Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2984

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
HD 200.135.787_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:325
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze zaak gaat het om de vraag of door de kantonrechter de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde terecht is uitgesproken. Huurder heeft huur onbetaald gelaten en beroept zich op opschorting vanwege gebreken aan het gehuurde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.135.787/01

arrest van 26 augustus 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. W. Nass te Eindhoven,

tegen

Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als SWS,

advocaat: mr. C.G. Bunge te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, kanton [woonplaats], van 30 mei 2013 en het vonnis van 25 juli 2013 van de rechtbank Oost-Brabant, kanton [woonplaats], gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en SWS als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 808933, rolnr. 12-1359)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het tussenvonnis van 5 juli 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

- de conclusie van eis met producties;

- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

- de akte van SWS.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

SWS als verhuurster en [appellant] als huurder hebben met ingang van 28 juni 2010 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan de [straatnaam][huisnummers 1-2] in [woonplaats] (hierna: de woning of het gehuurde).

3.1.2.

In de onderhavige procedure vordert SWS (uiteindelijk) in conventie ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, betaling van € 3.918,40 aan achter-stallige huur met rente en kosten en betaling van huur c.q. schadevergoeding tot aan de ontruiming. Aan deze vorderingen heeft SWS ten grondslag gelegd dat [appellant] in gebreke is gebleven met het betalen van de huur over de maanden september 2011 en maart tot en met mei 2012.

3.1.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In reconventie vordert [appellant] (uiteindelijk) veroordeling van SWS tot het verstrekken van een sleutel van de achteringang van de woning, tot het repareren van een raam en tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat, althans een schadevergoeding van € 25.000,-, althans een voorschot op de schadevergoeding van € 5.000,-, althans een in redelijkheid te bepalen schadevergoeding.

3.1.4.

Aan zijn vorderingen legt [appellant] ten grondslag dat SWS als verhuurster gehouden is hem een sleutel van de achteringang te verstrekken, het (bij een inbraak geforceerde) raam te repareren en de (materiële en immateriële) schade te vergoeden die hij heeft geleden, onder meer als gevolg van het feit dat hij vaak – en veelal voor niets – thuis moest blijven wachten op personen die namens SWS reparaties aan de woning zouden verrichten. In verband met deze reconventionele vorderingen heeft [appellant] in conventie (zo begreep de kantonrechter althans) een beroep op opschorting gedaan.

3.1.5.

In het tussenvonnis van 5 juli 2012 heeft de kantonrechter overwogen dat de vorderingen met betrekking tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zouden worden afgewezen omdat de huurachterstand maximaal drie maanden beliep. Verder heeft de kantonrechter [appellant] opgedragen te bewijzen dat SWS hem geen passende sleutel van de achteringang van de woning heeft verstrekt en dat het raam nog steeds beschadigd is en dat die beschadiging van dien aard is dat deze niet via de glasverzekering kan worden hersteld maar door SWS zelf moet worden gerepareerd en dat SWS dit heeft nagelaten.

3.1.6.

In het vonnis van 30 mei 2013 heeft de kantonrechter [appellant] geslaagd geacht in de bewijslevering ten aanzien van de sleutel en heeft hij [appellant] niet geslaagd geacht in de bewijslevering met betrekking tot de schade aan het raam. De kantonrechter heeft in conventie [appellant] – onder aftrek van € 40,- per maand vanwege het niet door SWS verstrekken van een sleutel van de achteringang – veroordeeld tot betaling van € 2.680,77 ter zake van achterstallige huur over de maanden maart, april en met mei 2012, met wettelijke rente, en tot betaling van € 893,59 per maand ter zake van de huur over de maanden vanaf 31 mei 2013 tot de dag waarop aan [appellant] de sleutel van de achteringang is verstrekt (hof: dat is in ieder geval op 7 juni 2013 gebeurd), onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. In reconventie is SWS veroordeeld tot het verstrekken van een sleutel van de achteringang en tot betaling van € 50,- ter zake van door [appellant] geleden schade, eveneens onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.

3.1.7.

Op 25 juli 2013 heeft de kantonrechter op verzoek van SWS – op welk verzoek [appellant] niet reageerde ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – een “herstelvonnis” gewezen waarbij het vonnis van 30 mei 2014 in zoverre, met toepassing van artikel 32 Rv, is aangevuld dat daarin vóór de veroordeling tot betaling diende te worden opgenomen ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [appellant] tot ontruiming van de woning, vanwege een door SWS in haar rectificatieverzoek gestelde – en door [appellant] niet betwiste – aanzienlijk opgelopen huurachterstand.

3.1.8.

In een door [appellant] tegen SWS aanhangig gemaakt gemaakt kort geding heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 23 augustus 2013 de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van 25 juli 2013 geschorst onder de ontbindende voorwaarden dat de schorsing vervalt:

  • -

    indien [appellant] niet tijdig in appel gaat tegen het vonnis van 25 juli 2013;

  • -

    indien [appellant], zo hij tijdig in appel gaat, verzuimt de grieven op te nemen in de appeldagvaarding;

  • -

    indien de toekomstige huurpenningen niet tijdig worden voldaan.

3.1.9.

Bij op 20 september 2013 betekende dagvaarding heeft SWS opnieuw een procedure bij de kantonrechter te Eindhoven tegen [appellant] aanhangig gemaakt gemaakt (hierna: de tweede procedure). Daarin vordert SWS ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van een huurachterstand.

3.1.10.

De ontruiming van de woning heeft op 4 december 2013 plaatsgevonden.

3.1.11.

In de tweede procedure heeft de kantonrechter op 10 april 2014 een tussenvonnis gewezen. Daarin is onder meer in conventie overwogen dat er een huurachterstand van € 10.882,84 is over de periode vanaf juni 2012 tot en met december 2013 en is de zaak naar de rol verwezen zodat SWS zich bij akte kan uitlaten over de vraag hoe de vordering tot ontbinding zich verhoudt tot de in het bestreden vonnis van 25 juli 2013 uitgesproken ontbinding en het daartegen ingestelde hoger beroep, zo mogelijk onder overlegging van het arrest in dit hoger beroep. In reconventie is onder meer overwogen dat SWS op 4 december 2013 niet tot ontruiming had mogen overgaan omdat niet geoordeeld kon worden dat [appellant] – door de huurverhogingen over oktober en november 2013 onbetaald te laten – niet zou hebben voldaan aan de derde schorsingsvoorwaarde (zie 3.1.8, derde gedachtenstreepje). [appellant] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de door de ontruiming geleden schade.

3.2.

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen, tot het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van SWS in haar vorderingen en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat, althans tot een schadevergoeding van € 25.000,- dan wel tot een schade-vergoeding van € 25.000,-, althans tot een in redelijkheid te bepalen schadevergoeding.

3.3.

De grieven 1 en 2 in het principaal appel betreffen het oordeel van de kantonrechter in conventie dat het bewijs ten aanzien van het te repareren raam niet geleverd is en betreffen dus ook het beroep van [appellant] op opschorting. De grieven 4, 5 en 6 in het principaal appel en grief 1 in het incidenteel appel gaan over de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding en ontruiming.

3.4.

Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat in appel moet worden geoordeeld naar de toestand zoals die zich nu, ten tijde van de onderhavige beslissing, voordoet. Vervolgens wordt het volgende overwogen.

3.5.

Als onbestreden staat vast dat [appellant] van de achterstallige huur over de maanden maart, april en met mei 2012 (onder aftrek van € 40,- per maand vanwege het niet door SWS verstrekken van een sleutel van de achteringang) ad € 2.680,77 tot op heden niet heeft voldaan. Eveneens staat als onbetwist vast dat kort na ondertekening van de huurovereen-komst [appellant] meerdere malen huur onbetaald heeft gelaten en dat in verband daarmee door en namens SWS incassomaatregelen zijn getroffen. Ook is onbestreden gebleven dat [appellant] sinds juli 2012 slechts twee maal de volledige maandhuur heeft voldaan en twee maal een deel daarvan en dat de betalingsachterstand tot en met december 2013 (na aftrek van de betalingsachterstand over maart, april en mei 2012, waarvan in het onderhavige geding sprake is) € 10.763,68 beloopt.

3.6.

Voor zover [appellant] volhardt in zijn beroep op opschorting vanwege het feit dat SWS het raam in het gehuurde niet heeft gemaakt, gaat dit beroep niet op. In de vordering van SWS tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde ligt besloten dat SWS van mening is dat het feit dat een raam in het gehuurde niet is gerepareerd een nagenoeg volledige opschorting van de huur niet rechtvaardigt. Het hof volgt SWS hierin. Het feit dat een raam in het gehuurde niet is gerepareerd – hoe gevaarlijk en lastig ook – kan niet een nagenoeg volledige opschorting van de huur tot een bedrag van € 2.680,77 + € 10.763,68 (omgerekend ruim 14 maanden huur) rechtvaardigen. Aan bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt daarom als niet terzake doende gepasseerd.

3.7.

Het voorgaande laat onverlet dat het nalaten van SWS in verband met het niet repareren van het raam, indien dit als een tekortkoming van haar kan worden aangemerkt, zou kunnen leiden tot schadeplichtigheid van SWS. Dit zal hierna vanaf 3.11 aan de orde komen.

3.8.

[appellant] beroept zich verder, zo begrijpt het hof, op de uitzondering van artikel 6:265 lid 1 BW. Volgens [appellant] had de kantonrechter bij de uiteindelijke toewijzing van de vordering tot ontbinding en ontruiming ook moeten betrekken de tweede inbraak, waarbij een voor betaling van de huur bestemd bedrag van € 8.000,- is meegenomen, welke inbraak in belangrijke mate mogelijk is geworden doordat SWS naliet het raam te repareren, en hetgeen SWS verder nadien heeft gedaan om [appellant] dwars te zitten. Verder wijst [appellant] op zijn belang bij huisvesting.

3.9.

Het hof overweegt als volgt. In artikel 6:265 lid 1 BW wordt bepaald dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Gelet op de vaststaande betalingsachterstand van € 2.680,77 + € 10.763,68, zijnde meer dan 14 maanden huur, kan niet worden gezegd dat het gaat om een tekortkoming van geringe betekenis. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd maakt dit niet anders, terwijl hij overigens niet heeft gesteld dat sprake is van een bijzondere aard van tekortkoming die de ontbinding niet rechtvaardigt.

3.10.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de uitgesproken ontbinding en ontruiming zullen worden gehandhaafd en het bestreden vonnis dus in zoverre kan worden gehandhaafd. Voor de incidentele grief 1 betekent dit dat deze tegen het tussenvonnis van 5 april 2012 gerichte grief weliswaar gegrond is, doch niet een andere beslissing leidt en dus ook niet tot vernietiging van dat tussenvonnis. Voor grieven 1 en 2 in het principaal appel geldt dat wat er van die grieven ook zij, deze in geen geval leiden tot vernietiging. Voor grieven 4 en 5 in het principaal appel geldt dat deze weliswaar gegrond lijken, doch evenmin leiden tot enige andere beslissing en dus ook niet tot vernietiging. En in het vorenoverwogene ligt besloten dat grief 6 faalt.

3.11.

Aan de orde zijn dan nog de grieven van [appellant] voor zover daarin wordt opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter in reconventie dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat andere schade is geleden dan de schade voortvloeiend uit het door SWS niet verstrekken van de sleutel. [appellant] maakt in dit verband aanspraak op immateriële en materiële schadevergoeding.

3.12.

Aan de vordering tot immateriële schadevergoeding legt [appellant] ten grondslag dat hij als gevolg van het door SWS niet repareren van het raam leefde met de dreiging van een nieuwe inbraak en dat SWS hem heeft geïntimideerd door hem voor te houden dat hij geen inkopen in België mocht doen omdat hij dan in het buitenland zou verblijven en zijn hoofdverblijf niet in de woning zou hebben. De door SWS veroorzaakte problemen stapelden zich zodanig op dat hij er geestelijk aan onderdoor ging of dreigde te gaan met alle gevolgen voor zijn functioneren van dien, aldus [appellant].

3.13.

Het hof oordeelt als volgt.

Geestelijk letsel kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 BW. Het door [appellant] gestelde is echter onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat sprake is van een dergelijke aantasting in de persoon. [appellant] heeft evenmin voldoende gesteld om het oordeel te kunnen rechtvaardigen dat voor een vergoeding van zijn immateriële schade geen geestelijk letsel is vereist, vanwege de bijzondere ernst van de normschending in combinatie met de gevolgen daarvan voor hem. Het voorgaande brengt mee dat [appellant] geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

3.14.

Aan de vordering tot materiële schadevergoeding legt [appellant] ten grondslag dat hij vele malen zijn winkel heeft moeten sluiten – en daardoor inkomsten heeft gederfd – omdat hij naar het kantoor van SWS is gegaan (naar het hof begrijpt: om het gebrek aan het raam te melden en/of afspraken te maken over herstel daarvan) en omdat hij diverse malen tevergeefs thuis heeft zitten wachten op SWS-medewerkers die het raam zouden komen repareren.

3.15.

Het hof overweegt dat op SWS als verhuurster de verplichting rust om de reparatie van een gebrek aan het gehuurde voortvarend ter hand te nemen en daarover sluitende afspraken met haar huurder te maken. Indien komt vast te staan dat [appellant] meer dan eens tevergeefs naar het kantoor van SWS is gegaan om (herstel van) het gebrek aan het raam ter sprake te brengen en/of om afspraken over herstel te maken en dat SWS niet op de met [appellant] in verband met de reparatie van het raam afgesproken dagen en tijdstippen is verschenen, kan niet worden gezegd dat zij deze verplichting deugdelijk is nagekomen. Indien [appellant] daardoor schade heeft geleden, dient SWS die te vergoeden. De stelplicht en de bewijslast ter zake van de niet nakoming van genoemde verplichting door SWS en ter zake van de schade rusten in beginsel op [appellant].

3.16.

Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen over de gestelde niet nakoming van de verplichting door SWS en de daardoor geleden schade en zal daartoe een comparitie van partijen gelasten. [appellant] dient voorafgaand aan de comparitie van partijen een akte in te sturen (die ter zitting kan worden genomen), in welke akte hij nader toelicht hoeveel keer en wanneer (op welke dagen/data) hij tevergeefs bij SWS op kantoor is geweest en hoeveel keer en wanneer (op welke dagen/data) hij tevergeefs thuis heeft gewacht op een medewerker van SWS, een en ander zoals hiervoor in 3.15 is overwogen. Tevens zal [appellant] in de akte de daardoor geleden schade moeten toelichten en onderbouwen. Het hof gaat er vanuit dat, voor zover daaraan wordt toegekomen, de schade in de onderhavige procedure zal kunnen worden begroot. Ter zitting zal SWS kunnen reageren op de akte van [appellant].

3.17.

De comparitie zal tevens worden benut om met partijen de actuele stand van zaken tussen hen te bespreken, ook ten aanzien van de tweede procedure die SWS tegen [appellant] aanhangig gemaakt heeft gemaakt, en om te onderzoeken of partijen geheel of ten dele tot een minnelijke regeling kunnen komen.

3.18.

Partijen dienen bescheiden waarop zij ter comparitie een beroep wensen te doen uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris. Daartoe behoort in elk geval de onder 3.16 bedoelde akte.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. I. Bouter als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder 3.16 en 3.17 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 9 september 2014 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt partijen kopieën van de hiervoor onder 3.18 bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, N.J.M. van Etten en I. Bouter en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2014.