Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2839

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
22-08-2014
Zaaknummer
F 200.139.072_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 augustus 2014

Zaaknummer: F 200.139.072/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/258247 FA RK 13-59

in de zaak in hoger beroep van:

[de man],

wonende te

[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.E. Teusink,

tegen

[de vrouw],

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.G. Dictus.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2013, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de beschikking van dit hof van 29 juni 2010 te wijzigen en de bijdrage die de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen te bepalen op nihil met ingang van 12 december 2012, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 februari 2014, heeft de vrouw verzocht de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door hem ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Teusink;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Dictus.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met één bijlage van de advocaat van de man d.d. 27 maart 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 25 juni 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 30 juni 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 30 september 1994 met elkaar gehuwd.

3.2.

Bij beschikking van 21 juli 2009 heeft de rechtbank Breda tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 31 december 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 725,- per maand dient te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij beschikking van 29 juni 2010 heeft dit hof voormelde beschikking vernietigd voor zover het de daarbij vastgestelde onderhoudsbijdrage betreft en bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 377,- per maand met ingang van 31 december 2009, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen te voldoen bij vooruitbetaling.

De bijdrage voor de vrouw beloopt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2012 € 385,34 per maand.

3.4.

Bij beschikking van 20 september 2011 heeft de rechtbank Breda het verzoek van de man tot – kort gezegd – nihilstelling dan wel verlaging van de door de hem te betalen onderhoudsbijdrage, afgewezen.

3.5.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, het verzoek van de man tot – kort gezegd – nihilstelling dan wel verlaging van de door de hem te betalen onderhoudsbijdrage, afgewezen.

3.6.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De grieven van de man betreffen - zakelijk weergegeven - :

- de aanvullende behoefte van de vrouw aan een door de man te betalen bijdrage (grief 2);

- de draagkracht van de man (grief 1).

Behoefte en behoeftigheid vrouw

3.8.

Dit hof heeft in voormelde beschikking van 29 juni 2010 overwogen dat partijen ter zitting overeengekomen zijn dat de aanvullende behoefte van de vrouw € 580,- netto per maand bedraagt, zijnde € 872,- bruto per maand.

3.8.1.

De man heeft aangevoerd dat de vrouw thans zelf in die aanvullende behoefte zou kunnen voorzien. De man voert daartoe aan dat, hoewel het hof bij voormelde beschikking heeft overwogen dat van de vrouw, gelet op haar leeftijd van op dat moment van 68 jaar, niet verwacht kon worden dat zij zou herintreden in het arbeidsproces, dit van de vrouw nu in alle redelijkheid wel gevraagd kan worden. Een enkel leeftijdscriterium is naar de mening van de man onvoldoende voor de conclusie dat er op de vrouw geen inspanningsverplichting zou rusten om in het eigen levensonderhoud te voorzien, met name niet in het licht van de voortdurende verplichting van de man tot betaling van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw.

3.8.2.

De vrouw heeft het voorgaande gemotiveerd betwist. Zij stelt dat haar bruto aanvullende behoefte nog altijd € 872,- per maand bedraagt.

3.9.

Het hof overweegt dat de vrouw thans 72 jaar oud is. Het hof is van oordeel dat wel reeds op grond van de leeftijd van de vrouw kan worden geconcludeerd dat van haar redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij alsnog zal herintreden in het arbeidsproces en een aanvullend inkomen zal genereren, temeer nu de vrouw – zoals zij onbetwist heeft gesteld – tien jaar geleden met prepensioen is gegaan.

Omstandigheden die tot een ander oordeel van het hof zouden kunnen leiden heeft de man niet aangevoerd. Grief 2 van de man faalt derhalve.

Draagkracht man

3.10.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van (per 1 januari 2012) € 385,34 per maand te voldoen.

3.11.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

A. Inkomen van de man

3.12.

De man is, na een dienstverband van vijftien jaar, op 1 april 2010 ontslagen bij zijn toenmalige werkgever [Transport B.V.] Transport B.V. (hierna: [Transport B.V.]). De man heeft met dit ontslag ingestemd en heeft geen ontslagvergoeding ontvangen.

Bij beschikking van 29 juni 2010 heeft dit hof – kort en zakelijk weergegeven – geoordeeld dat de man het inkomensverlies zelf teweeg heeft gebracht, alsmede dat de man redelijkerwijs in staat kan worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te verwerven en dat de vrouw dit ook van hem kan vergen, derhalve dat het inkomensverlies van de man voor herstelbaar vatbaar is. Het hof is uitgegaan van het inkomen, dat hij verdiende in dienst van [Transport B.V.].

3.13.

Van 2 mei 2012 tot 5 november 2012 was de man werkzaam bij [Verhuizingen BVBA] Verhuizingen BVBA te [vestigingsplaats], België (hierna: [Verhuizingen BVBA]), aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Dit contract is na enige tijd omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Sinds 5 november 2012 is de man werkloos en ontvangt hij een WW-uitkering van het UWV.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking – kort en zakelijk weergegeven – geoordeeld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds voormelde beschikking. De man heeft een nieuwe baan verworven, maar is daarna wederom werkloos geworden. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies, alsmede dat de man redelijkerwijs in staat kan worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te verwerven en dat de vrouw dit ook van hem kan vergen, derhalve dat het inkomensverlies van de man voor herstelbaar vatbaar is. De rechtbank is uitgegaan van het inkomen, dat hij verdiende in dienst van [Verhuizingen BVBA].

Ingangsdatum

3.14.

Het hof gaat uit van 12 december 2012 als ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting, aangezien de advocaat van de man de vrouw op die datum heeft aangeschreven om in overleg te treden over een wijziging van de alimentatieverplichting van de man, zodat de vrouw met ingang van die datum daarmee rekening kon houden.

12 december 2012 – 27 juni 2014

3.15.

Het hof stelt vast dat man sinds zijn ontslag bij [Verhuizingen BVBA] een WW-uitkering geniet ad in totaal (blijkens de jaaropgaaf 2013 van UWV) € 24.337,- op jaarbasis. Tevens ontvangt de man sedert 1 juli 2013 een pensioenuitkering ad bruto € 254,92 per maand.

3.15.1.

Het hof gaat uit van dit inkomen, houdt rekening met de algemene heffingskorting (tot maximaal de ingehouden loonheffing) en de door de man aangevoerde (in zoverre onbetwiste) maandelijkse lasten, namelijk:

  • -

    het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag;

  • -

    € 452,- per maand aan huur, minus € 110,- per maand aan huurtoeslag;

  • -

    € 112,- per maand aan basispremie ZVW en aanvullende premie en € 29,- per maand aan verplicht eigen risico, minus € 35,- zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande en minus de zorgtoeslag ad € 88,- per maand.

3.15.2.

Het hof heeft hierbij de door de man aangevoerde maandelijkse aflossing op een schuld aan de Raad voor de Rechtsbijstand met € 39,- per maand buiten beschouwing gelaten. Conform het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, worden kosten voor rechtsbijstand alleen in aanmerking genomen indien die kosten zijn gemaakt in het kader een procedure tot echtscheiding. Het hof stelt op grond van de brief van de Raad voor de Rechtsbijstand d.d. 2 augustus 2013 vast dat de tegemoetkoming in de advocaatkosten die thans teruggevorderd wordt, aan de man was verstrekt ten behoeve van een procedure tot wijziging van de alimentatieverplichting. Het hof is derhalve van oordeel dat de door de man gemaakte kosten ter zake rechtsbijstand geen prioriteit behoren te hebben boven zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, zodat het hof de aflossing op de schuld aan de Raad voor de Rechtsbijstand buiten beschouwing laat.

3.15.3.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 1.424,- per maand tot 1 juli 2013 en € 1.558,- vanaf 1 juli 2013, waarbij rekening is gehouden met de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskorting.

3.16.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 357,- per maand tot 1 juli 2013 en € 452,- vanaf 1 juli 2013. Daarvan is steeds 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

3.17.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, stelt het hof vast dat de draagkracht van de man:

- in de periode van 12 december 2012 tot 1 juli 2013 € 369,- per maand bedroeg;

- in de periode vanaf 1 juli 2013 voldoende was om de lopende bijdrage in de kosten van levensonderhoud ad (in 2013) € 391,89 per maand te voldoen.

Vanaf 27 juni 2014

3.18.

Het hof stelt vast dat het inkomen van de man per 27 juni 2014 is gedaald, aangezien de WW-uitkering van de man was opgebouwd uit een uitkering voor 32 uur per week en een uitkering voor 8 uur per week en het recht van de man op de uitkering voor 8 uur per week is vervallen per 27 juni 2014. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat het inkomen uit WW van de man met ingang van die datum € 20.202,- op jaarbasis bedraagt.

3.18.1.

Het hof gaat uit van dit inkomen, de algemene heffingskorting (tot maximaal de ingehouden loonheffing) en de pensioenuitkering van € 3.058,- per jaar alsmede de door de man aangevoerde (in zoverre onbetwiste) maandelijkse lasten, namelijk:

  • -

    het op de Wwb gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag;

  • -

    € 468,76 per maand aan huur, minus € 117,- per maand aan huurtoeslag;

  • -

    € 103,36 per maand aan basispremie ZVW en aanvullende premie en € 30,- per maand aan verplicht eigen risico, minus € 39,- zijnde het in het Wwb-normbedrag begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande en minus de zorgtoeslag ad € 72,- per maand.

Het hof stelt vast dat de man met ingang van 27 juni 2014 niet meer de draagkracht heeft om voormelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ad (in 2014) € 395,42 per maand te kunnen voldoen.

Ook in dit kader heeft het hof geen rekening gehouden met de aflossing op de schuld aan de Raad voor de Rechtsbijstand.

3.19.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 1.373,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskorting.

3.20.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 276,- per maand in de periode vanaf 27 juni 2013. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

3.21.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, heeft de man met ingang van 27 juni 2014 de draagkracht om € 286,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Verwijtbaarheid en herstelbaarheid van het inkomensverlies

3.22.

Gelet op het voorgaande komt het hof toe aan een bespreking van de vraag of de inkomensvermindering van de man als gevolg van de beëindiging van zijn dienstverband bij [Transport B.V.] dan wel zijn dienstverband bij [Verhuizingen BVBA], buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Het hof overweegt in dit kader als volgt.

3.22.1.

Indien een inkomensvermindering is veroorzaakt door een eigen gedraging van de alimentatieplichtige, is in de eerste plaats van belang of de inkomensvermindering herstelbaar is. Is zij dat niet, dan zal het van de omstandigheden van het geval afhangen in hoeverre het verlies door de rechter buiten beschouwing kan worden gelaten om de draagkracht te bepalen. De opvatting dat dan de inkomensvermindering bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige steeds ten volle in aanmerking moet worden genomen, is in haar algemeenheid niet juist. Is de inkomensvermindering wel herstelbaar, dan dient het inkomensverlies bij het bepalen van de draagkracht buiten beschouwing te blijven (HR 23 november 2001, LJN: AD4010, NJ 2002, 280). Er is sprake van een voor herstel vatbare inkomensvermindering indien de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich in de naaste toekomst opnieuw het oorspronkelijke inkomen te verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.

3.22.2.

Het hof stelt vast dat, zoals bij beschikking d.d. 29 juni 2010 onherroepelijk is vast komen te staan, het inkomensverlies van de man in 2010 door hem zelf teweeg is gebracht. Tussen partijen is in geschil of dit verwijtbare inkomensverlies thans nog gevolgen dient te hebben voor de draagkracht van de man.

Het hof overweegt in dit kader dat het dienstverband van de man bij [Transport B.V.] thans vier jaar geleden is beëindigd. Hoewel de vrouw op zich terecht heeft aangevoerd dat de man, gelet op zijn lange dienstverband, recht zou hebben gehad op een schadeloosstelling ter suppletie op zijn lagere inkomen na de beëindiging van het dienstverband, kan naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat een dergelijke schadeloosstelling inmiddels opgesoupeerd zou zijn geweest. Het hof en de rechtbank hebben destijds geoordeeld dat het inkomensverlies herstelbaar was en dit is ook gebleken. De man heeft zich daadwerkelijk ingespannen om een nieuwe baan te vinden en hij is hierin na twee jaar geslaagd.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het door de man zelf in 2010 teweeg gebrachte inkomensverlies thans niet langer buiten beschouwing kan worden gelaten.

3.22.3.

Het hof is verder van oordeel dat de man voldoende heeft aangetoond dat het inkomensverlies door beëindiging van het dienstverband bij [Verhuizingen BVBA] in 2012 niet door hemzelf teweeg is gebracht. Het hof baseert dit oordeel onder meer op de toelichting van de man ter zitting op de processtukken en het door de man overgelegde “C4-werkloosheidsbewijs-arbeidsbewijs” van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, waarin vermeld is dat de arbeidsovereenkomst van de man is opgezegd door zijn voormalige werkgever per aangetekende brief van 24 oktober 2012 om “economische redenen”. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat uit de ondertekening door de man van de ‘overeenkomst tot vrijstelling van arbeidsprestaties gedurende de opzeggingstermijn’ d.d. 25 oktober 2012 blijkt dat de man heeft ingestemd met de beëindiging van zijn dienstverband, nu de ondertekening dateert van na de (eenzijdige) beëindiging van het dienstverband door de werkgever van de man.

3.23.

Het hof dient vervolgens te beoordelen of de man geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst een hoger inkomen te kunnen verwerven dan zijn huidige inkomen. Het hof neemt in dit kader in overweging dat de man inmiddels 61 jaar oud is en bijna twee jaar werkloos is. De man heeft bewijsstukken overgelegd van 23 recentelijk door hem verrichte sollicitaties. Het hof acht aannemelijk dat het de man, ondanks zijn inspanningen en werkervaring, niet is gelukt een betaalde baan te vinden en dat verbetering van die situatie – mede gezien zijn leeftijd - op afzienbare termijn niet waarschijnlijk is. Hoewel een verbetering van die situatie niet uitgesloten is, acht het hof dit te onzeker om hiermee thans rekening te houden.

3.24.

Het hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat bij de berekening van de draagkracht van de man in de periode van 12 december 2013 tot 1 juli 2013 en de periode vanaf 27 juni 2014 uit dient te worden gegaan van zijn werkelijke inkomen, zoals hiervoor uiteengezet.

De vrouw heeft haar stelling (in haar verweerschrift in eerste aanleg) dat de man zijn spaarloonregeling in 2010 heeft afgekocht waaruit hij een bedrag van € 34.000,- heeft ontvangen niet nader toegelicht, laat staan aannemelijk gemaakt. Het hof gaat derhalve aan deze stelling voorbij.

Terugbetalingsverplichting

3.26.

Het hof komt niet meer toe aan een bespreking van de terugbetalingsverplichting door de vrouw, nu de alimentatie slechts gering is verlaagd en gebleken is, dat er tot 27 juni 2014 een aanzienlijke betalingsachterstand is, zodat er geen terugbetalingsverplichting voor de vrouw zal zijn.

3.27.

Op grond van al het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk vernietigen en beslissen als na te melden.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 oktober 2013;

en opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van dit hof van 29 juni 2010, doch slechts voor wat betreft de periode van 12 december 2012 tot 1 juli 2013 en de periode vanaf 27 juni 2014 ;

bepaalt dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van:

  • -

    € 369,- per maand in de periode van 12 december 2012 tot 1 juli 2013;

  • -

    € 286,- per maand met ingang van 27 juni 2014, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E.M. Renckens, C.A.R.M. van Leuven en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2014.