Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
01-09-2014
Zaaknummer
20-003017-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:5263, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het aanwezig hebben van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en het voorhanden hebben van grote hoeveelheden stoffen en voorwerpen bestemd voor de productie van synthetische drugs veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Vrijspraak van het voorhanden hebben van 5 vuurwapens en 790 patronen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003017-13

Uitspraak : 28 augustus 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van
6 september 2013 in de strafzaak met parketnummer 03-703961-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep:

- is de verdachte ter zake van

“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”,

“om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”,

“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”,

“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”, en

“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”

veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- zijn wapens en munitie onttrokken aan het verkeer.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor de hem onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft:

  • -

    zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1. en 2. ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof;

  • -

    bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3. ten laste gelegde;

  • -

    bepleit dat aan verdachte niet een gevangenisstraf zal worden opgelegd waarvan de duur langer is dan de duur van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 20 december 2012 in de gemeente Sittard, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid amfetamineolie (in totaal ongeveer 78,5 liter), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.
hij op of omstreeks 20 december 2012 in de gemeente Sittard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, hoeveelheden grondstoffen en/of materialen, voorhanden heeft gehad, te weten (onder meer)

  • -

    een hoeveelheid formamide en/of

  • -

    een hoeveelheid Caustic Soda en/of

  • -

    een hoeveelheid BMK (benzylmethylketon) en/of

  • -

    meerdere koolfilters en/of maatbekers

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.
hij op of omstreeks 20 december 2012 in de gemeente Sittard voorhanden heeft gehad:

a. een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een (grendel)geweer (merk Mauser, serienr 9872);

b. een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een (hagel)geweer (inscriptie Made in USSR, serienr C233285), model **58**);

c. een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een pistool (merk FN, serienr 938755);

d. een vuurwapen van de categorie III onder 1, te weten een pistool (merk Walther PPK, serienr 165644);

e. een vuurwapen van de categorie II onder 3, te weten een geweer (merk FN, kaliber aanduiding 22LR), dat zodanig was vervaardigd dat door het verschuiven van een pal de loop in een beweging kan worden verwijderd zodat het dragen niet of minder zichtbaar is;

f. munitie van de categorie II, te weten 3, in elk geval een aantal, patronen;

g. munitie van de categorie III, te weten 787, in elk geval een aantal, patronen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie in de zin van art. 26 van de Wet wapens en munitie, is vereist dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van die vuurwapens en munitie. Het voorhanden bewijs schiet daarvoor tekort.

Voorts kan uit het voorhanden bewijs niet volgen dat de verdachte wat betreft het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met een ander of anderen vuurwapens en munitie voorhanden hebben zo nauw en bewust met die ander of anderen heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedraging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 20 december 2012 in Sittard tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.
hij op 20 december 2012 in Sittard tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, hoeveelheden grondstoffen en materialen, voorhanden heeft gehad, te weten

  • -

    een hoeveelheid formamide en

  • -

    een hoeveelheid Caustic Soda en

  • -

    een hoeveelheid BMK (benzylmethylketon) en

  • -

    meerdere koolfilters en maatbekers

waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de zeer grote hoeveelheid verdovende middelen die verdachte tezamen met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad en die een aanzienlijke handelswaarde vertegenwoordigt;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte tezamen met anderen grote hoeveelheden stoffen en voorwerpen bestemd voor de productie van synthetische drugs voorhanden heeft gehad;

  • -

    de omstandigheid dat harddrugs als amfetamine, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend;

  • -

    de omstandigheid dat de productie van synthetische drugs schadelijk is voor het milieu vanwege de wijze waarop chemische afvalstoffen van dergelijke productieprocessen vaak illegaal worden afgevoerd in het openbare riool, dan wel middels lozingen in openbare wateren of dumping in de openbare ruimte;

  • -

    de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2014, niet eerder ter zake van soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    het hem betreffend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, d.d. 7 maart 2013;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van
30 maanden tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken.

Beslag

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep afstand gedaan van de in beslag genomen goederen, zodat het hof – anders dan de rechtbank – geen beslissing op het beslag hoeft te nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. P.M. Frielink en mr. J.A. van Zon, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 28 augustus 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.A. van Zon is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.