Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2834

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
HD 200.141.014_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

rechtspersoon waarin deurwaarders samenwerken berekent de beslagvrije voet. Is zij aansprakelijk voor een gestelde foute berekening van die beslagvrije voet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/233

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.141.014/01

arrest van 19 augustus 2014

in de zaak van

GGN Zuid-Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

appellante,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen te ’s-Hertogenbosch,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1],

en

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. B.W.M. Zegers te Edam, gemeente Edam-Volendam,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 januari 2014 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton Tilburg in kort geding tussen appellante -GGN- als gedaagde en geïntimeerden als eisers gewezen vonnis van 13 december 2013. Geïntimeerden zullen hierna tezamen worden aangeduid als “[geïntimeerden]”. Geïntimeerde sub 1 zal afzonderlijk worden aangeduid als [geïntimeerde sub 1], geïntimeerde sub 2 als [geïntimeerde sub 2].

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 januari 2014;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de pleidooizitting, tijdens welke partijen onder het overleggen van pleitaantekeningen hebben gepleit en vragen van het hof hebben beantwoord.

Vervolgens is arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken

van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2527155 VV EXPL 13-155)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Gelet op onder meer de inhoud van de nrs. 3.1 tot en met 3.6 in het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter heeft vermeld over welke feiten partijen het eens zijn, kan in het hoger beroep van dit kort geding, met inachtneming van de inhoud van de grieven, worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [geïntimeerden] zijn met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. In een tussen Obvion N.V. en [geïntimeerden] op 4 december 2003 opgemaakte notariële akte is vermeld dat [geïntimeerden] van Obvion N.V. hebben geleend een hoofdsom van € 230.000,-. Als zekerheid voor de terugbetaling van dat bedrag te vermeerderen met rente en kosten hebben zij een hypotheek gegeven aan Obvion N.V.

b. Op 16 mei 2008 heeft toegevoegd-kandidaat-gerechtsdeurwaarder [kandidaat-gerechtsdeurwaarder], werkzaam in [plaats], aan [geïntimeerde sub 2] betekend de grosse van de notariële akte van 4 december 2003, bevel gedaan aan [geïntimeerde sub 2] om te betalen € 129.956,05 + p.m. en aangezegd dat zij verplicht is desgevraagd de bronnen van inkomsten op te geven. [geïntimeerde sub 2] heeft dergelijke bronnen niet opgegeven.

c. Op 12 augustus 2011 heeft gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder], met vestigingsplaats [vestigingsplaats 2] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2], op verzoek van Obvion N.V. uit kracht van de grosse van de notariële akte van 4 december 2003 ten laste van [geïntimeerde sub 2] derdenbeslag gelegd onder de Stichting Zorggroep Tangenborgh (hierna Tangenborgh), de toenmalige werkgever van [geïntimeerde sub 2]. Dit beslag heeft in elk geval gekleefd tot en met mei 2013. Op 15 augustus 2011 heeft [gerechtsdeurwaarder] voornoemd dit derdenbeslag betekend aan [geïntimeerde sub 2].

d. Tangenborgh heeft in de periode van augustus 2011 tot en met mei 2013 op grond van het onder haar ten laste van [geïntimeerde sub 2] gelegde derdenbeslag in elk geval € 12.533,68 ingehouden en afgedragen.

e. Volgens [geïntimeerden] zou, indien in de periode van augustus 2011 tot en met mei 2013 bij de berekening van de beslagvrije voet van alle juiste inkomensgegevens van [geïntimeerden] zou zijn uitgegaan, Tangenborgh in die periode € 12.533,68 minder hebben moeten inhouden op het salaris van [geïntimeerde sub 2] en zou dit bedrag niet zijn afgedragen aan de beslaglegger.

4.2.1

In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] gevorderd dat de kantonrechter in kort geding GGN zal veroordelen om aan hen te betalen € 12.533,68 te verhogen met de wettelijke rente, met veroordeling van GGN in de kosten van het geding. Hun vordering is gegrond op de stelling dat GGN een onrechtmatige daad heeft gepleegd, en wel, blijkens de dagvaarding in eerste aanleg, omdat “… Gedaagde (…) naar de mening van eisers over de periode augustus 2011 tot en met mei 2013 ten onrechte (is) uitgegaan van een lagere beslagvrije voet (…)” dan volgt uit de wettelijke regels.

De kantonrechter heeft het door [geïntimeerden] gevorderde toegewezen.

4.2.2

GGN bestrijdt het oordeel van de kantonrechter aan de hand van zes grieven en vordert in dit appel, samengevat:

- primair: onbevoegdverklaring van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kamer voor kantonzaken, locatie Tilburg;

- subsidiair: niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerden] althans hen hun vorderingen te ontzeggen;

- zowel primair als subsidiair: hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] om aan GGN te betalen hetgeen GGN uit hoofde van het in dit appel bestreden vonnis aan [geïntimeerden] hebben betaald, en wel € 13.971,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014, met hoofdelijke veroordeling van hen in de proceskosten, die kosten te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

4.3

In hun dagvaarding in eerste aanleg hebben [geïntimeerden] gesteld dat hun vordering moet worden geduid als zijnde gegrond op een onrechtmatige daad. Gelet op die door hen gestelde grondslag is in het kader van de vraag welke rechter bevoegd is, dus geen sprake van een executiegeschil en heeft de kantonrechter zich terecht bevoegd geacht. Zodoende faalt de eerste grief, waarin GGN stelt dat sprake is van een executiegeschil en dat de kantonrechter zich daarom onbevoegd had moeten verklaren op grond van art. 438 Rv. Het hof gaat overigens ook aan die grief voorbij gelet op art. 71 lid 5 Rv.

4.4

Het hof leest in de grieven van GGN niet dat zij stelt dat [geïntimeerden] niet-ontvankelijk zijn omdat zij de verkeerde persoon zouden hebben gedagvaard (zie nr. 7 memorie van antwoord). GGN stelt in grief II wat dit betreft enkel dat zij geen onrechtmatige daad heeft gepleegd, en dat voor zover er sprake mocht zijn van een onrechtmatige daad, anderen dan zij daarvoor aansprakelijk zijn. Een dergelijk verweer is door GGN blijkens de overgelegde “Aantekeningen zitting” ook reeds in eerste aanleg door haar gevoerd. In die aantekeningen is immers vermeld dat GGN tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld dat niet zij had moeten worden gedagvaard, maar Obvion N.V. en/of dat zij, GGN, slechts houder van de gelden is geweest, zodat het hof alleen al daarom voorbij gaat aan de stelling van [geïntimeerden] voor zover inhoudende dat GGN in eerste aanleg de rechtsstrijd zonder enig voorbehoud en onvoorwaardelijk heeft geaccepteerd. Voor zover GGN in eerste aanleg minder duidelijk dan in dit hoger beroep heeft aangevoerd dat zij niet kan worden aangesproken omdat zij om meerdere redenen geen onrechtmatige daad heeft gepleegd, wijst het hof erop dat het hoger beroep ook als functie heeft om in eerste aanleg gemaakte fouten te herstellen en/of gerezen onduidelijkheden duidelijk te maken.

4.5.1

Desgevraagd tijdens het pleidooi in hoger beroep is zijdens [geïntimeerden] verklaard dat de onrechtmatige daad die zij ten grondslag hebben gelegd aan hun vordering enkel berust op hun standpunt dat GGN niet, in elk geval niet op de juiste wijze, de beslagvrije voet heeft berekend en daarmee een onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW heeft gepleegd.

GGN heeft niet expliciet betwist dat zij feitelijk de beslagvrije voet heeft berekend, zodat het hof daar voorshands van zal uitgaan. Het hof zal er veronderstellenderwijs van uitgaan dat de beslagvrije voet fout is berekend. De dan te beantwoorden vraag is of een dergelijke foute berekening door GGN ten opzichte van [geïntimeerden] heeft te gelden als een onrechtmatige daad gepleegd door GGN op de voet van art. 6:162 BW. Deze vraag moet worden beantwoord in het licht van het volgende.

Beslag kan in het wettelijk stelsel slechts worden gelegd door een deurwaarder, een door de Kroon benoemde natuurlijk persoon met een onafhankelijke positie die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Mede om die reden dienen de betreffende exploten duidelijk te vermelden welke deurwaarder beslag heeft gelegd en/of de exploten heeft uitgereikt, hetgeen in deze zaak ook is geschied. Het berekenen van de beslagvrije voet is vervolgens een min of meer administratieve handeling, die moet worden verricht nadat beslag is gelegd, en die uit dat beslag voortvloeit. Ook die taak berust krachtens de wet bij de deurwaarder. Dat deurwaarders zich organiseren in samenwerkingsverbanden als GGN om een taak als het berekenen van een beslagvrije voet te laten uitvoeren, maakt niet dat het enkele opmaken van die berekening een zodanig zelfstandige gedraging is dat de persoon, niet zijnde de deurwaarder in persoon, die een foute berekening maakt, kan worden aangesproken door degene ten laste van wie het beslag is gelegd. Daarvoor is de enkele berekening, bezien in het licht van hetgeen bij wet omtrent het beslag is geregeld, onvoldoende zelfstandig van aard en is het leggen van beslag en de verdere executie daarvan te zeer verbonden aan de persoon van de deurwaarder in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Het hof weegt hierbij ook mee de door [geïntimeerden] niet (voldoende) betwiste stelling van GGN dat zij slechts een ondersteunende of uitvoerende taak heeft gehad in de onderhavige zaak. Gelet daarop kunnen [geïntimeerden] GGN niet zonder meer aanspreken enkel omdat GGN de beslagvrije voet fout zou hebben berekend. Bezien in het licht van die onafhankelijke positie van de deurwaarder als natuurlijke persoon én openbaar ambtenaar, kan uit het feit dat in de kantlijn van enkele exploten is vermeld “GGN Limburg is een handelsnaam van GGN Zuid-Nederland B.V.” niet worden afgeleid dat GGN daarmee in die zin zelfstandig naar buiten treedt, dat een administratieve handeling als het (nalaten van het) berekenen van de beslagvrije voet of het fout berekenen daarvan aan GGN is toe te rekenen als een onrechtmatige daad.

4.5.2

Voor zover [geïntimeerden] in dit verband hebben willen stellen dat GGN een rechtsplicht heeft om die beslagvrije voet te berekenen, acht het hof die stelling onjuist. Het is immers de beslagleggende deurwaarder in persoon die in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar is belast met beslaglegging en verdere executie. Een rechtsplicht voor een organisatie waarbij die deurwaarder is aangesloten inhoudende dat die organisatie de beslagvrije voet moet berekenen, bestaat niet.

4.6.1

De vordering van [geïntimeerden] moet ook worden afgewezen op grond van het volgende. [geïntimeerden] stellen dat GGN ten opzichte van hen een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Een rechtspersoon als GGN kan slechts een onrechtmatige daad plegen waarvoor zij op de voet van art. 6:162 BW aansprakelijk is, indien de gedraging in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de rechtspersoon heeft te gelden, waarbij een daad die is gepleegd door een orgaan van de rechtspersoon heeft te gelden als zo’n gedraging. Alleen al omdat is gesteld noch gebleken dat een orgaan van GGN, laat staan welk orgaan van GGN, niet of niet op de juiste wijze de beslagvrije voet heeft berekend, kan GGN niet op die grond aansprakelijk zijn.

4.6.2

Voor zover [geïntimeerden] hebben gesteld dat het niet of niet op de juiste wijze berekenen van de beslagvrije voet door GGN in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als een gedraging van GGN, baseren zij dit kennelijk op de volgende feiten:

a. in de kantlijn van het door gerechtsdeurwaarder [gerechtsdeurwaarder] op 12 augustus 2011 betekende beslagexploot waarmee ten laste van [geïntimeerde sub 2] derdenbeslag is gelegd onder Tangenborgh én in de kantlijn van het exploot van 15 augustus 2011 waarmee [gerechtsdeurwaarder] voornoemd dit derdenbeslag heeft betekend aan [geïntimeerde sub 2], is vermeld “GGN Limburg is een handelsnaam van GGN Zuid-Nederland B.V.”;

b. het door Tangenborgh ontvangen en in te vullen informatieformulier (productie 19 bij memorie van grieven) vermeldt in de kantlijn eveneens “GGN Limburg is een handelsnaam van GGN Zuid-Nederland B.V.”;

c. GGN heeft niet ontkend de gelden van Tangenborgh te hebben ontvangen en GGN heeft de gelden op grond van het veroordelend vonnis van 13 december 2013 aan [geïntimeerden] terugbetaald.

GGN heeft met de grieven 2 en 4 in onderling verband en samenhang gelezen daartegen onder meer aangevoerd dat als de beslagvrije voet fout is berekend, primair de executant aansprakelijk is, dat subsidiair zij, GGN, “(…) als deurwaardersorganisatie/rechtspersoon niet aansprakelijk is voor ambtelijke taken van de bij haar aangesloten of ‘in dienst zijnde’ gerechtsdeurwaarders, en meer subsidiair geldt volgens GGN dat de gerechtsdeurwaarder die het beslag heeft gelegd kantoor houdt bij GGN Oost Nederland en niet bij GGN.

Ook in dit verband geldt hetgeen het hof hiervoor onder 4.5.1 heeft geoordeeld: bezien in het licht van de wettelijke taak van de deurwaarder en zijn hoedanigheid van door de Kroon benoemde natuurlijk persoon met een onafhankelijke positie die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar, heeft het enkele niet of niet op de juiste wijze berekenen van de beslagvrije voet door GGN in het maatschappelijk verkeer niet te gelden als een onrechtmatige gedraging van GGN.

4.6.3

Dit geding betreft een gelegd derdenbeslag onder de werkgever van [geïntimeerde sub 2] op haar loon. Veronderstellenderwijs uitgaande van het feit dat GGN de beslagvrije voet onjuist heeft berekend, is deze enkele onjuiste berekening niet reeds onrechtmatig ten opzichte van [geïntimeerde sub 1] enkel en alleen omdat hij in gemeenschap van goederen is gehuwd met [geïntimeerde sub 2]. Het bestaan van een dergelijke gemeenschap maakt hem immers nog geen rechthebbende op dat nog niet uitgekeerde loon, zodat de vordering van [geïntimeerde sub 1] ook om die reden moet worden afgewezen.

4.7

Tijdens het pleidooi in hoger beroep hebben [geïntimeerden] nog aangevoerd “(…) dat in beginsel appellante, waarvan de betreffende deurwaarder zich bedient, al dan niet in loondienst, eveneens aansprakelijk kan zijn voor de door geïntimeerden geleden schade op grond van art. 6:162 BW en art. 6:170 lid 3 BW (…)”. Noch uit de stukken in eerste aanleg noch uit de inhoud van de memorie van antwoord van [geïntimeerden] blijkt dat hun vordering tevens, al dan niet subsidiair, berust op art. 6:170 BW, zodat deze pas tijdens het pleidooi in hoger beroep aangevoerde grondslag in strijd is met de “twee conclusie regel”. Tijdens het pleidooi heeft GGN zich expliciet op deze regel beroepen en heeft zij de rechtsstrijd wat dat betreft niet aanvaard, zodat, voor zover [geïntimeerden] hun vordering in dit hoger beroep tevens gronden op art. 6:170 BW, het hof daaraan voorbij gaat.

[geïntimeerden] hebben in dit kader nog gewezen op art. 25 Rv. Het hof gaat aan die aanwijzing voorbij alleen al bij gebreke van voldoende feitelijke stellingen aan de zijde van [geïntimeerden], dit ongeacht het antwoord op de vraag of [geïntimeerden] met de hiervoor cursief weergegeven stelling hebben willen stellen dat GGN in loondienst is van de beslagleggende deurwaarder dan wel dat de beslagleggende deurwaarder in loondienst is van GGN.

4.8

[geïntimeerden] hebben tijdens het pleidooi in hoger beroep eveneens voor het eerst aangevoerd dat sprake is van onverschuldigde betaling. Ook wat dat betreft heeft GGN zich beroepen op de hiervoor vermelde “2-conclusie regel” en heeft zij expliciet verklaard de rechtsstrijd wat dat betreft niet te aanvaarden, zodat het hof voorbij gaat aan dit beroep.

Ook in dit kader hebben [geïntimeerden] nog gewezen op art. 25 Rv. Het hof gaat ook wat dit betreft aan die aanwijzing voorbij alleen al bij gebreke van voldoende feitelijke stellingen aan de zijde van [geïntimeerden] De enkele stelling dat de belastingvrije voet onjuist is berekend brengt immers nog niet zonder meer mee dat sprake is van onverschuldigde betaling.

4.9

Gelet op het vorenstaande kan niet tot het oordeel worden gekomen dat GGN een onrechtmatige daad heeft gepleegd, zodat de vordering van [geïntimeerden] moet worden afgewezen. Het antwoord op de vraag of het thans door [geïntimeerde sub 1] c.s gevorderde schadebedrag, zijnde het volledige bedrag dat boven de beslagvrije voet is ingehouden, wel een juiste berekening is van de schade, kan, net zoals de beantwoording van de andere grieven, in het midden blijven. Het hof merkt over de gevorderde schadevergoeding slechts op dat het huidige volledige vermogen van [geïntimeerden] op dit moment niet zonder meer € 12.533,68 hoger zou zijn geweest zonder deze foute berekening. [geïntimeerden] hebben dit bedrag weliswaar niet ontvangen, maar hun schulden zijn daarmee immers wel (voor een deel) afgelost.

4.10

De afwijzing van de vordering brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd. De omvang van het bedrag waarvan GGN de terugbetaling vordert, is niet bestreden, zodat die vordering voor toewijzing gereed ligt.

[geïntimeerden] hebben te gelden als in het ongelijk gesteld, zodat zij de aan de zijde van GGN gerezen proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep dienen te betalen.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de door de rechtbank op 13 december 2013 tussen partijen gewezen vonnis en doet opnieuw recht als volgt:

wijst het door [geïntimeerden] gevorderde af;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om aan GGN te betalen € 13.971,43, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf 23 januari 2014, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de aan de zijde van GGN gerezen kosten van dit geding, in eerste aanleg begroot op € 452,- voor salaris advocaat, in dit appel begroot op € 1.920,- aan griffierecht, € 93,80 kosten betekening appeldagvaarding en € 2.682,- salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de 15de dag na heden en te vermeerderen met de nakosten, zijnde € 131,-, dan wel € 199,- indien betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, J.R. Sijmonsma en A.P.A. de Klerk-Leenen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 augustus 2014.