van de rechtbank terecht voorgedragen acht, slagen de grieven uiteindelijk niet, aangezien de bewijswaardering door het hof tot dezelfde uitkomst leidt als de bewijswaardering door de rechtbank. Dat betekent ook dat, voorzover met de grieven nog andere onderdelen van de bestreden vonnissen zijn bestreden, deze geen behandeling meer behoeven.

De grieven 1 t/m 4, 17 en 18, die alle – uiteindelijk – zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de MPA-besmetting wel door het door [foods] aan [varkensbedrijf] geleverde voormengsel moet zijn veroorzaakt, treft op de hiervoor uiteengezette gronden eenzelfde lot.

Vergoedingen Productschap Vee en Vlees (PVV). Grieven 13, 14, 25 en 26.

8.3.1.

[foods] heeft aangevoerd dat [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] een vergoeding van het PVV hebben ontvangen, dat hun schade daarmee (ten dele) is vergoed en dat zij hun recht op vergoeding van de directe schade hebben overgedragen aan het PVV, zodat [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] terzake geen vorderingsrecht meer hebben. Bovendien vordert het PVV deze schade van [suikerwaterfabrikant] en Cara, aldus [foods]. Verder heeft de rechtbank volgens [foods] ten onrechte overwogen dat er vanuit moet worden gegaan dat het PVV niet heeft afgezien van de restitutieplicht van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1]. [foods] handhaaft haar bewijsaanbod over een bekendmaking door het PVV aan [foods] Foods inzake de restitutieplicht die voor alle deelnemers aan de opkoopregeling zou gelden.

8.3.2.

[varkensbedrijf] heeft bestreden dat de door [foods] aan haar te betalen schadevergoeding zou moeten worden verminderd met de door [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] van het PVV ontvangen bedragen en dat de restitutie-plicht (van [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] aan het PVV) niet (meer) zou gelden. [varkensbedrijf] heeft in dit verband ook verwezen naar de als prod. 58 overgelegde verklaring van de advocaat van het PVV.

8.3.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit een op 20 augustus 2002 door het PVV en [varkensbedrijf] opgemaakt stuk, dat in de aanhef als “Cessie-akte” is aangeduid, is onder meer opgenomen:

(…) het Productschap Vee en Vlees de varkens van [varkensbedrijf] BV ter slachting en destructie heeft overgenomen voor het bedrag (…);

[varkensbedrijf] BV zich ertoe heeft verbonden om ter verkrijging van een financiële vergoeding van de schade die (…) wegens MPA-verontreiniging is ontstaan in de periode vanaf april 2002, de vermoedelijke veroorzaker van deze schade aan te spreken en hem hiertoe in rechte te betrekken;

waarbij [varkensbedrijf] BV zich ertoe heeft verbonden haar recht op de financiële vergoeding van de directe schade, voortvloeiende uit toewijzing van de civiele claim van [varkensbedrijf] BV op de vermoedelijke veroorzaker van de schade, aan het Productschap Vee en Vlees over te dragen;

(…)

1. [varkensbedrijf] BV draagt bij deze haar in de considerans omschreven recht op de financiële vergoeding (…) over aan het Productschap Vee en Vlees, voorzover deze niet meer beloopt dan het bedrag opgenomen in bijlage II (…)

In de bij deze zogenaamde opkoopregeling geldende algemene voorwaarden is in artikel 3 wederom opgenomen dat de aanbieder van de besmette varkens (in dit geval [varkensbedrijf]) zich ertoe verbindt de vermoedelijke veroorzaker aan te spreken en zonodig in rechte te betrekken en zich voorts verbindt de rechten op de mogelijk te verkrijgen financiële vergoeding over te dragen aan het PVV.

Daarnaast is in een op 24 september 2004 tussen [varkensbedrijf] en het PVV opgemaakt stuk, dat in de aanhef als “Akte van Cessie” is aangeduid, in artikel 1 opgenomen dat [varkensbedrijf] aan het PVV haar vordering op [suikerwaterfabrikant] en Cara overdraagt tot het bedrag dat [varkensbedrijf] in het kader van de “Tijdelijke noodmaatregel overname varkens wegens MPA verontreiniging PVV 2002” (hiervoor als “opkoopregeling” aangeduid) van het PVV heeft ontvangen.

Ten slotte heeft de advocaat van het PVV bij e-mailbericht van 9 februari 2010 bericht dat het PVV betwist dat zij aan [foods] heeft laten weten dat in geval van verhaal op Cara of [suikerwaterfabrikant] de restitutieplicht niet meer zou gelden. In deze e-mail werd ook medegedeeld dat het PVV niet bereid is om voorlopig van de aanspraak op terugbetaling af te zien.

8.3.4.

Uit deze stukken blijkt naar het oordeel van het hof dat het PVV in het kader van de opkoopregeling met de varkenshouders van wie zij varkens opkocht, afsprak dat de varkenshouders zich zouden inspannen hun schade vergoed te krijgen van de vermoedelijke veroorzaker ervan. De “cessie” in dit verband ziet op het recht op de financiële vergoeding in die zin, dat het PVV recht heeft op een eventuele door de varkenshouder van de veroorzaker van de schade ontvangen vergoeding, voorzover die vergoeding het door het PVV aan de varkenshouder uitgekeerde bedrag niet te boven gaat. Dit betreft de zogenaamde restitutieplicht van de varkenshouder, in dit geval van [varkensbedrijf]. Aangenomen mag worden dat eenzelfde afspraak met [varkensboer 1] is gemaakt. De advocaat van het PVV heeft het bestaan van de restitutieplicht nog eens bevestigd.

Iets anders is dat [varkensbedrijf] blijkens het in 2004 opgemaakte stuk haar vorderingsrecht op [suikerwaterfabrikant] en Cara heeft overgedragen aan het PVV. De overdracht van dit vorderingsrecht is begrijpelijk in het licht van de door het PVV tegen [suikerwaterfabrikant] en Cara aangespannen procedure. In het licht van de hiervoor aangehaalde stukken en de gemotiveerde betwisting door [varkensbedrijf] heeft [foods] haar stelling dat de restitutieplicht niet (meer) zou gelden onvoldoende onderbouwd. Bewijslevering is dan niet aan de orde.

De grieven 13, 14, 25 en 26 slagen niet.

Schade [varkensboer 1]. Grief 12

8.4.1.

In hoger beroep heeft [foods] in haar memorie van grieven in de toelichting op haar twaalfde grief, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de schade van [varkensboer 1] door [varkensbedrijf] kan worden gevorderd, betoogd dat [varkensbedrijf] niet heeft bewezen dat zij schade heeft bestaande uit schade bij [varkensboer 1], dat uit niets blijkt dat [varkensbedrijf] [varkensboer 1] schadeloos heeft gesteld en dat er geen procedure tussen [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] loopt. [foods] voegt daar dan aan toe: “Die ‘vordering’ is verjaard.” (mvg 102). Dit verweer, dat in eerste aanleg niet is gevoerd, is in de memorie van grieven op geen enkele manier uitgewerkt of onderbouwd. In eerste aanleg heeft [foods] niet het verweer gevoerd dat de vordering van [varkensboer 1] is verjaard.

Pas bij pleidooi heeft [foods] aangevoerd dat art. 7:23 BW op de leveringen van [varkensbedrijf] aan [varkensboer 1] van toepassing is zodat overeenkomstig het tweede lid van dit artikel een verjaringstermijn van twee jaar van toepassing is. [foods] heeft voorts betoogd, dat er niet steeds tijdig door [varkensboer 1] is gestuit.

[varkensbedrijf] heeft bij het eerstvolgende processtuk (de memorie na enquête) als prod. 70 alle stuitingsbrieven van/namens [varkensboer 1] overgelegd.

Bij antwoord memorie na enquête heeft [foods] betwist dat een aantal van de overgelegde stuitingsbrieven daadwerkelijk aan [varkensbedrijf] is verzonden.

8.4.2.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof zal het bij pleidooi gedane beroep van [foods] op art. 7:23 lid 2 BW beschouwen als uitwerking van de bij memorie van grieven ingenomen stelling dat de vordering van [varkensboer 1] is verjaard, zodat de twee-conclusie-regel op zichzelf genomen niet in de weg staat aan de behandeling van dit verweer.

[varkensbedrijf] heeft bij inleidende dagvaarding een afschrift van de brief van 26 juli 2002 van de rechtsbijstandverzekeraar van [varkensboer 1] aan [varkensbedrijf] overgelegd, in welke brief [varkensbedrijf] aansprakelijk wordt gesteld voor de tengevolge van de levering van met MPA verontreinigd brijvoer door [varkensboer 1] geleden schade. Bij memorie van antwoord heeft [varkensbedrijf] stuitingsbrieven overgelegd van 12 januari 2006, 3 december 2007 en 13 oktober 2011, alle verstuurd door de rechtsbijstandverzekeraar van [varkensboer 1] en verzonden aan de advocaat van [varkensbedrijf], mr. Geerts. [varkensbedrijf] heeft, naar het hof aanneemt in reactie op het door [foods] voor het eerst bij pleidooi ingenomen standpunt dat een verjaringstermijn van twee jaar geldt, bij memorie na enquête stuitingsbrieven overgelegd van 6 februari 2004, 12 januari 2006, 3 december 2007, 10 november 2009 (tweemaal), 13 oktober 2011 en 19 september 2013. De betwisting van een aantal van die brieven door [foods] acht het hof onvoldoende gemotiveerd. Het enkele feit dat sommige brieven niet reeds bij memorie van antwoord zijn overgelegd, betekent niet dat zij niet zijn verstuurd. Bovendien was ten tijde van de memorie van antwoord niet bekend dat [foods] zich op een verjaringstermijn van twee jaar zou beroepen en was voorstelbaar dat volstaan kon worden met het overleggen van stuitingsbrieven waartussen niet meer dan vijf jaar was gelegen. Voorts betreffen het alle brieven van de rechtsbijstandverzekeraar van [varkensboer 1] aan [varkensbedrijf] en/of aan haar advocaat en beroepen deze geadresseerden zich op deze stuitingsbrieven. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom een aantal van deze brieven, voorzover een afschrift van een ondertekend exemplaar ontbreekt, in werkelijkheid niet zou zijn verzonden.

Het beroep door [foods] op verjaring van de vordering van [varkensboer 1] wordt verworpen.

8.4.3.

Voor wat betreft de overige met deze grief tegen het bestreden vonnis opgeworpen bezwaren overweegt het hof het volgende.

Zoals hiervoor is geoordeeld acht het hof bewezen dat [foods] een met MPA besmet voormengsel aan [varkensbedrijf] heeft geleverd, dat [varkensbedrijf] dit voormengsel heeft verwerkt in het door haar aan [varkensboer 1] geleverde brijvoer en dat [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] daardoor schade hebben geleden. Ook staat vast dat [varkensboer 1] [varkensbedrijf] aansprakelijk heeft gesteld en van [varkensbedrijf] vergoeding verlangt van de door [varkensboer 1] geleden schade. Verder heeft [varkensbedrijf] onbestreden gesteld, dat zij aansprakelijkheid en haar in verband daarmee bestaande schuld jegens [varkensboer 1] heeft erkend.

8.4.4.

Bij de bepaling van de omvang van de door [foods] aan [varkensbedrijf] te vergoeden schade is mede van belang in hoeverre [varkensbedrijf] rechtens gehouden is tot vergoeding van de schade van [varkensboer 1] en deze schade daadwerkelijk voor haar rekening heeft genomen (vgl. ook Hoge Raad 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9348, Moerings/Mol, op welke uitspraak [foods] zich heeft beroepen). Anders dan [foods] heeft aangevoerd geldt daarbij niet als voorwaarde dat die schade daadwerkelijk door [varkensbedrijf] aan [varkensboer 1] is betaald. Door de schade van [varkensboer 1] en aansprakelijkheid terzake te erkennen heeft [varkensbedrijf] die schade “”daadwerkelijk voor haar rekening genomen”. Het vermogen van [varkensbedrijf] wordt immers verminderd doordat zij een schuld aan [varkensboer 1] heeft. Dat tussen [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] geen procedure aanhangig is maakt, anders dan [foods] aanvoert, het voorgaande niet anders. Gelet op de erkenning door [varkensbedrijf] van haar schuld aan [varkensboer 1], lag een procedure niet in de rede.

Verder is onbestreden dat tussen [varkensbedrijf] en [varkensboer 1] geen algemene voorwaarden van toepassing zijn, zodat een eventueel profijt van [foods] bij een door [varkensbedrijf] jegens haar afnemer gehanteerde exoneratie clausule niet aan de orde is.

Het beroep van [foods] op Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 ten slotte gaat niet op. In die zaak ging het, anders dan in de onderhavige zaak, om het tijdstip van ontstaan van een regresvordering van een hoofdelijk medeschuldenaar.

Grief 12 slaagt niet.

De overige grieven (27, 28, 29, 30 en 31)

8.5.

Grief 27, die betrekking heeft op de reconventionele vordering van [foods] en de daarbij gevorderde wettelijke handelsrente, strandt nu de in conventie gewezen vonnissen bekrachtigd worden.

Het met grief 28 door [foods] ingenomen, maar niet, althans onvoldoende onderbouwde standpunt dat [varkensbedrijf] in strijd heeft gehandeld met haar schadebeperkingsplicht door niet zelf [suikerwaterfabrikant] en Cara aansprakelijk te stellen, wordt verworpen.

De grieven 29 en 30 behoeven geen afzonderlijke bespreking. Grief 31 is reeds behandeld (r.o. 4.4.3 van het tussenarrest) en leidt evenmin tot vernietiging van de bestreden vonnissen.

8.6.

Voorzover [foods] nog andere verweren heeft gevoerd, kunnen die op bovenstaande gronden niet tot een ander oordeel leiden en behoeven zij daarom geen nadere bespreking. Voorzover [foods] nog bewijsaanbiedingen heeft gedaan, betreffen die stellingen die, indien bewezen, niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Nadere bewijslevering is dan ook niet aan de orde.

8.7.

De slotsom is dat het bestreden tussenvonnis van 26 augustus 2009 enkel voor wat betreft het daarbij gegeven, voorshandse bewijsoordeel wordt vernietigd en voor het overige wordt bekrachtigd en dat het bestreden eindvonnis van 25 januari 2012 wordt bekrachtigd. (In het hoger beroep tegen het vonnis van 24 september 2008 kan [foods] niet worden ontvangen, omdat tegen dat vonnis geen grieven zijn aangevoerd; r.o. 4.1 tussenarrest). [foods] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [varkensbedrijf] gevallen proceskosten.

9 De uitspraak

Het hof:

verklaart [foods] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het bestreden tussenvonnis van 24 september 2008;

vernietigt het bestreden tussenvonnis van 26 augustus 2009 maar uitsluitend ten aanzien van het daarbij gegeven voorshandse bewijsoordeel;

bekrachtigt dit tussenvonnis voor het overige en bekrachtigt het bestreden eindvonnis (in conventie en reconventie) van 25 januari 2012 voorzover deze vonnissen aan het oordeel van het hof zijn onderworpen;

veroordeelt [foods] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [varkensbedrijf] worden begroot op € 4.893,50 aan verschotten en op € 27.480,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.Th. Gründemann, M.A. Wabeke en J.J. Minnaar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 september 2014.