Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2962

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
HD 200.133.986_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Versnelde behandeling
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf

Zorgregeling

Ondertoezichtstelling

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 252
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/31

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.133.986/01

arrest van 26 augustus 2014

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

appellante,

advocaat: mr. A.J. Badenbroek-de Graaf,

tegen:

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,
hierna te noemen: de vader;
advocaat: mr. H.M.S. Cremers.

op het bij exploot van dagvaarding van 10 september 2013, verbeterd bij exploot van dagvaarding van 12 september 2013, ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant gewezen vonnis van 15 augustus 2013 tussen appellante (de moeder) als eiseres en geïntimeerde (de vader) als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/266035 / KG ZA 13-499)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij voormeld exploot heeft de moeder vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en gevorderd om:

  1. primair te bepalen dat de vader de tussen partijen overeengekomen zorgregeling dient na te leven zolang in een eventuele bodemprocedure niet anders is beslist op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 25.000,-;

  2. subsidiair te bepalen dat de vader de kinderen binnen twee dagen na uitspraak bij de moeder dient terug te brengen conform de overeengekomen zorgregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-;

  3. meer subsidiair te bepalen dat:

- de vader de hierna te noemen minderjarige dochter van partijen [minderjarige] in de gelegenheid stelt de dagbehandeling in [plaats] te volgen binnen twee dagen na de uitspraak;

- te bepalen dat de vader de kinderen iedere week op vrijdagmiddag om 17.00 uur bij de moeder brengt en dat de moeder de kinderen op zondagavond om 19.00 uur weer bij de vader terugbrengt zolang in de nog aanhangig te maken bodemprocedure niet anders is beslist;

- de vader aan de moeder zijn verblijfplaats en de verblijfplaats van de kinderen mededeelt alsmede de moeder informeert en consulteert.

Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-;

4. zowel primair als subsidiair de vader te veroordelen in de kosten van de beide instanties.

2.2.

Bij memorie van antwoord heeft de vader gevorderd de moeder in appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar grieven te verwerpen als rechtens ongegrond, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.

2.3.

Het hof heeft voort kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 5 november 2013;

- de brief met één bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 12 november 2013;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 12 november 2013;

2.4.

Ter gelegenheid van het op 14 november 2013 gehouden pleidooi hebben partijen hun zaak laten bepleiten door hun advocaten. De advocaat van de moeder heeft gepleit aan de hand van een overgelegde pleitnota.

Vervolgens heeft het hof de raad verzocht een ‘quick-scan’ uit te voeren en het hof binnen een maand te berichten over verschillende kwesties, zoals in het proces-verbaal van het pleidooi is opgenomen. Dit proces-verbaal bevindt zich onder de stukken.

2.5.

Bij brief d.d. 20 februari 2014 heeft de raad een rapport overgelegd dat is opgesteld naar aanleiding van de op verzoek van het hof verrichte quick-scan.

2.6.

Ter gelegenheid van het op 27 februari 2014 gehouden pleidooi hebben partijen hun zaak laten bepleiten door hun advocaten.

De raad heeft vervolgens voorgesteld om de zaak weer onder zich te nemen, ten einde professionele begeleiding voor de ouders te gaan organiseren en binnen enkele maanden met een eindadvies te komen. Partijen hebben met dit voorstel van de raad kunnen instemmen.

De opdracht aan de raad hield in de beantwoording van onderzoeksvragen zoals in het proces-verbaal van het pleidooi is opgenomen, het organiseren van professionele begeleiding/hulpverlening en het neerleggen van een definitief advies in een eindrapportage.

Het hof heeft de raad verzocht zijn eindrapportage uiterlijk 3 juni 2014 aan het hof en partijen te overleggen. De voorzitter heeft de zaak naar de rol van 17 juni 2014 verwezen voor akte partijen.

Van het pleidooi is proces-verbaal opgemaakt, dat zich onder de stukken bevindt.

2.7.

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- op 17 juni 2014 is op verzoek van de raad de roldatum voor akte partijen aangehouden en opnieuw bepaald op 15 juli 2014;

- op 23 juni 2014 heeft het hof het raadsrapport d.d. 19 juni 2014 ontvangen;

- op 15 juli 2014 hebben partijen akte genomen.

2.8.

De moeder heeft om arrest gevraagd. De vader heeft geen instructie gegeven.

3 De gronden van het hoger beroep

3.1.

Voor de in hoger beroep aangevoerde grieven verwijst het hof naar de inhoud van de appeldagvaarding.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

Partijen zijn gehuwd geweest. Vóór het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen is geboren:

- [dochter] (hierna: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats].

De vader heeft [minderjarige] erkend.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [zoon] (hierna: [zoon]), geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats];

Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

De kinderen hebben formeel hun hoofdverblijf bij de moeder.

4.1.2.

Partijen zijn op 12 oktober 2007 onderling een zorgregeling overeengekomen. Deze regeling houdt in dat de kinderen één weekend per veertien dagen bij de vader verblijven.

Op 14 juli 2013 heeft de vader de kinderen niet meer terugbracht naar de moeder.

4.1.3.

De moeder heeft bij de voorzieningenrechter – kort samengevat – gevorderd de vader op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- – naar het hof begrijpt – per dag, met een maximum van € 25.000,-, op te dragen:

  • -

    de kinderen binnen twee dagen na de uitspraak terug te brengen naar de moeder;

  • -

    de met de moeder overeengekomen zorgregeling na te komen,

alsmede de veroordeling van de vader in de kosten van het geding.

4.1.4.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter de door de moeder gevraagde voorziening geweigerd.

De moeder kan zich met die beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Voor de in hoger beroep aangevoerde grieven en weren, verwijst het hof naar de inhoud van voormelde appeldagvaarding en voormelde memorie van antwoord.

4.2.

Het hof oordeelt als volgt.

4.2.1.

De raad heeft in zijn rapport d.d. 19 juni 2014 geadviseerd de kinderen onder toezicht te stellen van Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant voor de periode van één jaar.

Voorts heeft de raad geadviseerd het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder te bepalen en een zorgregeling vast te stellen waarbij:

  • -

    [zoon] eens per veertien dagen van vrijdag (vóór het avondeten) tot en met zondag (vóór het avondeten) bij de vader is;

  • -

    [minderjarige] één dagdeel per veertien dagen (in het weekend) bij de vader is.

4.2.2.

Bij akte van 15 juli 2014 heeft de moeder – kort en zakelijk weergegeven – verzocht het advies van de raad te volgen en zo spoedig mogelijk uitspraak te doen.

4.2.3.

Bij akte van 15 juli 2014 heeft de vader het hof bericht dat hij zich onder protest neerlegt bij het advies van de raad voor wat betreft de ondertoezichtstelling, het hoofdverblijf en de zorgregeling en zich thans refereert aan het oordeel van het hof.

4.3.

Uit de aktes van partijen en de in het rapport van de raad weergegeven reactie van partijen maakt het hof op dat partijen thans een inhoudelijke beslissing wensen omtrent het hoofdverblijf van de kinderen, het contact tussen de kinderen en de niet verzorgende ouder en de ondertoezichtstelling van de kinderen, een en ander conform het advies van de raad en de moeder haar vorderingen zoals weergegeven onder 2.1 niet langer handhaaft.

Hoofverblijfplaats en zorgregeling

4.4.

Het is het hof ambtshalve gebleken dat de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking d.d. 12 augustus 2014, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder heeft bepaald en inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken een regeling heeft vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven en overeenkomstig het advies van de raad..

4.5.

Het hof overweegt dat nu reeds in de bodemprocedure is beslist over het hoofdverblijf van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken partijen geen belang meer hebben bij een beslissing terzake in hoger beroep. Het hof zal terzake dan ook geen nadere beslissing nemen.

Ondertoezichtstelling

4.6.

Het hoger beroep in kort geding leent zich niet voor een beslissing in zaken als een ondertoezichtstelling. Het hof gaat ervan uit dat de raad zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen, zoals ook aangegeven in het raadsrapport, bij de kinderrechter heeft ingediend c.q. nog zal indienen.

Proceskosten

4.7.

Ten aanzien van de vordering van partijen tot veroordeling van de wederpartij in de kosten van deze procedure, overweegt het hof dat in zaken van familierechtelijke aard als de onderhavige als hoofdregel heeft te gelden dat proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten betaalt. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om van die hoofdregel af te wijken.

4.8.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

5 De uitspraak

Het hof:

wijst af het hoger beroep van de moeder tegen het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen gewezen vonnis van 15 augustus 2013;

compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, W.Th.M. Raab en M.A. Ossentjuk en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 augustus 2014.