Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3132

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
HV 200.121.956-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2663
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van uitzet. Turks recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 13 februari 2014

Zaaknummer: HV 200.121.956/01

Zaaknummer eerste aanleg: 243434 FA RK 11-5838

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S. van Reeven-Özer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 11 december 2012.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 februari 2013, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de beslissing aangaande de betaling van een bedrag van € 50.000,- en in plaats daarvan te bepalen dat dit verzoek van de vrouw wordt afgewezen, kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 15 april 2013, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans aan hem de verzoeken te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen, alsmede de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2013. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Reeven-Özer;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Breewel-Witteveen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 augustus 2012;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 17 juli 2013.

3 De beoordeling

3.1.

In hoger beroep gaat het om het volgende.

  1. Partijen zijn op 7 maart 2002 op het Turkse consulaat te Rotterdam met elkaar gehuwd.

  2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

  3. De echtscheidingsbeschikking is op 29 maart 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

De man kan zich met de beschikking van de rechtbank niet verenigen voor zover het betreft de beslissing van de rechtbank dat de man aan de vrouw een bedrag van € 50.000,- dient te voldoen in verband met de vóór het huwelijk aangegane “overeenkomst inzake uitzet” van 29 december 2001 (hierna: de overeenkomst).

3.3.

Met de eerste grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tussen partijen de door de vrouw overgelegde overeenkomst geldt.

De man stelt dat vaststaat dat de overeenkomst tussen partijen (ter zitting is toegelicht dat de overeenkomst eigenlijk is gesloten door de wederzijdse vaders) in Turkije is aangegaan (hof: op de zitting is naar voren gekomen dat de overeenkomst in Nederland is aangegaan) voor de huwelijkssluiting, op 29 december 2001. Bij gebreke van een rechtskeuze is op de overeenkomst, op grond van artikel 4 van het EG-verbintenissenverdrag, Turks recht van toepassing, nu de overeenkomst volgens het aanknopingsbeginsel wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is. De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst is de Turkse en bovendien hangen de verplichtingen zoals deze zijn opgenomen in de overeenkomst nauw samen met het gewoonterecht van Turkije.

Het toepasselijke Turkse recht is te vinden in de Borclar Kanunu (Het Turkse Wetboek van verbintenissenrecht zoals dat gold ten tijde van de huwelijkssluiting). Op grond van artikel 27 van de Borclar Kanunu is een overeenkomst nietig, indien de inhoud ervan in strijd is met de openbare orde. De man stelt dat, aangezien de echtscheiding de openbare orde raakt, elk soort overeenkomst die de echtscheiding vergemakkelijkt of bemoeilijkt nietig is. Een overeenkomst waarbij het recht van de man om te gaan scheiden van de vrouw wordt bemoeilijkt door de verplichting om een geldsom aan de vrouw te betalen, wordt volgens de man aangemerkt als zijnde in strijd met de openbare orde.

3.4.

Ten aanzien van de toepasselijkheid van het Turkse recht stelt de vrouw dat de overeenkomst nauw verbonden is met het huwelijk van partijen en dat het recht waaraan de overeenkomst bij echtscheiding getoetst dient te worden gelijk is aan het toepasselijk recht terzake de verdeling van de huwelijksgemeenschap. In dit verband stelt de vrouw dat rechtbank terecht heeft overwogen dat op de verdeling van de huwelijksgemeenschap het Turks recht van toepassing is.

De vrouw ontkent en betwist dat er sprake is van een overeenkomst tussen partijen die een echtscheiding zou vergemakkelijken of moeilijken. De verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst hangen nauw samen met het gewoonterecht van Turkije. Daarenboven staat de verplichting tot betaling van een geldsom bij echtscheiding de echtscheiding op zich niet in de weg. Strijd met de openbare orde kan derhalve niet worden aangenomen.

Bevoegdheid en toepasselijk recht.

3.5.1.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, brengt dit ingevolge artikel 4 lid 3 Rv ook rechtsmacht mee met betrekking tot de onderhavige kwestie.

3.5.2.

Beide partijen gaan ervan uit dat in deze kwestie Turks recht van toepassing is. Het hof is eveneens van oordeel dat Turks recht toepasselijk is en overweegt daartoe als volgt. Partijen zijn gehuwd op 7 maart 2002, hetgeen met zich brengt dat ten aanzien van het huwelijksvermogensregime van partijen – waartoe naar het oordeel van het hof ook de onderhavige aanspraak van de vrouw kan worden gerekend, nu deze rechtsreeks volgt uit de huwelijksband tussen partijen dan wel het verbreken daarvan – het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing is. Nu partijen vóór dan wel staande het huwelijk geen rechtskeuze hebben gedaan, zij (ook reeds voor het huwelijk) één gemeenschappelijke nationaliteit hebben, zij na het huwelijk hun verblijfplaats in hetzelfde land – Nederland – hadden, zij onderdaan zijn van een nationaliteitsland, Turkije, dat geen verdragsstaat is, Turkije een nationaliteitsland is en zij hun eerste gewone verblijfplaats hebben in een nationaliteitsland (Nederland) volgt uit artikel 4 lid 2 sub 2 onder a van voormeld verdrag dat het huwelijksvermogensregime van het huwelijk van partijen wordt beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit, aldus Turks recht.

3.5.3.

Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat de tussen partijen gesloten overeenkomst, voor wat betreft de betaling van een bedrag van € 50.000,- na echtscheiding in strijd is met de (Turkse) openbare orde en derhalve nietig. Uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht valt af te leiden dat de overeenkomst verbonden is met het (islamitisch) gewoonterecht en dat in een dergelijke overeenkomst diverse aspecten zijn te onderkennen. Zo heeft de man er op gewezen dat de overeenkomst ertoe strekt de vrouw enige financiële zekerheid te geven in geval van echtscheiding en heeft de vrouw gewezen op aspecten van schadevergoeding, en aspecten die samenhangen met de waarde van hetgeen door de vrouw ten huwelijk is aangebracht (aspecten van verdeling derhalve). Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat de man zich jegens de vrouw heeft verbonden tot betaling van een bedrag van € 50.000,- na de echtscheiding de echtscheiding niet belemmert en niet zodanig van karakter is dat de man daardoor wordt bemoeilijkt ten aanzien van het indienen van een verzoek tot echtscheiding. Het hof is dan ook van oordeel dat de onderhavige overeenkomst niet kan worden aangemerkt als nietig wegens strijd met de openbare orde. De man beroept zich slechts op een algemeen luidende bepaling waarvan zelfs niet wordt onderbouwd dat deze in de gegeven situatie van toepassing is. Jurisprudentie en literatuur ter ondersteuning van zijn stelling, heeft de man niet bijgebracht.

Dat de voorhuwelijkse afspraak de echtscheiding in Nederland heeft belemmerd of bemoeilijkt wordt niet gesteld en is het hof ook niet gebleken. In zoverre is dan ook geen strijd met de Nederlandse openbare orde. Dat er andere gronden zijn om aan te nemen dat het vorderen van nakoming van de onderhavige overeenkomst naar Turks recht in strijd is met de Nederlandse openbare orde wordt niet gesteld, en zijn ook het hof niet bekend.

3.6.1.

Met de grieven 2 t/m 4 stelt de man aan de orde dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste vertaling van de overeenkomst van uitzet. De man stelt dat de door de vrouw overgelegd vertaling geen beëdigde vertaling is omdat de stempel en handtekening van de beëdigde vertaler ontbreken. Bovendien stelt de man dat de door de vrouw overgelegde vertaling onjuist is, waarbij de man drie beëdigde vertalingen van de overeenkomst overlegt. De man stelt dat uit deze door hem overgelegde vertalingen blijkt dat de man gehouden is om een bedrag van € 50.000,- aan de vrouw te voldoen, indien de echtscheiding door hem tot stand komt. Een mehir-overeenkomst, zijnde de overeenkomst inzake uitzet/bruidsschat, wordt gewoonterechtelijk en naar Islamitisch recht exclusief ten gunste en in het belang van de vrouw aangegaan. De bedoeling hiervan is dat de vrouw zelf ook enige financiële zekerheid heeft in geval van echtscheiding. In het Islamitisch recht is het recht om de echtscheiding te verzoeken alleen gegeven aan de man. Dat de vrouw de echtscheiding verzoekt is ondenkbaar en strookt niet met de uitgangspunten van het gewoonterecht en het Islamitische recht. Indien de vrouw het verzoek tot echtscheiding niet had ingediend, was het huwelijk van partijen niet tot een einde gekomen. Voor de man was er geen aanleiding voor een echtscheiding. De man vermoedt dat de vrouw het verzoek tot echtscheiding heeft gedaan met het oog op de overeenkomst die partijen destijds zijn aangegaan.

3.6.2.

De vrouw betwist dat de door haar overgelegde vertaling onjuist is. Zij stelt dat zij een gewaarmerkte vertaling heeft overgelegd, afkomstig van [group] Group B.V en dat een gewaarmerkte vertaling en een beëdigde vertaling door dezelfde vertalers worden verricht, doch dat de kosten van een beëdigde vertaling hoger zijn. De vrouw betwist voorts dat de door de man overgelegde vertalingen juist zijn. Voorts stelt dat de vrouw dat de stelling van de man dat de vrouw niet om echtscheiding kan verzoeken niet juist is, nu naar Turks recht het recht om echtscheiding te verzoeken niet is voorbehouden aan de man. Tot slot stelt de vrouw dat – los van het verschil van mening over de vertaling van de overeenkomst – de overeenkomst niet stelt dat de echtscheiding door de man is verzocht, doch dat het initiatief voor de echtscheiding bij de man dient te liggen, waarbij feit is dat de man de vrouw heeft verlaten. De vrouw zag zich genoodzaakt, teneinde een bijdrage in de kosten en opvoeding van het kind van partijen te verkrijgen, een verzoek tot echtscheiding aanhangig te maken.

3.6.3.

Het hof overweegt als volgt. De door de vrouw in eerste aanleg overgelegde vertaling (productie 20 bij brief van 26 september 2012) van de overeenkomst luidt:

“Door [appellant] wordt, wanneer sprake is van uit elkaar gaan of echtscheiding, 50.000 EURO onvoorwaardelijk en in contanten betaald aan [geïntimeerde], geb. [geboortedatum].”

De door de man overgelegde vertalingen van de overeenkomst, respectievelijk als productie 11, 12, 13 en 14 in hoger beroep overgelegd, luiden achtereenvolgens als volgt.

“Indien door [appellant] scheiding (van tafel en bed) of een echtscheiding tot stand komt, zal er aan [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], onvoorwaardelijk in contanten een bedrag van 50.000 euro worden betaald.” (productie 11 bij beroepschrift).

“Indien door [appellant] scheiding (van tafel en bed) of echtscheiding tot stand komt, zal er aan [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], onvoorwaardelijk in contanten een bedrag van 50.000 EURO worden betaald.” (productie 12 bij beroepschrift).

“Indien door [appellant] scheiding (van tafel en bed) of echtscheiding tot stand komt, zal er aan [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], onvoorwaardelijk contant een bedrag van 50.000 euro betaald zal worden.” (productie 13 bij beroepschrift).

Als [appellant] blijkt gescheiden te willen gaan leven of echtscheiding aanvraagt zal onvoorwaardelijk 50.000 EURO in contanten worden betaald aan [geïntimeerde], geb. [geboortedatum].” (productie 14 bij brief van 17 juli 2013).

3.6.4.

Het hof is van oordeel dat de grieven 2 t/m 4 niet tot vernietiging van de bestreden beschikking kunnen leiden. Immers, ook indien uitgegaan wordt van de juistheid van (een der) door de man overgelegde vertalingen volgt daaruit niet dat de vrouw geen aanspraak kan maken op betaling van het bedrag van € 50.000,- indien het verzoek tot echtscheiding door de vrouw wordt ingediend. Vast staat immers dat de man de echtelijke woning heeft verlaten en dat de vrouw daarna het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. In het licht hiervan heeft de man onvoldoende onderbouwd dat en waarom de overeenkomst met zich brengt dat de man de vrouw niet zou behoeven te betalen. Voor een uitleg van de overeenkomst in die zin dat er alleen een betalingsverplichting voor de man ontstaat indien hij zelf de echtscheiding verzoekt, heeft het hof geen aanwijzing gevonden in de tekst (zoals door de man voorgesteld). Een dergelijke uitleg past ook niet bij de aard van de bruidsschat, zoals door de man gesteld (een onderhoudsbijdrage), en overigens ook niet bij de door de vrouw gestelde uitleg. De man heeft ook geen bewijsaanbod gedaan ter staving van deze uitleg. Het hof ziet geen aanleiding om de man ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. De man heeft voorts ook onvoldoende gesteld dat tot de conclusie kan leiden dat de vrouw het verzoek tot echtscheiding heeft ingediend enkel en alleen om het overeengekomen bedrag van € 50.000,- te kunnen incasseren. Hij is immers zelf bij haar vertrokken. Ook in zoverre faalt grief 4.

3.6.5.

Met grief 5 (en deels ook met grief 4) stelt de man aan de orde dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de in de overeenkomst aangegane verplichting tot betaling van € 50.000,- als onderhoudsbijdrage moet worden gekwalificeerd en, nu de vrouw geen recht heeft op alimentatie, haar vordering tot betaling van € 50.000,- dient te worden afgewezen. De man stelt dat op een bijdrage in het levensonderhoud Nederlands recht van toepassing is, nu op de echtscheiding Nederlands recht van toepassing is verklaard.

3.6.6.

De vrouw betwist dat de in de overeenkomst opgenomen verplichting tot betaling van een bedrag van € 50.000,- is aan te merken als een verplichting tot betaling van partneralimentatie. De vrouw stelt dat in de overeenkomst niet wordt gesproken over een onderhoudsverplichting. Er is sprake van een algemeen vergoedingsrecht. Naar de stelling van de vrouw wordt een bepaling zoals die is overeengekomen niet als onderhoudsverplichting opgenomen maar als een vorm van “schadevergoeding” indien de echtscheiding tot stand komt (onder andere ter compensatie voor het verlies in aanzien en het ‘onrein’ worden). Naar Turks recht kan een maandelijkse alimentatieverplichting worden opgelegd. Voorts stelt de vrouw dat de vergoedingsplicht niet kan worden gelijkgesteld met de in Nederland gebruikelijke partneralimentatie omdat de in de overeenkomst opgenomen vergoeding voor het huwelijk reeds is bepaald, los van een eventueel draagkrachtonderzoek bij het einde van het huwelijk.

3.6.7.

Het hof is van oordeel dat de in de overeenkomst opgenomen verplichting tot betaling van een bedrag van € 50.000,- niet gelijk gesteld kan worden met een overeenkomst betreffende een verplichting tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Uit de overeenkomst kan niet worden afgeleid dat partijen over en weer de bedoeling hebben gehad dan wel redelijkerwijze ervan uit mochten gaan dat de verplichting tot betaling van het bedrag van € 50.000,- bij echtscheiding het karakter heeft van een bijdrage ineens in het levensonderhoud van de vrouw. De hoogte van het te betalen bedrag is immers reeds voor de huwelijkssluiting bepaald, zonder dat daarbij wordt verwezen naar de financiële situatie van man en vrouw bij beëindiging van het huwelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de man dan ook onvoldoende gesteld dat tot de conclusie kan leiden dat hier een sprake is van een verplichting tot levensonderhoud, waarop, bij toepasselijkheid van het Nederlandse recht, de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht dienen te worden toegepast. Overigens heeft de man ook van deze stellingen geen bewijs aangeboden. Het hof ziet geen aanleiding de man ambtshalve tot bewijslevering toe te laten.

3.7.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de man geen doel treffen en dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Breda van 11 december 2012 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.J. van Laarhoven en J.H.H. Theuws en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2014.