Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:2815

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
HD 200.136.856_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:3216, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 3:45 BW, relatieve nietigheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 45, geldigheid: 2014-08-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.136.856/01

arrest van 19 augustus 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden te 's-Gravenhage,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats 2] (België),

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats 2] (België),

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. T. Peters te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 juli 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2013, gewezen tussen appellante in principaal appel - [appellante] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerden in principaal appel – tezamen [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] - als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/237899/HAZA 11-1563)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 28 maart 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven (met één productie);

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. In het aan het hof ter beschikking staande dossier bevindt zich bij de inleidende dagvaarding in eerste aanleg alleen productie 1. De producties 2 t/m 12 heeft het hof niet aangetroffen. Van de in de akte tot wijziging c.q. vermindering van eis en overleggen nadere producties (d.d. 11 januari 2012) genoemde producties zijn door het hof alleen de producties 14B en 13C aangetroffen. Van de andere bij de inleidende dagvaarding in eerste aanleg en de akte van 11 januari 2012 overgelegde producties heeft het hof derhalve geen kennis kunnen nemen. Voor zover die stukken bij de beoordeling zijn betrokken is dat alleen gebeurd voor zover door een van de partijen daarover iets is gesteld dat door de andere partij is erkend althans niet (gemotiveerd) is betwist.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende:

  1. [appellante] en [geïntimeerde 1] zijn op [trouwdatum] 1994 te [plaats 4] met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van [scheidingsdatum] 2010 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 23 april 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De echtscheidingsprocedure werd in eerste instantie aanhangig gemaakt door [geïntimeerde 1] (verzoekschrift 1 december 2008). Na intrekking van het verzoekschrift door [geïntimeerde 1] op 10 april 2009 diende [appellante] op 28 april 2009 een verzoek tot echtscheiding in.

  2. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden onder meer de volgende beleggingspanden:
    - bedrijfspand [straatnaam 1][huisnummer] te [plaats 1]
    - bedrijfspand [straatnaam 2][huisnummer] te [plaats 1]
    - bedrijfspand [straatnaam 3][huisnummer] te [plaats 2]
    - bedrijfspand [straatnaam 4][huisnummer] te [plaats 3].

  3. Op deze panden was op 19 februari 2009 door [appellante] maritaal beslag gelegd, welk beslag door de intrekking van het echtscheidingsverzoek door [geïntimeerde 1] kwam te vervallen.

  4. [geïntimeerde 1] heeft bij koopovereenkomst van 10 april 2009 voormelde beleggingspanden voor zijn onverdeelde helft verkocht aan [koper] of nader te noemen meester. Deze overeenkomst is op 14 april 2009 in de openbare registers ingeschreven.

  5. Op 13 oktober 2009 heeft [geïntimeerde 1] zijn onverdeelde helft van de eigendom van voormelde panden verkocht en geleverd aan zijn zakenpartner [zakenpartner geïntimeerde 1] (verder: [zakenpartner geïntimeerde 1]) voor een koopprijs van € 2.735.750,=. Deze koopprijs werd voldaan door overname door [zakenpartner geïntimeerde 1] van de helft van de bestaande leningen (het hof begrijpt: de voor die panden aangegane leningen) en betaling van een restant-bedrag van € 281.315,50. Dit laatste bedrag werd door [zakenpartner geïntimeerde 1] op de kwaliteitsrekening van de notaris gestort en door [geïntimeerde 1] op die rekening gereserveerd ten behoeve van een eventuele verdelingsvordering van [appellante] (concl. van antw. in conv. 8C).

  6. [geïntimeerde 2] is de nieuwe partner en thans echtgenote van [geïntimeerde 1]. [geïntimeerden] hadden in augustus 2009 het voornemen de woning aan de [straatnaam 5][huisnummer] te [plaats 4] te kopen. Op 18 september 2009 heeft [geïntimeerde 1] een koopovereenkomst betreffende die woning gesloten. Nadat de door [geïntimeerde 1] daarvoor aangevraagde financiering was afgewezen heeft [geïntimeerde 2] op 9 oktober 2009 een koopovereenkomst ter zake die woning gesloten. Uiteindelijk is de woning ten name van [geïntimeerde 1] gekocht en op 15 december 2009 aan [geïntimeerde 1] geleverd. De koopsom werd betaald met behulp van voormeld bedrag van € 281.315,50, een door [zakenpartner geïntimeerde 1] verstrekt bedrag van € 65.127,= en een door [geïntimeerde 1] betaald bedrag € 2.675,12. Op 30 december 2009 heeft een hypothecaire inschrijving ten behoeve van [zakenpartner geïntimeerde 1] [plaats 4] BV ten bedrage van € 500.000,= plaatsgevonden voor een door [zakenpartner geïntimeerde 1] [plaats 4] BV verstrekte lening van € 346.439,50.

  7. Op 22 april 2010 heeft [geïntimeerde 1] de woning [straatnaam 5][huisnummer] te [plaats 4] aan [geïntimeerde 2] verkocht en geleverd voor een koopprijs van € 327.500,= waarbij [geïntimeerde 1] afstand heeft gedaan van zijn recht om de koopprijs te vorderen en [geïntimeerde 2] heeft erkend de koopprijs schuldig te zijn. Op 15 juni 2010 is door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] een hypothecaire lening van € 353.729,76 voor de woning verkregen (waarmee volgens [geïntimeerde 1] de schuld aan [zakenpartner geïntimeerde 1] van € 346.439,50 vermeerderd met rente en kosten is afgelost).

  8. [appellante] heeft in september 2011 beslag doen leggen op de woning [straatnaam 5][huisnummer] te [plaats 4]. In verband met de verkoop van deze woning aan een derde is op 1 november 2011 tussen partijen ([geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] enerzijds en [appellante] anderzijds) een depot-overeenkomst (prod. akte wijziging eis [appellante] d.d. 11 januari 2012) gesloten waarbij is overeengekomen dat een bedrag van € 120.000,= van de voor de woning te ontvangen koopprijs in depot bij de notaris zou blijven totdat, kort samengevat, in de procedure ter zake de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis zou zijn beslist aan wie het depotbedrag zou moeten worden uitgekeerd en in de onderhavige procedure zou zijn beslist over de vordering van [appellante] op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]. De woning is vervolgens op 1 november 2011 door [geïntimeerde 2] aan de genoemde derde geleverd.

3.1.2.

In de onderhavige procedure vorderde [appellante] in conventie na de wijziging van eis bij haar akte van 11 januari 2012:
1. een verklaring voor recht dat de rechtshandelingen als verwoord in de notariële akte van 22 april 2010 (hof: de notariële akte waarbij [geïntimeerde 1] de woning [straatnaam 5][huisnummer] te [plaats 4] in eigendom overdroeg aan [geïntimeerde 2]) paulianeus handelen inhouden als bedoeld in art. 3:45 BW;

2. vernietiging van die rechtshandelingen;

3. bepaling dat het depotbedrag van € 120.000,= onder de notaris blijft in afwachting van de boedelverdelingsprocedure tussen [appellante] en [geïntimeerde 1];

4. veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.

3.1.3.

[geïntimeerden] vorderden in reconventie:

1. vernietiging van de depotovereenkomst (wegens bedrog, dwang, dwaling en/of misbruik van omstandigheden);

2. bepaling dat het depotbedrag aan [geïntimeerde 2] dient te worden afgegeven;

3. veroordeling van [appellante] tot betaling van de wettelijke rente over het depotbedrag aan [geïntimeerde 2] vanaf 1 november 2011;

4. betaling aan [geïntimeerde 2] van een bedrag van € 120.000,= aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 november 2011;

5. veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

Bij de comparitie in eerste aanleg heeft de advocaat van [geïntimeerden] te kennen gegeven dat de vorderingen in reconventie alleen door [geïntimeerde 2] worden ingesteld en dat in zoverre sprake is van een vermindering van eis in reconventie (p-v comparitie p. 10). De rechtbank is in het vonnis waarvan beroep echter uitgegaan van de eis in reconventie zoals in de conclusie van eis in reconventie geformuleerd.

3.1.4.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank zowel in conventie als in reconventie de vorderingen afgewezen en de proceskosten van conventie en reconventie tussen partijen in die zin gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.1.5.

In principaal appel komt [appellante] op tegen de afwijzing van haar vorderingen in conventie. In incidenteel appel bestrijden [geïntimeerden] het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing in reconventie.

3.2.

[geïntimeerden] zijn, en waren ook ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg, woonachtig in België. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval: het geschil betreft een burgerlijke zaak als bedoeld in artikel 1 van de EEX-Verordening. Nu [geïntimeerden] in rechte zijn verschenen en de bevoegdheid van de rechtbank niet hebben betwist, is de Nederlandse rechter reeds bevoegd op grond van art. 18 van de EEX-Verordening.

het principaal appel

3.3.1.

[appellante] legde aan haar vorderingen in conventie de stelling ten grondslag dat de rechtshandelingen, vastgelegd in de notariële akte van 22 april 2010 (als vermeld in r.o. 3.1.1 onder g) paulianeus zijn. [appellante] stelde dat de transacties tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] d.d. 22 april 2010 vernietigbaar waren en vorderde de vernietiging van die rechtshandelingen: de koopovereenkomst, de levering alsmede de afstand van [geïntimeerde 1] van zijn recht op betaling van de koopsom (inl. dagv. 16).

3.3.2.

Bij de op 12 maart 2013 gehouden comparitie van partijen heeft blijkens het proces-verbaal van de (in onder meer de onderhavige zaak in eerste aanleg) gehouden comparitie van partijen de advocaat van [appellante] onder meer opgemerkt “Ten aanzien van de vordering onder 1 doel ik op de levering van de woning aan de [straatnaam 5] door de heer [geïntimeerde 1] aan mevrouw [geïntimeerde 2], als het gaat om de rechtshandelingen. Ik wijs u op punt 10 van de inleidende dagvaarding.” Onder 10 van de inleidende dagvaarding stelde [appellante] onder meer: “Op 22-04-2010, daags voor de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, levert de man (…) het pand aan (..) [geïntimeerde 2], tegen de op 15 december 2009 betaalde koopprijs, exclusief rente en kosten. Hierbij doet de man afstand van zijn recht om betaling van de koopprijs ad. € 327.500 (derhalve de initiële koopprijs terwijl er inmiddels sprake was van een grotendeels volbrachte grootscheepse verbouwing, waarvan de kosten (…) worden geraamd op € 85.000) van de koper – [geïntimeerde 2] – te vorderen (…). Voorts is het de vrouw gebleken dat ook de overdrachtsbelasting niet door de man aan [geïntimeerde 2] is doorberekend. (…) Hoewel deze overdracht heeft plaatsgevonden op grond van een overeenkomst waarin een koopprijs voor die woning is bedongen, is die prijs noch de verschuldigde overdrachtsbelasting door [geïntimeerde 2] betaald, zodat daaruit geconcludeerd moet worden dat het een complex van rechtshandelingen om niet betreft. (…) ”.

3.3.3.

De rechtbank heeft de afwijzing van de vorderingen van [appellante] in conventie gegrond op de volgende overwegingen:
- Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een schuldeiser/ schuldenaarpositie ten tijde van de beslaglegging, zoals is vereist voor de toepasselijkheid van art. 3:45 BW. (…) Indien en voor zover komt vast te staan dat [appellante] een aandeel in de gemeenschap toekomt heeft zij ter zake een vordering op de gemeenschap en niet op [geïntimeerde 1] (r.o. 4.4 vs).
- Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook bij een geslaagd beroep op de vernietiging van de leveringshandeling dit niet het door [appellante] beoogde gevolg teweegbrengt. Immers, desgevraagd heeft de advocaat van [appellante] ter comparitie verklaard enkel vernietiging van de leveringshandeling als neergelegd in de notariële akte te vorderen. Zulks brengt mee dat bij een eventuele vernietiging van de leveringshandeling, de obligatoire overeenkomst, te weten de koopovereenkomst met de daaruit voortvloeiende verplichtingen in stand blijft (r.o. 4.6 vs).

3.3.4.

In de grieven 1 t/m 3 komt [appellante] op tegen voormelde overwegingen van de rechtbank. De grieven 1 en 2, die zijn gericht tegen r.o. 4.4 van het vonnis waarvan beroep, slagen. [appellante] beroept zich op een vordering jegens [geïntimeerde 1] uit overbedeling (na de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap). Daarmee is zij schuldeiser van [geïntimeerde 1]. Voor de toepasselijkheid van art. 3:45 BW is verder niet relevant of de vordering van de schuldeiser voor of na de gewraakte rechtshandeling is ontstaan. Van belang is slechts of er sprake is van benadeling van de schuldeiser op het moment dat op het beroep op dat artikel wordt beslist.

3.3.5.

Grief 3 heeft betrekking op een door de rechtbank ten overvloede gegeven oordeel dat voor de beslissing op zichzelf niet van doorslaggevende betekenis is geweest. In zoverre is grief 3 niet relevant. Dat neemt niet weg dat de grief slaagt in die zin dat naar het oordeel van het hof aan het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg niet de verstrekkende conclusie kan worden verbonden die de rechtbank daaraan verbindt. In elk geval blijkt uit de in het proces-verbaal van de comparitie weergegeven reactie van de advocaat van [appellante] niet onmiskenbaar dat [appellante] haar onder 1 van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg geformuleerde vordering (die blijkens die dagvaarding sub 16 uitdrukkelijk ook betrekking heeft op de koopovereenkomst) heeft willen beperken tot alleen de rechtshandeling van de levering en dat zij die vordering zonder enig voorbehoud heeft beoogd prijs te geven voor zover deze ziet op de met de levering samenhangende rechtshandelingen. Nu [appellante] in grief 3 te kennen geeft dat zij zich mede wil blijven beroepen op de vernietigbaarheid van de obligatoire overeenkomst tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] die in de leveringsakte tot uitvoering wordt gebracht, zal het hof hierna van die ruimere vordering van [appellante] uitgaan. Gezien het slagen van de grieven 1 t/m 3 zal het hof hierna de vorderingen van [appellante] in conventie alsnog verder inhoudelijk beoordelen.

3.4.1.

Uit hetgeen [geïntimeerde 1] heeft gesteld omtrent de reden waarom het pand door hem is gekocht en aan hem in eigendom is geleverd en de reden waarom hij het vervolgens aan [geïntimeerde 2] heeft verkocht en geleverd kan niet worden geconcludeerd dat er voor [geïntimeerde 1] een rechtens afdwingbare verplichting ten grondslag heeft gelegen aan het sluiten van de overeenkomst van koop en verkoop tussen hem en [geïntimeerde 2]. [appellante] stelt zich terecht op het standpunt dat die overeenkomst een onverplicht verrichte rechtshandeling is geweest.

3.4.2.

[appellante] stelt eveneens terecht dat zij door de verkoop en levering van de woning aan [geïntimeerde 2] in haar verhaalsmogelijkheden is benadeeld. Bij eigendom van [geïntimeerde 1] van de woning kon [appellante] haar vordering uit overbedeling daarop verhalen. Gelet op het feit dat [geïntimeerde 1] de woning heeft gekocht met onder meer de gelden die hij ten behoeve van een eventuele vordering van [appellante] op de derdenrekening van de notaris had gedeponeerd, mag worden aangenomen dat de woning verhaal bood. Dat geldt temeer indien de woning door een voor rekening van [geïntimeerde 1] gerealiseerde verbouwing nog meerwaarde heeft verkregen. Door verkoop en levering van de woning aan [geïntimeerde 2] onder de aan die verkoop verbonden voorwaarden als in 3.1.1. onder g vermeld en zonder bij de koopprijs rekening te houden met de verbouwing ging die verhaalsmogelijkheid verloren.

3.4.3.

[geïntimeerden] betwisten wel dat zij ten tijde van de gewraakte rechtshandeling hebben geweten dat benadeling van [appellante] daarvan het gevolg zou zijn, doch het hof acht die betwisting onvoldoende gemotiveerd in het licht van hun erkenning dat [geïntimeerde 1] voor de aankoop van de woning het geldbedrag van € 281.312,50 heeft aangewend dat ten behoeve van een mogelijke verdelingsvordering van [appellante] was gereserveerd. [geïntimeerden] hebben weliswaar in eerste aanleg (concl.v.antw. in conv, eis in reconv. p. 6 onder Q) gesteld dat dit bedrag weer zou zijn teruggestort in het depot doch die stelling is door [appellante] uitdrukkelijk betwist (concl.v.antw. in reconv. 4). Nu [geïntimeerden] die stelling daarna verder niet nader hebben onderbouwd of met concrete bescheiden (zoals een bewijs van storting of overmaking van het desbetreffende bedrag) hebben gestaafd, gaat het hof aan die stelling als onvoldoende feitelijk onderbouwd voorbij. Voorts hebben [geïntimeerden] niet (gemotiveerd) betwist dat de woning voor rekening van [geïntimeerde 1] is verbouwd en daardoor in waarde is gestegen zodat, afgezien van het voorgaande, ook de tussen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overeengekomen koopprijs al tot nadeel leidde, naar voor [geïntimeerden] duidelijk moet zijn geweest.

3.4.4.

Bij de memorie van grieven in het principaal appel heeft [appellante] de beschikking van 10 januari 2014 van de rechtbank Oost-Brabant (prod. 1 mem.v.grieven) overgelegd waarin in de overwegingen 1.1 t/m 1.23 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen is vastgesteld. [appellante] stelt dat uit die beschikking overduidelijk blijkt dat zij wegens overbedeling van [geïntimeerde 1] een aanzienlijke vordering heeft op [geïntimeerde 1]. Die stelling is door [geïntimeerde 1] niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist en vindt, hoewel in de beschikking niet een per saldo door [geïntimeerde 1] aan [appellante] te betalen bedrag is vermeld, voldoende steun in de overgelegde beschikking. Daarmee staat de - op het moment van beoordeling van de vordering ex art. 3:45 BW vereiste - benadeling vast.

3.4.5.

Op grond van het voorgaande acht het hof de - in verband met de plaatsgevonden hebbende verkoop van de woning en de depotovereenkomst d.d. 1 november 2011 tussen partijen - gewijzigde en in de conclusie van de memorie van grieven nader geformuleerde vorderingen van [appellante] voor toewijzing vatbaar. Het hof zal, met vernietiging van het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen, die vorderingen alsnog toewijzen en [geïntimeerden] als de geheel of grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding in eerste aanleg in conventie verwijzen. Nu partijen zich er niet over hebben uitgelaten of de beschikking van de rechtbank van 10 januari 2014 al dan niet kracht van gewijsde heeft gekregen en zij evenmin een berekening hebben gemaakt van het concrete bedrag waarop [appellante] ingevolge die beschikking jegens [geïntimeerde 1] per saldo aanspraak kan maken, zal het hof de vordering onder 3 (de vordering ter zake het onder de notaris blijven van het depotsaldo) toewijzen als in het dictum van dit arrest vermeld.

3.5.

Grief 4 is na het voorgaande verder niet relevant en kan onbesproken blijven.

het incidenteel appel

3.6.

Het hof stelt vast dat, hoewel blijkens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg de advocaat van [geïntimeerden] te kennen heeft gegeven dat de eisen in reconventie alleen worden ingesteld door [geïntimeerde 2] en niet door [geïntimeerde 1], de rechtbank in haar vonnis van 24 april 2014 [geïntimeerden] als partij in reconventie heeft aangemerkt en de vorderingen in reconventie heeft besproken als in de conclusie van eis in reconventie geformuleerd. Nu [geïntimeerden] daartegen geen grief hebben gericht en bij de memorie van grieven in incidenteel appel de vorderingen in reconventie op dezelfde wijze hebben geformuleerd als in de conclusie van eis in reconventie in eerste aanleg en tot toewijzing alsnog van die vorderingen hebben geconcludeerd, zal ook het hof uitgaan van die vorderingen.

3.7.1.

In grief 1 klagen [geïntimeerden] dat de rechtbank ten onrechte niet hun verweer heeft gehonoreerd dat [appellante] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen.

3.7.2.

Voor zover [geïntimeerden] met deze grief mede beogen te doelen op hun in eerste aanleg gevoerde verweer, dat [appellante] geen schuldeiser is van [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2], faalt de grief. Het hof verwijst daarvoor kortheidshalve naar hetgeen het in het kader van het principaal appel heeft overwogen.

3.7.3.

Gezien de toelichting op de grief behelst deze grief voorts het verweer van [geïntimeerden] dat [appellante] bij haar vorderingen geen belang heeft. [geïntimeerden] voeren aan dat vernietiging van de gewraakte rechtshandelingen geen enkel effect zal hebben nu de woning [straatnaam 5][huisnummer] te [plaats 4] inmiddels met medewerking van [appellante] is verkocht en geleverd aan derden en tussen partijen de depotovereenkomst van 1 november 2011 is gesloten.

3.7.4.

Ook ten aanzien van dit verweer faalt de grief. Bij dit standpunt miskennen [geïntimeerden] (a) dat vernietiging op grond van art. 3:45 BW leidt tot relatieve nietigheid en geen goederenrechtelijk effect heeft ten aanzien van derden die enig goed te goeder trouw hebben verkregen, (b) dat de gewijzigde vordering van [appellante] is beperkt tot een dergelijke relatieve nietigheid en een vaststelling in rechte dat zij zich op grond van art. 3:45 BW op de vernietigbaarheid van de gewraakte rechtshandelingen kan beroepen en (c) dat [appellante] bij die vaststelling nu juist belang heeft in verband met de tussen partijen op 1 november 2011 gesloten depotovereenkomst, waarin afdracht van het in depot gestelde bedrag van € 120.000,= onder meer afhankelijk is gesteld van de beslissing over de door [appellante] ingeroepen vernietiging.

3.8.1.

De grieven 2 tot en met 5 zijn gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van het beroep van [geïntimeerden] op vernietiging van de depotovereenkomst op grond van bedrog, dwang, dwaling en/of misbruik van omstandigheden en van de daarop steunende vordering tot veroordeling van [appellante] tot betaling aan [geïntimeerde 2] van het depotbedrag van € 120.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 november 2011. In grief 6 stellen [geïntimeerden] dat de rechtbank ten onrechte de vordering van [geïntimeerde 2] tot vergoeding van de door haar ten gevolge van de beslaglegging op de onroerende zaak [straatnaam 5][huisnummer] te [plaats 4] geleden schade heeft afgewezen.

3.8.2.

Aan alle voormelde grieven ligt de stelling van [geïntimeerden] ten grondslag dat [appellante] geen vordering toekomt op [geïntimeerde 1], dat zij ten onrechte een dergelijke vordering claimt, ten onrechte een beroep op de vernietigbaarheid van de verkoop en levering van het pand [straatnaam 5][huisnummer] te [plaats 4] door [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 2] doet, en dat zij ten onrechte en onrechtmatig beslag op voormelde onroerende zaak heeft gelegd en daarmee heeft bewerkstelligd dat de depotovereenkomst tussen partijen is gesloten. Nu het hof, zoals in het principaal appel besproken, de aanspraken van [appellante] wel terecht acht, falen reeds daarom de grieven. Aan [appellante] kan niet worden verweten dat zij enige aanspraak heeft gepretendeerd waarvan zij wist dat daarvan geen sprake was en die zij slechts zou hebben vervolgd om [geïntimeerden] te benadelen. Van enige door [appellante] bij [geïntimeerden] teweeggebrachte onjuiste voorstelling van zaken is niet gebleken. Aan [appellante] kan voorts niet als onrechtmatig handelen worden verweten dat zij haar aanspraken veilig heeft willen stellen door een daarvoor rechtens ten dienste staand middel als beslaglegging. Het feit dat [geïntimeerden] de depotovereenkomst mogelijk onder de druk van het beslag zijn aangegaan om tot opheffing van het beslag te komen en de onroerende zaak aan derden in eigendom te kunnen overdragen, is geen omstandigheid die [appellante] als misbruik van omstandigheden kan worden verweten.

3.9.

Nu geen van de grieven slaagt, zal het vonnis waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen worden bekrachtigd.

in principaal en incidenteel appel

3.10.

[geïntimeerden] zullen als de geheel of grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal en het incidenteel appel worden verwezen. Voor wat betreft de kosten van het principaal hoger beroep zal het hof de door [appellante] gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten toewijzen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de overeenkomst van koop en verkoop van de onroerende zaak [straatnaam 5][huisnummer] te [plaats 4] als genoemd in de notariële leveringsakte van 22 april 2010 betreffende de levering van dit pand een vernietigbare rechtshandeling is als bedoeld in art. 3:45 BW;

vernietigt tussen partijen voormelde overeenkomst van koop en verkoop van het pand en de op grond van die overeenkomst plaatsgevonden levering van het pand door [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 2];

bepaalt dat het depotbedrag van € 120.000,= zoals zich dat bevindt onder notaris mr. J. van de Meulengraaf te Best onder de notaris blijft om door de notaris overeenkomstig het bepaalde in de depotovereenkomst te worden afgedragen;

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie, welke kosten tot op heden worden begroot op € 295,80 aan verschotten en op € 904,= aan salaris advocaat;

wijst het in conventie meer of anders gevorderde af.

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit in reconventie is gewezen;

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van het principaal beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] worden begroot op € 384,80 aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak bij niet voldoening van de proceskosten binnen veertien dagen na deze uitspraak en te vermeerderen met de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het verschuldigd worden van die kosten;

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, welke kosten tot op heden worden begroot op € 447,= aan salaris advocaat;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en
C.W.T. Vriezen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 augustus 2014.