Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3369

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
12-00517
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:34
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene, een natuurlijk persoon, houdt middellijk dan wel onmiddellijk de aandelen in meer dan 100 vennootschappen waarover hij tevens de directie voert. Belanghebbende, een van de vennootschappen, stelt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2003 niet tijdig is opgelegd. Het Hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat het voor belanghebbende bestemde aanslagbiljet vóór ultimo 2008 is verzonden.

Ten aanzien van de prestatie van een buitenlandse ondernemer, bestaande in schilderwerk aan in Nederland gelegen onroerend goed van belanghebbende, oordeelt het Hof, na te hebben vastgesteld dat die prestatie met toepassing van de verleggingsregeling bij belanghebbende is belast, dat de verschuldigde belasting niet voor aftrek in aanmerking komt omdat het onroerend goed door belanghebbende vrij van omzetbelasting werd verhuurd.

Het Hof verwerpt de grief van belanghebbende dat de Inspecteur haar doelbewust aftrek van voorbelasting heeft onthouden.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op een hogere vergoeding van proceskosten dan door de Rechtbank toegekend.

Ten aanzien van de door de Rechtbank aan belanghebbende toegekende vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding in de bezwaarfase, oordeelt het Hof dat belanghebbende geen recht heeft op een hogere vergoeding dan door de Rechtbank toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2360
V-N Vandaag 2014/2043
V-N 2014/58.2.1
Mr. A.J. Blank annotatie in NTFR 2014/2716

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00517

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] BV, gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 juli 2012, nummer AWB 11/3362, inzake het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor [plaats],

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 onder nummer [aanslagnummer] en met dagtekening 31 december 2008 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 10.290 (hierna: de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is aan belanghebbende bij beschikking € 2.329 heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking heffingsrente).

1.2.

Belanghebbende is bij brief, gedagtekend 31 januari 2009 en bij de Inspecteur binnengekomen op 28 januari 2009, in bezwaar gekomen. Belanghebbende heeft op 2 augustus 2010 beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Bij uitspraak van 29 april 2011 heeft de Rechtbank dit beroep gegrond verklaard en gelast dat de Inspecteur binnen twee weken op het bezwaarschrift moet beslissen.

1.3.

Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar, gedagtekend 11 mei 2011, heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is bij brief, gedagtekend 21 juni 2011 en bij de Rechtbank binnengekomen op 24 juni 2011, in beroep gekomen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 302.

1.5.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.023, met dienovereenkomstige vermindering van de bij de beschikking heffingsrente in rekening gebrachte heffingsrente, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 637 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 302 aan deze vergoedt.

1.6.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij brief, gedagtekend 3 september 2012 en bij het Hof per fax binnengekomen op 4 september 2012, hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 466. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 22 januari 2013 schriftelijk gerepliceerd. De Inspecteur heeft op 11 februari 2013 schriftelijk gedupliceerd.

1.7.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende per faxbericht van 2 januari 2014 nadere stukken ingediend, gevolgd door binnenkomst per post van die stukken op 6 januari 2014. Deze stukken zijn in kopie verstrekt aan de wederpartij. Ter na te melden zitting heeft het Hof die stukken aangemerkt als pleitnota met bijlagen van belanghebbende.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 januari 2014 te ’s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, in de persoon van de heer [A], de heer [B], advocaat te [C], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [D], [E], [F] en [G].

1.9.

Ter zitting van 15 januari 2014 zijn tevens, met instemming van partijen, behandeld de zaken met de kenmerken 12/00495 en 12/00497 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [V] NV), de zaken met de kenmerken 12/00509 en 12/00520 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [H] BV), de zaken met de kenmerken 12/00521 tot en met 12/00525 (hoger beroepen van [H] BV), de zaken met de kenmerken 12/00511 en 12/00515 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [J] BV), de zaken met de kenmerken 12/00512 en 12/00519 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [K] BV), de zaak met het kenmerk 12/00516 (hoger beroep van [L] BV, de zaken met de kenmerken 12/00510 en 12/00518 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [N] B.V. en de zaken met de kenmerken 12/00513 en 12/00514 (hoger beroepen van [O] BV).

1.10.

De Inspecteur heeft vóór de zitting een pleitnota met bijlagen toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.11.

Belanghebbende heeft ter zitting een (tweede) pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.12.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.13.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak voor het Hof de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende en [V] NV, [H] BV, [J] BV, [K] BV, [L] BV, [N] BV en [O] BV, vennootschappen waarvan een of meer zaken gelijktijdig met de onderhavige zaken ter zitting van het Hof zijn behandeld, maken deel uit van een groep die bestaat uit meer dan 100 vennootschappen. Van die vennootschappen, die alle zijn gevestigd op het adres [a-straat] 3 te [vestigingsplaats], worden de aandelen, middellijk dan wel onmiddellijk, gehouden door de heer [A]. De heer [A] voert tevens de directie over die vennootschappen (hierna: [P]).

2.2.

Begin 2001 heeft de Inspecteur aan diverse vennootschappen van [P] vragenbrieven gestuurd over het ondernemerschap voor de omzetbelasting gezonden, omdat een groot aantal vennootschappen over meer jaren grote teruggaven van omzetbelasting had gevraagd. Op basis van de retour ontvangen informatie heeft de Inspecteur geoordeeld dat voor 31 vennootschappen niet aannemelijk is gemaakt dat daarin economische activiteiten plaatsvinden. Op 14 maart 2001 zijn de OB-nummers van die vennootschappen gedeactiveerd.

2.3.

Op 2 oktober 2001 heeft de FIOD-ECD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld bij [P]. De daarbij in beslag genomen administratie is in maart 2003 vrijgegeven. Het onderzoek heeft ertoe geleid dat de heer [A] strafrechtelijk werd veroordeeld wegens het bewust doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en van valsheid in geschrifte.

2.4.

Belanghebbende verhuurt onroerend goed en handelt in onroerend goed.

2.5.

De Inspecteur heeft in 2006 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld (eerste dag onderzoek 13 december 2006), betreffende de aanvaardbaarheid van onder andere de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003. Bevonden werd dat belanghebbende in 2003 het onroerend goed Veestraat 32 in Linne, in dat jaar haar enige onroerend goed, vrijgesteld van omzetbelasting verhuurde.

2.6.

Bij het boekenonderzoek zijn in de administratie van belanghebbende drie facturen aangetroffen van Belgische ondernemingen, onder andere een factuur van [W] te [X], wegens voor belanghebbende verrichte diensten ten behoeve van voormeld onroerend goed. In de factuur is € 19.200 gefactureerd wegens “geleverd schilderwerk buiten” en is achter “BTW” vermeld “0%.” In het naar aanleiding van het boekenonderzoek opgemaakte rapport wordt, onder toepassing van de zogenoemde verleggingsregeling, de door belanghebbende verschuldigde omzetbelasting berekend op € 3.648. Voorts is in aftrek gebrachte voorbelasting van € 813,20 gecorrigeerd ter zake van een factuur van [L] BV, alsmede in aftrek gebrachte voorbelasting van in totaal € 2.591 ter zake van facturen van advocaat [Y]. Tot een bedrag van € 2.375 wordt voorts de verleende aftrek van voorbelasting teruggenomen, op grond van de bevinding dat belanghebbende naast belaste prestaties ook vrijgestelde prestaties verrichtte, waaronder het vrij van omzetbelasting verhuren van voormeld onroerend goed.

2.7.

Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft de Inspecteur tussentijds, vóór de afronding van het boekenonderzoek en mede ter behoud van rechten, de naheffingsaanslag opgelegd, tot een bedrag van € 10.290. De naheffingsaanslag is gedagtekend 31 december 2008.

2.8.

Op 28 januari 2009 komt belanghebbende in bezwaar tegen de naheffingsaanslag, na bij brief van 31 december 2008 de Inspecteur om een specificatie van de naheffingsaanslag te hebben verzocht.

2.9.

Het rapport van het boekenonderzoek is gedagtekend 12 mei 2010. Dat wordt aan belanghebbende toegezonden. Bij brief van 26 juli 2010 vraagt belanghebbende nogmaals om een specificatie van de naheffingsaanslag. Bij brief van 12 augustus 2010 deelt de Inspecteur mede dat met het rapport de naheffingsaanslag is gespecificeerd en verzoekt belanghebbende het bezwaar te motiveren. Op 30 augustus 2010 zendt de Inspecteur een kopie van het rapport, nadat belanghebbende de Inspecteur bij brief van 25 augustus 2010 had bericht het rapport niet te hebben ontvangen.

2.10.

Op 2 augustus 2010 stelt belanghebbende beroep in wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Bij uitspraak van 29 april 2011 verklaart de Rechtbank dit beroep gegrond en gelast de Inspecteur binnen twee weken op het bezwaarschrift te beslissen.

1.11.

Bij uitspraken van 11 mei 2011 handhaaft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente.

3 Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is, naar het Hof begrijpt, in geschil het antwoord op de volgende vragen:

A. Is de naheffingsaanslag tijdig opgelegd?

B. Moet de naheffingsaanslag, na door de Rechtbank te zijn verminderd tot € 6.023, op een lager bedrag worden vastgesteld?

C. Is de heffingsrente overeenkomstig de door de Rechtbank verminderde naheffingsaanslag correct brekend?

D. Moeten de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente worden vernietigd, omdat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

E. Heeft belanghebbende voor de bezwaarfase en de beroepsfase te samen recht op een vergoeding van proceskosten van minimaal € 3000?

F. Heeft belanghebbende recht op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding dan door de Rechtbank is toegekend?

Belanghebbende beantwoordt de vragen B, D, E en F bevestigend en de vragen A en C ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zitting van het Hof hieraan is toegevoegd, verwijst het Hof naar het proces-verbaal van deze zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de beslissing inzake het griffierecht, vernietiging van de naheffingsaanslag, vernietiging van de beschikking heffingsrente, toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding dan door de Rechtbank is toegekend en toekenning van een vergoeding voor de kosten van bezwaar en beroep tot een bedrag van minimaal € 3.000.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De Rechtbank heeft aannemelijk geacht dat het beroepschrift voor het einde van de zogenoemde zes wekentermijn ter post is bezorgd en heeft op die grond het beroepschrift ontvankelijk geacht. Het Hof volgt dit oordeel van de Rechtbank en maakt dit tot het zijne.

Ten aanzien van het geschil

Met betrekking tot vraag A

4.2.1.

Gedagtekend 31 december 2008 is van belanghebbende in één aanslag over de tijdvakken 2003 en 2004 omzetbelasting nageheven. Ingevolge artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt de bevoegdheid tot naheffing door het verloop van vijf jaren na het einde van het jaar, waarin de belastingschuld is ontstaan of teruggaaf is verleend. De wettelijke termijn voor het opleggen van de naheffingsaanslag geldt voor ieder tijdvak afzonderlijk. Over het tijdvak 2003 begon de termijn voor het opleggen van de naheffingsaanslag derhalve te lopen op 1 januari 2004 en eindigde ultimo 2008 .

4.2.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat “vast staat dat niet voor de 3e of de 4e januari 2009 of nog later de brief eerst werd bezorgd” en dat “de belastingdienst ook niet heeft aangetoond dat de aanslag wel op 31 december 2008 ter post werd bezorgd.”

4.2.3.

De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep, onder bijvoeging van een “rapportage van het tot stand komen van het aanbieden van een document aan de postleverancier”, gesteld dat uit die rapportage blijkt dat de naheffingsaanslag op 30 december 2008 “binnen de partij documenten met generatienummer g5654 is aangeboden aan TNT Post.”

4.2.4.

Belanghebbende heeft niet gesteld dat het aanslagbiljet haar niet heeft bereikt. Het Hof gaat er vanuit dat belanghebbende het aanslagbiljet heeft ontvangen. Daarvan uitgaande had het op de weg van belanghebbende gelegen aan te geven op welke datum zij precies het aanslagbiljet heeft ontvangen. Dat is niet gebeurd. Het Hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat het voor belanghebbende bestemde aanslagbiljet vóór ultimo 2008 is verzonden. Belanghebbende heeft daartegenover geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat de naheffingsaanslag 2003 niet tijdig is opgelegd.

Vraag A moet bevestigend worden beantwoord.

Met betrekking tot vraag B

4.3.

De prestatie van [W] te [X] aan belanghebbende, bestaande in het “geleverd schilderwerk buiten” aan voormeld onroerend goed, is in Nederland verricht en in verband met de zogenoemde verleggingsregeling bij belanghebbende belast. Dat onroerend goed werd vrij van omzetbelasting verhuurd. De wegens de toepassing van de verleggingsregeling door belanghebbende verschuldigde omzetbelasting komt daarom niet voor aftrek in aanmerking. Ook overigens heeft belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de door haar bepleite aftrek van voorbelasting verband houdt met belaste prestaties.

Vraag B moet ontkennend worden beantwoord.

Met betrekking tot vraag C

4.4.

Belanghebbende heeft in hoger beroep geen zelfstandige grieven geformuleerd tegen de in rekening gebrachte heffingsrente. Ambtshalve is het Hof niet gebleken dat de berekening van de in rekening gebrachte heffingsrente, ook na de vermindering van de naheffingsaanslag door de Rechtbank, onjuist is. Voor zover belanghebbende in hoger beroep heeft bedoeld te stellen, dat de Inspecteur onredelijk lang heeft gewacht met het opleggen van de naheffingsaanslag, is die grief aan te merken als een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Hof behandelt deze grief hierna bijvraag D.


Vraag C moet bevestigend worden beantwoord.

Met betrekking tot vraag D

4.5.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Voor zover deze grief moet worden opgevat als dat belanghebbende de Inspecteur verwijt dat hij haar doelbewust aftrek van voorbelasting heeft onthouden, volgt het Hof belanghebbende daarin niet. Van een doelbewuste onthouding van de aftrek door de Inspecteur is het Hof niet gebleken.

4.5.2.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen, dat de Inspecteur onredelijk lang heeft gewacht met het opleggen van de naheffingsaanslag, overweegt het Hof als volgt. Ingevolge artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft de Inspecteur de bevoegdheid een naheffingsaanslag op te leggen tot vijf jaren na het einde van het kalenderjaar, waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend. De naheffingsaanslag is binnen die wettelijke termijn opgelegd en voorts binnen twee jaar en één maand na de aanvang van het bij de belanghebbende ingestelde boekenonderzoek. Dat acht het Hof niet onredelijk, gelet op het grote aantal te behandelen zaken van vennootschappen van [P].

4.5.3.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de Inspecteur onredelijk lang heeft gewacht met het doen van uitspraak op bezwaar, overweegt het Hof als volgt. De Inspecteur heeft, voordat belanghebbende op 28 januari 2009 in bezwaar kwam tegen de mede ter behoud van rechten opgelegde naheffingsaanslag, bij belanghebbende het onderhavige boekenonderzoek ingesteld. Het rapport van dat boekenonderzoek is eerst op 12 mei 2010 uitgebracht. Aannemelijk is dat de Inspecteur de zaken van vennootschappen van [P] zoveel mogelijk in onderlinge samenhang wilde beoordelen en dat dat veel tijd vergde. Een en ander laat onverlet dat de Inspecteur naar het oordeel van het Hof ruim de tijd heeft genomen voor het afronden van het boekenonderzoek en het beslissen op het bezwaar. Aan het vorenstaande kan echter niet het gevolg worden verbonden dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

4.5.4.

Voor zover belanghebbende beroep doet op het gelijkheidsbeginsel merkt het Hof op dat zij hiervoor onvoldoende heeft gesteld.


Vraag D moet derhalve ontkennend worden beantwoord

Met betrekking tot vraag E

4.6.

De Rechtbank heeft belanghebbende voor de bezwaarfase terecht geen vergoeding van proceskosten toegekend. In de bezwaarfase heeft belanghebbende immers niet om een vergoeding van proceskosten verzocht.
Wat betreft de beroepsfase, heeft de Rechtbank overwogen dat belanghebbende bij het voorbereiden van de conclusie van repliek kosten van beroepsmatige rechtsbijstand heeft gemaakt en, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor voorbereidende handelingen geen puntentarief voorschrijft, het aan de voorbereiding van de conclusie van repliek toe te kennen bedrag in goede justitie vastgesteld op € 200. Ter zake van het verlenen van beroepsmatige rechtsbijstand ter zitting heeft de Rechtbank belanghebbende 1 punt ter waarde van € 437 toegekend, met inachtneming van het puntenstelsel van het Besluit. De Rechtbank heeft de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende veroordeeld tot een totaalbedrag van € 637. Een vergoeding van de werkelijke proceskosten is achterwege gebleven. Het Hof volgt deze beslissingen van de Rechtbank en de overwegingen daarbij. Met name is terecht een vergoeding van de werkelijke proceskosten achterwege gebleven. Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit zijn niet aannemelijk geworden.


Vraag E moet ontkennend worden beantwoord.

Met betrekking tot vraag F

4.7.

Anders dan waarvan belanghebbende is uitgegaan, vangt, bij de bepaling of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding, de termijn aan met de binnenkomst van het bezwaarschrift bij de Inspecteur.

4.8.

De Rechtbank heeft voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk een overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011,
nr. 09/02639,ECLI:NL:HR:2011:BO5046, geconstateerd van (bijna) één jaar en zes maanden. Het Hof volgt die constatering. Vervolgens heeft de Rechtbank geoordeeld dat die termijnoverschrijding geheel is toe te schrijven aan de Inspecteur en dat de vergoeding van immateriële schade € 1.500 (€ 500 per half jaar of een gedeelte daarvan) bedraagt. Het Hof volgt de Rechtbank daarin. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn niet overschreden. Belanghebbende heeft geen recht op een hogere vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.



Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 29 augustus 2014 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, J. Swinkels en G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.