Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2989

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
HD 200.133.181_02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Groepsaansprakelijkheid. Omvang van de geleden schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 44
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 900
Burgerlijk Wetboek Boek 7 901
Burgerlijk Wetboek Boek 7 902
Burgerlijk Wetboek Boek 7 903
Burgerlijk Wetboek Boek 7 904
Burgerlijk Wetboek Boek 7 905
Burgerlijk Wetboek Boek 7 906
Burgerlijk Wetboek Boek 7 907
Burgerlijk Wetboek Boek 7 908
Burgerlijk Wetboek Boek 7 909
Burgerlijk Wetboek Boek 7 910
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/122 met annotatie van mr. L.F. Dröge

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.133.181/02

arrest van 26 augustus 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

hierna aan te duiden als “[appellant]”,

advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als “[geïntimeerde]”,

advocaat: mr. R. Joosen te Dongen,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-Wet-Brabant, afdeling kanton, zittingsplaats Breda van

29 mei 2013, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 762149 CV 13-955)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven, tevens akte wijziging en vermeerdering/aanvulling van eis, met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi van 17 juli 2014, waarbij [geïntimeerde] pleitnotities heeft overgelegd, en de daaraan voorafgaande brief van [appellant] van 2 juli 2014 met acht producties (nrs. 12 t/m 19).

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 Het geschil

3.1.1

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

In de nacht van (vrijdag) 16 op (zaterdag) 17 november 2012 is aan een auto, merk Mini Cooper, kenteken [kenteken], schade ontstaan als gevolg van vandalisme in de vorm van het lopen over de auto en het afbreken van een spiegel. Als gevolg hiervan zijn herstelkosten ontstaan tot een bedrag van € 2.480,96 exclusief BTW (prod. 7 MvG, bijlage 112-88). De auto behoort in eigendom toe aan de besloten vennootschap Noordlease B.V., van welke maatschappij [appellant] de auto in privélease had ontvangen. Op grond van de toepasselijke voorwaarden is Noordlease B.V gehouden zorg te dragen voor de verzekering van deze auto. De daarvoor te betalen premie wordt doorberekend in de leasesom. Wijzigingen in de premie leiden tot een aanpassing van de leasesom. [appellant] is voor elk incident waarbij schade ontstaat een eigen risico van € 135,= verschuldigd.

3.1.2

In de betreffende nacht is [geïntimeerde] met drie vrienden uitgegaan in [woonplaats 1]. Ten tijde van het aanrichten van de vernielingen aan de auto bevonden zij zich op straat, in de onmiddellijke omgeving van de auto.

3.1.3

[appellant] heeft direct na de vernieling tipgeld uitgeloofd voor de persoon die hem bekend kon maken met de identiteit van de persoon of personen die verantwoordelijk was/waren voor het aanrichten van de schade aan de bij hem in gebruik zijnde auto. Op zondagochtend 18 november 2012 heeft zich een getuige gemeld en de namen genoemd van drie jongens die voor de vernieling verantwoordelijk zouden zijn geweest. Het betrof [verdachte 1], [verdachte 2] en [geïntimeerde]. Later die dag hebben twee jongens nog laten weten dat de vierde persoon [verdachte 3] zou zijn geweest. [appellant] heeft € 1.000,-- tipgeld uitgeloofd.

3.1.4

[appellant] heeft vervolgens op maandag 19 november 2012 een advocaat gevraagd een concept-vaststellingsovereenkomst op te stellen. Hij heeft de vier betrokkenen uitgenodigd om die avond om 21.30 uur bij hem langs te komen om te praten over een regeling van de schade. De vier genoemde jongens en de vader van [verdachte 3] zijn die avond bij [appellant] verschenen. Tevens was bij de bespreking de partner van [appellant] aanwezig. [appellant] heeft tijdens de bespreking de NAW-gegevens ingevuld in de concept-vaststellingsovereenkomsten en de betrokken jongens de vaststellingsovereenkomst (prod. 1 bij inleidende dagvaarding) overhandigd. Twee van de jongens hebben die overeenkomst getekend. [verdachte 3] heeft dat niet gedaan. Hij is met zijn vader en met de concept-overeenkomst vertrokken, omdat zijn vader eerst met zijn verzekeraar wilde overleggen of deze de schade zou dekken. Ook [geïntimeerde] heeft die avond, als derde, de voorgehouden vaststellingsovereen-komst getekend.

3.1.5

In de vaststellingsovereenkomst erkent [geïntimeerde] de vernielingen aan de auto te hebben verricht en erkent hij hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor alle daardoor geleden en te lijden schade. Onder punt 2 staat vervolgens aangegeven wat onder de schade wordt verstaan. De tekst van dat onderdeel van de overeenkomst luidt als volgt:

“De schadeveroorzaker erkent aansprakelijkheid voor onder meer, doch niet uitsluitend, de volgende schadeposten:

1. alle materiele schade aan de auto van benadeelde, zoals hiervoor omschreven na de eerste visuele inspectie en zoals eventueel in een later stadium door een schade-expert definitief vastgesteld zal worden en/of door een schadeherstel-bedrijf aan de benadeelde in rekening gebracht zal worden;

2. de door benadeelde verschuldigde bijdrage in het aan tipgever(s) uit te keren tipgeld van € 1.000,=;

3. de door benadeelde verschuldigde bijdrage in de buitengerechtelijke en eventuele gerechtelijke kosten die samenhangen met deze kwestie, waaronder de kosten voor het opstellen van de onderhavige vaststellingsovereenkomst;

4. de kosten van € 100,00 per dag met betrekking tot door de benadeelde ingeschakeld vervangend vervoer;

5. een vergoeding van € 150,00 per dag in verband met noodgedwongen door de benadeelde opgenomen vrije dagen/snipperdagen;

6. alle verdere schade die door de benadeelde als gevolg van het handelen van de schadeveroorzaker is of zal worden geleden;”

De overeenkomst bevat de clausule dat [appellant] bij nakoming door [geïntimeerde] van diens betalingsverplichting geen strafrechtelijke aangifte tegen [geïntimeerde] zal doen. [geïntimeerde] heeft, na daartoe op grond van deze overeenkomst aangemaand te zijn, geen betalingen aan [appellant] verricht.

3.1.6

Het OM heeft [geïntimeerde] een strafbeschikking opgelegd op verdenking van openlijke geweld-pleging. [geïntimeerde] is tegen deze beschikking in verzet gekomen, waarna de politierechter te Breda op 28 maart 2014 de strafbeschikking heeft vernietigd, [geïntimeerde] heeft vrijgesproken en [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering als benadeelde partij.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg op grond van voormelde vaststellingsovereenkomst gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 10.375,25, te vermeerderen met (handels)rente en kosten als vermeld in het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter overwogen dat de vaststellingsovereenkomst vernietigd wordt en de daarop gegronde vorderingen van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. [appellant] kan zich met dat oordeel niet verenigen en heeft daartegen een tweetal grieven aangevoerd. Voorts voert [appellant] in aanvulling op hetgeen hij in eerste instantie aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, thans ook aan – subsidiair, voor het geval dat de vaststellingsovereenkomst geen grond voor een veroordeling zou bieden – dat [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan hij schade heeft geleden, welke schade door [geïntimeerde] dient te worden vergoed.

De grieven en de aanvulling/vermeerdering van eis bij memorie van grieven, komen er qua inhoud en strekking op neer dat zij beogen de zaak in hoger beroep opnieuw ten volle aan het oordeel van het hof voor te leggen.

In hoger beroep vordert [appellant], kort weergegeven, vernietiging van het vonnis van 29 mei 2013 en betaling door [geïntimeerde] van een bedrag van € 9.444,25 met de contractuele rente van 1% per maand en vermeerderd met de werkelijke advocaatkosten van [appellant] met rente, subsidiair de gebruikelijke proceskosten met rente en nasalaris, en buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden bij memorie van antwoord. Zakelijk weergegeven komt het standpunt van [geïntimeerde] er op neer dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen en om die reden nietig is. Voorts betwist [geïntimeerde] zijn aansprakelijkheid voor de schade door te weerspreken dat hij betrokken is geweest bij de vernielingen. Ten slotte betwist [geïntimeerde] de omvang van de gevorderde schade.

4 De beoordeling

4.1.1

Het hof komt ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst tot een zelfde conclusie als de kantonrechter te Breda, namelijk dat deze niet als grondslag voor de vorderingen van [appellant] kan dienen. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] al in eerste aanleg (dupliek, punt 3) heeft aangevoerd dat de overeenkomst niet duidelijk inhoudt wat mogelijk de totale opgevoerde schade zou kunnen zijn. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde], thans bijgestaan door een advocaat, nogmaals gewezen op het open einde van de overeenkomst met betrekking tot de omvang van de schade. Het hof is van oordeel dat de omvang van de schade waarvoor in de overeenkomst aansprakelijkheid wordt aanvaard, inderdaad in onvoldoende mate is omschre-ven. Met name de laatste post in de omschrijving van de schade laat alle ruimte voor discussie over posten die [appellant] van [geïntimeerde] meent te kunnen vorderen. Dat een dergelijke discussie ook bepaald niet denkbeeldig is, volgt wel uit het feit dat [appellant] naar eigen berekening (productie 5 bij memorie van grieven) ten tijde van het nemen van die conclusie kennelijk van mening is dat hij een (mede) door [geïntimeerde] te vergoeden schade heeft geleden van € 20.626,49, waar de reparatiekosten van de auto € 2.480,96 bedroegen.

4.1.2

Voorts stelt het hof vast dat de overeenkomst ten minste twee schadeposten vermeldt die als zodanig niet voor rekening komen van [appellant]. [appellant] houdt de auto in kwestie immers op basis van een leaseovereenkomst. De eigenaar van de auto is Noordlease B.V. en die vennootschap is de persoon die de materiële schade in de vorm van herstelkosten in rekening gebracht krijgt. [appellant] heeft dit moeten weten, maar neemt desondanks de herstelkosten als door hem geleden schade op in de vaststellingsovereenkomst. Voorts neemt [appellant] als schade in de vaststellingsovereenkomst kosten voor vervangend vervoer op, hoewel deze kosten op grond van artikel 9 van de op de leaseovereenkomst toepasselijke voorwaarden (productie 2 bij memorie van grieven) voor rekening komen van de leasemaatschappij. De overeenkomst bevat dus in elk geval twee posten waarvan [appellant] heeft moeten weten dat zij ten onrechte als hem opkomende schade bij [geïntimeerde] in rekening werden gebracht.

4.1.3

Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat [appellant] de vaststellingsovereenkomst heeft laten opstellen door een juridisch geschoold adviseur, die in de tekst van de overeenkomst bedingen heeft opgenomen waarvan de reikwijdte door een niet juridisch geschoolde leek moeilijk kunnen worden overzien. Verwezen zij bijvoorbeeld naar de bepaling dat herroeping van de erkenning of het leveren van tegenbewijs worden uitgesloten en het bedingen van hoofdelijkheid ten aanzien van de aansprakelijkheid. De tekst van de overeenkomst is niet tevoren aan [geïntimeerde] opgestuurd en [geïntimeerde] is ook niet de gelegenheid geboden tot kalm en rustig beraad over de vraag of hij deze overeenkomst wel wilde aangaan. Bezien in het licht van hetgeen over de inhoud van de overeenkomst is overwogen, kon en mocht [appellant] in alle redelijkheid niet verwachten dat [geïntimeerde] zich kalm en rustig kon beraden tijdens een bijeenkomst tussen 21.30 en 22.30 uur, waarbij zeven personen waren betrokken en waarbij hem bovendien nog eens een aantal mogelijk vervelende consequenties werden voorgehouden voor het geval hij ondertekening zou weigeren. Uit de inhoud van de overeenkomst volgt immers onmiskenbaar dat [appellant] [geïntimeerde] heeft voorgehouden dat hij bij een weigering om te ondertekenen aangifte tegen hem zou doen. [geïntimeerde] is geen bedenktijd gegeven, noch voor beraad met zijn ouders, noch voor beraad met een WA-verzekeraar, noch voor het inwinnen van juridisch advies omtrent zijn juridische positie tegenover [appellant]. De omstandigheid dat [geïntimeerde] niet om bedenktijd heeft gevraagd doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af, omdat het op de weg van [appellant] had gelegen om die gelegenheid te geven en niet op de weg van [geïntimeerde], die door de tekst van de overeenkomst werd overvallen, om die gelegenheid te vragen.

4.1.4

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden en gelet op de verstrekkende en deels onbepaalde aard en onverschuldigdheid van de verplichtingen die [appellant] bij deze overeen-komst aan [geïntimeerde] heeft willen opleggen, is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de overeenkomst in elk geval door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, voor zover er in deze overigens al daadwerkelijk een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen aangezien de in casu getroffen regeling geen einde maakt aan de onzekerheid of het geschil tussen partijen.

4.2.1

In aanvulling op hetgeen hij in eerste aanleg heeft gesteld, heeft [appellant] in hoger beroep subsidiair aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, als gevolg waarvan hij schade heeft geleden die door [geïntimeerde] aan hem vergoed moet worden.

4.2.2

Het hof is met [appellant] van oordeel dat de stukken in het dossier voldoende grondslag vormen om [geïntimeerde] op deze grond tot vergoeding van schade te veroordelen. Het hof overweegt daartoe het navolgende.

Als productie 10 bij memorie van grieven zijn kopieën van een ambtsedig proces-verbaal van politie in het geding gebracht, houdende (onder meer) de verklaringen van [verdachte 3], [verdachte 1], [verdachte 2] en [geïntimeerde]. Allen verklaren dat zij met zijn vieren waren uitgegaan in een discotheek in [woonplaats 1]. [verdachte 3] verklaart dat hij onderweg bij het naar huis lopen over de motorkap van een Mini Cooper is gelopen en dat [verdachte 1], [geïntimeerde] en [verdachte 2] uit [woonplaats 1] daar ook bij waren. [geïntimeerde] is, zo verklaarde [geïntimeerde] bij gelegenheid van het gehouden pleidooi, de roepnaam van [geïntimeerde]. Voor wat betreft het aandeel van de andere jongens verklaart [verdachte 3] dat [verdachte 1] tegen een spiegel aan is gevallen en de beide anderen helemaal over de auto heen zijn gelopen. [verdachte 1] bevestigt deze verklaring integraal, [verdachte 2] bevestigt deze voor wat betreft de handelingen van [verdachte 3] en [verdachte 1] en (zij het met enige terughoudendheid omtrent de omvang van zijn eigen handelen) ook voor wat betreft zijn aandeel. [verdachte 2] verklaart niets over het aandeel van [geïntimeerde], maar wel dat [geïntimeerde] erbij was. Het hof leidt uit deze verklaringen af dat de auto van [appellant] is beschadigd door leden van het groepje waartoe [geïntimeerde] behoorde en dat ook [geïntimeerde] aan het geheel van die handelingen heeft bijgedragen.

4.2.3

Dat twee andere getuigen ([getuige 1] en [getuige 2]) het hebben over een groepje van zes, waartoe ook één meisje behoorde, waarvan zij jongens over auto’s hebben zien lopen, acht het hof in dit verband minder van belang. Uit de getuigenverklaringen en de verklaringen van de betrokken jongens blijkt dat het die avond behoorlijk druk was op straat en dat de groep van [geïntimeerde] ook betrokken is geweest bij een woordenwisseling met een andere groep. Volgens [verdachte 3] bestond de aanleiding om over de auto te lopen immers uit een duw die [verdachte 1] van één van de leden van die groep had gekregen. In dat verband kan geen (doorslaggevende) betekenis worden gehecht aan de waarneming van deze beide getuigen die spreken over een groep van zes personen, te minder nu drie van de vier leden van de groep waartoe [geïntimeerde] behoorde tegenover de politie in inhoudelijk min of meer gelijkluidende verklaringen hebben erkend verantwoordelijk te zijn geweest voor het beschadigen van de Mini Cooper. Dat dit een andere auto moet of kan zijn geweest dan de auto die [appellant] in gebruik had, is niet gesteld of gebleken. Het is bovendien niet uitgesloten dat verschillende groepjes jongeren die nacht over auto’s heen hebben gelopen.

4.2.4

De slotsom luidt dat in rechte in voldoende mate is komen vast te staan dat de bij [appellant] in gebruik zijnde auto is beschadigd door handelen van leden van de groep waartoe [geïntimeerde] behoorde, dat [geïntimeerde] zelf ook bij dat groepshandelen betrokken is geweest, en dat de kans op het toebrengen van schade de leden van de groep, ook [geïntimeerde], had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. Die handelingen waren onrechtmatig tegenover [appellant] en dat als gevolg daarvan schade is ontstaan is in rechte verder niet betwist. De hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde], als lid van de groep die voor de beschadiging van de auto verantwoordelijk is geweest, volgt dan uit het bepaalde in artikel 6:166, lid 1 BW. Het verweer van [geïntimeerde] met betrekking tot zijn aansprakelijkheid wordt dan ook verworpen.

4.3.1

[geïntimeerde] heeft ook verweer gevoerd tegen de omvang van de gevorderde schade.

Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] als onderbouwing van zijn schade verwezen naar een specificatie achter een aanmaning (productie 2 bij inleidende dagvaarding) die een negental posten omvat en sluit op een bedrag van € 9.312,15. In hoger beroep vordert [appellant] een ander bedrag (€ 9.444,25 plus buitengerechtelijke kosten en advocaatkosten), waarbij hij verwijst naar producties 6 en 7 bij memorie van grieven. De schadeopstelling van productie 6 sluit echter op een bedrag van meer dan € 20.000,=, terwijl [appellant] geen overzicht heeft overgelegd welke posten (daarvan) hij schaart onder het gevorderde bedrag van € 9.444,25.

Het hof zal daarom (alleen) de kosten beoordelen die [appellant] in zijn memorie van grieven heeft besproken, te weten: reparatiekosten auto, kosten vervangend vervoer, waardevermindering auto, kosten taxatierapport, eigen risico, kosten verzenden aanmaningen en brieven, werkelijke advocaatkosten, tipgeld, opgenomen vrije dagen, contractuele rente en subsidiair extra premiebetalingen ad € 2.246,40 (in plaats van reparatiekosten en waardevermindering).

4.3.2.

Omdat vast staat dat [appellant] geen eigenaar is van de beschadigde auto, komen de posten reparatiekosten en waardevermindering auto niet ten laste van zijn vermogen. Zij leveren dus geen schade voor [appellant] op. De post vervangend vervoer komt evenmin ten laste van [appellant], omdat, zoals bij het pleidooi aan de orde is geweest, [appellant] op grond van artikel 9 van de algemene voorwaarden bij de leaseovereenkomst aanspraak heeft op gratis vervangend vervoer zodra met herstel van de auto langer dan 24 uur gemoeid is. Uit de opgave van [appellant] bij dagvaarding in eerste aanleg blijkt dat hij van 3-7 december 2012 een auto heeft gehuurd, dus langer dan 24 uur.

4.3.3

De posten taxatierapport, verzenden aanmaningen en brieven, werkelijke advocaatkosten, tipgeld en opgenomen vrije dagen vallen onder het regime van artikel 6:96 BW nu deze worden opgevoerd als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid of ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Deze kosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover zij redelijkerwijs gemaakt zijn en voor zover de hoogte van de gemaakte kosten redelijk is. Dat is ten aanzien van deze posten niet het geval, zoals hierna wordt geoordeeld.

4.3.4

De post “verzenden aanmaningen en brieven” betreft kennelijk kosten die [appellant] voorafgaand aan de procedure zelf heeft gemaakt. [appellant] heeft echter niets aangevoerd dat het oordeel kan rechtvaardigen dat het hier meer of andere kosten betreft dan de gebruikelijke kosten die een partij zelf nu eenmaal maakt in het kader van de voorbereiding van zijn procedure. De wet kent daarvoor aan partijen geen vergoeding toe bij de beoordeling van de omvang van de proceskosten, zodat aangenomen moet worden dat deze in beginsel voor rekening van partijen zelf blijven. Gronden om deze kosten in dit geval desondanks toe te wijzen zijn niet gebleken.

4.3.5

De noodzaak tot het opnemen van vrije dagen in verband met de onderhavige procedure is niet onderbouwd. De noodzaak om als partij zelf enige tijd te besteden aan een procedure waarin men is betrokken en aan het bestuderen van (proces)stukken is een normaal maatschappelijk risico waarvan niet gebleken is dat dat in dit geval tot afzonderlijke vergoeding zou moeten leiden, te minder nu de bepalingen omtrent de vaststelling van proceskosten hiervoor ook geen vergoeding toekennen.

4.3.6

De kosten voor het opstellen van een taxatierapport, als die door [appellant] zelf zijn gemaakt, zijn nodeloos gemaakt. In de eerste plaats vormden de herstelkosten van de auto geen schade voor [appellant], zodat de vaststelling van de omvang daarvan niet op zijn weg lag. Verder mag worden aangenomen dat de leasemaatschappij in het kader van het herstel van de auto en de afwikkeling daarvan met de verzekeraar een expert naar de auto heeft laten kijken. [appellant] had kunnen volstaan met het opvragen van de rapportage van die expert, dan wel – zoals hij ook heeft gedaan – van de factuur van het schadeherstelbedrijf dat de reparatie van de auto heeft verzorgd. De kosten voor het opstellen van een taxatierapport zijn dus niet redelijk en komen om die reden niet voor toewijzing in aanmerking.

4.3.7

Een vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen van de vaststellings-overeenkomst acht het hof evenmin redelijk, nu het niet tot een geldige vaststellingsovereenkomst is gekomen.

4.3.8

Met betrekking tot de kostenpost “tipgeld” overweegt het hof allereerst dat in rechte niet is komen vast te staan dat dit daadwerkelijk is uitbetaald. Voorts is de noodzaak tot het uitloven van tipgeld, daags na het beschadigen van de auto, niet gebleken en kan de omvang ervan niet proportioneel worden geacht. [appellant] heeft nagelaten om aangifte te doen en een onderzoek van de politie af te wachten. Voorts heeft [appellant] nagelaten om eerst te proberen of hij zonder het middel van tipgeld de daders van de vernielingen kon achterhalen. Bovendien is de hoogte van het tipgeld in verhouding tot de uiteindelijk door [appellant] geleden schade disproportioneel. Om die reden is het hof van oordeel dat ook deze post niet kan worden gerekend tot de redelijke kosten tot vaststelling van aansprakelijkheid, c.q. verkrijging van betaling buiten rechte.

4.3.9

Met betrekking tot productie 6 bij memorie van grieven overweegt het hof verder nog dat de kosten van het incassobureau voor het opstellen en uitbrengen van de dagvaarding en de kosten die de advocaat van [appellant] in rekening heeft gebracht vallen onder de proceskosten waarover in het kader van dit geding een beslissing wordt genomen. In het overzicht staat ook nog een post “contractuele rente”, waarmee kennelijk wordt gedoeld op een rentebeding uit de vaststellingsovereenkomst. Nu die overeenkomst, als die al tot stand zou zijn gekomen, in rechte niet in stand kan blijven, komt ook de grond voor het berekenen van contractuele rente te vervallen. Uiteindelijk resteert de post van € 135,= wegens het door de leasemaatschappij bij [appellant] in rekening gebrachte eigen risico. Dit bedrag is daadwerkelijk door [appellant] als schade ten gevolge van de vernieling geleden en op die grond toewijsbaar..

4.3.10

Nu de posten reparatie en waardevermindering auto niet worden toegewezen, komt de hiervoor subsidiair gevorderde post aan de orde. [appellant] heeft aangevoerd dat hij in de bonus/malusregeling van de schadeverzekeraar van de auto een aantal treden terugvalt vanwege de aanspraak op de schadeverzekering met het oog op het herstel van de auto. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat [appellant] schade ondervindt als gevolg van de noodzaak om de herstelkosten door de verzekeraar van de auto te laten vergoeden. Het hof merkt op dat de auto op grond van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden bij de leaseovereenkomst verzekerd is door de leasemaatschappij. Deze berekent de verzekeringspremie door aan de lessee als onderdeel van de leaseprijs (artikel 2.1.7 algemene voorwaarden). Op grond van artikel 3.3.4 van de algemene voorwaarden kunnen wijzigingen in de verzekeringspremie in de leaseprijs worden doorberekend. Dat [appellant] op dit punt nadeel ondervindt als gevolg van de beschadiging van de auto is daarmee voldoende gebleken.

4.3.11

Als productie 8 bij memorie van grieven heeft [appellant] ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij vanwege een stijging van de verzekeringspremie daadwerkelijk schade lijdt, een berekening in het geding gebracht die hem door de leasemaatschappij is gestuurd ter onderbouwing van zijn stellingen op dit punt. Deze berekening is door [geïntimeerde] inhoudelijk niet betwist, ook niet voor wat betreft het daarin gehanteerde uitgangspunt dat [appellant] op de bonus/malusladder teruggezet wordt op een premiekortingspercentage van 40%. Uit deze onweersproken berekening volgt dat [appellant] tot en met 2020 nadelige gevolgen zal ondervinden van de schademelding. Het totaal aan premie dat hij over de periode tot en met 2020 gaat betalen is € 2.246,40 meer dan wanneer de schade niet bij de verzekering zou zijn gemeld. Het herstel van de schade heeft overigens blijkens de als productie 7 (bijlage 112-88) overgelegde factuur van het schadeherstelbedrijf € 2.480,96 gekost. In dat geval kan niet worden geoordeeld dat de melding van de schade bij de verzekeraar onredelijk is geweest. De slotsom luidt dat bestaan en omvang van dit onderdeel van de schade tot een bedrag van € 2.246,40 voldoende is aangetoond.

4.4

Uit de specificatie van de gevorderde schadeloosstelling, gelezen in verband met de vordering in eerste aanleg, leidt het hof af dat [appellant] tevens een vergoeding verlangt voor buitengerechtelijke incassokosten. Over deze kosten is hiervoor al het één en ander overwogen, waarnaar hier zij verwezen. Uit hetgeen in eerste aanleg en hoger beroep is gesteld vloeit niet voort dat namens [appellant] door derden meer of andere werkzaamheden ter verkrijging van betaling zijn verricht dan de gebruikelijke werkzaamheden in het kader van de voorbereiding van een procedure als de onderhavige. Redenen om naast de hiervoor genoemde bedragen nog een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toe te kennen, zijn het hof dan ook niet gebleken.

4.5

Bijzondere redenen die, in afwijking van hetgeen gebruikelijk is ten aanzien van de beoordeling van proceskosten, rechtvaardigen dat aan [appellant] een vergoeding wordt toegekend voor de reëel door hem gemaakte advocaatkosten zijn het hof niet gebleken. Hetgeen dienaangaande door [appellant] is aangevoerd, rechtvaardigt niet een afwijking van de gebruikelijke wijze van vaststelling van de proceskosten, waaronder een bijdrage aan het salaris van de advocaat van [appellant]. Ook dat onderdeel van de vorderingen van [appellant] zal daarom worden afgewezen.

4.6

De door [appellant] gevorderde contractuele rente is, zoals reeds onder r.o. 4.3.9 overwogen, niet toewijsbaar. Tegen de subsidiair gevorderde toekenning van wettelijke rente is geen verweer gevoerd, maar desondanks acht het hof deze niet toewijsbaar. De bij dit arrest toe te wijzen schade betreft in overwegende mate schade die in de toekomst geleden gaat worden. Gesteld noch gebleken is dat de leasemaatschappij inmiddels de verhoogde verzekeringspremie ook daadwerkelijk al in rekening is gaan brengen. De wettelijke rente dient ter vergoeding van vermogensschade die ontstaat als gevolg van het gemis van de gevorderde vergoeding. Door bij voorbaat in één keer een vergoeding te krijgen ter dekking van in de toekomst nog te lijden nadeel, heeft [appellant] geen renteschade, maar juist een rentevoordeel. Het hof zal daarom de wettelijke rente toewijzen over het door [appellant] betaalde eigen risico van € 135,= vanaf 5 maart 2013, nu uit de inhoudelijk niet weersproken handgeschreven aantekening op productie 5 bij de conclusie van repliek blijkt dat dit bedrag onderdeel heeft uitgemaakt van een op 4 maart 2013 aan de leasemaatschappij betaald bedrag.

4.7

Het voorgaande voert dan tot de slotsom dat het vonnis van de kantonrechter te Breda, gelet op hetgeen in hoger beroep subsidiair aan de vordering ten grondslag is gelegd, niet in stand kan blijven. Het hof zal dit vonnis vernietigen en, opnieuw rechtdoende, beslissen als na te melden. Ten aanzien van de proceskosten heeft daarbij te gelden dat partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld: [appellant] op het punt van de vaststellingsovereenkomst en het overgrote deel van de door hem gevorderde schadepenningen en [geïntimeerde] op het punt van zijn aansprakelijkheid. In deze omstandigheid vindt het hof aanleiding om de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te compenseren.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om ter zake voormeld tegen kwijting aan [appellant] te betalen de somma van € 2.381,40 (zegge: tweeduizend driehonderdéénentachtig euro, veertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 135,= vanaf 5 maart 2013 tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van zowel de eerste aanleg als in het hoger beroep des dat elk der partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, R.J.M. Cremers en mr. I. Giesen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2014.