Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3318

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
F 200.141.952-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 22 mei 2014

Zaaknummer: F 200.141.952/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/162575 FA RK 06-2980

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A.P. Kolsteren-van Heijst.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 13 februari 2014, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    het verzoek in eerste aanleg van de vader alsnog toe te wijzen, althans een door het hof te bepalen zorg- en opvoedingsregeling tussen de vader en de hierna te noemen minderjarige vast te stellen die het hof juist acht;

  • -

    zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere keer, nadat de moeder, nadat twee dagen na betekening zijn verstreken, in gebreke blijft om aan de in dezen te wijzen beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen, eveneens uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    zulks met machtiging aan de vader om de in dezen te wijzen beschikking ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm, nadat de moeder, nadat twee dagen na betekening zijn verstreken, in gebreke blijft om aan de in dezen te wijzen beschikking te voldoen, uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    en zonodig te bepalen dat de moeder zowel haar onvoorwaardelijke medewerking zal verlenen aan ieder te bepalen hulpverlenings- of omgangstraject bij welke instantie dan ook als aan alle overige in redelijkheid te bepalen omgangscontacten, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,--, althans een bedrag dat het hof redelijk acht, voor iedere dag of keer, nadat de moeder, nadat twee dagen na betekening zijn verstreken, in gebreke blijft om aan de in dezen te wijzen beschikking te voldoen, althans een regeling die (naar het hof begrijpt:) het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 april 2014, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans hem de verzoeken in hoger beroep te ontzeggen als ongegrond dan wel onbewezen en derhalve de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Van Weegberg;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Kolsteren-van Heijst;

  • -

    de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 3 maart 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de vader op 1 april 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 4 april 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 10 april 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 14 april 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is, op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren.

De vader heeft [minderjarige] erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 3 januari 2007 heeft de rechtbank Breda, voor zover thans van belang, de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of omgang tussen de vader en [minderjarige] mogelijk is.

3.3.

Bij beschikking van 27 mei 2008 heeft de rechtbank Breda, voor zover thans van belang, bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar in het kader van het project omgangsbegeleiding, module Omgangshuis, waarbij de verdere invulling zal geschieden in nader overleg tussen partijen en de Stichting Kompaan.

3.4.

Bij beschikking van 6 oktober 2009 heeft de rechtbank Breda bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar in het kader van het project omgangsbegeleiding, module Omgangshuis, waarbij de verdere invulling zal geschieden in nader overleg tussen partijen en de Stichting Kompaan.

De rechtbank heeft in deze beschikking voorts bepaald dat partijen de module intensieve oudergesprekken zullen volgen bij Stichting Kompaan en partijen bevolen gevolg te geven aan de oproep van Stichting Kompaan om in overleg te treden over de concrete uitwerking en vastlegging van voormelde regeling en hen bevolen mee te werken aan de uitvoering van de regeling.

3.5.

[minderjarige] heeft in de periode 13 juli 2010 tot en met 12 juli 2013 (mede vanwege de omgangsproblematiek) onder toezicht gestaan van Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant en later van de Stichting Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (hierna tezamen te noemen: de stichting).

3.6.

Bij beschikking van 9 augustus 2010 is bepaald dat de stichting verder invulling dient te geven aan de wijze waarop het contact tot stand moet komen en waarbij is bepaald dat de vader en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de wijze als nader door de stichting zal worden bepaald.

3.7.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om te bepalen dat hij in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd is tot contact met [minderjarige] éénmaal per veertien dagen van vrijdag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur en elke donderdag van 12.00 uur tot 18:00 uur en voorts gedurende de helft van de feestdagen en gedurende twee aaneengesloten weken tijdens de zomervakantie, door partijen in onderling overleg nader in te vullen, afgewezen.

3.8.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van de vader met betrekking tot het vaststellen van een contactregeling tussen [minderjarige] en hem afgewezen. De rechtbank miskent hiermee de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014, waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter een vergaande verantwoordelijkheid heeft bij het bevorderen van contact tussen de ouder en een kind. De rechtbank heeft ten onrechte geconstateerd dat alle middelen om tot enig contactherstel te komen inmiddels zijn uitgeput. De raad heeft ter zitting van de rechtbank onder meer verklaard dat opnieuw een traject bij Juzt kan worden opgestart. De rechtbank heeft zich niet, althans onvoldoende verdiept in de vraag waarom eerdere trajecten niet zijn geslaagd. De vader stelt dat de moeder al jaren het contact tussen hem en [minderjarige] blokkeert. De vader is van mening dat de moeder hierdoor aantoonbaar in strijd handelt met artikel 1:247 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat zij op grond van dit artikel de verplichting heeft de band met de vader te bevorderen. Het recht op contact is een fundamenteel recht. Slechts als één van de in artikel 1:377a lid 3 BW opgesomde omstandigheden zich voordoet, kan het contact worden ontzegd. De vader voert aan dat het loutere feit dat de moeder bezwaren heeft tegen het contact geen omstandigheid is die tot ontzegging van het contact kan leiden. De vader heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat de moeder teveel nadruk legt op de inmiddels gedateerde rapporten van de raad uit 2007-2008 en een plan van aanpak van de stichting uit 2012. De door de moeder gestelde agressieproblemen van de vader worden niet met stukken onderbouwd en door de vader uitdrukkelijk betwist. Uit het door de vader overgelegde rapport d.d. februari 2014 van het psychologisch onderzoek dat door Buro T3 is uitgevoerd, volgt dat er geen sprake is van agressieproblemen, een posttraumatische stressstoornis of een paranoïde persoonlijkheidsstoornis.

De vader voert aan dat het gedrag en het handelen van de moeder een sanctiemiddel rechtvaardigen, niet alleen met het oog op nakoming van een te bepalen contactregeling tussen hem en [minderjarige] , maar ook met betrekking tot haar medewerking aan een door het hof te bepalen hulpverleningstraject.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard zijn medewerking te verlenen wanneer het hof partijen naar Juzt zou verwijzen.

3.10.

De moeder voert in het verweerschrift - samengevat - het volgende aan.

De moeder zou graag willen komen tot een “normale” contactregeling tussen [minderjarige] en de vader. Het is echter de vader die niet naar zijn eigen aandeel hierin wil kijken. De moeder heeft ter zitting van het hof verklaard dat de door de vader aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad ziet op een andere situatie en in de onderhavige zaak niet van toepassing is. In die zaak betrof het een moeder die haar medewerking niet verleende aan het tot stand brengen van omgang. De moeder stelt dat zij zich voor alle gevolgde trajecten volledig heeft ingezet. Het is juist de vader die weigerachtig blijft om hulp te zoeken voor zijn agressieproblemen, terwijl hem dit reeds voor het eerst is geadviseerd bij het door de raad geïnitieerde forensisch psychologisch onderzoek van 22 februari 2008 en daarna nog uitvoerig aan de orde is gekomen in het kader van de inmiddels beëindigde ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De moeder heeft ter zitting van het hof ten aanzien van het door de vader overgelegde psychologisch onderzoeksrapport verklaard dat zij niet bekend is met Buro T3 en dit een ander onderzoek is dan door het NIFP zou zijn uitgevoerd. De moeder is van mening dat de middelen in de onderhavige zaak inmiddels zijn uitgeput en een nieuw onderzoek c.q traject niet tot nieuwe inzichten zal leiden. De moeder heeft ter zitting – desgevraagd – verklaard in beginsel wel bereid te zijn om mee te werken aan een traject bij Juzt, maar dit traject mag niet te belastend voor [minderjarige] zijn. De moeder is van mening dat partijen eerst dienen te werken aan hun communicatie en dat [minderjarige] hierbij nog niet betrokken moet worden. De moeder stelt dat het forceren van contact niet in het belang van [minderjarige] is.

De moeder maakt uitdrukkelijk bezwaar tegen de door de vader verzochte dwangsommen, welke buitenproportioneel zijn en hun doel voorbij schieten.

3.11.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – het volgende aangevoerd. De raad vindt het belangrijk dat [minderjarige] zijn vader leert kennen en een positief beeld van de vader krijgt. Er moet naar een vorm worden gezocht waarbij dit op een goede manier kan worden gerealiseerd. De door de moeder aangehaalde stukken omtrent de agressieproblemen van de vader zijn inmiddels erg gedateerd. Er is veel tussen de ouders gebeurd maar beide ouders zullen nu in beweging moeten komen. De raad is van mening dat moet worden ingezet op twee trajecten: de ouders moeten met elkaar in gesprek en [minderjarige] moet op enig moment daarbij worden betrokken. De raad is van mening dat een traject met alleen de ouders niet zal werken. De raad verklaart dat een traject bij Juzt of bij De Viersprong te [vestigingsplaats] voor de ouders het meest geschikt zou zijn. Dit zijn beide intensieve trajecten onder begeleiding van professionals.

3.12.

Het hof overweegt als volgt.

3.12.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.12.2.

Tussen partijen is in geschil of een contactregeling tussen de vader en [minderjarige] dient te worden vastgesteld.

3.12.3.

Het hof overweegt dat ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) de rechter een groot aantal maatregelen kan treffen wanneer een ouder niet meewerkt aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling teneinde die ouder alsnog te bewegen tot naleving van zijn verplichtingen, die corresponderen met het recht op omgang van de andere ouder en het kind met elkaar. Indien de rechter de gronden welke de ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn, alle in het gegeven geval gepaste, maatregelen te nemen om de ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, die zich zoveel mogelijk dient in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09).

3.12.4.

Het hof stelt naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting vast dat er geen contra-indicaties aanwezig zijn die aan het vaststellen van een contactregeling tussen de vader en [minderjarige] in de weg staan. Wel is het hof gebleken dat de moeder bezwaar heeft tegen een contactregeling tussen de vader en [minderjarige] . Het hof is evenwel van oordeel dat het feit dat de moeder bezwaar heeft tegen het contact geen grond is voor ontzegging van contact tussen de vader en [minderjarige] . Voor zover de moeder heeft betoogd dat bij de vader sprake is van agressieproblemen, heeft zij deze stelling niet, althans onvoldoende onderbouwd hetgeen, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader, wel op haar weg had gelegen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het hof niet is gebleken van justitiële documentatie op naam van de vader en dat de door de moeder gestelde gebeurtenissen ruim acht jaar geleden zouden hebben plaatsgevonden. Daarbij komt dat blijkens de overgelegde stukken in het kader van eerdere trajecten er twee begeleide contacten tussen de vader en [minderjarige] hebben plaatsgevonden, die goed zijn verlopen. Het hof concludeert dat niet is gebleken dat contact tussen de vader en [minderjarige] in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank niet had mogen komen tot afwijzing van het verzoek van de vader.

3.12.5.

Nu het contact tussen de vader en [minderjarige] , behoudens de twee voornoemde begeleide contactmomenten, ruim acht jaar is verbroken, is het hof van oordeel dat het contact(herstel) onder deskundige begeleiding voorzichtig dient te worden gerealiseerd. Het hof zal het door de raad ter zitting in hoger beroep gegeven advies overnemen en partijen naar de module “Intensieve Omgangsbegeleiding” bij Juzt, voorziening omgangshuis te [vestigingsplaats] verwijzen. Het hof merkt hierbij op dat in het kader van deze module gelijktijdig dient te worden gewerkt aan verbetering van de communicatie tussen partijen en het contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] . Zowel de moeder als de vader hebben ter zitting van het hof – desgevraagd – verklaard bereid te zijn om aan verbetering van de onderlinge communicatie te werken. De moeder heeft ter zitting verklaard eerst hierop te willen inzetten, maar het hof acht dit in de gegeven omstandigheden niet als een vereiste aangewezen omdat eerdere trajecten niet hebben geresulteerd in contact tussen de vader en [minderjarige] . De vorm en de frequentie van het contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] zal vervolgens in overleg met de medewerkers van Juzt en partijen nader kunnen worden bepaald.

3.12.6.

De vader heeft verzocht om aan een door het hof te bepalen hulpverlenings- of omgangstraject een dwangsom te verbinden. De moeder heeft betoogd dat de verzochte dwangsommen buitenproportioneel zijn en hun doel voorbij schieten.

Het hof overweegt dat uit de overgelegde stukken volgt dat de moeder ondanks eerdere uitspraken van de rechtbank waarin partijen zijn verwezen naar begeleide omgangstrajecten het contact tussen de vader en [minderjarige] , behoudens twee contacten, acht jaar lang heeft tegengehouden. De moeder geeft ter zitting van het hof weliswaar verklaard dat zij de wens heeft om te komen tot een “normale” contactregeling tussen de vader en [minderjarige] , maar het hof stelt vast dat wanneer het daadwerkelijk op contactherstel aankomt tussen de vader en [minderjarige] , de moeder zich terugtrekt. Het hof heeft er daarom geen vertrouwen in dat de moeder de module “Intensieve Omgangsbegeleiding” bij Juzt zonder dwangmiddel volledig zal doorlopen. Het hof acht het daarom noodzakelijk om een dwangsom op te leggen als prikkel voor de moeder om voornoemde module bij Juzt volledig te doorlopen en te komen tot begeleide contacten tussen de vader en [minderjarige] . Het hof zal bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 100,-- per keer dat zij geen gevolg geeft aan de afspraken c.q. begeleide contactmomenten zoals deze door Juzt worden bepaald, tot een maximum van

€ 5.000,--.

3.12.7.

Het hof verzoekt het omgangshuis het hof tijdig vóór na te melden pro forma datum schriftelijk te informeren over de resultaten van de begeleide contacten c.q. het verloop van het traject, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van deze schriftelijke informatie aan de raad en de raadslieden van partijen, waarna zij in de gelegenheid zullen worden gesteld hierop te reageren en het hof te informeren over het door partijen gewenste verdere verloop van de onderhavige procedure.

3.12.8.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de verdere behandeling van de zaak aanhouden tot 26 maart 2015 teneinde de resultaten van de begeleide contacten bij Juzt af te wachten.

4 De beslissing

Het hof:

bepaalt dat de vader en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , gerechtigd zijn tot contact met elkaar in het omgangshuis van Juzt te Rijsbergen, onder begeleiding van het omgangshuis, waarbij de verdere invulling zal geschieden in nader overleg tussen partijen en het omgangshuis;

verzoekt het omgangshuis het hof tijdig vóór na te melden pro forma datum schriftelijk te informeren over de resultaten van begeleide contactregeling c.q. het verloop van het traject, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van deze schriftelijke informatie aan de raad en de raadslieden van partijen;

bepaalt dat de moeder een dwangsom van € 100,-- zal verbeuren per keer dat zij de afspraken met Juzt c.q. de begeleide contactmomenten niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,--;

houdt iedere verdere beslissing aan tot 26 maart 2015 pro forma;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2014.