Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2994

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
HD 200.137.568_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Geen) bevoegdheid Nederlandse rechter in arbeidszaak (overtreding van non-concurrentiebeding). Artikel 20 EEX-Vo. Beroep op aanvullende grondslag (onrechtmatige daad) in hoger beroep leidt niet tot bevoegdheid. Verdragsautonome uitleg (Kalfelisarrest en Brogsitterarrest HvJEU).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0749
AR 2014/618

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.137.568/01

arrest van 26 augustus 2014

in de zaak van

[Bulk Bag Holland] Bulk Bag Holland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2],

appellante,

hierna aan te duiden als [Bulk Bag Holland],

advocaat: mr. N. Köse-Albayrak te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] (België),

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. R.R.E. Nobus te Terneuzen,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 oktober 2013 en herstelexploot van 14 november 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis in het incident van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton, locatie Bergen op Zoom van 17 juli 2013, gewezen tussen [Bulk Bag Holland] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 765709 CV EXPL 13-1336)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven tevens akte aanvulling grondslag van bevoegdheid;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg (de ontbrekende incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van [geïntimeerde] en de conclusie van antwoord in het incident van [Bulk Bag Holland] zijn op verzoek van het hof bij brief van 28 mei 2014 nagezonden door de advocaat van [Bulk Bag Holland]).

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

- [Bulk Bag Holland] heeft in de inleidende dagvaarding gesteld dat [geïntimeerde] woonachtig is in België en dat [Bulk Bag Holland] is gevestigd in [vestigingsplaats 3], zodat de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

[Bulk Bag Holland] heeft verder gesteld dat [geïntimeerde] op 1 juni 2009 bij haar in dienst is getreden voor de duur van 24 maanden en dat deze arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 31 mei 2011.

In artikel 18 van de door [Bulk Bag Holland] overgelegde arbeidsovereenkomst d.d. 29 mei 2009 is een non-concurrentiebeding opgenomen:

“Het is werknemer verboden binnen een tijdvak van één (1) jaar na de beëindiging van deze overeenkomst zonder schriftelijke toestemming van de werkgever binnen de Benelux bij een bedrijf werkzaam te zijn dan wel direct of indirect enig belang te hebben bij een bedrijf gelijk dan wel gelijksoortig aan dat van werkgever op straffe van een direct opeisbare boete en zonder ingebrekestelling verschuldigde boete van € 5.000 (…) per gebeurtenis en tevens € 500 (…) per iedere dag dat hij in overtreding is onverminderd het recht van werkgever om volledige schadevergoeding te vragen.”

[Bulk Bag Holland] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van

€ 323.545,-- wegens - kort gezegd - verschillende overtredingen door [geïntimeerde] van voormeld non-concurrentiebeding en gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Verder heeft [Bulk Bag Holland] gevorderd dat [geïntimeerde] openheid van zaken aan [Bulk Bag Holland] verschaft omtrent andere door [geïntimeerde] gepleegde overtredingen van het non-concurrentiebeding, alsmede veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, die van het gelegde beslag daaronder begrepen.

- [geïntimeerde] heeft een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid genomen en geconcludeerd dat uitsluitend de Belgische rechter bevoegd is van de zaak kennis te nemen en dat derhalve de rechtbank Zeeland-West-Brabant niet bevoegd is.

- Voornoemde rechtbank heeft zich bij vonnis waarvan beroep onbevoegd verklaard en geoordeeld dat verwijzing naar de Belgische rechter, zoals door [Bulk Bag Holland] verzocht voor het geval de vordering in het incident van [geïntimeerde] wordt toegewezen, niet aan de orde is.

3.2.

[Bulk Bag Holland] heeft in hoger beroep drie grieven (per abuis zijn door [Bulk Bag Holland] twee grieven met II aangeduid, het hof zal de tweede grief II als grief III aanduiden) aangevoerd en de grondslag van de bevoegdheid aangevuld. [Bulk Bag Holland] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot terugbetaling door [geïntimeerde] van hetgeen [Bulk Bag Holland] op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Op 1 maart 2002 is de Verordening 44/2001 van de Europese Unie (hierna: EEX-Vo) in werking getreden. Deze verordening bevat een Europese regeling voor de internationale bevoegdheid van rechters in arbeidszaken waarvan de betrokken partijen in verschillende lidstaten van de Europese unie woonachtig zijn althans gevestigd zijn, hetgeen in dit geval aan de orde is, te weten Nederland (werkgever) en België (werknemer).

In artikel 20 EEX-Vo is bepaald dat als de werkgever een procedure begint tegen de werknemer, hij dit dient te doen in het land waar de werknemer woont. Hiervan kan op grond van artikel 21 EEX-Vo alleen worden afgeweken indien partijen na het ontstaan van hun geschil een forumkeuze-overeenkomst hebben gesloten die inhoudt dat de procedure in een ander land kan plaatsvinden.

3.4.

Grief I

In het onderhavige geschil is geen sprake van een forumkeuze-overeenkomst als bedoeld in artikel 21 EEX-Vo. De forumkeuze, opgenomen in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst van 29 mei 2009 (“In geval van een geschil is enkel de Nederlandse rechter bevoegd hiervan kennis te nemen.”), betreft geen na het ontstaan van het onderhavige geschil (over overtreding van het non-concurrentiebeding) gedane forumkeuze.

Het feit dat thans een - het hof ambtshalve bekende - andere procedure (HD 200.114.418/01, uitspraak d.d. heden) aanhangig is bij dit hof tussen partijen, in welke procedure [geïntimeerde] zich als eiser in eerste aanleg heeft beroepen op artikel 19 EEX-Vo, op grond waarvan [Bulk Bag Holland] als werkgever is gedagvaard voor het gerecht waar zij woonplaats heeft (rechtbank Maastricht, thans rechtbank Limburg), betekent evenmin dat sprake is van een forumkeuze-overeenkomst als bedoeld in artikel 21 EEX-Vo.

[Bulk Bag Holland] heeft in de toelichting op de eerste grief gesteld dat wanneer in andere zaken expliciet is gekozen voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter, in een later aangebrachte zaak de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden aangenomen.

Dit argument gaat alleen al niet op omdat in de hiervoor bedoelde procedure geen sprake is van een keuze voor de bevoegdheid voor de Nederlandse rechter, nu deze bevoegdheid al uit artikel 19 EEX-Vo voortvloeide. Van een situatie als bedoeld in artikel 27 of 28 EEX-Vo is, als [Bulk Bag Holland] al bedoeld heeft daar - alsdan zonder nadere onderbouwing - een beroep op te doen, evenmin sprake.

Grief I faalt.

3.5.

Grief III en aanvulling grondslag van bevoegdheid

[Bulk Bag Holland] heeft gesteld dat de overtredingen van het non-concurrentiebeding tevens een onrechtmatige daad van [geïntimeerde] opleveren (punt 21 mvg). Aangezien het schadetoebrengende feit zich in Nederland heeft voorgedaan, heeft de Nederlandse rechter volgens haar rechtsmacht ingevolge artikel 5 lid 3 EEX-Vo en artikel 6 aanhef en sub e Rv.

Het hof oordeelt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak, ingeleid met het Kalfelisarrest (HvJEG 27 september 1988, nr. 189/87, ECLI:NL:XX:AD0444), dient het begrip “verbintenissen uit onrechtmatige daad” van artikel 5 lid 3 EEX-Verdrag verdragsautonoom te worden uitgelegd. Volgens het Hof van Justitie valt hieronder elke rechtsvordering die beoogt aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 5 sub 1. Deze rechtspraak geldt ook onder de EEX-Vo. In het Brogsitterarrest (HvJEU 13 maart 2014, nr. C-548-12, ECLI:NL:XX:2014:102) is dit nog eens bevestigd. Volgens dit arrest (overweging 24) is verder slechts sprake van een vordering die voortvloeit uit “verbintenissen uit overeenkomst” “indien de verweten gedraging kan worden beschouwd als niet-nakoming van de contractuele verbintenissen zoals deze kunnen worden bepaald aan de hand van het voorwerp van de overeenkomst”. Het is ingevolge laatstgenoemd arrest (overweging 26) aan de rechter om te bepalen of de vorderingen een schadevordering betreffen die redelijkerwijze kan worden gegrond op een schending van rechten en plichten uit de overeenkomst tussen partijen.

In het onderhavige geval blijkt evident uit de memorie van grieven (punt 17-23) dat de vordering van [Bulk Bag Holland] voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, te weten de gestelde overtreding door [geïntimeerde] van artikel 18 van die arbeidsovereenkomst, het non-concurrentiebeding. Andere stellingen of feiten heeft [Bulk Bag Holland] aan haar vordering uit onrechtmatige daad niet ten grondslag gelegd.

Het beroep van [Bulk Bag Holland] op ECLI:NL:RBNHO:2013:7988 berust op een verkeerde lezing van die uitspraak in kort geding. In het deel van de uitspraak waar [Bulk Bag Holland] kennelijk naar verwijst in punt 29 van de memorie van grieven (“.. nu hij bewust gebruikmakend van de (…) opgedane kennis, ervaring en contacten, voordeel behaalt en dientengevolge nadeel toebrengt…”) gaat het niet om de werknemer, maar om de nieuwe werkgever van de werknemer, die een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens de voormalige werkgever van die werknemer. Ook het in punt 29 memorie van grieven gestelde moet overigens geheel worden teruggevoerd op overtreding van het non-concurrentiebeding; de schadevordering kan derhalve ook hier redelijkerwijs worden gegrond op een schending van rechten en plichten uit de overeenkomst tussen partijen.

De conclusie luidt dat de aanvulling van de grondslag door [Bulk Bag Holland] niet leidt tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Grief III faalt.

3.6.

Grief II

Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter zich terecht onbevoegd heeft verklaard om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

De kantonrechter heeft terecht overwogen dat verwijzing naar de Belgische rechter niet mogelijk is. Verwijzing is op grond van artikel 73 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts mogelijk naar een gewone Nederlandse overheidsrechter. Alleen in het geval van litispendentie als bedoeld in artikel 28 lid EEX-Vo zou verwijzing naar een gerecht van een andere lidstaat mogelijk zijn, doch van een dergelijk geval is, zoals reeds overwogen, hier geen sprake.

Ingevolge artikel 69 EEX-Vo vervangt deze verordening (onder meer) het Nederlands-Belgisch Executieverdrag 1925, zodat de kantonrechter terecht geen aandacht aan laatstgenoemd verdrag heeft besteed.

Grief II faalt.

3.7.

Slotsom

Het vorenoverwogene houdt in dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd. [Bulk Bag Holland] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [Bulk Bag Holland] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 1.553,= aan verschotten en op € 894,= aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, R.R.M. de Moor en J.P. de Haan en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2014.