Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3521

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
Wr 218-10-2014 - 12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 36, geldigheid: 2014-09-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

registratienummer wraking Wr 218-10-2014
datum beslissing: 9 september 2014

Beslissing op het verzoek als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in de zaak met zaaknummer HD 200/104.242/02 van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: voorheen mr. M.C.J. Houben (onttrokken),

verzoeker tot wraking, hierna te noemen: [appellant],

tegen:

Coöperatieve Rabobank Peelland Zuid U.A.,

Als rechtsopvolgster onder algemene titel van de Coöperatieve Rabobank U.A., vestiging [vestigingsnaam],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.G. van Moll

hierna te noemen: de Rabobank,

strekkende tot wraking van de behandelende kamer bestaande uit mrs. M.G.W.M. Stienissen, S.M.A.M. Venhuizen en C.N.A. Antens, raadsheren in de civiele sector van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, hierna ook te noemen: de behandelende kamer.

1 Het procesverloop

1.1.

Tijdens de op 17 juni 2014 gehouden zitting, bedoeld voor het doen van uitspraak in de bij dit hof aanhangige dagvaardingszaak met zaaknummer HD 200.104.242/02 tussen [appellant] en de Rabobank (hierna: de hoofdzaak), heeft [appellant] mr. Stienissen en de overige raadsheren gewraakt.

1.3.

Bij brief van 18 juni 2014 heeft [appellant] aangegeven dat met ‘de overige raadsheren’ worden bedoeld de raadsheren die de zaak behandelen en de uitspraak van 17 juni 2014 zouden hebben gedaan. Uit ambtshalve onderzoek is de wrakingskamer gebleken dat de meervoudige kamer die op 17 juni 2014 arrest zou wijzen in de hoofdzaak bestaat uit mr. Venhuizen, mr. Antens en mr. Stienissen (de betrokken rolraadsheer), zodat de wrakingskamer begrijpt dat de wraking zich tegen deze drie raadsheren richt.

1.3.

Mrs. Stienissen, Venhuizen en Antens hebben niet in de wraking berust.

Mr. Venhuizen heeft op 11 augustus 2014 een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de wrakingskamer toegezonden. Deze reactie is op voorhand aan [appellant] toegezonden.

Mrs. Stienissen en Antens hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek.

1.3.

De wrakingskamer heeft het verzoek ter openbare zitting van 26 augustus 2014 behandeld. [appellant] is verschenen. Hij heeft pleitaantekeningen voorgelezen die hij tevens heeft overgelegd. Mrs. Stienissen, Venhuizen en Antens, die de wrakingskamer voorafgaand aan de behandeling van het wrakingsverzoek hebben laten weten geen gebruik te maken van de gelegenheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord, zijn niet verschenen. Evenmin is de Rabobank verschenen.

1.4.

Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer op 9 september 2014 uitspraak zal doen.

2 Het verzoek tot wraking

2.1.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

  1. [appellant] heeft bij brief van 16 juni 2014, zonder vertegenwoordigd te zijn door een procesadvocaat, het hof verzocht om in de hoofdzaak alsnog een mondeling pleidooi toe te staan. Op het moment dat [appellant] het verzoek om pleidooi deed, stond de zaak al voor arrest op 17 juni 2014.

  2. Bij faxbericht van 16 juni 2014 is door mr. S.C.J. Bouwman-Wagemakers, stafjurist, namens de rolraadsheer aan [appellant] medegedeeld dat het verzoek van [appellant] om pleidooi om twee redenen wordt afgewezen, te weten dat [appellant] zonder advocaat in hoger beroep niet kan procederen en niet zelf een verzoek voor pleidooi bij het hof kan indienen en daarnaast dat de zaak al voor arrest staat, ten gevolge waarvan thans niet meer om pleidooi kan worden verzocht. Voorts is aan [appellant] medegedeeld dat de volgende dag (wrakingskamer: 17 juni 2014) uitspraak wordt gedaan in zijn zaak en dat hij, indien gewenst, daarbij aanwezig kan zijn.

  3. In de hoofdzaak heeft mr. Stienissen als rolraadsheer, bijgestaan door de griffier, de heer A.A.M. van der Horst, op 17 juni 2014 een zitting, bedoeld voor het doen van uitspraak, gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Aan het proces-verbaal is als bijlage een door [appellant] opgemaakt stuk gevoegd dat de rolraadsheer ter zitting heeft voorgelezen. [appellant] heeft ter zitting nogmaals verzocht om pleidooi toe te staan in de hoofdzaak. Mr. Stienissen heeft dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar de motivering van de schriftelijke afwijzing van 16 juni 2014 op het schriftelijk verzoek om pleidooi van diezelfde datum. Vervolgens heeft [appellant] het onderhavige wrakingsverzoek gedaan en mondeling toegelicht, als gevolg waarvan de behandeling van de hoofdzaak is geschorst.

2.2.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat het ongemotiveerd terzijde stellen van zowel zijn schriftelijk verzoek om pleidooi als zijn mondeling verzoek om pleidooi een grond voor wraking oplevert. [appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat in een veel eerder stadium van de procedure in de hoofdzaak een uitstelverzoek voor het nemen van grieven van zijn toenmalige advocaat, mr. Houben, ten onrechte niet is gehonoreerd en dat daarna geen mogelijkheid tot pleidooi is geboden, zodat [appellant] geen kans heeft gekregen om zijn bezwaren tegen het vonnis waarvan hij in hoger beroep is gekomen naar voren te brengen, en dat het hof (in het bijzonder aldus mrs. Stienissen, Venhuizen en Antens) door vervolgens zowel het schriftelijke verzoek als het mondelinge verzoek om pleidooi af te wijzen zich vooringenomen heeft getoond. Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] aldus dat hij van mening is dat de vooringenomenheid van mr. Stienissen die als rolraadsheer de pleidooiverzoeken heeft afgewezen tevens de vooringenomenheid van de behandelende meervoudige kamer, waarvan mr. Stienissen deel uitmaakt, jegens [appellant] meebrengt.

3 Het standpunt van de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek is gericht

Mr. Venhuizen heeft in zijn schriftelijke reactie van 11 augustus 2014 aangegeven dat hij, voor zover hij kan nagaan, als rolraadsheer geen beslissing ten nadele van [appellant] heeft genomen, dat de meervoudige kamer, waarvan hij onderdeel uitmaakt, evenmin heeft moeten beslissen over een in de hoofdzaak ingediend pleidooiverzoek en dat de eventuele enkele weigering van een pleidooiverzoek nog geen grond voor wraking oplevert.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.3.

Het wrakingsverzoek is ingegeven door de herhaalde weigering door het hof om in de hoofdzaak een pleidooi toe te staan, mede in het licht van een (volgens [appellant]) in een eerder stadium afgewezen verzoek tot uitstel voor het nemen van memorie van grieven.

4.4.

De wrakingskamer stelt allereerst vast dat uit de roladministratie van de civiele griffie van het hof niet is af te leiden dat, zoals [appellant] stelt, in een eerder stadium door mr. Houben namens [appellant] is verzocht om uitstel voor het nemen van de memorie van grieven en dat dat uitstelverzoek is afgewezen. De wrakingskamer is – deels uit ambtshalve onderzoek - het volgende gebleken (voor zover thans van belang):

- In de hoofdzaak is op 27 maart 2012 de appeldagvaarding van [appellant] op de rol geïntroduceerd. De zaak kreeg toen het zaaknummer HD 200.104.242/01;

- De zaak is op de rol van 19 juni 2012 geplaatst voor het nemen van memorie van grieven van de zijde van [appellant];

- Nadat het nemen van memorie van grieven acht maal is aangehouden, heeft

de rolraadsheer op de rol van 7 mei 2013 vastgesteld dat het recht van [appellant] om de memorie van grieven te nemen is vervallen, omdat die proceshandeling niet binnen de daarvoor gestelde termijn is verricht en daarvoor geen nader uitstel is verkregen. De rolraadsheer heeft van dat feit aan de Rabobank akte van niet-dienen verleend.
Op de rol van diezelfde datum heeft de toenmalige advocaat van [appellant], mr. W.L.P. van Rooij, zich aan de zaak onttrokken;

- Op de rol van 21 mei 2013 heeft mr. Houben zich als procesvertegenwoordiger voor [appellant] gesteld;

- Op de rol van 4 juni 2013 heeft mr. Houben zich aan de zaak onttrokken;

- Op de rol van 18 juni 2013 heeft zich geen nieuwe procesvertegenwoordiger voor [appellant] gesteld, waarna de zaak ambtshalve is geroyeerd;

- Vervolgens is de zaak op de rol van 16 juli 2013 geplaatst voor voortprocederen onder zaaknummer HD 200.104.242/02;

- Op de rol van 30 juli 2013 heeft zich geen nieuwe procesvertegenwoordiger gesteld;

- De Rabobank heeft vervolgens op de rol van 30 juli 2013 arrest gevraagd, waarna arrest is bepaald op 24 september 2013. Vervolgens is het arrest verschillende malen aangehouden tot uiteindelijk 17 juni 2014;

- In verband met het wrakingsverzoek van [appellant] is het arrest in afwachting van de uitspraak op dat verzoek opnieuw aangehouden tot 28 oktober 2014.

4.5.

Met betrekking tot de afwijzing van de verzoeken om pleidooi overweegt de wrakingskamer als volgt. De beslissing tot afwijzing van de pleidooiverzoeken vormt een processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in beginsel geen grond voor wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat de rolraadsheer en de behandelende meervoudige kamer een vooringenomenheid koesteren, althans de bij [appellant] bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan in casu geen sprake is. De beslissingen van de rolraadsheer tot afwijzing van de pleidooiverzoeken, noch de daaraan ten grondslag gelegde motivering (het indienen van het verzoek kan niet in persoon maar dient te geschieden door een advocaat en de zaak stond al voor arrest) kunnen naar het oordeel van de wrakingskamer in redelijkheid leiden tot de conclusie dat de rolraadsheer en/of de behandelende meervoudige kamer jegens [appellant] vooringenomen is/zijn. Evenmin kan worden gezegd dat door deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering bij [appellant] de gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid kan zijn ontstaan. Ook al zou een eerder ingediend verzoek tot uitstel voor het nemen van memorie van grieven door het hof zijn afgewezen - zoals [appellant] stelt maar geenszins uit de roladministratie is af te leiden -dan maakt dat het vorenstaande niet anders.

4.6.

Voor zover het wrakingsverzoek van [appellant] gebaseerd is op het standpunt dat de beslissing op de pleidooiverzoeken onjuist is, is het wrakingsverzoek evenmin toewijsbaar.

Aan de wrakingskamer staat niet ter beoordeling of de betrokken rolraadsheer al dan niet terecht de verzoeken om alsnog pleidooi toe te staan heeft afgewezen. De wrakingskamer heeft niet de functie van appel- of cassatierechter en kan en zal dan ook niet treden in de vraag of de gewraakte beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motiveringen juist zijn. Ter beoordeling van de wrakingskamer staat slechts of de rolraadsheer door te beslissen als hij heeft gedaan of in de motivering van de beslissing blijk heeft gegeven van vooringenomenheid van hem en/of de behandelende meervoudige kamer jegens [appellant], althans of de dienaangaande bij [appellant] bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Zoals hiervoor reeds is overwogen, dient hierop ontkennend te worden beantwoord.

4.7.

Op grond van het voorgaande kan de door [appellant] aangevoerde wrakingsgrond dan ook niet leiden tot het oordeel dat het optreden van de gewraakte rolraadsheer in enig opzicht niet zou voldoen aan de vereisten die aan een eerlijk proces worden gesteld. Andere feiten en

omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, zijn gesteld noch gebleken. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan [appellant], de advocaat van de Rabobank en de raadsheren mrs. Stienissen, Venhuizen en Antens.

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W.J. Huige, C.D.M. Lamers en N.J.M. Ruyters En, in aanwezigheid van de griffier mr. W.L.M. van Riel, in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.