Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:3010

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
HD 200.149.616_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van rolbeslissing die wordt aangemerkt als tussenvonnis waartegen tussentijds appel niet is toegestaan. Schorsing van de procedure ex artikel 27 Faillissementswet en schorsing en hervatting van het geding op de voet van de artikelen 225 en 227 Rv.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 27, geldigheid: 2014-09-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 225, geldigheid: 2014-09-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 227, geldigheid: 2014-09-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.149.616/01

arrest van 26 augustus 2014

in de zaak van

mr. Sebastiaan Maarten Marie van Dooren,

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [Recycling] Recycling B.V. en

Bo-Te Technische Dienst B.V.,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als: de curator,

advocaat: mr. F.F. Stiekema te 's-Hertogenbosch,

tegen

1[Holding] Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde sub 1,

hierna aan te duiden als: [Holding] Holding,

advocaat: mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer,

2 [Wegen] Wegen B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],geïntimeerde sub 2,hierna aan te duiden als: [Wegen] Wegen,niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 mei 2014 ingeleide hoger beroep van de rolbeslissing van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 30 april 2014, genomen op de door de curator ingestelde vordering om te bepalen dat hij de – onder zaaknummer/rolnummer C/01/273034/HA ZA 14-17 aanhangige – procedure tussen [Recycling] Recycling als eiseres en [Wegen] Wegen als gedaagde als eisende partij voortzet.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde rolbeslissing.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven;

- het tegen [Wegen] Wegen verleende verstek;

- de memorie van antwoord met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Bij exploot van 19 december 2013 heeft [Recycling] Recycling B.V. (hierna: [Recycling] Recycling) [Wegen] Wegen gedagvaard tegen de zitting van 8 januari 2014 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch en heeft zij gevorderd [Wegen] Wegen te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 368.953,-- inclusief btw en een bedrag van € 134.732,-- inclusief btw, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

3.1.2.

Bij vonnis van 28 januari 2014 is [Recycling] Recycling failliet verklaard, waarna de rolrechter op de rol van 5 februari 2014 de procedure op verzoek van [Wegen] Wegen op de voet van artikel 27 Faillissementswet (Fw) heeft geschorst, teneinde [Wegen] Wegen in de gelegenheid te stellen de curator tot overneming van het geding op te roepen tegen de zitting van 5 maart 2014.

3.1.3.

Bij exploot van 18 februari 2014 heeft [Wegen] Wegen mr. S.M.M. van Dooren, curator in het faillissement van [Recycling] Recycling, opgeroepen te verschijnen op de zitting van 5 maart 2014 teneinde het geding van [Recycling] Recycling over te nemen en voort te procederen.

3.1.4.

Volgens het exploot van 25 februari 2014 heeft [Holding] Holding bij dat exploot de volgende stukken aan [Wegen] Wegen laten betekenen:

- de (hiervoor onder 3.1.1 vermelde) inleidende dagvaarding van 19 december 2013,

- de stampandakte en de laatst geregistreerde pandakte, waaruit blijkt dat de vorderingen die [Recycling] Recycling heeft op [Wegen] Wegen zijn verpand aan [Holding] Holding, en

- de brief van 7 februari 2014 waaruit blijkt dat [Holding] Holding mededeling heeft gedaan van het pandrecht aan [Wegen] Wegen en aldus bevoegd is geworden de in de inleidende dagvaarding bedoelde vorderingen te innen.

Tevens heeft [Holding] Holding bij dat exploot [Wegen] Wegen opgeroepen om op 5 maart 2014 te verschijnen ter civiele terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch. Hierbij heeft [Holding] Holding aangezegd dat zij "het door de betekening van (…) genoemde stukken geschorste rechtsgeding, althans het ex artikel 27 Fw ter rolle van 4 februari 2014 toegewezen verzoek tot schorsing" hervat op de laatste gedingstukken.

3.1.5.

Bij rolbericht van 26 februari 2014 heeft mr. I.J.A.J. Hanssen, die tot dat moment in de procedure optrad als advocaat van [Recycling] Recycling, het exploot van 25 februari 2014 bij de rechtbank ingediend.

3.1.6.

Bij rolbericht van 26 februari 2014 heeft mr. F.F. Stiekema de rechtbank medegedeeld dat hij mr. Hanssen vervangt en dat de curator het geding overneemt.

3.1.7.

Bij voorwaardelijke conclusie tot tussenkomst in een aanhangig geding van 16 april 2014 heeft de curator gevorderd:

primair bij rolbeslissing te bepalen dat mr. S.M.M. van Dooren, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [Recycling] Recycling de procedure tussen [Recycling] Recycling en [Wegen] Wegen voortzet en

subsidiair te bepalen dat mr. S.M.M. van Dooren in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [Recycling] Recycling en Bo-Te Technische Dienst B.V. wordt toegelaten als tussenkomende partij in de procedure tussen [Holding] Holding en [Wegen] Wegen.

3.1.8.

Bij de bestreden rolbeslissing heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 225 en 227 Rv, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom [Holding] Holding niet gerechtigd is de procedure tussen [Recycling] Recycling en [Wegen] Wegen over te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is [Recycling] Recycling noch de curator thans inningsbevoegd, terwijl, zoals de curator heeft erkend, [Holding] Holding dat wel is, zodat er geen grond is om te bepalen dat de procedure wordt voortgezet tussen de curator, als vertegenwoordiger van [Recycling] Recycling, en [Wegen] Wegen.

In het dictum heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 mei 2014 voor conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst aan de zijde van [Holding] Holding en [Wegen] Wegen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

3.2.1.

De curator is van deze rolbeslissing in hoger beroep gekomen. Hij heeft drie grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof zal bepalen dat in de procedure met zaak/rolnr. C/01/273034/HA ZA 14-17 partij zijn: mr. S.M.M. van Dooren in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [Recycling] Recycling als eiseres en [Wegen] Wegen als gedaagde, en dat [Holding] Holding zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2.2.

Met grief 1 komt de curator op tegen het oordeel van de rechtbank dat [Holding] Holding op basis van de artikelen 225 en 227 Rv gerechtigd is de procedure van [Recycling] Recycling over te nemen en op eigen naam voort te zetten. Met grief II bestrijdt de curator het uitgangspunt van de rechtbank dat hij de inningsbevoegdheid van [Holding] Holding heeft erkend. Grief III betreft de beslissing van de rechtbank dat de curator als vertegenwoordiger van [Recycling] Recycling niet langer als procespartij is aan te merken.

3.3.

[Holding] Holding heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft geconcludeerd dat het hof de curator niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans dat deze hem worden ontzegd en dat de curator zal worden veroordeeld in de proceskosten met de wettelijke rente en de nakosten.

3.4.

Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat een rolbeslissing kan worden aangemerkt als een vonnis in het geval dat die beslissing ingrijpt in de rechten en belangen van partijen. De afwijzende beslissing van de rechtbank op de – hiervoor onder rechtsoverweging 3.1.7 weergegeven – primaire vordering van de curator, raakt rechtstreeks de positie van de curator en de door hem beheerde faillissementsboedel, zodat de rolbeslissing van 30 april 2014 kan worden aangemerkt als een vonnis. De rechtbank heeft enkel in haar overwegingen afwijzend beslist op de vordering van de curator om de procedure als eisende partij over te nemen en heeft - naar het hof begrijpt - geen niet-ontvankelijk verklaring uitgesproken noch de vordering afgewezen. De rechtbank heeft daarbij niet tevens in het dictum aan dit deel van de vordering van de curator een einde gemaakt, zodat de rolbeslissing moet worden aangemerkt als een tussenvonnis, waartegen - krachtens het bepaalde in artikel 337 lid 2 Rv - tussentijds appel niet is toegestaan, tenzij de rechter in eerste aanleg anders heeft bepaald. Nu gesteld noch gebleken is dat de rechter in eerste aanleg toestemming heeft gegeven voor tussentijds appel, kan de curator thans niet in zijn hoger beroep worden ontvangen.

3.5.

Overigens lijkt het erop dat de rechtbank het rolbericht van mr. Stiekema van 26 februari 2014 waarbij de rechtbank is medegedeeld dat hij mr. Hanssen vervangt en dat de curator het geding overneemt, terzijde heeft gelegd, terwijl de procedure juist met het oog op overname door de curator was geschorst. Op grond van het bepaalde in artikel 27 lid 3 Fw is de curator, ook zonder opgeroepen te zijn, bevoegd te allen tijde het proces over te nemen en de gefailleerde buiten het geding te doen stellen. Die bevoegdheid betekent dat de rechter overname door de curator niet kán weigeren.

Schorsing en hervatting van het geding op de voet van de artikelen 225 en 227 Rv daarentegen nopen de rolrechter de wederpartij in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de deugdelijkheid van de ingeroepen schorsingsgrond, waarna bij betwisting een schorsingsincident volgt en een beslissing in dat incident door de rechter. Daarnaast is mogelijk dat de oorspronkelijke procespartij naast de rechtsopvolger nog een eigen belang heeft en daarom in de procedure na hervatting betrokken wil blijven.

3.6.

De slotsom is dat de curator niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de curator worden veroordeeld in de proceskosten met de door [Holding] Holding gevorderde wettelijke rente. De gevorderde nakosten zullen worden afgewezen nu de instantie bij de rechtbank nog niet is beëindigd.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart de curator niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

veroordeelt de curator in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van [Holding] tot aan deze uitspraak begroot op € 704,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris advocaat en aan de zijde van [Wegen] Wegen tot aan deze uitspraak begroot op nihil en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, S.M.A.M. Venhuizen en J.R. Sijmonsma en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2014.