Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3362

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
12-00509 en 12-00520
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:288
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. Betrokkene, een natuurlijk persoon, houdt middellijk dan wel onmiddellijk de aandelen in meer dan 100 vennootschappen waarover hij tevens de directie voert. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende, een van de vennootschappen, wist dat voorbelasting op facturen niet door de gelieerde vennootschappen zou worden aangegeven en voldaan, dat ter zake sprake is van samenspanning en dat de Rechtbank de correcties ter zake van de Inspecteur ten onrechte ongedaan heeft gemaakt. Ten aanzien van geconstateerde aansluitverschillen tussen de administratie van belanghebbende en gedane aangiften voor de omzetbelasting oordeelt het Hof, evenals de Rechtbank, dat die voor rekening van belanghebbende komen. Ten aanzien van de grief dat de Inspecteur belanghebbende doelbewust aftrek van voorbelasting heeft onthouden, oordeelt het Hof dat de Inspecteur steeds heeft getoetst of belanghebbende voor aftrek van voorbelasting in aanmerking kwam en ook steeds heeft aangegeven waarom aan vennootschappen de BTW-status werd ontnomen. Belanghebbende heeft ook geen recht op vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2359
V-N Vandaag 2014/2026
V-N 2014/57.1.3
drs. J. van der Laan, mr. J.P.W.H.T. Becks annotatie in NTFR 2014/2717

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00509 en 12/00520

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: belanghebbende,

en

het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor [plaats],

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 juli 2012, nummer AWB 11/5366, inzake het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2004 onder nummer [aanslagnummer] en met dagtekening 22 september 2010 een beschikking teruggaaf omzetbelasting gegeven van € 180 (hierna: de teruggaafbeschikking). Gelijktijdig is aan belanghebbende bij beschikking € 59 heffingsrente vergoed (hierna: de beschikking heffingsrente).

1.2.

Belanghebbende is bij brief, gedagtekend 27 september 2010 en bij de Inspecteur binnengekomen op 28 september 2010, in bezwaar gekomen.

1.3.

Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar, gedagtekend 14 september 2011, heeft de Inspecteur de teruggaafbeschikking en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is bij brief, gedagtekend 19 oktober 2011 en bij de Rechtbank per fax binnengekomen op diezelfde dag, in beroep gekomen. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 302.

1.5.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, de teruggaafbeschikking vastgesteld op € 1.529, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 637 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 302 aan deze vergoedt.

1.6.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende bij brief, gedagtekend 4 september 2012 en bij het Hof op diezelfde dag per fax binnengekomen, hoger beroep ingesteld, bij het Hof geadministreerd onder nummer 12/00520. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 12 december 2012 schriftelijk gerepliceerd. De Inspecteur heeft op 10 januari 2013 schriftelijk gedupliceerd.

1.7.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank bij brief, gedagtekend 3 september 2012 en bij het Hof binnengekomen op 4 september 2012, eveneens hoger beroep ingesteld, bij het Hof geadministreerd onder nummer 12/00509. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 26 maart 2013 schriftelijk gerepliceerd. Belanghebbende heeft op 25 april 2013 schriftelijk gedupliceerd.

1.8.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende per fax op 2 januari 2014 nadere stukken ingediend, gevolgd door binnenkomst per post van die stukken op 6 januari 2014. Deze stukken zijn in kopie verstrekt aan de wederpartij. Ter na te melden zitting heeft het Hof die stukken aangemerkt als pleitnota met bijlagen van belanghebbende.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 januari 2014 te ’s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, in de persoon van de heer [A], de heer [B], advocaat te [C], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [D], [E], [F] en [G].

1.10.

Ter zitting zijn tevens, met instemming van partijen, behandeld de zaken met de kenmerken 12/00495 en 12/00497 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [H] NV), de zaken met de kenmerken 12/00521 tot en met 12/00525 (hoger beroepen van [belanghebbende]), de zaken met de kenmerken 12/00511 en 12/00515 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [J] BV), de zaken met de kenmerken 12/00512 en 12/00519 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [K] BV), de zaak met het kenmerk 12/00516 (hoger beroep van [L] BV), de zaak met het kenmerk 12/00517 (hoger beroep van [M] BV), de zaken met de kenmerken 12/00510 en 12/00518 (hoger beroep van de Inspecteur respectievelijk van [N] BV) en de zaken met de kenmerken 12/00513 en 12/00514 (hoger beroepen van [O] BV).

1.11.

De Inspecteur heeft vóór de zitting een pleitnota met bijlagen toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. .Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.12.

Belanghebbende heeft ter zitting exemplaren van een (tweede) pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij en deze voorgedragen.

1.13.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.14.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak voor het Hof de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende en [H] NV, [J] BV, [K] BV, [L] BV, [M] BV, [N] BV en [O] BV, vennootschappen waarvan een of meerdere zaken gelijktijdig met de onderhavige zaken ter zitting van het Hof zijn behandeld, maken deel uit van een groep van meer dan 100 vennootschappen. Van die vennootschappen, welke alle zijn gevestigd op het adres [a-straat] 3 te [vestigingsplaats], worden de aandelen, middellijk dan wel onmiddellijk, gehouden door de heer [A] voornoemd (hierna: de heer [A]). De heer [A] voert tevens de directie over die vennootschappen (hierna: [P]).

2.2.

Begin 2001 heeft de Inspecteur aan diverse vennootschappen van [P] vragenbrieven over het ondernemerschap voor de omzetbelasting gezonden, omdat een groot aantal vennootschappen over meer jaren grote teruggaven van omzetbelasting had gevraagd. Op basis van de retour ontvangen informatie heeft de Inspecteur geoordeeld dat voor 31 vennootschappen niet aannemelijk is gemaakt dat daarin economische activiteiten plaatsvinden. Op 14 maart 2001 zijn de OB-nummers van die vennootschappen gedeactiveerd.

2.3.

Op 2 oktober 2001 heeft de FIOD-ECD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld bij [P]. De daarbij in beslag genomen administratie werd in maart 2003 vrijgegeven. Het onderzoek heeft ertoe geleid dat de heer [A] werd veroordeeld wegens het bewust doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en van valsheid in geschrifte.

2.4.

Belanghebbende is ondernemer. De ondernemingsactiviteiten bestaan in de exploitatie van hotels.

Belanghebbende heeft over het eerste kwartaal 2001 aangifte gedaan, resulterend in een verzoek om teruggave van ƒ 204. Belanghebbende heeft over het tweede kwartaal 2001 aangifte gedaan, resulterend in een verzoek om teruggave van ƒ 677. Belanghebbende heeft over het derde kwartaal 2002 aangifte gedaan, resulterend in een verzoek om teruggave van € 12. Belanghebbende heeft over het tweede kwartaal 2003 aangifte gedaan, resulterend in een verzoek om teruggave van € 8.511. Belanghebbende heeft over het eerste kwartaal 2004 aangifte gedaan, resulterend in een verzoek om teruggave van € 6. Belanghebbende heeft over het tweede kwartaal 2004 aangifte gedaan, resulterend in een verzoek om teruggave van € 956.

2.5.

De Inspecteur heeft in december 2006 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht zijn de aangiften over het tijdvak 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2004. Tijdens het boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar onder andere bevonden dat tussen de administratie van belanghebbende en de gedane aangiften omzetbelasting geen aansluiting bestaat. Daarnaast is geconstateerd dat belanghebbende voorbelasting in aftrek heeft gebracht die aan haar in rekening is gebracht door aan haar gelieerde ondernemingen. De voorbelasting is vermeld op facturen die aan belanghebbende zijn uitgereikt en in de administratie van belanghebbende aanwezig zijn. Van het boekenonderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 7 september 2010.

2.6.

Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft de Inspecteur de beschikking teruggaaf vastgesteld op (afgerond) € 180, berekend als volgt:

beschikking teruggaaf

1-1-2001

/30-6-2004

1e kw 2001

2e kw 2001

3e kw 2002

2e kw 2003

1e kw 2004

2e kw 2004

verzochte teruggaaf

f 204

f 677

€ 12

€ 8.511

€ 6

€ 956

balanspost omzetbelasting

f 0

f 0

€ 3.127,16

€ 319,15

€ 870,70

€ 0

Voorbelasting

f 688,49

f 171,02

€ 104,94

€ 148,54

€ 11,63

€ 961,48

Correcties

f 494

€ 83,83

€ 950

verleende teruggaaf

f 195

f 172

€ 0

€ 0

€ 0

€ 12

€ 88

€ 78

teruggaaf per saldo

€ 180

Heffingsrente

€ 59

beschikking teruggaaf

€ 239

Bij de teruggaafbeschikking is € 180 teruggegeven. Bij de beschikking heffingsrente is € 59 heffingsrente vergoed.

2.7.

De Inspecteur heeft over het eerste kwartaal 2001 gecorrigeerd een bedrag van f 494 (= € 224,17) inzake de factuur van [R] BV, in het tweede kwartaal 2003 een bedrag van € 83,83 inzake de factuur van [S] en in het tweede kwartaal 2004 een bedrag van € 950 inzake de factuur van [T] BV, tezamen € 1.258. Die bedragen zijn door de betrokken vennootschappen niet op aangifte aangegeven en voldaan. De teruggaaf is verder tot € 180 beperkt gebleven door de tijdens het boekenonderzoek bevonden aansluitverschillen tussen de administratie van belanghebbende en de gedane aangiften omzetbelasting. Deze aansluitverschillen zijn door de Inspecteur voor 2003 en 2004 becijferd op € 8.921 respectievelijk € 1.882.

2.8.

Na bezwaar heeft de Inspecteur de teruggaafbeschikking gehandhaafd.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak de in 2.7 vermelde correcties ongedaan gemaakt en het bedrag van de teruggaafbeschikking nader bepaald op € 1.529

3 Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is, naar het Hof begrijpt, in geschil het antwoord op de volgende vragen:

A. Heeft de Rechtbank terecht de correcties ongedaan gemaakt?

B. Is de Inspecteur bij het nemen van de teruggaafbeschikking terecht uitgegaan van aansluitverschillen tussen de administratie van belanghebbende en de gedane aangiften omzetbelasting, een en ander als door de Inspecteur becijferd?

C. Heeft de Inspecteur gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

D. Heeft de Rechtbank belanghebbende de vergoeding van proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase tot het juiste bedrag toegekend?

E. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding?

Belanghebbende beantwoordt vraag de vragen A, C en E bevestigend en de overige vragen ontkennend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zitting van het Hof hieraan is toegevoegd, verwijst het Hof naar het proces-verbaal van deze zitting.

3.3.1.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur, gegrondverklaring van het beroep van belanghebbende, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing inzake het griffierecht, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, verlening van teruggaaf omzetbelasting zoals door haar verzocht, met dienovereenkomstige vergoeding van heffingsrente, toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding en toekenning van een vergoeding voor de kosten van bezwaar en beroep tot een bedrag van minimaal € 3.000.

3.3.2.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende, gegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing houdende afwijzing van het verzoek om schadevergoeding, alsmede bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Met betrekking tot vraag A

4.1.

De Rechtbank heeft in onderdeel 4.4 van haar uitspraak vermeld dat de Inspecteur heeft gesteld dat voorbelasting bij belanghebbende kan worden nageheven, omdat die belasting niet door de gelieerde vennootschappen is aangegeven en voldaan, de administratie van belanghebbende en van die vennootschappen door dezelfde administratief medewerkers werd bijgehouden en de aangiften onder verantwoordelijkheid van dezelfde bestuurders werden ingediend, en, uitgaande van de wetenschap bij belanghebbende, dat naheffing bij die vennootschappen zonder resultaat zou blijven. De Rechtbank heeft vervolgens, onder verwijzing naar artikel 20, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en oordelende dat de Inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er door de gelieerde vennootschappen geen of te weinig omzetbelasting is voldaan en dat dit, bovendien, aan belanghebbende is te wijten, de onderhavige correcties, groot € 1.258, ongedaan gemaakt en de teruggaaf omzetbelasting, zoals die door de Inspecteur is vastgesteld, met de betreffende bedragen verhoogd.

4.2.

De Inspecteur heeft in zijn beroepschrift in hoger beroep, onder verwijzing naar het van de zitting bij de Rechtbank opgemaakte proces-verbaal, aangevoerd dat belanghebbende niet heeft gesteld dat de voorbelasting door de betrokken gelieerde vennootschappen is aangegeven en voldaan, maar dat “de facturen zouden zijn betaald, terwijl de omzetbelasting in de jaarrekening wordt opgenomen, omdat de omzetbelastingnummers zijn geschrapt”. De Inspecteur heeft gesteld voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat belanghebbende in samenspanning met de facturerende gelieerde vennootschappen wist dat de in aftrek gebrachte vooraftrek niet door de andere vennootschappen zou worden aangegeven en voldaan, na onder andere te hebben aangevoerd dat de “administraties van alle vennootschappen door dezelfde personeelsleden onder verantwoordelijkheid van dezelfde bestuurder worden verzorgd.” Dat laatste is door belanghebbende niet weersproken.

4.3.

Gelet op het vorenstaande acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende wist dat de voorbelasting vermeld op de in 2.7 vermelde facturen, niet door de gelieerde vennootschappen zou worden aangegeven en voldaan en dat terzake sprake is van samenspanning. De Rechtbank heeft derhalve ten onrechte de in 2.7 vermelde correcties ongedaan gemaakt. Vraag A moet ontkennend worden beantwoord. De subsidiaire stelling van de Inspecteur dat gefactureerd is door niet-ondernemers en dat op basis van artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968 verschuldigd geworden omzetbelasting niet in aftrek kan worden gebracht, kan onbesproken blijven.

Met betrekking tot vraag B

4.4.

De teruggaaf omzetbelasting is tot € 180 beperkt gebleven vanwege de tijdens het boekenonderzoek geconstateerde aansluitverschillen tussen de administratie van belanghebbende en de gedane aangiften omzetbelasting. Deze zijn door de Inspecteur voor 2003 en 2004 becijferd op € 8.921 respectievelijk € 1.882. Het Hof ziet geen aanleiding deze correcties van de Inspecteur terug te nemen, ook niet in verband met de door belanghebbende bij haar beroepschrift in hoger beroep overgelegde factuur van [U] BV (factuurdatum 20 juni 2003) voor de aankoop van een [auto], voor een totaalbedrag van € 84.279,38, bestaande uit € 75.522 catalogusprijs, € 8.747,38 BTW en € 10 administratiekosten. In die factuur is niet inzichtelijk gemaakt hoe het BTW, waarvan het bedrag overeenkomt met 11% van de vermelde catalogusprijs, is berekend. De Rechtbank heeft op goede gronden beslist dat de geconstateerde aansluitverschillen voor rekening van belanghebbende komen.

Vraag B moet bevestigend worden beantwoord.

Met betrekking tot vraag C

4.5.

Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Inspecteur in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Voor zover deze grief moet worden opgevat als dat belanghebbende de Inspecteur verwijt dat hij haar doelbewust aftrek van voorbelasting heeft onthouden, volgt het Hof belanghebbende daarin niet. De Inspecteur heeft steeds getoetst of belanghebbende voor aftrek van voorbelasting in aanmerking kwam en hij heeft ook steeds aangegeven waarom aan vennootschappen van [P] de BTW-status werd ontnomen.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen, dat de Inspecteur onredelijk lang heeft gewacht met het nemen van de teruggaafbeschikking of het doen van de uitspraak op bezwaar, overweegt het Hof als volgt.

De Inspecteur heeft in december 2006 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht zijn de aangiften over het tijdvak 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2004. Het rapport is gedagtekend 7 september 2010. De omstandigheid dat het onderzoek van de transacties tussen belanghebbende en andere vennootschappen van [P] veel tijd vergde, mede door het strafrechtelijk onderzoek, laat onverlet dat de Inspecteur naar het oordeel van het Hof ruim de tijd heeft genomen voor het afronden van het boekenonderzoek. Hieraan kan echter niet het gevolg worden verbonden dat het bedrag van de teruggaaf moet worden vastgesteld op een hoger bedrag dan door de Inspecteur is gedaan of dat aan belanghebbende een hoger bedrag aan heffingsrente moet worden vergoed. Voor zover belanghebbende beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, merkt het Hof op dat belanghebbende hiervoor onvoldoende heeft gesteld.

Vraag C moet derhalve ontkennend worden beantwoord.

Met betrekking tot vraag D

4.6.1.

Volgens artikel 7:15, lid 3, van de Awb dient een verzoek tot het verlenen van een vergoeding voor kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, te worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. Voorafgaande aan de beslissing op het bezwaar heeft belanghebbende een dergelijk verzoek niet gedaan, zodat voor een veroordeling van de Inspecteur tot een vergoeding van de kosten voor het bezwaar geen plaats is.

4.6.2.

De Rechtbank heeft aan belanghebbende een vergoeding van proceskosten in eerste aanleg toegekend voor een bedrag van € 637. Het Hof is niet gebleken dat belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding.

4.6.3.

Gelet op het vorenstaande moet vraag D bevestigend worden beantwoord.

Met betrekking tot vraag E

4.7.

Anders dan waarvan belanghebbende is uitgegaan, vangt, bij de bepaling of recht bestaat op immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding, de termijn aan met de binnenkomst van het bezwaarschrift bij de Inspecteur.

4.8.

Belanghebbende is op 28 september 2010 in bezwaar gekomen tegen de teruggaafbeschikking. De Inspecteur heeft deze beschikking bij uitspraak, gedagtekend 23 september 2011, gehandhaafd. Belanghebbende heeft op 19 oktober 2011 beroep ingesteld. De Rechtbank heeft op 12 juli 2012 uitspraak gedaan, dat is binnen twee jaar nadat het bezwaar bij de Inspecteur was ingesteld. Belanghebbende en de Inspecteur hebben hoger beroep ingesteld, beiden op 4 september 2012. Het Hof doet binnen 2 jaar nadien uitspraak. Gelet op de uitgangspunten, geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, is van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake. Ook in hoger beroep is de redelijke termijn niet overschreden. Belanghebbende heeft geen recht op een vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Vraag E moet ontkennend worden beantwoord.

4.9.

Belanghebbende heeft onder punt 11 van haar beroepschrift in hoger beroep in de aanhef vermeld “Immateriële schade en materiële schade”. Gelet op de bewoordingen waarin een en ander is uitgewerkt, heeft belanghebbende alleen bedoeld te stellen dat zij immateriële schade wegens termijnoverschrijding heeft geleden.

Slotsom

4.10.

Gelet op al het vorenstaande is de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en het hoger beroep van de Inspecteur gegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, is voor het heffen van griffierecht van de Staat inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het hoger beroep van de

Inspecteur gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- bevestigt de uitspraken op bezwaar.

Al dus gedaan op 29 augustus 2014 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, J. Swinkels en G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.