Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3012

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
29-01-2015
Zaaknummer
HV 200.141.606-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:246
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 mei 2014

Zaaknummer: HV 200.141.606/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/264761 / FA RK 13-3297

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.W.T. Klappe,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. G. Hagens.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en haar te ontvangen in dit hoger beroep en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat alvorens een omgangsregeling tussen de vader en de hierna te noemen kinderen wordt vastgesteld, de Raad voor de Kinderbescherming opdracht te geven een onderzoek te doen naar een passende omgangsregeling welke in het belang van de kinderen is.

2.2.

De vader heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Klappe;

  • -

    de vader;

  • -

    de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad].

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 september 2013;

  • -

    de brief van de raad d.d. 12 februari 2014, waarin de raad mededeelt dat de hierna te noemen minderjarigen niet bekend zijn bij de raad;

  • -

    de brief van de raad d.d. 17 maart 2014, met de mededeling dat de raad ter zitting zal verschijnen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [dochter 1] (hierna: [dochter 1]), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats],

- [dochter 2] (hierna: [dochter 2]), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats].

De vader heeft de kinderen erkend.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over de kinderen uit.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank een (opbouwende) omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld, zoals in die beschikking is weergegeven.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte de bij de bestreden beschikking vastgestelde omgangs-regeling in het belang van de kinderen geacht. De omgangsmomenten blijken een grote impact op de kinderen te hebben. De kinderen komen totaal overstuur terug van de omgang. [dochter 1] vertoont nadien verbaal agressief gedrag en [dochter 2] reageert hierna met fysiek agressief gedrag. Daarnaast heeft [dochter 2] een terugval in zindelijkheid gekregen. De arts van het consultatiebureau en het maatschappelijk werk maken zich zorgen over de situatie van de kinderen. De moeder heeft ter zitting van het hof verklaard dat [oudste zoon van moeder] (de oudste zoon van de moeder) en [dochter 1] inmiddels zijn doorverwezen naar het Herlaarhof omdat er bij hen kenmerken aanwezig zijn van een mogelijk seksueel trauma. Partijen zijn er daarnaast niet in geslaagd de omgang naar behoren te laten verlopen. De moeder stelt daartoe dat de vader al vanaf het eerste omgangsmoment zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. De omgang heeft vijfmaal plaatsgevonden, volgens het in de beschikking opgenomen schema, daarna heeft geen omgang meer plaatsgehad. Ten aanzien van de in de bestreden beschikking opgenomen regeling met betrekking tot het brengen en halen van de kinderen merkt de moeder op dat zij hiertoe niet altijd in staat is. De vader is niet bereid het vervoer voor zijn rekening te nemen, waardoor de vastgestelde omgangsregeling feitelijk niet uitvoerbaar is. Communicatie tussen partijen is niet mogelijk waardoor zij niet in staat zijn om, in het belang van de kinderen, te komen tot constructieve afspraken.

De moeder acht een onderzoek door de raad noodzakelijk alvorens een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen wordt vastgesteld.

3.5.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De vader stemt – desgevraagd – in met een onderzoek door de raad en het onderzoek van [dochter 1] bij het Herlaarhof. De vader is van mening dat de omgangsmomenten die hij heeft gehad met de kinderen goed zijn verlopen. De vader is bereid om ter uitvoering van de omgangsregeling het halen en brengen van de kinderen met de moeder bij helfte te verdelen.

3.6.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - het volgende verklaard.

Er is door de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld die partijen niet kunnen uitvoeren. De moeder is wel bereid om te kijken naar welke omgangsregeling wel in het belang van de kinderen is. De raad is daarom van mening dat er twee mogelijkheden zijn in deze zaak.

Partijen kunnen worden doorverwezen naar Stichting Maashorst om een omgangs-begeleidingstraject te doorlopen. Een andere mogelijkheid is dat de raad een uitgebreid onderzoek gaat verrichten waarbij wordt gekeken naar de opvoedsituatie bij beide ouders en waarbij de mogelijkheden voor het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen worden onderzocht. De raad gaat daarbij onderzoeken wat er nodig is om de omgang tot stand te brengen. De raad acht vooralsnog geen contra-indicaties aanwezig om een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen.

3.7.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.1. .

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen omtrent welke omgangsregeling in het belang van de kinderen is. Het hof overweegt daartoe dat er complicerende factoren aanwezig zijn die de vaststelling c.q. de uitvoering van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen bemoeilijken. Ter zitting van het hof is gebleken dat [dochter 1] is doorverwezen naar het Herlaarhof, omdat er bij haar kenmerken aanwezig zijn van een mogelijk seksueel trauma en dat in de communicatie tussen partijen veel misgaat. Zowel de vader als de moeder hebben met een onderzoek door de raad ingestemd. Het hof zal dan ook de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen waarbij met name wordt onderzocht:

  • -

    Is de vader in staat om omgang met [dochter 1] en [dochter 2] te hebben en is de moeder in staat om de omgang te begeleiden, dan wel te faciliteren?

  • -

    Zo ja, welke omgangsregeling lijkt de raad het meest in het belang van [dochter 1] en [dochter 2]?

  • -

    Zijn er bijzonderheden/belemmeringen bij de kinderen aanwezig waarmee rekening gehouden moet worden bij het vaststellen van een omgangsregeling?

  • -

    Welke begeleiding is er voor de ouders nodig om te komen tot de uitvoering van de omgangsregeling?

  • -

    Indien omgang niet in het belang van [dochter 1] en [dochter 2] is, wat zijn dan de contra-indicaties?

  • -

    Indien er op dit moment geen mogelijkheden zijn voor omgang: wat is er dan nodig om in de toekomst tot omgang te komen?

3.7.2.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

Zo nodig zal het hof een tweede mondelinge behandeling bepalen.

3.7.3.

Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.7.1. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 1 september 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, C.A.R.M. van Leuven en P. Vlaardingerbroek en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2014.